donderdag 8 februari 2018

Is dit alles..?






Mijn jongste zoon is af en toe dus nog wel te porren voor museumbezoek. Leuk vind ik dat. En sterker nog, deze keer had hij mij ervoor gepord. Dat we weer eens naar het museum moesten gaan. Dat hem dat wel weer eens leuk leek. Nee, wat dat betreft is mijn opvoeding zeker niet mislukt.
Dus aldus trokken we er een dagje cultureel op uit en brachten onder meer een bezoekje aan het Mauritshuis. Voornamelijk omdat dat daar het Meisje Met De Parel hing. Daar had mijn zoon wel van gehoord, maar gezien had hij het nog nooit. De Mona Lisa van Vermeer, had ik het genoemd, en dat wekte de nieuwsgierigheid. Het wekte misschien ook te hoge verwachtingen, zoals dat gaat, want als je de Mona Lisa dan eindelijk een keer in het echt ziet, schijn je bekropen te worden door de teleurstellende gedachte: “Is dit alles..?”, heb ik vernomen. Zelf heb ik dat nog niet ervaren omdat ik veel te elitair ben om in de rij bij het zwetend, trekkend en duwend gepeupel aan te schuiven om in de nek gehegen ongemakkelijk naar een schilderij te gaan staan kijken en de Mona Lisa, als toppunt van dit verschijnsel, tot nog toe dus heb gemeden.
Zo erg is het bij het Meisje in het Mauritshuis nog niet, hoewel er wel een halfrond hekje voor is geplaatst om eventuele meutes op afstand te houden. Toch heeft ze wel enige faam, zo blijkt, want terwijl wij het Meisje schuchter begroeten, wordt in elk geval mijn blikveld tamelijk bruusk gepenetreerd door een wildvreemde iphone, die bij verstoord opzij kijken toe blijkt te behoren aan een Japanse jongeman op hippe schoenen en met een aanstellerig wollen mutsje op. Het Instagramtype, als ik het zo mag omschrijven. Volledig door zichzelf in beslag genomen. Mijn verstoorde blik gaat verloren in een parallel universum.
En aan alleen een foto van het Meisje heeft de hippe Japanse jongeman niet genoeg. Dat is slechts het startschot voor een minutenlange sessie waarin de hippe Japanse jongeman de ene na de andere selfie maakt, met het Meisje ergens onscherp, nog juist herkenbaar, op de achtergrond van zijn avontuurlijk, reislustig, exploring bestaan. In steeds ingewikkelder houdingen leunt de jongeman steeds verder over het halfronde hekje en neemt daarbij sans gêne steeds meer ruimte in. Ook onze ruimte, maar wij zijn de enigen die dat merken. En het Meisje misschien, maar zij kan vermoedelijk allang niet meer worden verbaasd. Zij heeft alles al gezien, net als Mona Lisa.
Een paar keer neemt de jongeman een pauze om even door zijn resultaten te swipen, waarover hij kennelijk niet snel tevreden is want telkens volgt een nieuwe shoot. Steeds vanuit een andere hoek, steeds in een andere houding, een nieuwe pose, steeds met dezelfde wezenloze grimas onder het hippe wollen mutsje. Wij doen beduusd een stapje opzij en aanschouwen het gebeuren. Met stijgende verbazing maar niettemin geamuseerd.
Dan heeft hij zijn ding blijkbaar gedaan en verlaat gelukzalig grijnzend over zijn schermpje vegend de zaal, misschien zelfs wel het Mauritshuis, op weg naar nieuwe thrills. En highlights.
Niet één keer, stellen wij eensgezind vast, hebben wij hem direct naar het Meisje zien kijken. Maar eenmaal weer thuis is hij er geweest. Elitair hoofdschuddend en minzaam glimlachend nemen wij onze plekken weer in, en beschouwen het Meisje.
Waarbij één van ons denkt: “Is dit alles..?”

maandag 15 januari 2018

Identiteit per dozijn






Mijn vrouw had mij een nieuw vest gekocht. Een zwart vest van joggingstof, grijze nepvacht aan de binnenkant, ritssluiting, elastieken boorden en een capuchon. Dertien in een dozijn, zeg maar. En dat klopte ook want zo’n vest had ik al. Precies hetzelfde en zo goed als nieuw. Ik had het zelfs aan. Toch hoefde het niet terug naar de winkel want mijn jongste zoon wilde het wel hebben. Gewaagd natuurlijk, hetzelfde vest als je vader, maar blijkbaar vindt hij dat geen probleem, wat ik als compliment wens op te vatten, jazeker.
Nu gingen we samen op museumbezoek en hadden we ongemerkt allebei ons vest aan gedaan. Het zelfde vest dus. Gelukkig verruilde ik het mijne net voor vertrek voor een ander, omdat dat warmer was, anders hadden we ons zeker ongemakkelijk gevoeld bij de fotonotities van Hans Eijkelboom, want die bezochten we, in het Haags Fotomuseum.
Voor wie het verschijnsel niet kent, voor zijn fotonotities neemt Hans Eijkelboom zijn camera mee naar een winkelstraat ergens ter wereld en fotografeert daar een uur, of twee uur, voorbijgangers. Zijn scherp observerend oog ontwaart dan al snel een soort van thema, waar hij op focust en zo heeft hij binnen de kortste keren een serie van twaalf, vijftien of zelfs wel achttien foto’s van mensen met hetzelfde soort jas, of hetzelfde soort tas of ongeveer dezelfde gestreepte trui, waardoor het al snel lijkt of iedereen er precies hetzelfde bijloopt. Hij begon daarmee in 1992 en is er tot op heden niet mee opgehouden, het is wellicht ook zijn bekendste werk, dus een groot deel van de expositie is ermee gevuld. Aan twee flinke wanden hangt de serie blikveldvullend lijst aan lijst, vier rijen hoog vanaf de plint en maakt zo blijmoedig korte metten met het idee dat wij mensen individuen zijn. Al doen we nog zo ons best op onze eigen stijl, onze persoonlijke edgy touch, onze zelfgekozen afwijkende identiteit.. we zijn en blijven dertien in een dozijn.
Niet dat Hans Eijkelboom daar verder iets over wil zeggen, laat staan er een oordeel over wil vellen, nee, hij constateert het alleen. Met verwondering, misschien. Met een milde glimlach, hooguit. Hij ziet de humor er wel van in, lijkt het. En anders wij wel, de bezoekers. Er wordt tenminste wat af gegrinnikt en gegniffeld. Meer dan eens stelt iemand vast dat hij of zij hier of daar zó tussen zou kunnen staan. En mijn zoon en ik zullen zo origineel niet zijn dat wij dat niet ook al hardop hadden bedacht.
Dat dit zo’n langlopende serie is, heeft als aardig en misschien onbedoeld bijverschijnsel dat je door de jaren heen het modebeeld ziet verschuiven, wat ook een gedeelte van het gegniffel zou kunnen verklaren. Aan het begin zie je de jaren tachtig langzaam en terecht wegebben, verderop zie je de witte kuitbroek dan weer onterecht haar intrede doen, je ziet de bodywarmer komen en gaan, de opkomst van het korte rokje over de legging, de wonderbaarlijke terugkeer van de baard.. en alles in twaalf of nog meervoud.
Nog een misschien niet ter zake doend inzicht dat zich luidruchtig opdringt is dat wij Nederlanders ons over het algemeen niet heel stijlvol kleden, om het zacht uit te drukken. Mijn hemel, wat een smakeloze hobbezakkerigheid staart ons hier en daar in veelvoud aan. Daar mogen we ons best een beetje voor schamen. Als dít onze vaderlandse culturele identiteit is waar zoveel over wordt gesproken, dan kan het misschien wel een tandje minder. Maar goed, dat is een persoonlijk terzijde.
Zeer de moeite waard is ook de dame in het publiek die met een lange, beige, gewatteerde nylon jas, oranjerood gestifte lippen, pancakekleurig gelaat en het haar geblondeerd en slordig opgestoken onbewogen staat te kijken naar een lijst met daarin vijftien dames met een lange, beige, gewatteerde nylon jas, oranjerood gestifte lippen, pancakekleurig gelaat en het haar geblondeerd en slordig opgestoken. Er móet iets door haar heen gaan, denken wij, maar ze laat het niet merken.
Voor ons onderstreept het en passant wel een andere observatie, namelijk dat het niet alleen de één of twee kledingstukken zijn die de onderlinge gelijkenis maken. Het gaat verder dan dat. Vaak hebben de mensen binnen een serie ook een zelfde soort kapsel, met een zelfde soort zonnebril er op gelijke wijze ingestoken, een vergelijkbare houding, postuur, gelaatsuitdrukking, een zelfde mate van verzorging, een eendere uitstraling. Kiezen we kleding bij onze vermeende identiteit, of komt de identiteit met de kleding die we kiezen?
Daarover gaat het ook in het oudere en misschien wat minder bekende werk van Hans Eijkelboom, dat in de andere helft van de expositie wordt getoond. De serie bijvoorbeeld waarin een tiental vrouwen gevraagd wordt zo nauwkeurig mogelijk hun ideale man te omschrijven en daarbij op een foto aan te geven wat er aan het gezicht van Hans Eijkelboom zou moeten veranderen om dat ideaalbeeld te benaderen. Vervolgens probeert deze, met behulp van grimeur en kapper, met pruik, plaksnor, valse baard en kleding zoveel mogelijk te gaan lijken op het door de vrouwen omschreven ideaalbeeld. Als resultaat hangen er tien even levensechte als verschillende versies van Hans Eijkelboom die niet of nauwelijks op elkaar lijken en waarin de enige echte ook alleen nog maar zeer vagelijk is te herkennen.
In de serie ‘Met mijn gezin’ is die dan weer wel heel duidelijk te herkennen. Tenminste, zo op het eerste gezicht. Als trotse, jonge vader neemt Hans Eijkelboom hier grijnzend plaats in verschillende gezinnen. Naast steeds een andere breeduit lachende moeder en met andere vertrouwelijk tegen hem aan leunende kleuters, in steeds een ander interieur. Allemaal even geloofwaardig, dus wil de echte echte Hans Eijkelboom nu opstaan? 
Zo bestuderen we glimlachend en elkaar aanstotend nog veel meer fotoseries waarin het begrip identiteit vanuit steeds een andere invalshoek mild spottend en met humor wordt bekeken en bevraagd. Wij hebben een leerzame en vermakelijke middag, met z’n tweeën. En als we eenmaal weer buiten in een mudvolle Haagse abri op een vertraagde bus staan te wachten, bekijken we de zich om ons heen verzamelende medemens met heel andere ogen.

Wij bezochten het retrospectief ‘Hans Eijkelboom, Identiteiten 1970 – 2017’ in het Haags Fotomuseum op zaterdag 6 januari 2018. Dat was de voorlaatste dag dat dat kon en dus nog net op tijd. Photonotebooks.com is de website van Hans Eijkelboom.

zaterdag 13 januari 2018

Reptielenbrein






Voor ik na de koffie weer verder zou wandelen, bezocht ik nog even het toilet van het café. Als man heb je dan vaak de keuze tussen één of meer afsluitbare privécabines met een klassieke wcpot waar je ook op zou kunnen zitten als hij daar niet te goor voor was, en een rijtje urinoirs met piepkleine schotjes ertussen waar je staand op een nepvlieg kunt plassen en net moet doen of je niet over die schotjes heen kunt kijken en bekeken worden, of je het geen enkel probleem vindt om vlak naast een klaterende wildvreemde op je straal te staan wachten. Er zijn zelfs cafés waar niet eens tussenschotjes zijn, waar je met z’n allen in een aluminium trog schuimend in elkaars water staat te wateren. En op elkaars broek staat te spetteren. Er zijn zelfs mannen die daar een gesprekje bij aanknopen. Man! Wie dacht dat alleen de dames het zwaar hadden moet maar eens op de heren gaan kijken.
Als het even kan kies ik voor de dan soms maar wat ranzige privacy van het toilet met een deur en een slot, waar ik dan in voorkomende gevallen maar niet ga zitten en de boel dus noodgedwongen alleen nog maar erger maak.
In de toiletruimte van het café was verder niemand, het zag er allemaal proper uit, er was één toilet met een deur en dat was niet bezet. Niets stond een ongestoord, ordelijk en vlekkeloos toiletbezoek in de weg. Bij het opentrekken van de deur deinsde ik echter terug. In de pot lag, nauwelijks verscholen onder wat besmeurd wcpapier, de gezonde Hollandse opbrengst van mijn voorganger. Gadverdamme! Zeg dat wel. Als dit het resultaat was van vergeetachtigheid dan was het wel in een zeer ver gevorderd stadium. Als dit de wraak was van een ontevreden klant voor een slechte bediening of een vieze cappuccino dan was het wel erg passief agressief. En wat kon ík daar aan doen?
En inderdaad, wat ging ik hier aan doen? Ik kon de zaak natuurlijk doortrekken en zo snel mogelijk vergeten maar voordat ik dat bedacht, had mijn reptielenbrein al besloten deze keer dan toch maar een urinoir te gebruiken, al had ik ook andere behoeften. Bovendien, gaf ik mijn reptielenbrein groot gelijk, was het natuurlijk gewoon smerig om in een café andermans stront door te moeten trekken. En misschien was de stortbak dus wel kapot en dan zat je helemaal met de gebakken peren. Dan was je je verantwoordelijk gaan voelen voor andermans shit en dan draaide er alleen maar een minimaal straaltje water machteloos om de feiten heen. Wat dan? Ik moest er niet aan denken.
Waar ik wél aan moest denken was het feit dat deze drol voor de rest van de wereld vanaf dit moment hoe dan ook van mij zou zijn. Iemand die nu het toilet zou betreden, terwijl ik hier mijn handen stond te wassen, zou wel weten hoe de vork in de steel zat. Iemand die na mij het toilet zou betreden zou hetzelfde tafereel aantreffen als ik, zich misschien herinneren dat hij mij tegenkwam in het halletje, zich misschien herinneren dat hij mij kort tevoren uit het toilet had zien komen en meteen zijn overhaaste conclusie trekken. Het bedienend personeel dat ik discreet op het geconstateerde euvel zou kunnen wijzen zou er ook wel het zijne of hare van denken.
Ik kreeg het verdorie spaans benauwd. Hoe redde ik mij hieruit? Ik vroeg het mijn reptielenbrein, dat onmiddellijk reageerde. Met de moed der wanhoop trok ik een staalhard gezicht waarmee ik het toilet zo achteloos en onopvallend mogelijk verliet, zo snel mogelijk mijn koffie betaalde, zo ruim mogelijk tipte, mijn rugzak greep en mij zo onnadrukkelijk haastig als kon uit de voeten maakte.
Nog kilometers lang bleef ik schichtig achterom kijken.

maandag 8 januari 2018

Kraanvogel







Met mijn vrouw maak ik een wandeling over de Drentse heide, het is nog herfstvakantie. En als te doen gebruikelijk wijzen we elkaar op al het moois dat er te zien is. Een uitzicht, een doorkijkje, een bemoste stronk, een keur aan paddestoelen. Druk is het niet, op de hei, aan de bosrand. We zien alleen een boswachter, die zó blij is iemand tegen te komen dat hij ervoor van zijn houten fiets stapt. We maken een praatje, over het weer, en al het moois dat er te zien is, en bij het afscheid vertelt de boswachter ons nog dat we, als we geluk hebben, wel eens kraanvogels te zien zouden kunnen krijgen. Omdat wij niet één twee drie zouden weten hoe een kraanvogel te herkennen, durven wij niet teveel op ons geluk te vertrouwen. We blijven de rest van de wandeling waakzaam en alert maar afgezien van al het moois dat er te zien is, zien of horen we niets bijzonders.
Dan, als we de hoop eigenlijk al hebben opgegeven, horen we een helder, bijna welluidend kroe kroe in de lucht. Allebei tegelijk steken we onze vinger in de lucht: hoor je het? We horen het allebei. Het is een nieuw geluid voor ons leken, en we weten dus niet welke vogel er bij hoort, maar voor hetzelfde geld is het een kraanvogel, redeneren wij. Uiteraard hebben we ook geen idee welk geluid een kraanvogel maakt. We weten zo weinig eigenlijk.
Wel zien we in een flits een grote vogel achter de bomen verdwijnen zodat we ons in elk geval even kunnen verheugen in de mogelijkheid dat het een kraanvogel was die we hoorden. Een verheugen van korte duur omdat we vrij snel daarna opnieuw het kroe kroe horen, dat deze keer duidelijk zichtbaar gemaakt wordt door iets dat zeer zeker geen kraanvogel is. Eerder een kraai. Maar een kraai, dat weten we dan in elk geval nog wel, zegt géén kroe kroe. En zeker niet helder of bijna welluidend. Het is ook groter dan een kraai, zien we nu. Met waarschijnlijk kinderlijk aandoende logica besluiten we dat het dan wel een roek zal zijn. Roekroek, tenslotte. Waarom niet. Ook leuk.
Thuis op internet worden we vervolgens in verwarring gebracht wanneer we lezen dat de kraanvogel weldegelijk een helder, trompet-achtig kroe kroe voortbrengt. Zie je nou wel, zeggen we tegen elkaar. Maar als we het bijgeleverde geluidsbestand afspelen weten we weer beter, een kraanvogel was het niet. Voor de zekerheid spelen we dan ook de roek af. Een factcheck kan nooit kwaad tenslotte. En dat blijkt, want mijn hemel.. wat een roek voortbrengt, dat komt niet eens bij welluidend in de buurt. Het is geen kroe kroe, het is geen krassen, het is niks, het is geluidsoverlast.
Uiteindelijk komen we uit bij de raaf. De raaf roept precies het kroe kroe dat wij hebben gehoord. Helder en bijna welluidend.
We snappen er niks van. Wordt in de bekende fabel van De La Fontaine niet beweerd dat de raaf zó vals krast dat hij niet mee mag zingen in het koor van vogels? Dat moet een vergissing zijn. De La Fontaine heeft duidelijk een roek gehoord, maar heeft net zo veel verstand van de natuur gehad als wij.


Uit: ‘Een helder, bijna welluidend kroe kroe’, gepubliceerd op De Vrije Wandeling, weblog van een wandelaar

woensdag 27 december 2017

Vrolijk bij elkaar gerommelde lichtvoetigheden







Twee van mijn favoriete tentoonstellingen aller tijden waren herman de vries.all in het Stedelijk Museum van Schiedam, en de Collectie Anoniem in Museum Belvédère te Heerenveen. Favoriet, omdat beiden zich bevonden op en rondom de scheidslijn tussen kunst en geen kunst. Speelden met het onderscheid daartussen, of dat feitelijk zelfs ontkenden.
Herman de vries exposeerde vondsten uit de natuur, soms zonder daar veel meer mee te doen dan het in te lijsten of op een sokkel te plaatsen. Gewoon, om ons te laten zien hoe mooi het is. Ons uit te nodigen er nou eens goed naar te kijken. Het als kunst te beschouwen en te ervaren.
De Collectie Anoniem was een bonte verzameling van naïeve kunst, etnische kunst, gereedschappen, speelgoed, ambachtelijke werkstukken, gebruiksvoorwerpen, attributen, gerenommeerde kunst en verzamelobjecten. Onder anderen. Dit werd allemaal min of meer dwars door elkaar heen gepresenteerd, zonder kaartjes met titels of verdere uitleg, om ons zover te krijgen alles maar eens op zijn eigen merites en schoonheid te beoordelen. Zonder ons af te laten leiden door de niet zo interessante vraag of iets nou kunst is of niet. Niet iedereen kon daar mee omgaan, bleek tijdens mijn bezoek, maar ik verkeer er graag, in dat vrolijke, onbezorgde en prikkelende grensgebied waar het niet uitmaakt of iets wel of geen kunst is. Interessant gebied vind ik dat. Prettig. Met ruimte voor wat licht, lucht, humor en relativering. Niet voor niets verzamel ik zelf al jaren beelden die geen beelden zijn, in mijn GeenKunst-catalogus. Beelden die ik onderweg toevallig tegen kom, die helemaal niet als kunst bedoeld zijn maar die dat, als je het wilt zien, net zo goed wel kunnen zijn. Het is allemaal maar net hoe je het bekijkt. En niet voor niets noem ik mijzelf liever beeldend knutselaar. Als ik mijzelf al iets noem.
Han Bennink, in Museum Kranenburgh in Bergen, opereert in hetzelfde gebied, zeker met zijn ruimtelijk werk. Onbezorgde knutselkunst van overblijfsels van van alles en nog wat, gevonden voorwerpen, afgedankte drumstokken en -kwastjes, antieke speelgoedauto’s, kistjes, doosjes, veren en allerlei dingetjes en dangetjes die zonde zijn om weg te gooien. Een feest van herkenning. Zelf heb ik ook een schuur vol opgeraapte en meegenomen en bewaarde zooi waar ik ideeën en wilde plannen mee heb. Waar ik ooit nog eens iets mee wil doen, mocht het er van komen. En ik vind het een buitengewoon opbeurende en troostrijke gedachte dat er mensen zoals Han Bennink zijn, die niet wachten tot het er van komt, maar het gewoon doen. Die fluitend aan de slag gaan. Vrije geesten die het geen bal kan schelen wat een ander er van vindt. En dat is precies wat ook deze tentoonstelling uitstraalt: positieve, onbekommerde levenslust. Ongebreidelde scheppingsdrang. Inspirerend. Uitdagend. En uitnodigend.. een jongetje van een jaar of drie laat zich verleiden door een met gebroken drumstokjes volgeladen speelgoedkiepauto. Hij pakt hem vast om er een stukje mee te rijden. Broembroem. Zijn moeder grijpt gehoorzaam in en zet de auto weer recht, het is dan toch kunst, maar ik denk zomaar dat de kunstenaar het misschien wel best had gevonden. Zelf snap ik het wel in elk geval. Deze vrolijk bij elkaar gerommelde lichtvoetigheden zou je het liefst allemaal even op willen pakken, om ze met een glimlach van dichtbij te bekijken. Maar ook wanneer je je inhoudt, zoals van welopgevoed museumbezoek jammer genoeg nou eenmaal verwacht wordt, bezorgt deze uitstalling je een goed humeur waar je thuis ook nog wat aan hebt.

De tentoonstelling Han Bennink is nog tot 4 februari te zien in Museum Kranenburgh.
Over mijn bezoek aan de tentoonstelling herman de vries.all schreef ik een verslag op dit weblog
Mijn GeenKunst catalogus is ook te bekijken op internet.

vrijdag 22 december 2017

Meeuw





Bij mijn dagelijks bedoelde ochtendwandeling werd ik vandaag ingehaald door een meeuw. Wat voor meeuw het precies was, daar waag ik me niet aan want het was waarschijnlijk een andere, maar ik vermoed de Larus Canus. Het beest vloog laag over me heen, maakte een capriool en landde een tiental meters verderop op het asfalt. Daar bleef hij zitten. Toen ik te dichtbij kwam naar zijn smaak trippelde hij een stukje voor me uit, vloog dan toch maar op om nauwelijks twintig meter verder opnieuw te landen. Dit herhaalde zich een aantal keer. Opvliegen, landen, wegtrippelen, opvliegen en weer landen.
Je bent dan geneigd zo’n beest een beetje onbenullig te vinden. Waarom steeds zo’n klein stukje vooruit vliegen? Waarom niet links of rechtsaf de oneindige weilanden in? Veilig achter een sloot. Waar je geen wandelaar tegenkomt, waar je steeds zo lastig voor op moet vliegen. Of als je misschien per se op het asfalt wilt zitten, waarom dan niet de andere kant op gevlogen? Waar de wandelaar al geweest is. Je zou verwachten dat een meeuw dat vanuit de hoogte wel een beetje kan overzien. Dat het gevaar op de grond wel een beetje wordt ingeschat.
Tot je je na een tijdje plotseling afvraagt of het misschien niet zo zou kunnen zijn dat die meeuw nieuwsgierig is naar jou. Dat ie wel op zekere afstand wil blijven, maar je toch eens wat beter wil bekijken. Wat jij er voor eentje bent.
En ik geloof verdomd dat dat het was.
Na vier of vijf keer besloot ik zelf ook eens stil te houden, op precies de kritieke afstand, net vóór het moment van opvliegen. Ik bleef staan. De meeuw bleef zitten. Een tijdje stonden we elkaar zo stilletjes te bekijken. Een tijdje stonden we elkaar áán te kijken, de meeuw en ik. Zo had ik een meeuw nog nooit gezien. Zo had ik een meeuw nog nooit bekeken.
Na deze korte ontmoeting vervolgden we ieder ons eigen weg. Van de meeuw weet ik het niet, maar ik had iets bijzonders meegemaakt.

donderdag 7 december 2017

De donkere dagen







Het was me in eerste instantie eigenlijk ontgaan, maar dit weblog bestaat deze dagen zestien jaar. Het is geen mooi rond getal, geen officieel jubileum bedoel ik, maar een zestiende verjaardag mag toch tot de bijzonderheden gerekend worden. December 2001 schreef ik mijn eerste bericht. Maandag 3 december 2001, om precies te zijn, ik heb het net nog even opgezocht. Het was een zeer kort bericht waarin ik meldde klaar te zijn voor de winter. Dat was grootspraak, want de winter krijgt me er ieder jaar onder, maar goed, ik was klaar voor de strijd blijkbaar.
Ik was een weblog begonnen omdat dat in die tijd hip was. Stukjes schrijven deed ik altijd al wel, en ook op internet, toen dat zijn intrede deed, maar nu leek het mij aardig het in deze nieuwe vorm te gieten. Het idee viel in vruchtbare bodem en het werd al gauw een volgeschreven digitaal aantekenboek over het dagelijks leven met mijn jongens, mijn puberdochter en mijn werkende vrouw. Het leven raasde grillig voort, en ik schreef erover. Er was zelfs sprake van lezers. De jongens groeiden op van peuter naar kleuter en tiener tot puber, de puberdochter verliet het huis, vond een man en heeft inmiddels zelf een dochter en mijn vrouw heeft gelukkig nog altijd geduld met me.
Enfin, toen ik er dus achter kwam dat ik een verjaardag te vieren had, een bijzondere nog wel, ben ik maar eens wat terug gaan lezen, zoals dat dan gaat. En ik had er voor op mijn hoede moeten zijn natuurlijk, zeker in deze tijd van het jaar, met de regen tegen de ruiten en de winter op de loer, maar de weemoed kreeg mij toch te pakken. Hoewel het hele idee van een weblog uiteraard is om één en ander voor altijd in herinnering te houden, voor de vergetelheid te behoeden, te koesteren en te bewaren, overheerste de rest van de dag toch het melancholieke gevoel van voorbij, voorbij, voor altijd voorbij.

maandag 4 december 2017

Zacht als de smaak van mango






Het was vandaag weer feest in de supermarkt, het zal de tijd van het jaar wel zijn. Dan staat er hier of daar een stalletje, een kraam of een sta-tafel met parasol, met een olijke meneer of mevrouw erbij, vaak in vol koks-ornaat, met hygiënische handschoentjes, en die wil je dan iets aanbieden. Iets nieuw-in-het-assortiments. Ter kennismaking. Gratis. Een poppenhuisbekertje yoghurt bijvoorbeeld, of een dobbelsteentje kaas. Een kabouterbordje kipsaté. Een vingerhoedje soep. Een microscopisch toastje met een mespuntje smeer.
Ik ben daar niet dol op. Nee. Ik probeer daar altijd met een zo groot mogelijke boog omheen te rijden, met mijn karretje, en voor de zekerheid kijk ik dan ook nog heel erg de andere kant op om ieder oogcontact, iedere schijn van belangstelling te vermijden. En als dat niet lukt, als het echt niet anders kan, dan zeg ik: nee, dank u wel. En loop met vastberaden pas door.
Het zal wel raar zijn, maar ik wil daar niets mee te maken hebben, met die gezelligheid. Ik zie me daar al staan peuzelen zeg, van mijn gratis grijze muizenhapje. Tussen het soort mensen - ook nog - dat daar dan op af komt, op gratis hapjes en snapjes. Het soort mensen dat ook al rondloopt met een gratis bekertje koffie. Het soort mensen dat twéé blokjes kaas pakt, van het reclameplankje, als er niemand bijstaat, omdat het gratis is. Ik wil daar absoluut niet bij horen, bij die sneue doelgroep.
Daarnaast heb ik ook geen zin in het bijbehorende verkooppraatje, waar je eenmaal proevend natuurlijk niet meer onderuit kan, en al helemaal niet in de ongemakkelijke spagaat waarin je terechtkomt wanneer je voor de beleefdheid beaamt hoe lekker het was maar het toch niet wilt kopen. En ook geen foldertje mee wilt nemen. Ik vind het zonder al dat getrut al een hele toer om met ongeschonden humeur de supermarkt door te komen. Daarom maak ik mij dus meestal uit de voeten.
Vandaag stond er op de groenteafdeling dan een jongeman stukjes mango aan te bieden. Onder een parasol stond hij ze handig van de schil af te snijden, met hygiënische handschoentjes aan, en liep vervolgens met zijn plankje de afdeling rond. Ontsnappen was niet mogelijk. Nee, dank je wel, zei ik dus, en liep vastberaden door. Iets té vastberaden was dat, want nu was ik de groenteafdeling af maar had ik nog geen sla, tomaten en radijsjes. Geen knolrapen, lof, schorseneren en prei. Die wel op mijn lijstje stonden. Dus moest ik terug. En kwam ik opnieuw langs de mangojongen. Die mij andermaal zijn plankje voorhield, mij toen herkende als die meneer die niet wilde en besloot een tandje bij te zetten. Dat ik gerust een stukje mocht proeven, dat het superlekkere mango was en dat hij er speciaal voor stond om het weg te geven. Aan mij. Dat laatste zei hij niet, maar met zijn mooie, donkere ogen keek hij mij trouwhartig aan. Een blik zacht als de smaak van mango.
Gehypnotiseerd nam ik een stukje van het plankje. Het was superlekkere mango. De jongeman keek tevreden toe, alsof hij het wel gedacht had. Waarom ik nou niet meteen de eerste keer een stukje had genomen? Vroeg hij op plagerige, quasi bestraffende toon. Maar het leek me te omslachtig en ook nogal sfeerbedervend om dat de jongeman hier allemaal uit te gaan staan leggen. In plaats daarvan kocht ik twee mango’s. Ze waren in de aanbieding. De jongeman liet zien hoe ik ze handig kon snijden. Zijn plankje was toch net leeg.

zaterdag 25 november 2017

Een kwestie van beschaving






Voor het eerst in lange, lange tijd vieren wij dit jaar weer Sinterklaas. Zelf had ik het jaren geleden al wel een beetje gehad met de immer aanzwellende commerciële hysterie rond de Goedheiligman, en mijn zonen hebben zich, het geloof eenmaal opgetrokken, nooit ontpopt tot enthousiaste surprisemakers en gedichtenschrijvers, dus daar ging de lol ook een beetje vanaf. En dan nog de Discussie natuurlijk. Dat hielp ook niet. Tjongejongejonge. Maar goed, nu we het weer vieren, moet ik het er toch ook maar eens over hebben. Dat zal niet meevallen. Met frisse tegenzin dan maar.
Dat we het nu weer vieren heeft uiteraard alles te maken met de kleindochter. Die er met anderhalf nog ruim te klein voor is, maar dat kan je als verse ouders niks schelen. Dat maakt het Sinterklaasfeest nou eenmaal in je los. Het is een sprong terug in het warme bad van je eigen kindertijd, via je kind, daar wil je niet mee wachten. En als grootouder ga je daar dan in mee. Daar wil je graag getuige van zijn. Ook voor grootouders wordt de klok zo genadiglijk een tijdje teruggedraaid, al is het naar een andere periode: de tijd dat je zelf nog verse ouders was.
Voor jonge ouders, bedenk ik hier en nu uit de losse pols en voor de vuist weg, zou het Sinterklaasfeest wel eens de eerste serieuze kennismaking met nostalgie kunnen zijn. Via je kind beleef je de spanning, de verwachting, de opgetogen blijdschap, het ontzag en het heilig geloof, het warme familiegevoel opnieuw, alsof dat allemaal voor even weer echt is. Je wordt voor even je eigen kind. Vandaar waarschijnlijk dat de emoties zo hoog oplopen, deze dagen. Dat gaat niet alleen over onze kinderen, dat gaat misschien wel vooral over de kinderen in onszelf. De kinderen van vroeger, die we willen beschermen, en behouden. Dat is lief. En het valt te begrijpen.
Maar.. dat gezegd hebbende.. kom op mensen.. we leven toch niet in een reservaat? Het is hier toch geen openluchtmuseum? Of een tijdsvacuüm? Alles verandert, alles beweegt, alles stroomt, continu. Nieuwe inzichten schuiven voor de oude. Zo is het altijd geweest, zo zal het blijven gaan. Over tradities gesproken.
Het was altijd lachen, met Zwarte Piet, maar nu zijn er mensen die al een tijdje aangeven dat ze het vervelend en kwetsend vinden. Mensen die hun grenzen aangeven. Hadden we daar niet ook een hooglopende discussie over? Over mensen die hun grenzen aangaven? En hoe onwenselijk het was die dan niet serieus te nemen? Of niet te geloven? En er toch overheen te gaan?
Daar begint het zo langzamerhand wel een beetje op te lijken voor mijn gevoel. Alsof ik op een feestje tussen een groepje medemannen zit die de ene vrouwonvriendelijke opmerking na de andere seksistische grap maken. De aanwezige vrouwen moeten maar even hun oren dichthouden. Je hoopt dat het snel voorbijgaat, je hoopt dat beschaving het overneemt, je wilt geen zeikerd zijn, je lacht bij de eerste twee grappen scheef en plichtmatig mee, maar uiteindelijk wordt het gênant.
Het enige beschaafde dat we hier en nu kunnen doen, is afscheid nemen van Zwarte Piet. Het is niet anders. We zijn nou eenmaal een beschaafd land. Met normen. En waarden.
Dus..

donderdag 23 november 2017

Een groot en warm geluk






Inmiddels
was zijn kleindochter alweer hard op weg anderhalf te worden. Tjongejonge. De man kon zich nog uitstekend herinneren dat hém van alle kanten werd aangeraden er maar van te genieten, toen zijn dochter anderhalf was, omdat het ‘allemaal zo snel voorbijging’, en nu moest hij regelmatig op zijn tong bijten om niet zelf met dat aftands cliché uit de hoek te komen. Tegen zijn dochter dus. Over háár dochter. Duidelijk.
Ach, het zou wel normaal zijn want zo bijzonder was hij niet, maar hij was er nog niet helemaal aan gewend, aan het opaschap. Dat ging iets minder snel. Kwam allicht ook doordat zijn dochter niet naast de deur woonde en opa’s bezoekjes van tevoren geplande ondernemingen waren, die al gauw een hele dag in beslag namen. Buitengewoon genoeglijke hele dagen overigens, waar de man, zonder dat hem dat aangeraden hoefde te worden, volop van genoot. Niet in de laatste plaats omdat het initiatief voor deze dagen ook vaak van zijn dochter kwam. De man had zo zijn redenen daar erg gelukkig mee te zijn. Zijn eigen ouders hadden, om het voorzichtig uit te drukken, nooit veel werk gemaakt van het grootouderschap en zelf was hij destijds dan ook maar liever opgehouden initiatieven te nemen. Maar dat was een ander verhaal. Dat kwam misschien nog wel een keer.
Nu had zijn dochter hem gevraagd snel weer eens langs te komen, om een fietstochtje te maken, met de kleine meid in het voorstoeltje. Dat had zijn dochter goed gezien want verreweg de gelukkigste perioden in zijn leven waren de tijden dat hij door de dagen fietste met een kleine voorop in het stoeltje. Niets kon daaraan tippen. Bijna niets. Als er een hemel bestond, hoopte de man dat het een fietspad door het bos was, waarover hij eeuwig mocht fietsen met de kleine voorop in het stoeltje. En daarop kreeg hij vandaag dus een voorschotje.
Omdat zijn dochter een verplichting had en er sowieso maar één fiets beschikbaar was, kwam het zo uit dat de man er alleen op uit trok, met zijn kleindochter. Het was een heerlijke, frisse herfstdag, de zon stond aan de blauwe lucht, welgemoed en goedgehumeurd fietste hij de wijde wereld en het nabije maar toch zo verre verleden in. Kijk, een schaapje, wees hij de kleine meid. Kijk, een koetje, kijk, een paard. En de kleine meid zag alles en wees met haar vingertje en zei die en aat en boetjeboe. Af en toe keek ze eens om, om te zien wie al die mooie verhalen vertelde, wie al die leuke liedjes zong en blijkbaar zag ze dat het goed was want verder ging de tocht, over dijkjes en polderwegen. Zijn vaderhart bleek het nog goed te doen en vulde zich gestaag met een groot en warm geluk. Niets dan toegeeflijk lachende medemensen kwamen hen tegemoet. En de man wist heus wel wat ze dachten, dat ze dachten dat ze wisten, maar het kon hem niet schelen. Hier fietste hij toch maar mooi, wat maakte het allemaal uit, van hem mocht het eeuwig duren.
Het rondje dat zich al fietsend in zijn hoofd vormde dat hij zou fietsen werd zo als vanzelf steeds iets groter. Tot hij op een wel erg lange, rechte weg langzaam begon te begrijpen dat dat rondje helemaal niet bestond. Dat hij nu op een lange, rechte weg fietste die voorlopig nog wel rechtdoor zou gaan, steeds dieper een onbekende verte in waar hij de weg niet wist. Dat het binnenkort wel eens een beetje zou kunnen gaan schemeren. Dat hij verder niks bij zich had, aan kinderbenodigdheden. Dat het misschien wel eens een goed idee zou kunnen zijn om, geheel tegen zijn principes in, om te keren en dezelfde weg terug naar huis te nemen. Als hij die nog kon vinden tenminste, want daar was de man ook al niet zo goed in, in de weg vinden.
Om te zeggen dat de paniek toesloeg zou erg overdreven zijn, maar helemaal gerust op de goede afloop was hij ook niet. Vooral niet toen eenmaal omgekeerd bleek dat hij best een lekker windje in de rug had gehad al die tijd. Een fris windje bovendien. De terugweg bleek al gauw een stuk langer dan hij de heenweg had onthouden en ondertussen verdween bij zijn kleindochter duidelijk merkbaar de aandacht voor schaapjes, paardjes en koetjes. Die viel niet meer te paaien met liedjes of lieve woordjes, die had het koud, die wilde naar huis. Met een smartelijk huilende kleine voorop haastte de man zich terug, zo hard hij kon. Weliswaar werd er nog altijd toegeeflijk naar hem geglimlacht, door tegenliggers op zijn pad, maar het voelde anders. Een stuk minder triomfantelijk. En eenmaal weer thuis restte er ook niets anders dan een bedremmelde overhandiging van een kleine meid in tranen aan haar bezorgde ouders, die zich dapper laconiek hielden maar waarschijnlijk gewoon gedacht zullen hebben wat kinderen dan zo over hun ouders denken.

woensdag 22 november 2017

Twee vliegen in één klap





Mijn vredig dorpsbestaan op het platteland wordt regelmatig bruut verstoord door opdringerig verontrustende geluiden van de plaatselijke gemeentelijke groendienst. Eens in de zoveel weken trekt een in felle kleuren en lichtgevende strepen uitgedost eskader onduidelijk door straat en buurt, met bladblazers en bosmaaiers . Om geluidsoverlast te maken. Dat is in mijn bescheiden beleving tenminste het enige dat tot stand wordt gebracht: een hele ochtend pokkeherrie. Het zijn er altijd minstens drie maar vaker nog meer en het zijn altijd mannen die, zoals dat heet, een afstand tot de arbeidsmarkt hebben. Het tempo waarin ze doen wat ze dan blijkbaar van iets of iemand moeten doen, doet vermoeden dat ze die afstand wel nooit meer zullen overbruggen ook. Mij maakt dat verder niet uit, bij mij is de arbeidsmarkt tenslotte zo langzamerhand ook wel uit beeld verdwenen, ik vraag me alleen altijd af waarom het zo’n afschuwelijk kabaal moet maken. Waarom het allemaal gemotoriseerd moet, met zo’n gekmakend nerveus gashendeltje van hengjengjengjengjeng! Waarom het, als het blijkbaar toch niet uitmaakt hoelang het duurt en met hoeveel man eraan gewerkt wordt, niet gewoon met een schoffel en een bezem en een schop kan gebeuren. Dat maakt tenminste niet zo’n teringherrie en het ziet er meteen lekker jaren vijftig uit, het tijdvak waarnaar we deze dagen immers zo innig terugverlangen. Als we die gasten dan ook nog een pet met een veer opzetten en pikzwart schminken, met knalrode lippen en een paar gouden oorbellen, is helemaal iedereen tevreden. Twee vliegen in één klap, zou ik zeggen.

zondag 19 november 2017

Met bezwaard gemoed





Onze zonen hadden ons niet gemist trouwens, in de herfstvakantie, al waren ze de hele week op zichzelf en elkaar aangewezen geweest. Totaal niet, zelfs. Nou ja, zo gek is dat niet natuurlijk, voor jongens van achttien en negentien. Die kijken hooguit rond etenstijd eens wat verstoord op, waar het blijft – oh ja, fuck, daar moeten we zelf voor zorgen – en voor de rest is het alleen maar lekker rustig. Je hoopt iets anders misschien, als vader, maar zo staan de zaken er voor op die leeftijd. Dat snap ik heus wel. Dat herinner ik me heus wel. Zelf was ik met achttien de deur al uit, met achterlating van de hele klotezooi, om er al heel gauw nooit meer terug te komen, dus ik mag nog in mijn handjes knijpen, met mijn trouwe kinderschaar.

Wat wél een beetje gek is, is dat ik mijn zonen óók niet gemist heb. Totaal niet zelfs, zou ik bijna zeggen. Dát is wel een beetje gek. Zo ken ik mezelf niet. Ik ben altijd een watje geweest, op dat gebied. Zeker toen ze nog klein waren, liet ik ze niet anders dan met bezwaard gemoed achter in de zorg van iemand anders. Al was het hun eigen moeder, mijn vrouw. Maar ook later doolde ik met mijn ziel onder mijn arm door de dagen tot ze er weer waren. Of was ik blij dat ík weer thuis was. Ik heb me altijd incompleet gevoeld wanneer ik voor langere tijd van één of meer gescheiden was. Maar deze keer dus niet. Het klinkt harteloos, in elk geval in mijn eigen oren, en ik durf het nauwelijks op te schrijven zo schuldig voel ik me erover, maar ik vond het wel lekker rustig.

donderdag 16 november 2017

Geknipt en geschoren






Mijn baard
heb ik weer afgeschoren. Nou ja, baard. Het is meer dat ik niet zo van scheren houd en er dus over het algemeen wat je noemt ongeschoren bijloop. Dat staat me ook beter dan helemaal glad. Vind ik zelf in elk geval. Het past me beter. Een echte baard wil ik dan weer niet, zeker niet nu dat opeens weer hip is geworden. En om het met een tondeuse op steeds dezelfde ongeschoren lengte te houden, dat neigt mij veel te veel naar ijdelheid. Niet dat die mij vreemd is, maar het moet er niet te dik op liggen.
Nu was het herfstvakantie, waren we van huis, en zulke dagen ben ik er nog wat gemakzuchtiger in, zodat na verloop van tijd iets ontstaat dat je voorzichtig een baard zou kunnen noemen. Mijn jongste zoon vindt het cool, en heimelijk vind ik dat leuk. Ben ik benieuwd hoe het zou staan, maar tegelijk vind ik het bij een bepaalde lengte dus aanstellerig worden en eenmaal weer thuis scheer ik het zonder pardon af. Als teken dat de vakantie voorbij is, en het normale leven weer begint.
Of eigenlijk niet zozeer het normale leven. Eerder markeert het de start van een nieuw leven. Waarin alles anders en beter zal gaan. Want in zo’n stemming kom ik vaak, nee, altijd terug van vakantie. Dat ik het anders en beter ga aanpakken. Alles. Wat dom is, omdat het gedoemd is te mislukken en dus onherroepelijk tot frustratie leidt, maar vooral toch omdat het natuurlijk helemaal zo beroerd niet gaat, allemaal. Toch trap ik er elke keer weer in. Ook deze keer.
We hadden een uitstekende week vakantie overigens, op het Drentse land. Met zijn tweeën, zonder de jongens, in een bedaard tempo door de dagen. Enigszins en niet onprettig gereguleerd door het voedingsschema van de paarden en de kippen die aan onze zorgen waren toevertrouwd. Met veel boeken mee in de tas, voldoende tijd en herfstig weer om er ook in te lezen, verfrissende wandelingen en kalme uitstapjes naar een museum links of rechts.
En zo kom ik dan overlopend van positieve energie weer thuis. Met ook de stellige behoefte van alles en nog wat voor elkaar te krijgen. Op orde en op de rails. Alles. Teveel. Waaronder de schrijverij.
Vanavond vraag ik mijn vrouw of ze mijn haar wil knippen. Dat moet ook hoognodig gebeuren.

zaterdag 11 november 2017

Waar een wil is





Al wandelend over een zeer smal pad langs een weinig uitnodigende sloot zie ik van de andere kant een dame aankomen met twee enorme honden. Van een bedenkelijk merk, ook nog.
Ik vrees dan al snel het ergste. Ik ben niet dol op honden als verschijnsel. Daar kunnen de honden meestal niet zo veel aan doen, het zijn honden tenslotte. Redeloze dieren, niet begiftigd met al te veel intelligentie of enig verantwoordelijkheidsgevoel. Die kun je hun gebrek aan beschaving niet kwalijk nemen. Maar hondeneigenaren houden er ook vaak wat merkwaardige ideeën op na wat betreft beleefdheid en sociale omgang. Zodat je als wandelaar regelmatig in, laten we zeggen, nogal uitdagende situaties terecht kunt komen, zeker wanneer je daar met ongeschonden humeur vanaf wilt komen.
Om mijzelf de bek niet open te breken ga ik daar nu niet verder op in en dat hoeft ook helemaal niet want deze dame toont zich een dame, die weet hoe het hoort. Zij lijnt haar honden kort aan en laat ze met zachte dwang in de berm zitten tot ik ongehinderd gepasseerd ben.
Het kan dus wel, wil ik maar zeggen. Het is niet onmogelijk. Ik heb het zelf gezien.

Uit: Wandelen naar de twaalfde stad, gepubliceerd op De Vrije Wandeling, weblog van een wandelaar.

vrijdag 15 september 2017

Geen Hasselbladmannetje






Jaren geleden
zwichtte ik zéér schoorvoetend voor de digitale fotografie met het allergoedkoopste cameraatje dat in de winkel voorhanden was. Een ding van niks, was het. Bijna speelgoed. Zo zag het er ook uit. Een blauw, niervormig cameraatje dat precies in je handpalm paste. Je kon kiezen voor kleine of grote bestanden, maar dat was het dan ook wat de keuzemogelijkheden betreft en zelfs de grote bestanden worden tegenwoordig niet meer als fotobestand herkend, door de digitale afdrukcentrale. Er zat geen schermpje op, het zoekertje was te klein om door te kijken.. er zat niks anders op dan maar een beetje op de gok in het rond fotograferen. En dat deed ik dus ook. Met vaak zeer verrassende resultaten. Vreemde uitsnedes vanuit merkwaardige hoeken, onscherp of bewogen, grof gepixeld en met soms de raarste kleuren. Ik vond ze prachtig en ik koester ze nog altijd. Ik ben het kortom wel eens met de stelling dat er geen mislukte foto’s bestaan, zoals de titel van de expositie stelt, en ik kan helemaal meegaan in de verzuchting die van Gerard Fieret op de wand staat te lezen: Ik wil het allemaal hebben.
Na een vluchtige eerste rondblik bestaat de tentoonstelling inderdaad voor een groot deel uit wat je bij een eerste vluchtige rondblik makkelijk als mislukte foto’s zou kunnen opvatten. Ze zijn bewogen, of onscherp. Ze zijn te donker afgedrukt of met lelijk licht genomen. Soms zijn ze gevlekt, of slecht gefixeerd, ze zijn beschadigd, gerafeld of gescheurd. Ze hebben rare uitsnedes, mensen staan er vaak maar half op, zonder hoofd. Ze lijken lukraak te zijn geschoten. Als je hier wat mee wilt, met deze expositie, dan zit er maar één ding op en dat is het tentoongestelde niet als foto’s te willen zien, maar als, ja.. als beelden dan maar, waar toevallig een camera aan te pas is gekomen. Als kunstwerken dus. Iets dat Gerard Fieret misschien ook wel een goed idee zou vinden, gezien zijn uitspraak geen fotograaf te zijn, geen Hasselbladmannetje, als de anderen, maar een fotograficus. Een kunstenaar, die de techniek naar zijn hand zet.
Ook een goed idee zou het zijn, besluit ik zelf, de hele tentoonstelling als één kunstwerk te zien. Een kunstwerk dat een intrigerend, mysterieus verhaal vertelt dat vragen oproept en openlaat, verbanden suggereert, maar onduidelijk blijft. Een schimmig verhaal. Het vermoeden van een verhaal. Als archeologische vondsten die nog niet helemaal zijn doorgrond. Als je je er toe laat verleiden de zaken zó te bekijken, als je je laat meenemen door de sfeer - en waarom zou je dat niet doen? - dan klopt het allemaal. De overbelichte foto’s, de vlekken, de scheuren en de rafelranden. De beduimelde en vergeelde, met hanepoten beschreven, bolstaande plakboeken. En ook de links en rechts en schots en scheef dwars over de foto’s heen geplaatste copyrightstempels, en de overdreven grote met brede viltstift geschreven handtekeningen. Die laatste twee vertellen allicht het verhaal van Fierets paranoia, zijn overtuiging dat zijn werk van hem gestolen werd - een aspect dat verder niet aan bod komt in de tentoonstelling - maar door hun consequente aanwezigheid dragen ze ook bij aan het raadselachtig totaalbeeld.
Fieret heeft geen opleiding als fotograaf gehad. Op zijn 40e kreeg hij bij toeval een camera in handen en hij kon het. Een natuurtalent, dat er wars van regels en wetten eigenzinnig op los experimenteerde, aldus de gestaag repeterende film. Zo wordt Fieret een beetje de Karel Appel van de fotografie: Ik rotzooi maar wat an. Een houding die zich niet beperkte tot zijn werk overigens, getuige de filmbeelden waarin een laconieke Fieret zijn foto’s op straat staat te spoelen omdat zijn afvoer chronisch verstopt is. Getuige ook de documentaire die bij Het Uur van de Wolf te zien is geweest. Hierin zien we een hoogbejaarde, zwaar verwaarloosde Fieret rondschuifelen in een sterk vervuild en verkrot, door duiven bevolkt en volgescheten huisje. De restanten van de vloer en alle andere horizontale vlakken bezaaid met vertrapte, omgekrulde en door tijd en ongedierte aangevreten en vervuilde foto’s. En ander ongerief.
‘Een enorme chaos’, horen we Fieret daarover verzuchten. ‘Ik ben niet bij machte dat in orde te maken.’
En: ‘Ik ben wanhopig. Ik kom er niet uit’.
Verderop in de documentaire zien we twee keurige heren in hetzelfde, inmiddels ontruimde en ontsmette huisje. Met witte handschoenen aan bladeren ze door honderden uit de chaos tevoorschijn gekomen, nu gerubriceerd opgestapelde foto’s en wurmen ze halfvergane negatieven uit jerrycans. Enthousiast bejubelen ze de spectaculaire vondst, die ze hier staan te doen.
‘Fieret is de enige kunstenaar waarbij we handschoenen aantrekken om zélf niet vies te worden’, grappen ze beschaafd.
Maar ook: ‘Hoe vuiler en beschadigder het is, hoe mooier het wordt, bij Fieret’.
In dezelfde documentaire komt een Amerikaanse galeriehouder en kunsthandelaar aan het woord die vertelt dat de werken van Fieret voor duizenden, soms zelfs tienduizenden dollars als warme broodjes over de toonbank gaan. Dat de kunstenaar daar zelf niets van terugziet, is voor haar geen punt van zorg, want: ‘It’s always been that way, in art. That’s just the way things are.’
Tja. Het fijne weet ik er niet van natuurlijk, maar Gerrit Petrus Fieret had misschien toch ook nog wel een klein beetje een punt, met zijn stempels en zijn handtekeningen. Just because you’re paranoid, don’t mean they’re not after you.


Een bezoek aan de tentoonstelling ‘Mislukte foto’s bestaan niet’ in het Haags fotomuseum. De tentoonstelling is inmiddels afgelopen. De documentairefilm ‘Foto en copyright G. P. Fieret’ kan bij uitzending gemist nog bekeken worden. 

dinsdag 29 augustus 2017

Strijk & zet





De vakantie zat er wel zo’n beetje op, voor de man. Dat wilde zeggen, hij was teruggekeerd op het honk, van zijn avonturen in den vreemde net over de grens. Alweer een tijdje trouwens, maar deze week was zijn vrouw dan weer aan het werk gegaan en begon het dagelijks leven tenminste weer iets van een ritme te krijgen, al was het nog behoorlijk abstract. Zijn jongens hielden er in hun zich nog twee weken oneindig voortslepende schoolvakanties namelijk weliswaar een redelijk stabiel ritme op na, van ’s middags tegen tweeën langzaamaan opstaan en ’s nachts tegen drieën langzaamaan weer terug naar bed met weinig tot geen activiteit van betekenis daar tussenin, maar die regelmaat werkte eerlijk gezegd eerder ontregelend dan wat anders.
Hoe het ook zij, één ding verliep in elk geval wél alvast geheel volgens de klok, en dat was het humeur van de man. Ieder jaar, iedere vakantie, ieder weekendje weg zelfs doorliep dat dezelfde fasen. Strijk en zet.
Vol goede moed keerde hij allereerst terug op het honk, in de volle en blijde overtuiging dat alles vanaf nu allemaal heel anders zou gaan. Héél anders. Alles. Dat had hij dan in de vakantie lopen bedenken, dat dat moest en dat dat zou. Allemaal. Dat dat veel beter zou zijn.
Daarop volgde een soort tussenfase, waarin nog niet zo heel veel gebeurde omdat er nou eenmaal moest worden uitgepakt en opgeruimd en gewassen en gedaan, en.. ja.. ook omdat het nog een klein beetje vakantie was natuurlijk en er tenslotte best een beetje mocht worden nagenoten. In deze fase werd de goede en blijde moed langzaamaan steeds diffuser, steeds schimmiger, om uiteindelijk geheel te worden uitgedoofd door het besef dat het allemaal natuurlijk gewoon zo’n beetje bij het oude ging blijven. Dat alles gewoon z’n oude, vertrouwde gangetje zou blijven gaan.
Gevolgd door een periode van mild mismoedig chagrijn.
In die periode was de man dus nu beland.
Tja. Jammer.
Maar geen man overboord, en zeker de man niet, want omdat dit ieder jaar volgens hetzelfde patroon verliep, wist hij ook dat spoedig de volgende fase zou aanbreken. Waarin hij zich realiseerde dat z’n oude, vertrouwde gangetje helemaal zo slecht nog niet was. Helemaal niet zelfs. Integendeel.
Die goeie ouwe fase kwam eraan, hij wist het.
Hij kon bijna niet wachten. 

vrijdag 4 augustus 2017

Gevorkt





Op de vakantiebestemming in de Eifel liepen wij de Eisvogelwanderweg. Geen ijsvogel gehoord of gezien natuurlijk. Die zijn veel te schuw om zich voor het karretje van de Touristeninformation te laten spannen. Dat weet je van tevoren.
Ja, was het een uitzending van de Baardmannetjes op Max geweest, dan was het wel anders gelopen. Dan had Nico de Haan ons op de hem kenmerkende alwetende toon uitgelegd dat hij ons vandaag zeker een heel goede kans op een ijsvogeltje gaf, omdat die in dit gebied best wel vaak voorkwamen, we langs een snelstromend beekje liepen, met veel laag overhangende takken, en dat dat een ideaal leef- en jaaggebied voor ijsvogeltjes was. Dat hij dus zijn best zou gaan doen voor een ijsvogeltje. En dan zou Nico de Haan wel gezorgd hebben dat het op het eind van de dag gelukt was. Desnoods met listig ingemonteerde archiefbeelden. En dan hadden wij, als naïeve Hansen Dorrestijns, verheugd en ontroerd ah en oh kunnen roepen. Maar dat zat er dus niet in. De enige ijsvogels die we gezien hebben, waren de foto’s op de informatieborden van de wandeling.
Nou vind ik de ijsvogel persoonlijk toch een beetje té, eerlijk gezegd. Ik vind ze een beetje opgelegd mooi. Alsof iemand gedacht heeft: nu ga ik een vogeltje maken dat iedereen wel mooi móet vinden. Een beetje uitsloverig. Al dat blauw. Al dat oranje. Al die exotiek. En dan gewoon een standvogel zijn. En je dan te goed voelen om je af en toe eens te laten zien, aan de hardwerkende wandelaar. Al kan het ook zijn dat het ijsvogeltje dat zelf ook allemaal vindt, en zich daarom liever niet laat zien. Dat zou dan weer zielig zijn. En niet nodig.
Enfin, het was een fijne wandeling, klimmend en dalend langs het stroomdal van een allervriendelijkst beekje. We waren het er over eens dat één en ander een paradijselijke indruk op ons maakte. Waaruit maar weer blijkt dat we daar weinig voor nodig hebben. Het geruis van zacht stromend water over een paar rotsen, de lommer van een handvol jonge boompjes, wat overhangend groot hoefblad, een beetje balsemien en je bent een heel eind, wat ons betreft. Al verzinnen wij daar wel onze jongetjes bij, druk in de weer met keien en stenen om de loop der dingen te bedwingen.
We zagen paarden, in de weilanden langs de beek. Op sommige plekken konden ze de beek oversteken naar een weiland aan de andere kant. Dat leek ons leuk voor de paarden.
We zagen koeien, on-nederlandse koeien, in andere kleuren en met horens. Dát zijn we al niet meer gewend, deze koeien stonden ook nog in familieverband bij elkaar. Vader stier, in volle glorie, met een handjevol moeders koe en een hele bende kalfjes er dartelend omheen. Dat leek ons leuk voor de koeien.
Op het eind van de wandeling vloog ons dan nog een grote roofvogel in het vizier, waarvan wij meenden te weten dat dat een wouw was. Milan, in het Duits. Wisten we ook nog. Aan de staart kun je zien of het een Rotmilan of een Schwarzmilan is. De één is gevorkt, de ander niet. Welke wel en welke niet, dat waren we dan weer kwijt. Bovendien bleek het later niet helemaal waar te zijn. Beiden hebben een gevorkte staart. De rode iets meer dan de zwarte. Of andersom. En de onze had wel een érg gevorkte staart, zodat we later ook weer zijn gaan twijfelen aan onze waarneming.
Nee, daar kan Hans Dorrestijn nog een puntje aan zuigen.

maandag 31 juli 2017

Even wennen






Zijn vrouw en de man waren op vakantie. Voor het eerst zonder hun jongens. Die hadden daar geen tijd meer voor, om met hun ouders op vakantie te gaan. Die hadden daar geen zin meer in, die waren daar te groot voor, die bleven thuis. Zo gingen die dingen. Het was verder ook helemaal niet erg, zo hoorde het te gaan. Het was alleen even wennen. Want zo gingen die dingen nou eenmaal ook.
Op hun bestemming aangekomen hadden ze, na de borrel en het eten, een eerste avondwandeling gemaakt. De omgeving en het weer nodigden daar ook zeer toe uit. Hand in hand liepen ze daar, genoeglijk door het groen glooiend landschap.
Onderweg plukte zijn vrouw een vrolijk veldboeketje uit de berm, om straks terug in het huisje op tafel te zetten. Ze memoreerde hoe de jongens daar vroeger vol overgave aan mee hadden gedaan. Hoe ze met armenvullende boeketten gras en onkruid hadden lopen sjouwen, waar niet genoeg vazen voor in het huisje waren. De man wist het nog. Hij zag ze rennen.
Verderop vond de man een verdroogd kikkertje op de weg dat hij niet kon nalaten op te rapen. En hij herinnerde zich weer hoe hij wandelend met de jongens altijd op zoek was naar vondsten uit de natuur. Na iedere vakantie was de verzameling groter. Zijn vrouw wist het ook nog.
Zij had inmiddels trouwens een frambozenstruik gespot, met rijpe frambozen eraan. Wist de man nog hoe leuk de jongens dat altijd hadden gevonden? Bramen plukken? Frambozen? Eten uit de natuur? Hij wist het nog. En zag een paar mooie lange rechte stokken liggen, waar ze met hun meegebrachte zakmessen uitstekende speren van hadden kunnen snijden, waar ze dan de volgende dag lekker mee konden gaan gooien..
Ach, ze moesten er misschien nog even een beetje inkomen, zijn vrouw en de man, maar het zou beslist wel wennen.

maandag 24 juli 2017

Noodgeval





Zeventien en achttien, waren zijn jongens nu. Achttien en zeventien. Bijna groot. Nou ja, ze staken natuurlijk ruimschoots een kop boven hem uit allebei, maar dat bedoelde hij dan ook niet. Ze waren wel zo’n beetje af. Hij hoefde er niet zoveel meer aan te doen. Zijn werk zat er op.
Dat was in elk geval de indruk die ze hem zelf vaak gaven. Dat hij zich nergens meer mee hoefde te bemoeien. Alsjeblieft. Liever niet zelfs.
Nu speelde het grootste gedeelte van hun puberlevens zich buitenshuis of achter gesloten deuren af, dus de gelegenheden om zich nog wél ergens mee te bemoeien, met een welgemeend vaderlijk advies, een motiverend van vader tot zoon gesprek, een helpende hand of een wijze raad, waren schaars. Werden steeds schaarser ook. En de man zou liegen als hij beweerde dat hij dat niet jammer vond. Om het maar eens in een eufemisme te vangen.
Hij wist heus wel dat het de leeftijd was en dat het nou eenmaal zo moest gaan, dat wist hij heus wel, maar soms miste hij zijn kleine jongens gewoon. Zijn kleine jongens die de beste papa van de wereld hadden, die alles wist en alles kon en er altijd voor ze was.
Hij miste zichzelf ook weleens trouwens.
Ach ja.
Hij had weleens dagen, kortom, dat hij stilletjes rondliep met het gevoel dat hij niet meer zo heel erg ter zake deed. En daarom was hij zo blij dat zijn zoon hem vanochtend vroeg of hij vandaag de hele dag thuis was. Want ja, dat was natuurlijk ook veranderd in de jaren. Papa was niet alle dagen meer thuis. Papa had zijn eigen programma.
Maar vandaag hoopte zijn zoon dus hardop dat hij thuis was. Zijn vaderhart vulde zich met warme vreugde.
Al was het niet voor lang.
Er werd namelijk tussen elf en drie een pakketje voor hem bezorgd, hielp zijn zoon hem uit de droom. En daar moest voor getekend worden. Dus dan kon het niet bij de buren afgegeven, zoals normaal.
Het kon dus echt niet anders, begreep de man.

maandag 17 juli 2017

Stadswild






Omdat het nuttige goed met het aangename verenigd kan worden, ben ik in zonnig hartje Den Haag, mijn geliefde geboortestad, begonnen aan een lange wandeling. Daar heb ik, tot het nut zich ’s middags weer aan zal dienen, namelijk ruim de tijd voor.
Nog maar nauwelijks echt onderweg, nog in de slagschaduw van het Centraal Station zogezegd, meen ik dan vanuit mijn ooghoek direct al iets bijzonders te zien en verdomd, daar zít ook iets bijzonders. Een eekhoorn! In het Haagse Bos, op steenworp afstand van de zojuist overgestoken A12 en het hectisch centrum van de grote stad, direct naast een druk bereden fietspad, sterker nog.. midden in een speeltuin, zit daar een eekhoorn.
Eekhoorns, dat zijn bij mijn weten ontzettend schuwe beestjes die je alleen bij hoge uitzondering en met veel geluk af en toe te zien krijgt als je met je ouders op vakantie bent in een bos ver weg op de Veluwe. Zó lang is het geleden dat ik een eekhoorn heb gezien.
En automatisch doe ik wat mij toen geleerd is: héééél stil zijn, niet bewegen en kijken.
Heel voorzichtig ook neem ik een paar foto’s, met de camera op maximaal inzoomen dus tot mislukken gedoemd, maar goed, je moet wat, als je wild ziet.
Na een tijdje zo in de gloria geweest te zijn, besluit ik een poging te wagen iets dichterbij te komen, omdat ik per slot toch ook weer een keer door wil lopen. En dan pas wordt het me duidelijk, hoe het zit. Want in tegenstelling tot wat ik verwacht had, vlucht de eekhoorn niet karakteristiek schichtig zigzaggend en spiralend de dichtstbijzijnde boom in, maar blijft hij zitten waar hij zit en keurt me geen blik waardig. Terwijl ik me nou niet bepaald als Winnetou over de bosgrond beweeg. En om het me nog beter in te wrijven krijgt hij uit de dichtstbijzijnde boom zelfs nog gezelschap van een tweede eekhoorn. Verderop zie ik er nog drie scharrelen trouwens.
Goed, de tijd heeft ook voor de eekhoorn niet stil gestaan begrijp ik, en het zal misschien niet lang meer duren voor je ze bij je terrastafeltje weg moet jagen.
Toch koester ik tot diep in Wassenaar mijn geluksgevoel.
Een eekhoorn! Vlakbij!

Uit: Terug in de Horsten, gepubliceerd op De Vrije Wandeling, weblog van een wandelaar.