vrijdag 23 juni 2017

Het aangenaam verpozen

Met een buitengewoon opgeruimd humeur en nog lang niet moe loop ik door een bos ergens in Friesland. Al maakt het verder niet uit waar het is. Na een halve dag zonder noemenswaardige ontmoetingen, wat heel fijn kan zijn aan een flinke wandeling, stappen er nu, een eindje voor mij, plotseling twee mannen uit de berm. Een tikkeltje schichtig, is mijn indruk.
Het zijn twee nogal glimmende mannen, met kaalgeschoren, opgepoetste hoofden en rooie oortjes. Ze dralen wat maar besluiten dan toch voor mij uit te gaan lopen. Misschien om een groet, of een confrontatie van dichterbij, waar ikzelf eerlijk gezegd ook niet erg op gebrand ben, te vermijden.
Eén van hen draagt een rugzak maar ik houd ze niet voor wandelaars, daarvoor lopen ze ook te langzaam. En te mooi. Een knalroze condoomverpakking, na het aangenaam verpozen in de berm achtergelaten, bevestigt mijn vermoeden.
‘We hebben gezelschap gekregen’, hoor ik de mannen tegen elkaar kirren als ik ze blijkbaar te dicht naar hun zin ben genaderd en ik erger me eraan dat ík me nu gegeneerd moet voelen bij de situatie. Ik erger me er óók aan dat ik me daarna volautomatisch afvraag of die ergernis wel past bij de tolerante instelling die ik mijzelf toedicht. Maar ik besluit dat het wel kan. Dat het weinig stijlvol gedrag is, en ergernis dus zeker op zijn plaats. En dat dat verder nergens mee te maken heeft.
Ik heb geen zin om achter het tweetal te blijven hangen, en ik heb ook geen zin om voor ze uit te lopen. Al ben ik dus nog lang niet moe, toch neem ik een kwartier pauze. Om ze kwijt te raken. De mannen, en mijn ergernis.

Uit: Noblesse oblige, gepubliceerd op De Vrije Wandeling, weblog van een wandelaar.

zaterdag 17 juni 2017

De kunst van het weglaten





H
et valt me op, bij een bezoek aan mijn geboortestad, dat Den Haag lijdt aan de ziekte van Mondriaan. Een duidelijk geval, zie ik als ik er zo eens doorheen loop. Op de raarste plekken vertoont het straatbeeld een felgekleurde uitslag. Op tramhaltes en pleinen, gevels en schuttingen, bankfilialen, kantoorkolossen, musea en ijspaleizen, in etalages en vijvers.. waar je kijkt zie je rode, blauwe en gele vlekken, vierkant en rechthoekig, in willekeurige formaties bij elkaar geharkt met meestal nog een handvol achteloos neergegooide zwarte lijnen. Hoppeta.. wéér een eerbetoon aan de 100 jarige Stijlbeweging, en dan met name diens bekendste zoon. Die zich natuurlijk driewerf omdraait in zijn graf bij al dat goedkoop en liefdeloos hoeren en sloeren met zijn werk. Een levenslange zoektocht teruggebracht tot een placemat van de Action. Kunst behapbaar gemaakt voor de ignorante SBS6-consument. Mondriaan als Bekende Nederlander. Ik krijg er jeuk van op een nare plaats waar ik net niet bij kan.

Uit: Terug in de Horsten, gepubliceerd op De Vrije Wandeling, weblog van een wandelaar.

maandag 24 april 2017

Old skool




V
olkomen onverwacht vroeg zijn jongste zoon hem vandaag of hij zijn biebpas mocht lenen.
De man viel bijna van zijn stoel, toen hij dat hoorde. Zonder zich te bezeren gelukkig, omdat het alleen figuurlijk was en hij in werkelijkheid de was stond te vouwen, maar evengoed.. had hij dat nou goed verstaan? Vroeg zijn jongste zoon hem daar om zoiets analoogs en twintigste eeuws als een biebpas?
Zelf ging de man nog regelmatig naar de bibliotheek. Om papieren boeken te lenen, want dat moest je er bij zeggen tegenwoordig, dat ze van papier waren. Boeken die hij dan thuis, in een stoel, met een kopje thee ging zitten lezen. En als het een goed boek was, werd de thee koud en het huishouden vergeten. Heel old skool allemaal, maar hij deed er verder geen vlieg kwaad mee.
Van zijn jongste zoon verbaasde het hem eerlijk gezegd dat die dus nog scheen te weten dat er zoiets als een bibliotheek bestond. De meeste andere educatieve uitjes waarop hij hem als leuke jonge vader had meegenomen waren zo goed als vergeten, zo bleek vrij regelmatig. Hij had het allemaal net zo goed kunnen laten, dacht de man wel eens monkelend, al was zijn zoon nu dan toch maar mooi op weg naar de bibliotheek. Zijn vaderhart veerde op.
Tot hij het gevouwen wasgoed van de jongste in zijn kamertje legde en op zijn buro - althans.. de stapel rotzooi waaronder zijn buro voor het laatst was gesignaleerd - de doos van Assassins Creed zag liggen. Een mild-moorddadig computerspel dat enige jaren geleden, toen zijn vrouw en de man de strijd nog niet hadden opgegeven, na lange onderhandelingen als eerste echte game naast Minecraft werd getolereerd. Inmiddels speelden zich zonder enige vorm van onderhandeling vrij continu veel verschrikkelijker dingen af, op de schermen van hun jongens. Dingen waarvan de man zich dan afvroeg waarom dat eigenlijk nog een spel werd genoemd. Amusement. En wat daar dan in vredesnaam precies leuk aan was. Dingen waarvoor je, als het op het journaal kwam, gewaarschuwd werd. Dat het schokkende beelden bevatte.
Maar goed, nu begreep de man dus wat zijn zoon in de bibliotheek te zoeken had. Nieuwe games. Duh. Op de één of andere manier vond hij het ook wel weer een geruststellende gedachte. Dit paste tenminste in het plaatje.
En toen - ik verzin dit niet, zou Sylvia Witteman zeggen - kwam zijn zoon thuis met twee dikke papieren boeken met hele kleine lettertjes over de geschiedenis van het Romeinse Rijk. Want dat leek hem interessant..
Daar zat de man dan, met zijn plaatje. Wie zou het puberbrein ooit begrijpen? Hij niet in elk geval.

dinsdag 18 april 2017

Een avond met de vertaler des Vaderlands




L
eeft die nog? Tot twee keer toe is dat de oprecht verbaasde reactie wanneer ik vertel dat ik naar een concert van Jan Rot ga. Twéé keer. Onafhankelijk van elkaar. Zo staan de zaken er blijkbaar voor, voor Jan Rot. Tjees. Terwijl zijn programma van de avond nog wel ‘Jong en veelbelovend’ heet. Wat dan wel weer meteen het andere uiterste is, maar goed, dat slaat ook meer op de ondertitel van de show: De jaren 70 van Jan Rot. En zo valt alles op zijn plek, want in de jaren 70 was Jan Rot dat inderdaad, jong en veelbelovend. Wil hij maar zeggen.
Inmiddels, bijna een halve eeuw later, heeft hij zich wel als een blijverdje bewezen. Als een soort vertaler des Vaderlands voorziet hij al tientallen jaren alles wat los en vast zit van een passende Nederlandse tekst. Van de Matthäus Passion tot en met de rockopera Tommy, en veel daar tussenin. Begin dit jaar verscheen een veelgeprezen boek met al zijn eigen liedteksten en vertalingen. Een boek zó dik dat er niet eens meer plek was voor een volledig register, wat het weliswaar weinig overzichtelijk maar niet minder indrukwekkend maakt. Gelijk het oeuvre, nietwaar?
Normaalgesproken, opent Jan Rot de avond, vraagt hij wie de jaren 70 nog heeft meegemaakt. Maar dat hij vanavond beter kan vragen wie ze níet heeft meegemaakt. Het ziet inderdaad grijs van de mensen, in de goedgevulde Amer, en de zaal lacht welwillend om het grapje. Jan Rot weet natuurlijk ook wel dat wij ook wel weten dat hij normaalgesproken heus niet in een met trendy tieners volgestampt Paradiso zijn ultrahippe ding staat te doen. Met The Streetbeats lukte dat misschien nog, in de jaren 70 inderdaad, maar met het programma van vanavond zou hij daar zeker geen deuk in een pakje Zeeuws Meisje slaan. Jan Rot zet vol in op de nostalgie, een veelgevraagd sentiment in dit bange tijdsgewricht waarin we het ook allemaal niet meer weten, zeker bij de generatie die hij vanavond voor zich heeft, dus dat is geen toeval. En dat geeft ook helemaal niet want het levert ons allemaal een buitengewoon genoeglijke avond op.
Aan de hand van krantenkoppen en hitlijsten neemt Jan Rot ons chronologisch hap snap mee door de jaren 70, met een liedje en een praatje. Af en toe doet hij een Leo Blokhuisje Light, met muzikale feitjes en weetjes die iedereen weet. Wie zong ook weer over Alice?* Wie weet nog hoe de gitarist van Roxy Music heette?** Wat was de echte naam van Bromsnor?*** Het zijn vragen die de zaal al roepend mag beantwoorden, er kan af en toe worden meegezongen op de toppers van toen, maar dan op de vertaalde tekst van Jan Rot.. het gaat erin als krentenmik met boter.
De rode draad in het verhaal is Jan Rot zelf, die in de jaren 70 opgroeide van puber tot jong en veelbelovend artiest dus. Met smakelijke anekdotes over kinderleed, de prille liefde en de eerste schreden op de weg naar de roem. Zo leren we bijvoorbeeld dat de frontman van The Sex Pistols, Johnny Rotten immers, zijn naam gewoon van onze Jan heeft gejat, tijdens een toevallige ontmoeting in Londen. That's a fuckin' good name, zou hij geroepen hebben. Of het allemaal echt waar is, wie maalt erom? Het is een mooi verhaal.
En ieder verhaal geïllustreerd met de vertaling van een toepasselijke hit. Of een eigen lied, want - dat zou je bijna vergeten - die zijn er ook nog. En dat zijn zeker niet de minste. Zeker niet. Een ontroerend moment in de voorstelling is bijvoorbeeld ‘Stel dat het zou kunnen’, dat in 2015 met de Annie MG Schmidtprijs voor het beste theaterlied werd onderscheiden.
Soms zijn de vertalingen van Jan Rot aan de melige kant, naar mijn smaak, maar in de context van deze gezellige avond in de feestzaal achter het dorpscafé, live uitgevoerd en met een sappig verteld verhaal erbij, komen ze uitstekend tot hun recht. Zelfs met de vertaling van het toch al drakerige Angie, waarin Ankie rijmt op bankie, plankie en Frankie, komt hij weg, wat mij betreft. En hetzelfde geldt voor het laatste nummer, My way, over draken gesproken. Omdat hij, besluit Jan Rot de avond, ook zomaar om kan vallen, zoals zovelen het afgelopen jaar.
Maar voorlopig leeft hij dus nog. Gelukkig.

*ǝᴉʞoɯs **ɐɹǝuɐzuɐɯ lᴉɥd ***slǝǝƃ nol

Wij zagen Jan Rot in café de Amer, in Amen, Drenthe. Kijk voor een speellijst even op janrot.nl Bezoek ook het YouTubekanaal van Jan Rot.

zaterdag 15 april 2017

Merel





T
oen ik thuis kwam, van het één of ander, lag er een merel op het tuinpad. Een vrouwtje, was het. Bewegingloos lag ze daar, aan mijn voeten. Dood was ze niet, maar veel leven leek er ook niet in te zitten. Het was een volwassen exemplaar, voor overmoedige nestvlieders is het ook nog veel te vroeg in het seizoen. Met lijdzame blik zat ze af te wachten wat komen ging. Dat was blijkbaar aan mij.
Tja. Ik wist ook niet precies wat komen ging. Dat wil zeggen, als er niets gebeurde had ik wel een vermoeden van wat komen ging, het wemelde van de katten in de straat. Ik wist alleen zo snel niet wat mij nu te doen stond.
Wat moet je met zo’n beestje? Mee naar binnen nemen en in een kartonnen doos langzaam weg laten kwijnen leek me geen optie, zelf hebben we bovendien ook een kat, een complicerende factor. En was er niet iets van een vogelziekte? De dierenambulance zag me al aankomen natuurlijk en het beest de genadeklap geven, nee, daar ben ik de man niet voor.
Maar ja, ze lag wel op mijn tuinpad. Ik wilde haar ook niet aan de wilde dieren overleveren.
Of in bloederige stukken terugvinden op de deurmat, dat ook niet.
Ik boog me eens voorover om te zien of ik kon zien wat er aan de hand was, maar veel wijzer werd ik niet. Dat ik haar bemoedigend met mijn vinger over de kop kon aaien zonder enige reactie, leek mij geen goed teken.
Verdorie, daar stond ik dan. Ik keek eens links en rechts de straat in, of daar misschien een oplossing aan kwam lopen, een minder besluiteloos iemand dan ik bijvoorbeeld, maar nee.. ik stond er alleen voor.
Alleen met de merel.
Die toen zonder enige overgang pardoes opvloog, met een energiek roefff, en in karakteristieke vlucht drie huizen verder de hoek om uit zicht verdween. In een oogwenk opgestaan uit de dood.
Later, het voorval alweer bijna vergeten, zag ik boven op de ruit van de balkondeur nog een ordeloze afdruk van wat vooraf was gegaan.

dinsdag 11 april 2017

Hannah





I
n het museum dat ik bezocht, ontmoette ik een bekende. Ze stond vlak naast me en keek naar het werk naast het mijne. Het werk naast het werk dat ik bekeek, bedoel ik dan, voordat er misschien gedacht wordt dat mijn werk in een museum hangt en dat ik daarover wil opscheppen, maar daarvan is zover ik weet geen sprake. Van een werk van mij in een museum, bedoel ik dan weer, want als daar wel sprake van was, zou ik daar zeker over opscheppen. Maar dat hoeft dus niet. Jammer genoeg natuurlijk, maar goed, het is al mooi dat ik zelf zo af en toe nog in een museum kom. Dat kun je ook niet van iedereen zeggen.
Wel van de bekende, want die stond naast me en bekeek het werk naast het mijne, als hierboven omschreven. Mijn aandacht was inmiddels van het werk tegenover mij afgeleid naar de bekende naast me, waarvan ik trouwens alleen maar de allereerste tellen vanuit mijn ooghoek dacht dat het wel eens een bekende kon zijn, tot ik mij realiseerde dat ik haar kende van tv. Van Netflix, om precies te zijn, want niets menselijks is mij vreemd en ik zit dus ook regelmatig mijn kostbare avonden te verdoen met de ene aflevering na de andere serie. Please like me, in dit geval. Een Australische comedy over dolende dertigers, of twijfelende twintigers, jonge mensen in elk geval, die voor een groot deel bestaat uit onnavolgbaar ongemakkelijke dialogen en ingewikkelde gesprekken tussen de verschillende hoofdpersonen. Ik kan hem ten zeerste aanbevelen. Een aangenaam lichte toets tussen het duistere en voortdurend op de loer liggende, naargeestige geweld van Homeland, Narcos en Designated Survivor, om maar eens wat ander binge-materiaal te noemen.
Het was Hannah, die naast me stond. Hannah, uit Please like me. Realiseerde ik mij. Maar ook dat zij dat dus niet kon zijn en dat het alleen maar iemand was die er sterk op leek. Hetzelfde wat plompe, peervormige figuur, het praktische korte haar, het zware brilmontuur, de wat afwezige, stuurse blik.. het was haar helemaal. Behalve dat ze het natuurlijk niet was. Natuurlijk was ze het niet. Ik bedoel.. Australië..
Toch had ik de aanvechting haar te groeten. Dahag.. Om vervolgens omstandig en steeds gênanter uit te leggen op wie ze volgens mij leek zeker: een plomp, peervormig, lesbisch en lethargisch depressief personage uit een serie waar ze dan waarschijnlijk ook nog nooit van gehoord had. Of die ze afschuwelijk vond, want dat kon ook nog.
Ik heb het dus maar niet gedaan, dat groeten. Jammer eigenlijk. Het had hoogstwaarschijnlijk net het soort onnavolgbaar ongemakkelijke dialoog opgeleverd dat ik in Please like me zo leuk vond.

dinsdag 14 februari 2017

De drie leeuwen




















Uit de serie: Geen Kunst
Laat u rondleiden door beeldentuin De Wereld door de gids

Je komt het tegen, op je pad. Het ís geen kunst, maar zou dat zomaar wél kunnen zijn. Het is maar net hoe je er naar kijkt. En of je het wilt zien. De wereld een beeldentuin.

dinsdag 22 november 2016

Lost in the forest




















Uit de serie: Geen Kunst
Laat u rondleiden door beeldentuin De Wereld door de gids

Je komt het tegen, op je pad. Het ís geen kunst, maar zou dat zomaar wél kunnen zijn. Het is maar net hoe je er naar kijkt. En of je het wilt zien. De wereld een beeldentuin.

donderdag 17 november 2016

Overpeinzing





Dat mag ook al niet meer. Het was een losse opmerking die de man per ongeluk opving in de supermarkt. Wat eraan voorafgegaan was, had hij niet gehoord, of gezien. Hij hoorde alleen: dat mag ook al niet meer. Kent u die uitdrukking? Dacht hij er automatisch achteraan.
Dat mag ook al niet meer. Het was een oudere dame die de opmerking maakte, een keurige oudere dame. Tegen haar keurige oudere echtgenoot, die het boodschappenwagentje duwde. Ze trok er een ontevreden gezicht bij, de dame, hoewel de man ook dacht dat ze dat gezicht waarschijnlijk niet speciaal voor de gelegenheid trok. Dat het gewoon altijd zo stond.
Haar echtgenoot keek ook heel ontevreden, maar dat kon net zo goed te maken hebben met het feit dat hij steeds niet ter zake doend achter zijn vrouw aan moest hobbelen, met die kar, omdat zíj alweer doorliep, zonder te zeggen waar ze heen ging, terwijl híj nog stond te kijken naar de uitstalling waar ze juist bij stil waren blijven staan. En hij hád al geen zin in boodschappen doen. Ach, het huwelijk..
Dat mag ook al niet meer. Het echtpaar zag er verzorgd en welvarend uit. Ze droegen mooie, dure kleren, waren goed gekapt en hadden een egaal gezond kleurtje op het ontevreden gelaat, wat deed vermoeden dat ze onlangs nog een vliegreisje naar de zon hadden ondernomen. De boodschappenkar was goedgevuld, buiten wachtte de zilvergrijze middenklasser, of de elektrische fiets.
Dat mag ook al niet meer. Wat er nu precies ook al niet meer mocht, was de man dus ontgaan, maar omdat het zich afspeelde rond een uitstalling van speculaaspoppen en letters van banket, had hij wel een vermoeden in welke richting hij het moest zoeken. En wat er verder allemaal nog meer niet meer mocht, volgens het keurige echtpaar. Want ja, de man las ook de krant. De man zat ook wel eens op twitter en facebook. En daar werd het dagelijks breed uitgemeten, wat er allemaal ook al niet meer mocht. Met flauwe grappen en boze verhalen. Meestal las en keek de man er maar een beetje omheen. Hij wist het wel eens een keertje en had geen zin zich in verbeten loopgravendiscussies te mengen. Dat had ook geen zin bovendien. Maar het stoorde hem wel. Ook nu, in de supermarkt, stoorde het hem.
Dat mag ook al niet meer. Heel even voelde de man de aanvechting om er toch op in te gaan. Om het keurige echtpaar en alle andere mensen in de supermarkt en overal in het land te troosten, en gerust te stellen dat ze niet bang hoefden te zijn. Dat het niet erg was om af en toe iets ter discussie te stellen. Om over sommige dingen eens opnieuw na te denken, of we het nog wel goed zagen, of dat er, met de kennis van nu en in de wereld van vandaag, misschien nieuw licht op de zaken viel. Dat het niet eng was met elkaar te praten of het niet anders, of beter kon, eventueel. En soms misschien eens iets een beetje te veranderen, zelfs al zag je er zelf het nut niet van. Gewoon, voor de lieve vrede. Dat je het ook als teken van betrokkenheid bij de samenleving, van integratie, van saamhorigheid desnoods kon opvatten, wanneer zaken ter sprake werden gebracht. Dat we immers in een vrij land leefden. Waar juist bijna alles mocht.
Maar hij deed het niet, de man. Hij onderdrukte zijn aanvechting, slikte zijn ergernis in en ging op zoek naar de spekjes, voor bij het etensmaal.

maandag 14 november 2016

Uitstel





Zo af en toe werd de man door zijn jongste zoon uitgedaagd tot een wedstrijdje armpje drukken. Typisch mannendingetje natuurlijk. Kijken wie het sterkste is. Het verste kan. De grootste heeft.
Testosteron en macho en zo, dus niet goed te praten waarschijnlijk, qua feminisme, maar daar had zijn jongste zoon geen boodschap aan. De man volgde dat ook niet meer zo heel erg trouwens. En die jongen had daar nou eenmaal af en toe behoefte aan, op zijn leeftijd, een krachtmeting met zijn vader. Kijken wie de sterkste was. Of hij al de sterkste was. Groar! Dus: ellebogen op tafel!
De laatste keer, een jaar geleden zal het geweest zijn, misschien wel langer, was de man nog met de schrik vrijgekomen. Voor nu zag hij zijn geest al zweven. Zijn jongen stak anderhalve kop boven zijn vader uit - hij moest bukken om de oude man gedag te kussen - en was vier avonden per week in de sportschool te vinden, waar hij steeds grotere gewichten stond te deadliften.
De man bezocht tegenwoordig dan ook wel de sportschool, maar dat mocht eigenlijk ook weer geen naam hebben. Dat was meer de vergeefse en te laat ingezette strijd tegen het verval. Nee, hij maakte zich op om het onvermijdelijke waardig, en met gepaste trots te ondergaan. Bijna zeventien, was zijn jongste. Een goed moment, voor zoiets.
Maar het hoefde nog niet. Tot zijn eigen verbazing.
Hoewel verder alles wat hij als vader ooit te berde bracht onmiddellijk en compromisloos in twijfel werd getrokken, en hij voor zijn zoons allang niet meer de man was die hij ooit in hun jongensogen geweest was, was hij tot nader order dus nog wel de sterkste papa van de wereld. En, hij gaf het toe, dat deed zijn vaderhart goed.
Wel jammer dat zijn vrouw óók nogal verbaasd bleek. Nog verbaasder dan hijzelf, eigenlijk. Daar baalde hij wel een beetje van ja.
Ook een mannendingetje, waarschijnlijk.

maandag 24 oktober 2016

Niet genieten






Tijdens de eerste zonovergoten herfstwandeling van het seizoen waren zijn vrouw en de man verzeild geraakt in een hippe strandtent, op het betere strand. Voor het bijbehorende kommetje soep. Noordzeevissoep, om precies te zijn.
Het was behoorlijk druk in de hippe strandtent, een tafeltje voor twee zat er zo één twee drie niet in. Zijn vrouw en de man namen daarom min of meer noodgedwongen plaats op een zojuist vrijgekomen loungemeubel, een zeer langgerekt lederen kussen met te ver naar achteren geplaatste rugleuning, waarvan het de bedoeling was dat je jezelf er juist ongedwongen op drapeerde, wat nog niet meeviel met een vrij zware kom hete soep in de hand.
Het loungemeubel was zelfs zó langgerekt, en in L-vorm bovendien, dat het naast zijn vrouw en de man ook nog plaats bood aan een jonge vader met zijn zoontje, die zich zonder te groeten of notitie van hen te nemen aan hetzelfde, in verhouding tot de bank vrij kleine salontafeltje installeerden. Knie aan knie zat de man daar met de jonge vader.
De jonge vader was gekleed in een robuust vest met opstaande kraag en daaroverheen een blauwe outdoorjas. Aan de voeten wandelschoenen die nog niet veel hadden meegemaakt en op het nonchalant net niet geschoren hoofd zo’n ten onrechte opnieuw in de mode geraakte platte pet. Een flat cap, heette het nu waarschijnlijk, voor dat geld.
De jonge vader had er duidelijk niet al teveel zin in. In zijn zoontje. Hij was er misschien mee opgescheept, door zijn ex, op zijn vrije dag, terwijl hij eigenlijk heel andere plannen had.. dat wist je natuurlijk niet, maar het was goed te zien dat hij er niet op was ingesteld er dan toch maar iets van te maken.
De man snapte er niks van, want het was een aandoenlijk zoontje, met een ferme snottebel en zijn donkere haar door de war. Een kilo zand in zijn laarzen. Maar met hoeveel aanstekelijke verwondering het zoontje de hippe strandtent ook van commentaar voorzag, met hoeveel ontroerend kinderlijk enthousiasme hij zijn warme chocolademelk met slagroom ook hapje voor hapje naar binnen lepelde, hoe aanmoedigend hij zijn zwarte kijkers ook op zijn vader richtte om antwoord, de jonge vader reageerde verveeld en afwezig op zijn vrolijk gebabbel. Liever bladerde hij door de krant.
Sukkel! Dacht de man. Enorme sukkel! Geniet er nou toch van! Nu het nog kan. Straks is hij vijftien, straks is hij veertien, en dan is dit allemaal voorbij. Voor altijd voorbij.

donderdag 30 juni 2016

Een geheim transport




















Uit de serie: Geen Kunst
Laat u rondleiden door beeldentuin De Wereld door de gids

Je komt het tegen, op je pad. Het ís geen kunst, maar zou dat zomaar wél kunnen zijn. Het is maar net hoe je er naar kijkt. En of je het wilt zien. De wereld een beeldentuin.

dinsdag 28 juni 2016

Wiens bier men drinkt

Tegenover elkaar in de trein zaten twee mannen. Stoere mannen. Werkmannen. Zware schoenen, stevige knuisten, bakkebaarden. Op het tafeltje tussen hen in stonden zes bierblikjes - halve liters van een bedenkelijk merk - waarvan er vier met krachtige hand waren samengeknepen. Zoals echte mannen dat doen. Niet om ruimte te sparen in de oranje bak, maar om aan te geven dat het leeggedronken is. Dat je het eventueel als asbak kon gebruiken.
Leeggedronken door de mannen, nam ik aan, want aan nummer vijf en zes waren ze bezig. Het was twee uur ’s middags en het was de trein uit Den Helder, die dus, gerekend van waar ik instapte, niet veel langer dan 15 minuten onderweg kon zijn want hij was zowaar op tijd. De mannen hielden er een straf tempo op na, en het zat er vroeg voor ze op. Ze zouden ook wel middenin de nacht begonnen zijn waarschijnlijk. Zulke mannen leken het mij wel. En ze hadden het over het werk.
De man die het hoogste en luidruchtigste woord voerde sprak rap Engels met een nogal Schots aandoende tongval. Al kon het net zo goed Iers zijn, dat houd ik nooit uit elkaar. Dat maakt verder ook niet zoveel uit, de lange redevoering die de man afstak was er moeilijk door te verstaan. Voor mij, in elk geval. Wat ik er wel uit kon opmaken was dat de spreker erg content was over het eigen functioneren, zeker wanneer hij dat vergeleek met anderen, die aan dezelfde klus werkten.
De tweede man sprak niet veel. Aan zijn uiterlijk te zien kwam hij uit zuidelijke streken. Omdat hij precies leek te weten waar de ander het over had, of in elk geval op die manier werd toegesproken, nam ik aan dat ook hij aan de klus had gewerkt. Hij dronk zijn bier en lachte wat, maakte veel instemmende geluiden. Herhaalde af en toe iets dat gezegd werd. Het Engels waarin dat gebeurde deed de vraag rijzen of hij de monoloog van zijn metgezel inderdaad zo goed kon volgen als waar die blijkbaar vanuit ging. Hooguit de strekking, dacht ik. Maar die was dan ook duidelijk genoeg. Net als de verhoudingen.

maandag 27 juni 2016

Eind niet al goed

Goed, dan word je dus bijna doodgereden door een brommer. Op klaarlichte dag nota bene, een prachtige, zonnige dag bovendien. En zo goed als in de schaduw van de kerk, óók nog eens een keer, of de duvel ermee speelt.
Nou goed, je wordt dus bijna doodgereden.. door een brommer.. maar.. dat is dan nog tot dááraan toe. Of, tenminste.. ja.. nee.. je schrikt natuurlijk. Man! Je schrikt je te pletter. Een hartverzakking, houd je eraan over. Komt zo’n jongen opeens recht op je af scheuren, op z’n knetterende crossbrommer. Aan jouw kant van de weg. Voor hem dus de verkeerde. Omdat hij te cool is, waarschijnlijk, om gewoon braaf en rustig met de S van de weg mee te rijden. Of omdat hij te hard rijdt om dat voor elkaar te krijgen. Dat kan ook. Omdat hij het wel bij zijn masculiene, sportieve rijstijl vindt passen om in één rechte streep twee bochten tegelijk af te snijden, en jou - een grijze ouwe lul op de fiets - daar meteen eens een beetje bij te laten schrikken. Heeft hij gelijk weer een mooi stoer verhaal, om aan zijn matties te vertellen. Met die wezenloze, holle lach van opgeschoten jongens onder elkaar.
Of misschien heeft hij je wel helemaal niet eens gezien, met zijn door adrenaline verduisterde blik. Of wel, maar je kop staat hem niet aan. Of je jasje. Of je kijkt iets te lang in zijn richting.. met nét de verkeerde gelaatsuitdrukking.. weet jij veel wat er in die halfdoodgeblowde, door hormonen en energydrankjes vertroebelde puberhersens omgaat? Zien kun je het in dit geval in elk geval niet want hij heeft een bijpassende integraalhelm met spiegelend glas op, een vorm van gezichtsbedekkende kleding waar je nou nooit eens iemand over hoort klagen, vreemd genoeg.
Als een groot, boos insect komt hij razend op je af. Je wijkt uit, voor zover dat kan, je raakt maar nét de stoeprand niet, je voelt de jongen op de brommer rákelings langs je heen gaan, het vermoeden van lijfelijk contact maar je wordt niet geraakt, je valt niet, je roept iets als: eikel, of: klootzak, en het loopt allemaal maar net goed af. Tien seconden duurt het, alles bij elkaar. Als het niet minder is. En je schrikt. Je schrikt je te pletter. Een hartverzakking.
Maar dat is dus niet het ergste.
Het ergste is dat je daarná nog een hele tijd bezig bent af te rekenen met je eigen machteloze woede. Je eigen kolkende gedachten over wat er had kúnnen gebeuren. Als het net níet goed was afgelopen. Als je wél was geraakt, als je wél was gevallen. Als je jongens daar dromerig breeduit slingerend naast elkaar hadden gefietst. Als een winkelende kleuter de straat op was gerend. Enzovoorts.
Zeker een uur raast er een niet te stoppen stroom boosaardige wraakscenario’s, strafprogramma’s en andere ongewenste borreltafelgedachten door je hoofd, voordat je weer een béétje terug bent bij het goede humeur waar je mee van huis was gegaan.
En dat is het ergste.
Want zóveel aandacht, dat gun je zo’n jongen niet.


Dit stukje stond al eerder op die weblog. In deze licht gewijzigde vorm las ik het voor als column van de week op de lokale radio.

woensdag 15 juni 2016

Jong grut

Hoe het zo gekomen was, was nogal een lang verhaal en het voerde ook zeker te ver om dat er hier ook nog allemaal bij te vertellen, maar op één of andere manier was de man dus terechtgekomen bij de musical Buurman en Buurman worden beroemd. Een musical voor kinderen, dat mag duidelijk zijn. Met zijn vrienden van de toneelvereniging.
Zelf maakte de man ook voorstellingen voor kinderen, als goedbedoelend amateur, dus ook vanuit dat perspectief was het logisch dat hij zich bij het uitje had aangesloten. Nu kon hij eens zien hoe dat professioneel werd aangepakt. En wellicht inspiratie op doen, je wist het maar niet.
Of de musical ook maar in de verte kon tippen aan de geliefde poppenserie op televisie, dat blijft hier discreet in het midden. Net als de vraag of de man met inspiratie naar huis ging. In elk geval had hij nu gezien hoe het eruit zag wanneer zoiets professioneel werd aangepakt. Verder had hij een bijzonder leuke middag gehad en dat was ook wat waard.
Waar het om ging, is het volgende:
Eén van de deelnemers aan het uitje, één van zijn toneelvrienden dus, was een moeder van drie kinderen in de leeftijdscategorie voor wie de musical zo ongeveer bedoeld was. Leuke kinderen waren het, en de man sloofde zich de hele treinreis naar het theater nogal uit om bij ze in een goed blaadje te komen, met grapjes en flauwe praatjes. Dat deed hij nou eenmaal graag.
Ook omdat de andere deelnemers aan het uitje voornamelijk mannen van boven de zestig waren, rekende de man zich gaandeweg rijk met het idee dat hij best nog voor een leuke jonge vader door kon gaan. Op zijn charmante routine, zogezegd.
Eenmaal aangekomen in de foyer van het theater bloeide zijn leuke jonge vaderhart nog wat verder op doordat het er krioelde van precies het soort aandoenlijk rondhobbelende peuters en kleuters zoals hij er zelf ook nog wel een paar zou willen hebben. Maar al snel drong de harde werkelijkheid tot hem door. Want al die snotapen die daar dan weer omheen liepen te draaien, met knuffels en zakdoekjes en bekertjes limo, dat waren natuurlijk de vaders van dat grut. De leuke jonge vaders. Waarvan hij, op zijn beurt, wel de vader had kunnen zijn.
Hij kon zich er maar beter bij neerleggen, besefte de man. Hij had zijn beurt ruimschoots gehad, met een eerste en een tweede leg. Binnenkort werd zijn eerste kleinkind geboren. En was hij een leuke jonge opa.

woensdag 1 juni 2016

I hear you knockin'




















Uit de serie: Geen Kunst
Laat u rondleiden door beeldentuin De Wereld door de gids

Je komt het tegen, op je pad. Het ís geen kunst, maar zou dat zomaar wél kunnen zijn. Het is maar net hoe je er naar kijkt. En of je het wilt zien. De wereld een beeldentuin.

dinsdag 31 mei 2016

Met een mens

Goedgehumeurd ging ik op weg. Een tikkeltje ongebruikelijk misschien, met een reis van ruim twee uur voor de boeg, met het openbaar vervoer, met twee keer overstappen, ook nog, maar toch: ik had er zin in. Het klinkt onwaarschijnlijk, ik weet het, maar zo was het. En niet zonder reden. Ik ging vanavond namelijk uit eten met mijn dochter, die ik, omdat ze zo ver weg woont, nou ook weer niet dagelijks zie. Nu hadden we weer eens afgesproken en ik verheugde me op een vaderlijk avondje gezellig bijpraten. En aangezien ze tegenwoordig zwanger is, en ik dus binnenkort opa wordt, jawel, was er veel, en veel leuks, om uitgebreid over te praten.
Nog geen vijf minuten was ik onderweg, ik stond nét op perron 1, ingecheckt en al, met mijn goede humeur, of een nogal ontnuchterend omroepbericht gooide roet in het eten. Er werd melding gemaakt van een aanrijding met een persoon, verderop. Het treinverkeer was gestremd. Er reden voorlopig geen treinen meer in de richting van waar ik moest zijn.
Een aanrijding met een persoon. Dat is een eufemisme, dat weet iedereen. Het heeft, vind ik, altijd iets vreemds en ongemakkelijks, wanneer dat zo zakelijk wordt omgeroepen.
Een aanrijding met een persoon. Het had ook nu iets ongepasts, vond ik, zoals dat zo weinig discreet over de perrons en door de coupés werd gegalmd. Een aanrijding met een persoon. Daar hadden al die passagiers, die dat nu allemaal voor het thuisfront in hun telefoontjes stonden te herhalen, toch eigenlijk niets mee te maken. Dacht ik. Oók vanwege het gemopper en geklaag dat dan op die mededeling volgde. Van mensen die nu misschien een half uurtje om moesten rijden, via een ander station. Of wat langer moesten wachten, op het perron in de zon. Mensen die oprecht verontwaardigd niet begrepen dat er na vijf minuten nog altijd geen bussen waren ingezet.
Twee meisjes binnen mijn gehoorsafstand werden zelfs zéér verongelijkt schijtziek van mensen die voor de trein sprongen. Daar konden ze dus echt geen medelijden mee hebben, lieten ze luid en duidelijk horen. Konden die losers er thuis dan geen einde aan maken, waar niemand er last van had. Waar zíj er geen last van hadden.
Nou ja, ik vond het ook vervelend natuurlijk, dat mijn reis nu werd onderbroken, nog voor hij goed en wel was begonnen. Dat ik eigenlijk misschien ook maar beter rechtsomkeert kon maken. Dat mijn vaderlijk avondje uit erbij in leek te gaan schieten.
En ik vind voor de trein springen nou ook niet echt een discrete manier om het leven te beëindigen. Nee, dat heeft ook zeker iets ongepasts.
Toch kon ik, mijn medepassagiers zo aanhorend, ook niet anders dan bedenken hoe eenzaam en ellendig iemand zich moest voelen om die sprong te maken. En hoe eventuele achterblijvers zich altijd zouden blijven afvragen waarom. Waarom in vredesnaam? Hoe een machinist iemand al zag staan, en dan al wíst wat er ging gebeuren vóór dat het was gebeurd, maar niets meer kon doen om dat te voorkomen. Die dat maar moest zien te verwerken.
En dan was ik eigenlijk blij dat ík alleen maar een half uurtje vergeefs hoefde te wachten. En alleen maar weer naar huis hoefde. Naar mijn vrouw, en mijn kinderen.

Dit stukje stond al eerder op dit weblog. In bovenstaande, licht gewijzigde vorm las ik het deze week voor als column van de week op de lokale radio.

woensdag 18 mei 2016

Beeldend knutselaar

Une promenade pensive avec monsieur Giacometti.

Een foto die is geplaatst door Jos van Venrooij (@josvanvenrooij) op

zaterdag 30 april 2016

Mannendingetje





Ooit had ik een prima muziekinstallatie bij elkaar gespaard waar ik al die tijd erg tevreden mee was. Terugkijkend is dat wel alweer héél erg lang geleden eigenlijk, want gut, wat draaide ik daar toen allemaal op? David Bowie, Talking Heads, The Pretenders. Elvis Costello, Joe Jackson, The Jam. The Beat, niet te vergeten.
Later, in een toch óók al wel behoorlijk grijs verleden, begaven mijn boxen het als eerste en, met het verhaal dat ik eerst voor iets fatsoenlijks zou sparen, werden die voor zolang even vervangen door een even onooglijk als onoorlijk stelletje ongeregeld uit de kringloopwinkel. Later aangevuld met een dito versterker en cd speler omdat die het inmiddels ook één voor één niet meer deden. Alleen mijn platenspeler, die liet mij niet in de steek.
Jarenlang heb ik vervolgens mopperend maar laks, laks maar mopperend de vele ongemakken van mijn aldus aangespoelde stereo voor lief genomen. Geruis, gebrom, gekraak en gezoem. En heel in de verte nog het vermoeden van muziek. Trots ben ik er niet op, maar zo is het gegaan. Het laatste jaar, ik schaam me bijna het te vertellen, moest ik zelfs regelmatig flink op mijn versterker slaan, met de vlakke hand op de rechterbovenhoek, boven de volumeschuif, om toch ergens één of ander contact tot stand te brengen en dat vermoeden van muziek in elk geval nog uit twéé krakende boxen te laten komen. Tja.
Maar kortgeleden is de geest dan eindelijk over me gekomen. Of in mij gevaren. Of door mijn vrouw, die het gezeur langzamerhand misschien een beetje zat begon te worden, over mij afgeroepen of hoe je dat maar wilde bekijken, en heb ik spikpepernieuwe spullen aangeschaft. Het is heel erg een mannending natuurlijk, dat weet ik heus wel en sorry daarvoor dames, maar wát een verademing! Wát een verrijking van mijn leven! Dagen achtereen zat ik met een gelukzalige glimlach als gehypnotiseerd in mijn stoel, precies in het midden en op de voorgeschreven afstand en hoogte, het ene cd-tje na de andere langspeelplaat te beluisteren. Ik hoorde bliepjes en piepjes en knorretjes die ik nog nóóit gehoord had.
En dan zie je dus ook meteen maar weer eens hoe wonderlijk het menselijk geheugen werkt, vooral bij muziek. De raarste en onbeduidendste weetjes en wistjedatjes kwamen bovenborrelen, bij de oudste muziekjes. Want kijk maar, daar haalde ik dus een elpee van The Beat uit de hoes, jaren niet gedraaid, maar ik wist nog precíes dat bij déze elpee de etiketten verkeerdom geplakt zaten. En dat je dus kant B op moest zetten om kant A te horen.Tears of a clown. Hands off… she’s mine. Mirror in the bathroom. Daar zakte de naald in de groef. Haarscherp klonk het nostalgisch gekraak van vinyl door mijn nieuwe boxen. En werd Too nice to talk to ingezet. Het eerste nummer van kant B.
Het menselijk geheugen werkt dus helemaal niet wonderlijk, weet ik nu. Het doet gewoon maar wat.

Dit stukje stond eerder op dit weblog. Bovenstaande, licht gewijzigde versie las ik voor als column van de week op de lokale radio.

dinsdag 26 april 2016

Het eind van de wereld




Voor iedere stad, ieder dorp of gehucht waar het Nederlands Kustpad ons door voert, maken wij een limerick. Dat is het idee. Een wandellimerick, ons zelfverzonnen genre. En alles kan daarbij een aanleiding zijn. Een ontmoeting of een gesprekje, een toevallige passant, een opvallend uitzicht of inzicht. Een etalage, een uithangbord.. Alles, we zijn al met weinig tevreden.
Zwarte Haan. De Zwarte hoek. De weg ernaartoe is een doodlopende. Wanneer je die oprijdt, wordt je nadrukkelijk gewaarschuwd dat er geen keermogelijkheden zijn. En eenmaal aangekomen, na een lange, smalle slingerdijk, stap je uit in een indrukwekkende leegte. Drie huizen en een gesloten herberg: De Zwarte Haan. Meer is er niet. Enkel land, lucht en zee. Verder kun je niet. Alleen terug. Hier houdt het op. Hier is het eind van de wereld.
In Zwarte Haan zelf ziet men dat anders, getuige het informatiebord waarop deze plek als startpunt van het Jakobspad wordt aangemerkt. Het Jakobspad, de pelgrimsroute naar Santiago de Compostella, dat eindigt bij Kaap Finisterra. En als Kaap Finisterra het eind van de wereld is, zoals de naam beweert, dan moet Zwarte Haan wel het begin zijn. En zo is dat.


Het eind van de wereld

een wandellimerick

Het idee dan men bij De Zwarte Haan
aan het einde van de wereld zou staan,
dat vindt men ter plekke
toch echt van de gekke..
van hier heb je juist nog het hele eind te gaan.