dinsdag 22 november 2016

Lost in the forest




















Uit de serie: Geen Kunst
Laat u rondleiden door beeldentuin De Wereld door de gids

Je komt het tegen, op je pad. Het ís geen kunst, maar zou dat zomaar wél kunnen zijn. Het is maar net hoe je er naar kijkt. En of je het wilt zien. De wereld een beeldentuin.

donderdag 17 november 2016

Overpeinzing





Dat mag ook al niet meer. Het was een losse opmerking die de man per ongeluk opving in de supermarkt. Wat eraan voorafgegaan was, had hij niet gehoord, of gezien. Hij hoorde alleen: dat mag ook al niet meer. Kent u die uitdrukking? Dacht hij er automatisch achteraan.
Dat mag ook al niet meer. Het was een oudere dame die de opmerking maakte, een keurige oudere dame. Tegen haar keurige oudere echtgenoot, die het boodschappenwagentje duwde. Ze trok er een ontevreden gezicht bij, de dame, hoewel de man ook dacht dat ze dat gezicht waarschijnlijk niet speciaal voor de gelegenheid trok. Dat het gewoon altijd zo stond.
Haar echtgenoot keek ook heel ontevreden, maar dat kon net zo goed te maken hebben met het feit dat hij steeds niet ter zake doend achter zijn vrouw aan moest hobbelen, met die kar, omdat zíj alweer doorliep, zonder te zeggen waar ze heen ging, terwijl híj nog stond te kijken naar de uitstalling waar ze juist bij stil waren blijven staan. En hij hád al geen zin in boodschappen doen. Ach, het huwelijk..
Dat mag ook al niet meer. Het echtpaar zag er verzorgd en welvarend uit. Ze droegen mooie, dure kleren, waren goed gekapt en hadden een egaal gezond kleurtje op het ontevreden gelaat, wat deed vermoeden dat ze onlangs nog een vliegreisje naar de zon hadden ondernomen. De boodschappenkar was goedgevuld, buiten wachtte de zilvergrijze middenklasser, of de elektrische fiets.
Dat mag ook al niet meer. Wat er nu precies ook al niet meer mocht, was de man dus ontgaan, maar omdat het zich afspeelde rond een uitstalling van speculaaspoppen en letters van banket, had hij wel een vermoeden in welke richting hij het moest zoeken. En wat er verder allemaal nog meer niet meer mocht, volgens het keurige echtpaar. Want ja, de man las ook de krant. De man zat ook wel eens op twitter en facebook. En daar werd het dagelijks breed uitgemeten, wat er allemaal ook al niet meer mocht. Met flauwe grappen en boze verhalen. Meestal las en keek de man er maar een beetje omheen. Hij wist het wel eens een keertje en had geen zin zich in verbeten loopgravendiscussies te mengen. Dat had ook geen zin bovendien. Maar het stoorde hem wel. Ook nu, in de supermarkt, stoorde het hem.
Dat mag ook al niet meer. Heel even voelde de man de aanvechting om er toch op in te gaan. Om het keurige echtpaar en alle andere mensen in de supermarkt en overal in het land te troosten, en gerust te stellen dat ze niet bang hoefden te zijn. Dat het niet erg was om af en toe iets ter discussie te stellen. Om over sommige dingen eens opnieuw na te denken, of we het nog wel goed zagen, of dat er, met de kennis van nu en in de wereld van vandaag, misschien nieuw licht op de zaken viel. Dat het niet eng was met elkaar te praten of het niet anders, of beter kon, eventueel. En soms misschien eens iets een beetje te veranderen, zelfs al zag je er zelf het nut niet van. Gewoon, voor de lieve vrede. Dat je het ook als teken van betrokkenheid bij de samenleving, van integratie, van saamhorigheid desnoods kon opvatten, wanneer zaken ter sprake werden gebracht. Dat we immers in een vrij land leefden. Waar juist bijna alles mocht.
Maar hij deed het niet, de man. Hij onderdrukte zijn aanvechting, slikte zijn ergernis in en ging op zoek naar de spekjes, voor bij het etensmaal.

maandag 14 november 2016

Uitstel





Zo af en toe werd de man door zijn jongste zoon uitgedaagd tot een wedstrijdje armpje drukken. Typisch mannendingetje natuurlijk. Kijken wie het sterkste is. Het verste kan. De grootste heeft.
Testosteron en macho en zo, dus niet goed te praten waarschijnlijk, qua feminisme, maar daar had zijn jongste zoon geen boodschap aan. De man volgde dat ook niet meer zo heel erg trouwens. En die jongen had daar nou eenmaal af en toe behoefte aan, op zijn leeftijd, een krachtmeting met zijn vader. Kijken wie de sterkste was. Of hij al de sterkste was. Groar! Dus: ellebogen op tafel!
De laatste keer, een jaar geleden zal het geweest zijn, misschien wel langer, was de man nog met de schrik vrijgekomen. Voor nu zag hij zijn geest al zweven. Zijn jongen stak anderhalve kop boven zijn vader uit - hij moest bukken om de oude man gedag te kussen - en was vier avonden per week in de sportschool te vinden, waar hij steeds grotere gewichten stond te deadliften.
De man bezocht tegenwoordig dan ook wel de sportschool, maar dat mocht eigenlijk ook weer geen naam hebben. Dat was meer de vergeefse en te laat ingezette strijd tegen het verval. Nee, hij maakte zich op om het onvermijdelijke waardig, en met gepaste trots te ondergaan. Bijna zeventien, was zijn jongste. Een goed moment, voor zoiets.
Maar het hoefde nog niet. Tot zijn eigen verbazing.
Hoewel verder alles wat hij als vader ooit te berde bracht onmiddellijk en compromisloos in twijfel werd getrokken, en hij voor zijn zoons allang niet meer de man was die hij ooit in hun jongensogen geweest was, was hij tot nader order dus nog wel de sterkste papa van de wereld. En, hij gaf het toe, dat deed zijn vaderhart goed.
Wel jammer dat zijn vrouw óók nogal verbaasd bleek. Nog verbaasder dan hijzelf, eigenlijk. Daar baalde hij wel een beetje van ja.
Ook een mannendingetje, waarschijnlijk.

maandag 24 oktober 2016

Niet genieten






Tijdens de eerste zonovergoten herfstwandeling van het seizoen waren zijn vrouw en de man verzeild geraakt in een hippe strandtent, op het betere strand. Voor het bijbehorende kommetje soep. Noordzeevissoep, om precies te zijn.
Het was behoorlijk druk in de hippe strandtent, een tafeltje voor twee zat er zo één twee drie niet in. Zijn vrouw en de man namen daarom min of meer noodgedwongen plaats op een zojuist vrijgekomen loungemeubel, een zeer langgerekt lederen kussen met te ver naar achteren geplaatste rugleuning, waarvan het de bedoeling was dat je jezelf er juist ongedwongen op drapeerde, wat nog niet meeviel met een vrij zware kom hete soep in de hand.
Het loungemeubel was zelfs zó langgerekt, en in L-vorm bovendien, dat het naast zijn vrouw en de man ook nog plaats bood aan een jonge vader met zijn zoontje, die zich zonder te groeten of notitie van hen te nemen aan hetzelfde, in verhouding tot de bank vrij kleine salontafeltje installeerden. Knie aan knie zat de man daar met de jonge vader.
De jonge vader was gekleed in een robuust vest met opstaande kraag en daaroverheen een blauwe outdoorjas. Aan de voeten wandelschoenen die nog niet veel hadden meegemaakt en op het nonchalant net niet geschoren hoofd zo’n ten onrechte opnieuw in de mode geraakte platte pet. Een flat cap, heette het nu waarschijnlijk, voor dat geld.
De jonge vader had er duidelijk niet al teveel zin in. In zijn zoontje. Hij was er misschien mee opgescheept, door zijn ex, op zijn vrije dag, terwijl hij eigenlijk heel andere plannen had.. dat wist je natuurlijk niet, maar het was goed te zien dat hij er niet op was ingesteld er dan toch maar iets van te maken.
De man snapte er niks van, want het was een aandoenlijk zoontje, met een ferme snottebel en zijn donkere haar door de war. Een kilo zand in zijn laarzen. Maar met hoeveel aanstekelijke verwondering het zoontje de hippe strandtent ook van commentaar voorzag, met hoeveel ontroerend kinderlijk enthousiasme hij zijn warme chocolademelk met slagroom ook hapje voor hapje naar binnen lepelde, hoe aanmoedigend hij zijn zwarte kijkers ook op zijn vader richtte om antwoord, de jonge vader reageerde verveeld en afwezig op zijn vrolijk gebabbel. Liever bladerde hij door de krant.
Sukkel! Dacht de man. Enorme sukkel! Geniet er nou toch van! Nu het nog kan. Straks is hij vijftien, straks is hij veertien, en dan is dit allemaal voorbij. Voor altijd voorbij.

donderdag 30 juni 2016

Een geheim transport




















Uit de serie: Geen Kunst
Laat u rondleiden door beeldentuin De Wereld door de gids

Je komt het tegen, op je pad. Het ís geen kunst, maar zou dat zomaar wél kunnen zijn. Het is maar net hoe je er naar kijkt. En of je het wilt zien. De wereld een beeldentuin.

dinsdag 28 juni 2016

Wiens bier men drinkt

Tegenover elkaar in de trein zaten twee mannen. Stoere mannen. Werkmannen. Zware schoenen, stevige knuisten, bakkebaarden. Op het tafeltje tussen hen in stonden zes bierblikjes - halve liters van een bedenkelijk merk - waarvan er vier met krachtige hand waren samengeknepen. Zoals echte mannen dat doen. Niet om ruimte te sparen in de oranje bak, maar om aan te geven dat het leeggedronken is. Dat je het eventueel als asbak kon gebruiken.
Leeggedronken door de mannen, nam ik aan, want aan nummer vijf en zes waren ze bezig. Het was twee uur ’s middags en het was de trein uit Den Helder, die dus, gerekend van waar ik instapte, niet veel langer dan 15 minuten onderweg kon zijn want hij was zowaar op tijd. De mannen hielden er een straf tempo op na, en het zat er vroeg voor ze op. Ze zouden ook wel middenin de nacht begonnen zijn waarschijnlijk. Zulke mannen leken het mij wel. En ze hadden het over het werk.
De man die het hoogste en luidruchtigste woord voerde sprak rap Engels met een nogal Schots aandoende tongval. Al kon het net zo goed Iers zijn, dat houd ik nooit uit elkaar. Dat maakt verder ook niet zoveel uit, de lange redevoering die de man afstak was er moeilijk door te verstaan. Voor mij, in elk geval. Wat ik er wel uit kon opmaken was dat de spreker erg content was over het eigen functioneren, zeker wanneer hij dat vergeleek met anderen, die aan dezelfde klus werkten.
De tweede man sprak niet veel. Aan zijn uiterlijk te zien kwam hij uit zuidelijke streken. Omdat hij precies leek te weten waar de ander het over had, of in elk geval op die manier werd toegesproken, nam ik aan dat ook hij aan de klus had gewerkt. Hij dronk zijn bier en lachte wat, maakte veel instemmende geluiden. Herhaalde af en toe iets dat gezegd werd. Het Engels waarin dat gebeurde deed de vraag rijzen of hij de monoloog van zijn metgezel inderdaad zo goed kon volgen als waar die blijkbaar vanuit ging. Hooguit de strekking, dacht ik. Maar die was dan ook duidelijk genoeg. Net als de verhoudingen.

maandag 27 juni 2016

Eind niet al goed

Goed, dan word je dus bijna doodgereden door een brommer. Op klaarlichte dag nota bene, een prachtige, zonnige dag bovendien. En zo goed als in de schaduw van de kerk, óók nog eens een keer, of de duvel ermee speelt.
Nou goed, je wordt dus bijna doodgereden.. door een brommer.. maar.. dat is dan nog tot dááraan toe. Of, tenminste.. ja.. nee.. je schrikt natuurlijk. Man! Je schrikt je te pletter. Een hartverzakking, houd je eraan over. Komt zo’n jongen opeens recht op je af scheuren, op z’n knetterende crossbrommer. Aan jouw kant van de weg. Voor hem dus de verkeerde. Omdat hij te cool is, waarschijnlijk, om gewoon braaf en rustig met de S van de weg mee te rijden. Of omdat hij te hard rijdt om dat voor elkaar te krijgen. Dat kan ook. Omdat hij het wel bij zijn masculiene, sportieve rijstijl vindt passen om in één rechte streep twee bochten tegelijk af te snijden, en jou - een grijze ouwe lul op de fiets - daar meteen eens een beetje bij te laten schrikken. Heeft hij gelijk weer een mooi stoer verhaal, om aan zijn matties te vertellen. Met die wezenloze, holle lach van opgeschoten jongens onder elkaar.
Of misschien heeft hij je wel helemaal niet eens gezien, met zijn door adrenaline verduisterde blik. Of wel, maar je kop staat hem niet aan. Of je jasje. Of je kijkt iets te lang in zijn richting.. met nét de verkeerde gelaatsuitdrukking.. weet jij veel wat er in die halfdoodgeblowde, door hormonen en energydrankjes vertroebelde puberhersens omgaat? Zien kun je het in dit geval in elk geval niet want hij heeft een bijpassende integraalhelm met spiegelend glas op, een vorm van gezichtsbedekkende kleding waar je nou nooit eens iemand over hoort klagen, vreemd genoeg.
Als een groot, boos insect komt hij razend op je af. Je wijkt uit, voor zover dat kan, je raakt maar nét de stoeprand niet, je voelt de jongen op de brommer rákelings langs je heen gaan, het vermoeden van lijfelijk contact maar je wordt niet geraakt, je valt niet, je roept iets als: eikel, of: klootzak, en het loopt allemaal maar net goed af. Tien seconden duurt het, alles bij elkaar. Als het niet minder is. En je schrikt. Je schrikt je te pletter. Een hartverzakking.
Maar dat is dus niet het ergste.
Het ergste is dat je daarná nog een hele tijd bezig bent af te rekenen met je eigen machteloze woede. Je eigen kolkende gedachten over wat er had kúnnen gebeuren. Als het net níet goed was afgelopen. Als je wél was geraakt, als je wél was gevallen. Als je jongens daar dromerig breeduit slingerend naast elkaar hadden gefietst. Als een winkelende kleuter de straat op was gerend. Enzovoorts.
Zeker een uur raast er een niet te stoppen stroom boosaardige wraakscenario’s, strafprogramma’s en andere ongewenste borreltafelgedachten door je hoofd, voordat je weer een béétje terug bent bij het goede humeur waar je mee van huis was gegaan.
En dat is het ergste.
Want zóveel aandacht, dat gun je zo’n jongen niet.


Dit stukje stond al eerder op die weblog. In deze licht gewijzigde vorm las ik het voor als column van de week op de lokale radio.

woensdag 15 juni 2016

Jong grut

Hoe het zo gekomen was, was nogal een lang verhaal en het voerde ook zeker te ver om dat er hier ook nog allemaal bij te vertellen, maar op één of andere manier was de man dus terechtgekomen bij de musical Buurman en Buurman worden beroemd. Een musical voor kinderen, dat mag duidelijk zijn. Met zijn vrienden van de toneelvereniging.
Zelf maakte de man ook voorstellingen voor kinderen, als goedbedoelend amateur, dus ook vanuit dat perspectief was het logisch dat hij zich bij het uitje had aangesloten. Nu kon hij eens zien hoe dat professioneel werd aangepakt. En wellicht inspiratie op doen, je wist het maar niet.
Of de musical ook maar in de verte kon tippen aan de geliefde poppenserie op televisie, dat blijft hier discreet in het midden. Net als de vraag of de man met inspiratie naar huis ging. In elk geval had hij nu gezien hoe het eruit zag wanneer zoiets professioneel werd aangepakt. Verder had hij een bijzonder leuke middag gehad en dat was ook wat waard.
Waar het om ging, is het volgende:
Eén van de deelnemers aan het uitje, één van zijn toneelvrienden dus, was een moeder van drie kinderen in de leeftijdscategorie voor wie de musical zo ongeveer bedoeld was. Leuke kinderen waren het, en de man sloofde zich de hele treinreis naar het theater nogal uit om bij ze in een goed blaadje te komen, met grapjes en flauwe praatjes. Dat deed hij nou eenmaal graag.
Ook omdat de andere deelnemers aan het uitje voornamelijk mannen van boven de zestig waren, rekende de man zich gaandeweg rijk met het idee dat hij best nog voor een leuke jonge vader door kon gaan. Op zijn charmante routine, zogezegd.
Eenmaal aangekomen in de foyer van het theater bloeide zijn leuke jonge vaderhart nog wat verder op doordat het er krioelde van precies het soort aandoenlijk rondhobbelende peuters en kleuters zoals hij er zelf ook nog wel een paar zou willen hebben. Maar al snel drong de harde werkelijkheid tot hem door. Want al die snotapen die daar dan weer omheen liepen te draaien, met knuffels en zakdoekjes en bekertjes limo, dat waren natuurlijk de vaders van dat grut. De leuke jonge vaders. Waarvan hij, op zijn beurt, wel de vader had kunnen zijn.
Hij kon zich er maar beter bij neerleggen, besefte de man. Hij had zijn beurt ruimschoots gehad, met een eerste en een tweede leg. Binnenkort werd zijn eerste kleinkind geboren. En was hij een leuke jonge opa.

woensdag 1 juni 2016

I hear you knockin'




















Uit de serie: Geen Kunst
Laat u rondleiden door beeldentuin De Wereld door de gids

Je komt het tegen, op je pad. Het ís geen kunst, maar zou dat zomaar wél kunnen zijn. Het is maar net hoe je er naar kijkt. En of je het wilt zien. De wereld een beeldentuin.

dinsdag 31 mei 2016

Met een mens

Goedgehumeurd ging ik op weg. Een tikkeltje ongebruikelijk misschien, met een reis van ruim twee uur voor de boeg, met het openbaar vervoer, met twee keer overstappen, ook nog, maar toch: ik had er zin in. Het klinkt onwaarschijnlijk, ik weet het, maar zo was het. En niet zonder reden. Ik ging vanavond namelijk uit eten met mijn dochter, die ik, omdat ze zo ver weg woont, nou ook weer niet dagelijks zie. Nu hadden we weer eens afgesproken en ik verheugde me op een vaderlijk avondje gezellig bijpraten. En aangezien ze tegenwoordig zwanger is, en ik dus binnenkort opa wordt, jawel, was er veel, en veel leuks, om uitgebreid over te praten.
Nog geen vijf minuten was ik onderweg, ik stond nét op perron 1, ingecheckt en al, met mijn goede humeur, of een nogal ontnuchterend omroepbericht gooide roet in het eten. Er werd melding gemaakt van een aanrijding met een persoon, verderop. Het treinverkeer was gestremd. Er reden voorlopig geen treinen meer in de richting van waar ik moest zijn.
Een aanrijding met een persoon. Dat is een eufemisme, dat weet iedereen. Het heeft, vind ik, altijd iets vreemds en ongemakkelijks, wanneer dat zo zakelijk wordt omgeroepen.
Een aanrijding met een persoon. Het had ook nu iets ongepasts, vond ik, zoals dat zo weinig discreet over de perrons en door de coupés werd gegalmd. Een aanrijding met een persoon. Daar hadden al die passagiers, die dat nu allemaal voor het thuisfront in hun telefoontjes stonden te herhalen, toch eigenlijk niets mee te maken. Dacht ik. Oók vanwege het gemopper en geklaag dat dan op die mededeling volgde. Van mensen die nu misschien een half uurtje om moesten rijden, via een ander station. Of wat langer moesten wachten, op het perron in de zon. Mensen die oprecht verontwaardigd niet begrepen dat er na vijf minuten nog altijd geen bussen waren ingezet.
Twee meisjes binnen mijn gehoorsafstand werden zelfs zéér verongelijkt schijtziek van mensen die voor de trein sprongen. Daar konden ze dus echt geen medelijden mee hebben, lieten ze luid en duidelijk horen. Konden die losers er thuis dan geen einde aan maken, waar niemand er last van had. Waar zíj er geen last van hadden.
Nou ja, ik vond het ook vervelend natuurlijk, dat mijn reis nu werd onderbroken, nog voor hij goed en wel was begonnen. Dat ik eigenlijk misschien ook maar beter rechtsomkeert kon maken. Dat mijn vaderlijk avondje uit erbij in leek te gaan schieten.
En ik vind voor de trein springen nou ook niet echt een discrete manier om het leven te beëindigen. Nee, dat heeft ook zeker iets ongepasts.
Toch kon ik, mijn medepassagiers zo aanhorend, ook niet anders dan bedenken hoe eenzaam en ellendig iemand zich moest voelen om die sprong te maken. En hoe eventuele achterblijvers zich altijd zouden blijven afvragen waarom. Waarom in vredesnaam? Hoe een machinist iemand al zag staan, en dan al wíst wat er ging gebeuren vóór dat het was gebeurd, maar niets meer kon doen om dat te voorkomen. Die dat maar moest zien te verwerken.
En dan was ik eigenlijk blij dat ík alleen maar een half uurtje vergeefs hoefde te wachten. En alleen maar weer naar huis hoefde. Naar mijn vrouw, en mijn kinderen.

Dit stukje stond al eerder op dit weblog. In bovenstaande, licht gewijzigde vorm las ik het deze week voor als column van de week op de lokale radio.

woensdag 18 mei 2016

Beeldend knutselaar

Une promenade pensive avec monsieur Giacometti.

Een foto die is geplaatst door Jos van Venrooij (@josvanvenrooij) op

zaterdag 30 april 2016

Mannendingetje





Ooit had ik een prima muziekinstallatie bij elkaar gespaard waar ik al die tijd erg tevreden mee was. Terugkijkend is dat wel alweer héél erg lang geleden eigenlijk, want gut, wat draaide ik daar toen allemaal op? David Bowie, Talking Heads, The Pretenders. Elvis Costello, Joe Jackson, The Jam. The Beat, niet te vergeten.
Later, in een toch óók al wel behoorlijk grijs verleden, begaven mijn boxen het als eerste en, met het verhaal dat ik eerst voor iets fatsoenlijks zou sparen, werden die voor zolang even vervangen door een even onooglijk als onoorlijk stelletje ongeregeld uit de kringloopwinkel. Later aangevuld met een dito versterker en cd speler omdat die het inmiddels ook één voor één niet meer deden. Alleen mijn platenspeler, die liet mij niet in de steek.
Jarenlang heb ik vervolgens mopperend maar laks, laks maar mopperend de vele ongemakken van mijn aldus aangespoelde stereo voor lief genomen. Geruis, gebrom, gekraak en gezoem. En heel in de verte nog het vermoeden van muziek. Trots ben ik er niet op, maar zo is het gegaan. Het laatste jaar, ik schaam me bijna het te vertellen, moest ik zelfs regelmatig flink op mijn versterker slaan, met de vlakke hand op de rechterbovenhoek, boven de volumeschuif, om toch ergens één of ander contact tot stand te brengen en dat vermoeden van muziek in elk geval nog uit twéé krakende boxen te laten komen. Tja.
Maar kortgeleden is de geest dan eindelijk over me gekomen. Of in mij gevaren. Of door mijn vrouw, die het gezeur langzamerhand misschien een beetje zat begon te worden, over mij afgeroepen of hoe je dat maar wilde bekijken, en heb ik spikpepernieuwe spullen aangeschaft. Het is heel erg een mannending natuurlijk, dat weet ik heus wel en sorry daarvoor dames, maar wát een verademing! Wát een verrijking van mijn leven! Dagen achtereen zat ik met een gelukzalige glimlach als gehypnotiseerd in mijn stoel, precies in het midden en op de voorgeschreven afstand en hoogte, het ene cd-tje na de andere langspeelplaat te beluisteren. Ik hoorde bliepjes en piepjes en knorretjes die ik nog nóóit gehoord had.
En dan zie je dus ook meteen maar weer eens hoe wonderlijk het menselijk geheugen werkt, vooral bij muziek. De raarste en onbeduidendste weetjes en wistjedatjes kwamen bovenborrelen, bij de oudste muziekjes. Want kijk maar, daar haalde ik dus een elpee van The Beat uit de hoes, jaren niet gedraaid, maar ik wist nog precíes dat bij déze elpee de etiketten verkeerdom geplakt zaten. En dat je dus kant B op moest zetten om kant A te horen.Tears of a clown. Hands off… she’s mine. Mirror in the bathroom. Daar zakte de naald in de groef. Haarscherp klonk het nostalgisch gekraak van vinyl door mijn nieuwe boxen. En werd Too nice to talk to ingezet. Het eerste nummer van kant B.
Het menselijk geheugen werkt dus helemaal niet wonderlijk, weet ik nu. Het doet gewoon maar wat.

Dit stukje stond eerder op dit weblog. Bovenstaande, licht gewijzigde versie las ik voor als column van de week op de lokale radio.

dinsdag 26 april 2016

Het eind van de wereld




Voor iedere stad, ieder dorp of gehucht waar het Nederlands Kustpad ons door voert, maken wij een limerick. Dat is het idee. Een wandellimerick, ons zelfverzonnen genre. En alles kan daarbij een aanleiding zijn. Een ontmoeting of een gesprekje, een toevallige passant, een opvallend uitzicht of inzicht. Een etalage, een uithangbord.. Alles, we zijn al met weinig tevreden.
Zwarte Haan. De Zwarte hoek. De weg ernaartoe is een doodlopende. Wanneer je die oprijdt, wordt je nadrukkelijk gewaarschuwd dat er geen keermogelijkheden zijn. En eenmaal aangekomen, na een lange, smalle slingerdijk, stap je uit in een indrukwekkende leegte. Drie huizen en een gesloten herberg: De Zwarte Haan. Meer is er niet. Enkel land, lucht en zee. Verder kun je niet. Alleen terug. Hier houdt het op. Hier is het eind van de wereld.
In Zwarte Haan zelf ziet men dat anders, getuige het informatiebord waarop deze plek als startpunt van het Jakobspad wordt aangemerkt. Het Jakobspad, de pelgrimsroute naar Santiago de Compostella, dat eindigt bij Kaap Finisterra. En als Kaap Finisterra het eind van de wereld is, zoals de naam beweert, dan moet Zwarte Haan wel het begin zijn. En zo is dat.


Het eind van de wereld

een wandellimerick

Het idee dan men bij De Zwarte Haan
aan het einde van de wereld zou staan,
dat vindt men ter plekke
toch echt van de gekke..
van hier heb je juist nog het hele eind te gaan.

maandag 25 april 2016

Wel en/of niet




















Wat is hier wel/niet verboden/toegestaan, wie en/of wat wel/niet uitgezonderd mits/tenzij hoe en/of wat en hoezo dan wel/niet?

zondag 24 april 2016

Er gaan veel makke schapen in een hok




















Uit de serie: Geen Kunst
Laat u rondleiden door beeldentuin De Wereld door de gids

Je komt het tegen, op je pad. Het ís geen kunst, maar zou dat zomaar wél kunnen zijn. Het is maar net hoe je er naar kijkt. En of je het wilt zien. De wereld een beeldentuin.

dinsdag 19 april 2016

Van armoe zingend door de blubber




Zwarte Haan moet wel het eind van de wereld zijn, denken wij zo. Als we er met de auto op aan rijden worden we ruim van tevoren gewaarschuwd: we rijden een doodlopende weg in zónder keermogelijkheden. De lange en zeer smalle dijk, waarop men zich gelukkig prijst dat er geen tegenliggers zijn, eindigt na een bochtige rit ten slotte abrupt tegen de zeedijk. Links en rechts liggen nog twee of misschien drie huizen en een herberg, die De Zwarte Haan heet, en gesloten is, maar voor de rest is er de zee, het land en de lucht. Verder kun je niet. Alleen terug. Het eind van de wereld.
Zelf ziet Zwarte Haan het anders. Hier ziet men zich juist als het begin van de wereld. Start hier immers niet het Jacobspad? Het pelgrimspad naar Santiago de Compostella, dat eindigt bij Kaap Finisterra? En Finisterra, daar hoef je geen latijn voor gestudeerd te hebben, dat betekent uiteraard: Het eind van de wereld. De logica is van een charmante eenvoud.
Tot 1948 trouwens, was Zwarte Haan eind- noch beginpunt. Van de 16e eeuw tot aan dat jaar werd vanuit hier een veerdienst op Ameland onderhouden. We lezen het op een informatiebord. Samen met het weetje dat de naam Zwarte Haan niets te maken heeft met de mannetjeskip, hoewel die door de gelijknamige herberg dan wel weer pontificaal als logo wordt gevoerd, maar dat Haan hier waarschijnlijk een verbastering is van het woord Harne, dat hoek betekent. We staan in Zwarte Hoek, dus. Dat klinkt dan toch wel weer een klein beetje als het eind van de wereld.
Als we de dijk beklimmen vragen we ons eerlijk gezegd meteen af of het geen vergissing was vandaag te gaan lopen. Er staat een snijdende wind die dwars door onze jassen gaat, en het is stervenskoud. De lente was dit jaar niet verder weg dan vandaag. Dat wordt flink doorstappen. We mijden de kruin van de dijk en lopen ons vastberaden warm over het schuin weglopend asfalt aan de wadzijde. Met links de blik over de kwelder. De grootste kwelder van Nederland, lezen we in het boekje. Al in de 16e eeuw begon men hier, ter verdediging tegen de zee, zogenoemde duikertsdammen aan te leggen, een soort golfbrekers die het vormen van kwelders bevorderden. In de zomermaanden kleurig begroeid, deze kwelder, met allerlei zoutminnende planten, aldus opnieuw het boekje, nu zwart en bruin uitgestrekt tot aan de Waddenzee in de verte. Het zou deprimerend zijn als het niet ook een zekere schoonheid had.


Net als we ons voorzichtig zorgen beginnen te maken hoe en waar we in vredesnaam even wat moeten eten, zonder te bevriezen, of - nog huiveringwekkender vooruitzicht - het hoognodige plasje kunnen doen, doemt in de verte een gebouw op waarvan de wapperende vlaggen doen vermoeden dat het een recreatieve functie heeft. Misschien een camping die er vroeg bij is, hopen wij. Allicht zal er een hoekje zijn waar we wat uit de wind kunnen staan. We zijn met weinig tevreden. Even later blijkt dit het nagelnieuw ogende kweldercentrum Noarderleech te zijn. Neergezet om de grootste kwelder van Nederland te ontsluiten voor de toerist. Dagelijks geopend tussen 9:00 en 17:00 uur. Je leest wel dat er ook mensen zijn die zich daar bozig zorgen over maken, dat de natuur altijd maar ‘leuk’ gemaakt moet worden, met bezoekerscentra, wandelroutes, laarzenpaden, educatieve bordjes en activiteiten voor de kids. Dat de natuur aldus genadeloos wordt verpretparkt. En onder andere omstandigheden zouden wij het daar best nog wel mee eens kunnen zijn ook, maar vandaag vinden we het wel best. Voor een prikkie halen we koffie en thee uit de automaat, we plassen op een kraakhelder toilet, eten ons broodje op überhip steigerhouten loungemeubilair en warmen gratis een beetje op. Als dank laten we een speciaal voor de gelegenheid geschreven wandellimerick achter in het gastenboek.
Of het als straf van hogerhand voor onze decadente pauze gezien moet worden weten we niet, maar als we weer naar buiten stappen, is het inmiddels gaan sneeuwen. Zeker als we landinwaarts trekken en de wind pal tegen waait, snijdt de sneeuw ons buitengewoon onvriendelijk in het gezicht. Onderlangs een rij van acht driftig boven ons uit wiekende windmolens worden we dwars door de weilanden, door de zompige blubber van tractorsporen langs halfbevroren slootjes naar Ferwert gestuurd. Het is een spannende route: de enkeldiepe modderplassen zijn niet altijd even makkelijk te ontwijken, het is glibberig en ongelijk terrein en onze dichtgeslibde en aangekoekte schoenen hebben nauwelijks nog grip. Het regent inmiddels gestaag. Linksaf, rechtsaf baggeren we door het Friese kleiland en vergeten ons voor te stellen hoe fraai dit stuk zou zijn wanneer de zon er op zou schijnen en het zou geuren naar vers gemaaid gras, of akkerbloemen.


Aangekomen in Ferwert zijn onze vingers verstijfd en onze kleren doorweekt. Het leuke is er dan wel vanaf. Met nauwverholen tegenzin slepen we ons naar Hegebeintum, waar de auto nou eenmaal staat. Het zelfverzonnen lied waarmee we de stemming er zojuist nog aardig inhielden, wordt niet meer gezongen en een wandellimerick voor Ferwert zit er niet meer in. We besluiten er de volgende etappe dan maar opnieuw te beginnen, om het plaatsje alsnog recht te doen.
Ook Hegebeintum, waaraan ondanks alles duidelijk valt te zien dat het de moeite waard is, gunnen we vandaag geen verder onderzoek. Druipend en verkleumd vallen we er het bezoekerscentrum binnen, waar we hartelijk en met mededogen worden ontvangen met speciaal voor ons gezette koffie. Als de dienstdoende heren horen dat we zijn komen lopen van Zwarte Haan schudden ze getweeën meewarig het hoofd. Gelopen vanaf de Zwarte Haan, herhalen ze. Jullie lijken wel gek. Nou goed, helemaal ongelijk kunnen we ze vandaag ook weer niet geven.



Een verslag van een wandeling langs het Nederlands Kustpad, van Zwarte Haan naar Hegebeintum, gelopen op dinsdag 1 maart 2016. Meer van het Nederlands Kustpad op www.samenuitenthuis.wordpress.com

dinsdag 12 april 2016

De zeehond




















Uit de serie: Geen Kunst
Laat u rondleiden door beeldentuin De Wereld door de gids

Je komt het tegen, op je pad. Het ís geen kunst, maar zou dat zomaar wél kunnen zijn. Het is maar net hoe je er naar kijkt. En of je het wilt zien. De wereld een beeldentuin.

maandag 11 april 2016

Stukcjes




Kipstukcjes. Het staat er echt. Twee keer zelfs. Dat heeft iemand dus bedacht. Dat deze vegetarische brokjes kipvervanger kipstukcjes moeten heten. Daar heeft misschien wel een heel team creatieven een week of langer op zitten broeden, en brain zitten stormen, voor een hoop geld, en die hebben het uiteindelijk met z’n allen een goed idee gevonden. Kipstukcjes. Jongens, we hebben ‘m hoor: Kipstukcjes.
Dat het kip moet heten als je er juist trots op wilt zijn dat het dus géén kip is, dat vind ik al raar. Maar goed. Dat zal dan wel zijn omdat de klant nou eenmaal niet eet wat hij niet kent. Die moet dus gerustgesteld worden dat hij dat enge plantaardige spul zonder E nummers gewoon kan eten, omdat het naar kip smaakt. Omdat dat in elk geval de bedoeling is, dat het naar kip smaakt. En dat je dat ook tegen je gasten kunt zeggen, als ze niet willen eten wat je ze voorzet: het zijn stukjes kip.. zonder kip! Jaja.. stukjes kip zonder kip.
Het zijn dus stukjes, begrijp ik.
Oh nee.. stukcjes. Met k c.
Projectontwikkelaars en gemeentebesturen doen dat ook. Overal potsierlijk authentiekerige extra letters tussen plakken, om een stukje historische, bourgondische achtergrond te suggereren bij hun fantasieloze catalogus-appartementencomplexen, en ze zo enig nepcachet mee te geven.
’s-Graevenstaete. Brouckhove. Dat werk. Projectontwikkelaars en gemeentebesturen, daar dient men dan ook zéér wantrouwend tegenover te staan. Die hebben niet het beste met de mensheid voor. Daar zou ik niet mee geassocieerd willen worden, met mijn kipstukcjes. Maar bovendien: stukcjes, dat slaat als een tang op een varken uit de bio-industrie. Het is fout! Het bestaat niet. Zelfs als het oud-Hollandsch bedoeld is, is het fout want driehonderd jaar geleden bestond het ook al niet. Het is ideeënarmoede! En taalverloedering! En dat vind ik niet lekker, al was het 1000% plantaardig.
En dan nog iets: hoezo besparen deze kipstukcjes mij eigenlijk 10 minuten wandelen? Liggen de echte kipfiletjes soms 10 minuten wandelen verderop in de koeling? Ik weet natuurlijk heus wel wat er bedoeld wordt, maar ik heb helemaal geen bezwaar tegen wandelen. Sterker nog, ik hóud van wandelen. Ik ben een wandelaar. En wandelen, dat weten ze bij de verantwoorde plantaardige kippenfabriek zonder E nummers blijkbaar niet, wandelen is gezond! Voor lichaam en geest. Lekker met je kop in de wind of je bol in de zon.. heerlijk! Wandelen, dat kún je eenvoudig niet teveel doen. Daar wil je helemaal geen 10 minuten op besparen, dat doe je met liefde en plezier 10 minuten extra. Dus als je daar blijkbaar plofkip voor moet eten, dan moet dat maar.

zaterdag 9 april 2016

Veel plezier




















Alle andere spelen zijn toegestaan, mits de uitrit wordt vrijgelaten. Wij wensen u veel plezier.

donderdag 7 april 2016

De thuisblijver heeft ongelijk

Mag ik ook nog even wat zeggen over dat referendum? Normaal ben ik niet zo van de meningen en de actualiteit, op dit weblog, en iedereen is er al lang en breed schijtziek van natuurlijk, van al die verhalen voor en tegen, maar er moet me iets van het hart. Daarna houd ik er meteen weer mee op, dat beloof ik.
Kijk, de uitslag ligt nu op tafel. Dat is nee geworden. Tja, dat zat erin. En nu steken allerlei mensen hun vinger op om te beweren dat dit niet democratisch is. Dat het een flauwekul-referendum is, omdat de initiatiefnemer een rare bril en een matrozenpetje op heeft. En omdat de initiatiefnemers zelf nee-stemmers zijn. Dat de gemiddelde nee-stemmer een schreeuwer is, die om de verkeerde redenen nee stemt. Vanuit de onderbuik namelijk, om te pesten. En: dat toch maar mooi de overgrote meerderheid van de bevolking is thuisgebleven, waarmee dan allerlei signalen zouden zijn afgegeven. Signalen waar óók naar geluisterd zou moeten worden. Omdat nu dus in feite een relatief kleine minderheid de beslissing neemt dat het nee moet worden. Dat dat toch niet eerlijk is.
Maar ja.. dat is het dus wel. Eerlijk, bedoel ik. Want het was misschien dan wel een flauwekul-referendum, het was wel een écht referendum. En alle regels stonden al lang van tevoren vast, dus.. Dan kun je heel recalcitrant gaan zitten vinden dat het allemaal nergens op slaat en veel te veel kost en er lekker niet aan meedoen, maar dat schiet dus niet op, zoals blijkt.
Terwijl het eigenlijk heel makkelijk was. Dat verdrag waar het allemaal om ging, was al goedgekeurd door onze democratisch gekozen volksvertegenwoordiging. Als je het nee-roepend en flauwekul-referendum organiserend publiek dus de wind uit de zeilen had willen nemen, had je alleen maar even naar het stembureau hoeven lopen en ja hoeven stemmen. Mij kostte het hooguit tien minuten van mijn kostbare tijd, inclusief het opzoeken van mijn stempas. En dan had er allicht een andere uitslag op tafel kunnen liggen. En was er misschien wél een signaal afgegeven. Een signaal aan de onderbuik-elite. Het signaal dat wíj er ook nog zijn: de gematigde, weldenkende mens van goede wil.