zaterdag 23 mei 2020

Postelein of geen postelein






In wat je gerust een opwelling kunt noemen hebben wij ons enige weken geleden een volkstuin aangeschaft. Tijdens een avondzonnig corona-ommetje kwamen wij toevallig langs het plaatselijk volkstuincomplex, waar een zelfgemaakt bord in de berm aankondigde dat er tuinen te huur waren, wat ons er toe verleidde in elk geval eens even een kijkje te nemen en minder dan vierentwintig uur later was het rond en konden we beginnen. Honderdvijftig vierkante meter vers gefreesde en kurkdroge kleigrond. Een dorre vlakte, woest en ledig. Hulpeloos ten prooi aan blakerende voorjaarszon en noordhollandse wind. In niets te vergelijken met de lommerrijke herinneringen die wij aan onze Haagse volkstuin koesteren, laat staan met de volle Amstelglorie van Jan Wolkers, zoals die mij nu opeens heimelijk voor ogen staat.
Maar goed, je kunt dus met evenveel recht zeggen dat alles nog mogelijk is, want zo is het ook. Binnen de reglementen van de volkstuindersvereniging uiteraard, dat dan weer wel, volgens goed hollands gebruik, maar tijdens onze eerste rondwandeling hebben we wel al tuinen gezien die ons wat dat betreft de hoop geven dat die niet zo streng en rechtlijnig uitvallen als je misschien zou verwachten. Voor de zekerheid kiezen we bovendien een tuin waarvan de buren links en rechts op het oog in elk geval een voorkeur voor gezellige rommeligheid lijken te hebben. Daar steken we allicht minder snel ongunstig bij af dan bij een volgens de regelen der kunst met liniaal en waterpas aangelegde en fijn geharkte, onkruidvrije zone.
En zo zijn we de laatste weken dus regelmatig op de tuin te vinden, spittend, schoffelend en plannen makend. Waterdragend met gieters en emmers, van de sloot naar de onverzadigbare akker. We timmerden verhoogde bakken, er werd een terras aangelegd. We plantten bessenstruiken, bermbloemen en knotwilgjes. We zaaiden van alles voor, in potjes, eierdozen en wc-rolletjes. Richtten groentebedden in, zetten een composthoop op touw en maakten goedmoedige praatjes met de buren, leunend op de hark. We zaaiden in de volle grond. Waren in de weer met stokken en gaas en netten. Net echt allemaal.
En nu staan we gebogen over het eerste ontkiemende spul.
En hebben geen idee.

maandag 18 mei 2020

Wespenkoningin






Nu mijn agenda door de omstandigheden geheel is leeggeveegd, sociale contacten van hogerhand ernstig worden ontraden en ik niet zo iemand ben die dan welgemoed van de gelegenheid gebruik maakt om vrolijk fluitend zijn huis van boven naar beneden ondersteboven te halen, uit te mesten en te soppen, komt het de laatste tijd wel eens voor dat ik zo niet moedeloos dan toch in elk geval doelloos uit het raam de tuin in sta te staren. Wachtend op iets dat niet gebeurt. Tja, zo is het nou eenmaal. Nu hebben wij een leuke tuin, waar van alles in staat te groeien en te bloeien en uit te botten, en het particulier coronaleed wordt vooralsnog gecompenseerd met veel mooi weer, het kan echt erger, tel uw zegeningen enzovoort, ik weet het, maar toch..
Vandaag gebeurt er dan trouwens wel iets, al is het niet veel, want daar zie ik een wesp vliegen. Op zich niets bijzonders, wij hebben ook nog eens een insectvriendelijke tuin, dus daar zoemt en fladdert en dart van alles in het rond, ook wespen. Maar ik meen vrij zeker te weten dat het nog een beetje vroeg is voor wespen en dat dit waarschijnlijk een koningin is, op zoek naar een geschikt plekje voor een nest. Het is een bijzonder grote wesp, dus dat zou dan wel eens kunnen kloppen. En het lijkt er na een tijdje sterk op dat dat geschikte plekje inmiddels gevonden is in de spouwmuur van onze uitbouw, ik zie de wesp tenminste telkens opnieuw door een gaatje tussen vensterbank en sponning naar binnen kruipen, en weer naar buiten komen.
In vroeger tijden zou ik het beest zonder enige aarzeling met een hamer hebben geplet, de mensheid aldus met één klap verlossend van een zomerlang overlast van een heel wespenvolk, tegenwoordig ben ik ouder, wijzer en ja, ook milder. Niet alleen, besef ik nu, is de wesp natuurlijk een onmisbare schakel in het grote geheel, ik heb de wesp ook leren kennen als een intelligent en sociaal dier. Daarover schreef ik al eens eerder een bericht, waarnaar ik hier graag met dit linkje verwijs, in plaats van het allemaal opnieuw te vertellen, maar samenvattend ben ik de wesp in een ander daglicht gaan zien en ik vind het daarom niet nodig deze wesp nu te vermoorden.
Echter, een nest in de spouwmuur, zo direct aan het terras, onder het raam van de wc, dat is ook weer zo wat. Dat zit straks niet lekker ontspannen.
Ik besluit dat er toch in elk geval wel íets moet gebeuren. Ik pak mijn kitspuit uit de schuur, vergewis me ervan dat de wesp haar bouwlocatie heeft verlaten en vul het gaatje tussen vensterbank en sponning met kit, in de hoop hiermee een min of meer wespvriendelijk compromis af te dwingen. Nog terwijl ik daarmee bezig ben landt de wesp vanuit het niets op de spuitmond, paniekerig heen en weer zoemend, waarschijnlijk in een Bruce Willis achtige poging het onheil te keren. Ik schrik er een beetje van, die enorme wesp opeens zo vlakbij, want weliswaar ben ik de wesp in een ander daglicht gaan zien, ik ben er dan weer niet automatisch van overtuigd dat die mildere blik wederzijds is. Liever doe ik een stapje achteruit om van een afstandje te bezien hoe de zaken zich ontwikkelen.
Gelukkig werpt de wesp zich niet meteen op de nog natte kit, een zeer wespónvriendelijke mogelijkheid waar ik geen rekening mee had gehouden. Een bijna menselijke verwarring lijkt zich van de wesp meester te maken. Eerst blijft ze even voor het dichtgekitte gat zitten. Het was toch hier?, zie ik haar bijna denken. Als er niets gebeurt en alles blijft zoals het is, neemt ze blijkbaar aan dat ze zich dan wel vergist zal hebben en gaat langs de sponning op zoek naar waar de ingang wel is, al kan ik zien dat ze daar zelf niet echt in gelooft, het gaat zonder overtuiging. Dan besluit ze helemaal opnieuw te beginnen, vanaf het begin. Maakt zichzelf wijs dat ze onderweg waarschijnlijk even niet heeft opgelet en zo verkeerd is uitgekomen. Ze vliegt op, maakt een wijde boog om mij heen, vliegt opnieuw aan op de vensterbank en landt voor het dichtgekitte gat, waarvan ze hoopte dat dat er nu niet meer zou zijn. Opnieuw inspecteert ze de afsluiting en andermaal drentelt ze ongelovig heen en weer langs de sponning. Dit herhaalt zich nog zeker driemaal. Zelfs vliegt ze nog een keer opnieuw aan op het naastgelegen raam, van de badkamer, dat er inderdaad precies hetzelfde uitziet, zich afvragend ongetwijfeld of ze zich nou zó sterk vergist zou kunnen hebben. Uiteindelijk geeft ze het op en druipt af. Met hangende schouders. Schuldig voel ik me niet, nee dat niet. Maar ik hoop wel dat ze een andere, betere plek heeft gevonden. Dat hoop ik echt.