zaterdag 8 juni 2019

Ei






De ganzen hebben het niet slecht voor elkaar, zie ik bij mijn ochtendwandeling. Hun pullen zijn in een paar dagen tijd enorm groot geworden en nog altijd even talrijk als ik ze me van de vorige keer herinner, toen ze nog klein en hulpeloos waren. Ook nu worden ze nog fanatiek in een groep bij elkaar gehouden door de achterdochtige volwassenen, zijn ze nog pluizig en kunnen ze nog niet vliegen maar de puberleeftijd lijken ze al wel te hebben bereikt en het ziet er naar uit dat de plaatselijke ganzenpopulatie zich ook dit jaar weer succesvol heeft vertienvoudigd. De boeren schijnen daar niet blij mee te zijn en daar zullen ze hun redenen voor hebben maar ik vind het een mooi en bemoedigend gezicht, al dat jonge nieuwe leven. De eendenpullen van vorige keer zijn van de aardbodem verdwenen, zijn waarschijnlijk omgezet in andere diersoorten, en ook de kleine meerkoetjes zijn gedecimeerd. Boven mij zie ik mijn kiekendief zijn inspectierondjes draaien.
Uit de omringende bomen hoor ik een aantal koekoeks gestadig over en weer naar elkaar roepen, met de bekende kreet. Een gezellig geluid wel, al weten we natuurlijk allemaal dat schijn hier bedriegt. Telkens als ik denk er één zo dicht te zijn genaderd dat ik hem straks waarschijnlijk zie zitten, vliegt ie er snel vandoor en zie ik niets anders dan een vage flits. Ze zien mij een stuk eerder dan ik hen, zoveel is duidelijk, en aan pottenkijkers hebben ze geen behoefte.
Aan de kant van de weg zie ik een flinke kraai die een kapot gevallen ei staat leeg te vreten. Met zijn kop schuin gebruikt hij zijn snavel als lepel. Slim inderdaad, maar wat zijn het toch klotebeesten, kan ik niet nalaten te denken. Ik weet wel, het is de natuur en kraaien moeten ook eten en hun jongen ook, en ik weet niet wat voor ei het is maar als er nooit eens iets wordt opgegeten worden het er ook gewoon wel weer teveel misschien, maar sneu vind ik het ook.
Ergens hoop ik dan maar dat het het ei van een koekoek is, want het is natuurlijk gewoon asociaal zoals die hun enorme ei bij een klein vogeltje in het nest dumpen, er zelf verder hun vleugels van aftrekken om in de volgende boom de hele lente lang een beetje gezellig koekoek naar elkaar te gaan zitten roepen. Dat die kraai nu op het randje van datzelfde nest heeft gezeten en heeft gedacht: ik pak lekker de grootste, die kleintjes laat ik liggen. Maar ja, wat kan zo’n ei daar dan weer aan doen?

Ook gepubliceerd op De Vrije Wandeling, weblog van een wandelaar.

maandag 3 juni 2019

Plek voor twee







Na een lange dag wandelen nemen mijn jongste zoon en ik de trein terug naar huis. Het was een warme dag ook nog, het leek verdorie wel zomer. We zijn moe en tevreden. Met onze rugzakken voor ons uit stappen we een redelijk gevulde coupé in, het is een doordeweekse dag, we zitten nog in de spits, de randstedelijke leegloop richting het noorden. Hoe noordelijker we komen hoe rustiger het zal zijn, maar nu is het nog even zoeken naar een plaatsje waar we kunnen zitten. Naast elkaar, ook nog, liefst. De nodige zitplaatsen zijn in beslag genomen door bagage, zoals dat gaat, in een beschaafd land als het onze, waar normen en waarden immer hoog in het vaandel staan. De ervaring leert dat de bagage alleen na mondeling aandringen met de grootst mogelijke tegenzin op schoot zal worden genomen of tussen de voeten op de grond zal worden gezet. De bagage betekent eigenlijk: rot op, laat me met rust, ik wil hier alleen zitten, zoek maar een andere plek, ga maar in het halletje staan. Tja. Wij hebben geen zin in mondeling aandringen en onwillig zuchtende medepassagiers op een mooie dag als deze en dat hoeft gelukkig ook niet want verderop is nog plek voor twee, zien we.
Verderop zit ook een parmantig appende meneer in korte broek die ons aan ziet komen lopen en een beleefd gebaar meent te maken door zijn voeten van de bank tegenover hem te halen. Om plaats voor ons te maken. Zijn blote voeten. Zijn blóte voeten. Dat wij dus wel mochten gaan zitten op de bank waar híj net nog zijn blote zweetkakken had liggen. Die hij nu weer in zijn sandalen heeft gestoken. Zwijgend wegkijkend bedanken wij voor de eer en nemen plaats op de bank aan de andere zijde, schuin tegenover hem. De meneer werpt ons een verongelijkte blik toe, waarschijnlijk ook in antwoord op ons nauwelijks onderdrukt misprijzen, legt dan zijn voeten, zijn blote voeten, weer terug op de bank tegenover hem en hervat zijn parmantig appen. De hele reis naar huis blijven de voeten hardnekkig in onze ooghoeken plakken.

De illustratie bij dit stukje is een detail van het schilderij 'Vincent in Londen' van Emo Verkerk.

maandag 27 mei 2019

Mits







Bij een genoeglijke wandeling langs bos en hei passeren mijn vrouw en ik een bordje waarop staat dat in het achter het bordje gelegen gebied honden los mogen lopen, mits zij geen overlast veroorzaken. Wij barsten altijd in lachen uit bij dat soort bordjes, al is het ook als een boer met kiespijn. Dat soort bordjes gelden meestal namelijk alleen voor de mensen zónder hond. Het mag inmiddels duidelijk zijn dat wij tot die groep behoren. Nergens tref je zoveel loslopende honden op je pad als na een bordje waarop staat dat de hond moet worden aangelijnd. Hondenbezitters laten zich niet graag de wet voorschrijven. Dat maakt het bordje waar wij nu langs wandelen ook tot een ingewikkeld bordje. Want wie bepaalt wanneer de hond overlast veroorzaakt? En wie gaat het baasje of het bazinnetje daar dan op aanspreken? En heeft u dat wel eens geprobeerd? Een hondenbezitter aanspreken op zijn gedrag? Of dat van zijn hond? Wij raden dat niet aan. Dat kan uw dag goed verpesten. Daar houden hondenbezitters nog minder van dan van bordjes. Dat blijkt ook nu weer, uiteraard, anders zou ik er niet over beginnen.
Het leuke van wandelen, vinden wij, is dat je onderweg van alles ziet. Niet alleen weidse landschappen, wolkenluchten en vergezichten, maar ook een specht die wegschiet, een bloemetje waar je de naam niet van kent of een mestkever die de grootste moeite heeft met de klus die hij moet klaren. De ingang van een hol, en de vraag die dat oproept van welk dier dat zou kunnen zijn. Dingen waar je bij stil blijft staan. Om er even wat langer naar te kijken, elkaar er op te wijzen, het er even over te hebben. Dingen waarvoor je dan wel eens door de knieën gaat, omdat het zo klein is. Iets waar je even bij gaat zitten, omdat het zich op de grond afspeelt. En als er dan plotseling een vrij grote hond uit het niets de hoek om komt draven en in je gezicht gaat staan blaffen, dan ervaar je dat als overlast. Wij wel tenminste. Dus daar gaan we.
Inmiddels hebben zich nog twee honden gemeld die weliswaar niet blaffen maar het wel duidelijk met hun soortgenoot eens zijn. Dan pas komen de baasjes de hoek om, waarvan er één nogal bars roept dat ‘er niks aan de hand is’. We hopen dat dat tegen de hond is, maar omdat we zelf net iets snauwerigs tegen de hond zeggen weten we dat niet zeker. Het lijkt ons wel een mooi moment om de baasjes er, het bordje van daarnet indachtig, op te attenderen dat wij het niet erg prettig vinden om zo intimiderend te worden toegeblaft. Dom natuurlijk, dat weten we zelf ook wel, maar je flapt er wel eens iets uit. Wat hadden we verwacht? Dat de baasjes ons gelijk zouden geven? Begrip zouden tonen? Zich zouden verontschuldigen en de honden bij de halsband zouden nemen? Nee, zo gaat dat niet. De baasjes vinden het maar flauwekul want wie gaat er nou op de grond zitten? Daar schrikt de hond toch van? Dan weet de hond toch ook niet meer waar hij aan toe is? Zeikerds, zijn we.
En dan zijn wij natuurlijk uitgepraat, want wat moet je daar nou nog tegenin brengen?

Ook gepubliceerd op De Vrije Wandeling, weblog van een wandelaar.

vrijdag 17 mei 2019

Een oude bekende






Voor het eerst in toch alweer iets te lange tijd maak ik mijn vaste ochtendwandeling. Het is niet dat ik daar geen zin meer in heb, of dat ik het niet meer nodig zou hebben, verre van dat. Er staan gewoon steeds andere dingen op het programma. Het leven raast ook maar gewoon door nietwaar. Tja, wat doe je eraan.
In elk geval, ik ben weer op ochtendwandeling en er is nogal wat veranderd sinds de laatste keer, merk ik op. Uiteraard is er nogal wat veranderd, dat haalt je de koekoek. Er is een volle maand lente overheen gegaan, dat wil wel. Waar de vorige keer alles nog kaal, woest en ledig was, springt het nieuwe leven me vandaag overal vandaan tegemoet. Een wellustig fris, jong groen kleurt bomen en struiken waar je kijkt. Bermen staan botergeil in bloei met enorme bossen fluitekruid en koolzaad, boterbloemen, pinksterbloemen, paardebloemen en allerhande anders dat ik zonder boekje niet weet te benoemen. De meidoorn bezwijkt zo hier en daar bijna onder de bloemenvracht. Nieuw riet schiet op in de boerensloot. Waar ik trouwens nog veel meer nieuw leven in zie. Een moeder eend paradeert trots met een sliert pulletjes in haar kielzog, een meerkoet duikt onduidelijk voedsel op voor twee kleintjes, die ondanks hun pluizigheid eigenlijk weinig aandoenlijks hebben, valt mij altijd op. Ik zie een weide vol ganzen die al hun pullen in een soort kinderopvangsysteem bij elkaar hebben gedreven. Zij voeden hun kinderen op volgens het Afrikaans spreekwoord: It takes a village to raise a child. Als ze mij zien aankomen, met mijn camera, maken ze zich groepsgewijs waggelend en gakkend uit de buurt, de kinderschare veilig in het midden. Opvliegen, wat ze normaalgesproken doen, is er voorlopig even niet bij. Opvallend genoeg blijven vijf ganzen achter, die zich gezamenlijk met één jong bezig staan te houden. Er worden hartige woorden gesproken, die ik jammer genoeg niet kan verstaan. Al kan ik me er, door de wol geverfd als vader van drie en opa van twee, wel iets bij voorstellen.
Verderop kom ik drie eendenpullen tegen waar geen enkele volwassen eend zich om lijkt te bekommeren, ik zie er niet één tenminste. Moederziel alleen klitten ze piepend bij elkaar in de sloot. Braaf vluchten ze steeds een eindje voor me uit, zoals ze dat van moeder geleerd hebben waarschijnlijk, maar na een tijdje geven ze dat op en blijven ze maar wat liggen. Het kan mijn vaderhart zijn natuurlijk, maar het lijkt er zelfs een beetje op dat ze hoopvol naar me op kijken. Of ik misschien weet waar hun moeder is. Of ik ze misschien kan helpen. Maar ja.. nee.. wat moet ik doen? Wat kan ik doen? Niks natuurlijk. Zo gaan die dingen. Met bezwaard gemoed loop ik door.
Mijn humeur klaart weer wat op als ik plotseling een oude bekende zijn rondjes door het luchtruim zie zweven. Het is de bruine kiekendief die ik vorig jaar al regelmatig rond zag vliegen en waarvan ik geheel zelfstandig had geconcludeerd dat het een bruine kiekendief was. Daar was ik toen best trots op en sindsdien ben ik hem als oude bekende gaan beschouwen. Hij mij niet, uiteraard. Al liet hij zich vrij regelmatig zien. Nu was hij dus weer terug van blijkbaar weggeweest, want dat het een trekvogel was wist ik dan weer niet. Ik weet heel veel niet. Ik ben blij met het weerzien en hoop hem dit jaar nog beter en van dichterbij te zien te krijgen. Nu kijk ik hem na, hoe hij in glijvlucht zijn koers verlegt. Schitterend, vind ik het. Dan dringt het opeens tot mij door dat hij in de richting van mijn drie eendjes glijdt. En dat hij niet voor niets kiekendief heet. Ik houd mijn hart vast. Gelukkig heb ik geen verrekijker bij me.

woensdag 8 mei 2019

Iga







We wandelen vanaf Dirkshorn. Van het oude raadhuis en de kerk lopen we langs het haventje het dorp uit, steken onderlangs de N245 over en door een sluis van robuust hekwerk dat het ergste doet vermoeden komen we op de grasdijk langs het meer. Het meer van Dirkshorn. Heel groot is het niet, maar dat zegt niks.
Halverwege treffen we een kruis tegen de rietkraag. Een herdenkingskruis. Zelf in elkaar geknutseld van in de fabriek al witgespoten hardhouten balkjes en een door de elementen verweerd plankje waarop met zwarte stift een naam, twee data en een onleesbare zin in het Pools staan geschreven. We nemen tenminste aan dat het Pools is, geen vreemde veronderstelling in deze contreien.
Iga Kunicka.
SP, staat er nog voor. De Poolse versie van RIP, vermoeden wij. Spoczywaj w Pokoju. Zoek het maar op, op internet. Een halfvergaan en kleurloos geworden kransje van nepbloemen ligt even verderop in het riet. Voor het kruis staat nog een latje in de grond geprikt met daaraan een wat knullig geplastificeerd stukje multomappapier waarop dezelfde naam, de tweede datum en daaronder RIP. De tweede datum, dat zal een sterfdatum zijn, is 26 juli 2014. Toch is de tekst op het papier vandaag nog goed te lezen, al is het wat uitgelopen door het vocht. Je mag dus aannemen dat dit extra bordje er later nog bij is gezet. Naar het waarom daarvan kunnen we natuurlijk alleen maar raden, maar het lijkt er alles bij elkaar op dat Iga Kunicka na vijf jaar nog niet vergeten is, in Dirkshorn.
Op internet vinden wij nieuwsberichten uit Poolse kranten die haar tragisch einde beschrijven, in krakkemikkig Google Translate Nederlands. 21 jaar was ze, een seizoenskracht in de bollenteelt. Geliefd bij de mensen met wie ze werkte, een gangmaakster, lezen we in het Noordhollands Dagblad. In haar schooltijd deed ze mee aan schaaktoernooien, in een ander Pools artikel. Tijdens een feestelijk, zomers boottochtje met haar veelal Poolse collega’s raakte ze te water en verdronk.
In de commentaren onder de Poolse artikelen schrijven mensen die haar blijkbaar gekend hebben dat ze goed kon zwemmen. Dat ze geduwd werd. Verder wordt er al even naargeestig en respectloos heen en weer gevit en gescholden als hier onder willekeurig welk Volkskrantbericht op facebook, daar wensen wij verder geen wijs uit te worden.
Is ze zelf gesprongen? Verleid tot een verkoelende duik? Het was een warme dag. Werd ze tijdens een stoeipartijtje geduwd? Zo’n typisch verkennend stoeipartijtje met een jongen misschien, die haar leuk vond. Die zij leuk vond. Kon ze toch niet zo goed zwemmen? Misschien had ze gedronken.. we weten het niet. Het meer van Dirkshorn is diep, en koud. En zwijgzaam.
Het Noordhollands Dagblad meldt een week later dat de toedracht rond haar dood alsnog nader wordt onderzocht. Een bericht dat geen vervolg krijgt.
Wij denken dus maar aan Iga Kunicka, niet ouder geworden dan 21. En aan haar ouders, in Hrubieszów, in Polen, aan de grens met Oekraïne. Meer kunnen we niet doen.
Het halfvergane bloemenkransje, dat we al bijna als plastic zwerfafval hadden meegenomen, hangen wij terug aan het kruis.

zaterdag 4 mei 2019

Scha - pen






Met mijn jongste zoon maak ik sinds kort regelmatig een lange wandeling. We zijn dan een dag onderweg, een rugzak met leeftocht omgebonden en wandelschoenen aan de voeten. Hij is 19 inmiddels en blijkbaar kan het dan wel weer, wandelen met je oude vader. Ik las ook ergens dat wandelen hip wordt, onder jongeren. Misschien is dat dus waar. Misschien straalt de hipheid ook wat op mij af. Wie zal het zeggen. Hoe het ook zij, ik geniet van de wandelingen. En van zijn gezelschap, het samen zijn als vader en zoon.
Vandaag lopen we dicht bij huis, op en langs de Westfriese Omringdijk. Na wat over grasdijkjes gelopen te hebben, moeten we een hekje over waaraan een bordje hangt met de universeel verontrustende waarschuwing: pas op voor de stier. Maar ach.. de kans dat je in deze barre tijden nog een echte stier van vlees en bloed in een weiland rond ziet lopen lijkt mij eerlijk gezegd zo goed als nihil, zelfs koeien worden al een bijzonderheid in de wei, dus waarschijnlijk hangt het bordje er voornamelijk voor de authentieke sfeer. Stel ik mijn zoon gerust. Al lopen er wel een aantal schapen achter het hek met vervaarlijk uitziende horens.
Zodra we over het hekje zijn, drommen de beesten opdringerig om ons heen. Mijn zoon vindt dit een tikkeltje verontrustend, in combinatie met de vervaarlijke horens waarschijnlijk, en misschien ook wel het bordje. Het is niet dat hij zich naar de overkant háást, om het weiland daar weer uit te klimmen, terug naar het veilige asfalt.. hij doet er ook niet langer over dan strikt noodzakelijk.
Ik ben hier toevallig deze week al eerder geweest, tijdens een andere wandeling, en ik meen vrij zeker te weten dat dit welvaartsschapen zijn, die bij mensen met rugzakjes al meteen de conclusie trekken dat er wat te vreten valt. Ik doe dus een beetje laconiek. Een beetje wereldwijs. Ik wil zelfs niet uitsluiten dat ik een beetje stoer doe, voor mijn huiverige jongste zoon. Dat krijg je, als je zonen zo boven je uit beginnen te steken. Baarden gaan dragen.
Ik blijf met enige branie tussen de schapen hangen, spreek ze licht uitdagend toe, pak er eens één bij de horens. Maar dan neemt er toch eentje een aanloopje, een paar stapjes naar achteren, de kop naar beneden. Dan word ik toch inderdaad bijna op de vervaarlijke horens genomen, door een welvaartsschaap met een kort lontje. Maak ik toch ook snel dat ik over het hekje kom.
Tja, het is niet anders.
Nu hoop ik alleen maar dat mijn zoon dit niet gezien heeft.

woensdag 10 april 2019

Het geheim van de Alexanderflat ontsluierd






In Bergen aan zee werden wij op de hoek van de Zeeweg en het Van der Wijckplein dus zomaar voor een raadsel geplaatst. De zijgevel van de Alexanderflat, die daar staat, is vier verdiepingen hoog opgemetseld uit onregelmatig gevormde basaltblokken, zoals die ook worden gebruikt om golfbrekers mee op te werpen. En uit de speelse structuur die dat oplevert, steekt heel bescheiden een schijnbaar achteloos meegemetseld reliëf naar voren. Twee vrolijke figuren zien we, waarvan er één op de handen staat. Spelende kinderen, nemen wij aan, een populair thema immers, in de vijftiger jaren, toen je nog op straat spelende kinderen had. Het is zo onnadrukkelijk aangebracht dat je er ook zomaar aan voorbij zou kunnen lopen, zonder het op te merken. Wij hadden dat bijna gedaan. Het is dat de zon scheen en voor het schaduwrandje zorgde dat het reliëf verraadde.
Maar nu het raadsel, waar wij voor werden geplaatst. Het bleek dat nergens een aanwijzing viel te vinden over wie de kunstenaar zou zijn die dit gemaakt had. Niet op een bordje ter plekke en ook niet weer thuis op internet. We achterhaalden nog net dat de Alexanderflat in 1958 werd gebouwd, het reliëf leek verder niet te bestaan. Ja toch, op een site van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen werd het ergens in een hoekje achteraf vermeld. Maar ook niet meer dan dat. Het reliëf wás er, het bestond, het was niet onopgemerkt gebleven.. maar wie het gemaakt had wist men op het ministerie ook niet te vertellen. Sterker nog, eenieder die meer informatie had over het werk of zijn maker werd verzocht die met het ministerie te delen.
Goed, wij hebben er inmiddels ons eigen verhaal omheen gebreid, ook altijd leuk, maar het zit ons toch niet lekker. We besluiten op onderzoek te gaan.
Te beginnen bij de Dorpsraad van Bergen aan zee. Daar lazen we al dat de Alexanderflat van 1958 is en destijds het begin van het einde betekende voor de eerder nagestreefde kleinschaligheid voor het dorp.. allicht dat we daar iets te weten komen. En inderdaad komt bij navraag al vrij snel in elk geval de naam van de architect van de flat naar boven: Gert Boon (1921 – 2009). Telg uit een architectengeslacht die er uitgesproken tot rigide ideeën over functionaliteit op na houdt, medeoprichter is van de Forumgroep en zich ontwikkelt tot een exponent van het zogenoemde structuralisme, een typisch Nederlandse stroming in de architectuur die zich afzet tegen de grootschaligheid en eenvormigheid van het dan heersende Nieuwe Bouwen en juist de menselijke maat als leidraad wil nemen. In een publicatie van het Nieuwe Instituut in Rotterdam wordt Boon in retrospectief omschreven als ‘een wat merkwaardige figuur op de achtergrond, die er ondanks zijn vooruitstrevende ideeën niet in is geslaagd zijn stempel op de Nederlandse architectuur te drukken.’ Boon vestigt zich na zijn studie in 1953 als zelfstandig architect in Amsterdam en de Alexanderflat, waarvan het ontwerp van 1955 stamt, zal dus één van de eerste opdrachten zijn geweest. In dezelfde periode ontwerpt en realiseert hij de kubuswoningen in de duinstrook tegenover de Alexanderflat. Over het reliëf wordt nergens gesproken. Het zou kunnen dat Gert Boon het ontwerp zelf heeft gemaakt, al lijkt ons dat, afgezet tegen zijn streng geordende, geometrische stijl, onwaarschijnlijk.
In afwachting van verdere berichten zoeken wij het hogerop en wenden ons tot de gemeente Bergen. Die ons per ommegaande niet kan helpen omdat men het niet weet. Omdat het reliëf geen onderdeel uitmaakt van de gemeentelijke kunstcollectie. En men het dus ook niet hóeft te weten. Waaróm het reliëf geen onderdeel uitmaakt van de gemeentelijke kunstcollectie en waar het dan wél onderdeel van uit maakt, blijft onvermeld. We worden doorverwezen naar het Regionaal Archief in Alkmaar.
Daar valt onze vraag gelukkig in vruchtbaarder aarde en wordt ons zelfs verzocht eventuele verdere bevindingen te delen. Via een door het archief geraadpleegde lokale historicus worden wij vervolgens in contact gebracht met de secretaris van de werkgroep Historisch Onderzoek van de Historische Vereniging Bergen die op zijn beurt weer beschikt over een artikel over de Alexanderflat dat echter nooit werd afgemaakt omdat de auteur ervan voortijdig overleed en dat dus ook nooit werd gepubliceerd maar waarin wel de maker van het wandreliëf dan eindelijk bij naam wordt genoemd. Het is Henk van den Idsert (1921 – 1993). Bij ons roept die naam geen herkenning op maar nader onderzoek wijst uit dat hij in kunstenaarsdorp Bergen geen onbekende is. Sterker nog, mijn eigen schoonvader, die in Bergen woont, herinnert zich hem als een heel prettige man. Heeft zelfs een klein bronzen beeldje van hem op de vensterbank staan. Maar dit terzijde.
Het is een veelzijdig kunstenaar, Henk van den Idsert, die zich in veel technieken weet uit te drukken. Schilder, tekenaar, aquarellist, graficus, beeldhouwer. En hij maakte mozaïeken, dus. Studeerde aan de Rijksacademie in Amsterdam en is daarna in de leer geweest bij onder meer Matthieu Wiegman en Ossip Zadkine. Hij wordt gerekend tot de latere generatie van de befaamde Bergense School, een zich rond het naamgevend dorp afspelende stroming van expressionistische kunstenaars met kubistische invloeden. Als beeldhouwer staat Van den Idsert bekend om zijn weinig gedetailleerde mens- en dierfiguren. Hij hakte direct in hout of steen en liet zich leiden door de vorm en de eigenschappen van het materiaal. Dat laatste zien we in elk geval terug in het wandreliëf in Bergen aan zee, waar de voorstelling als vanzelf lijkt te ontstaan uit de vorm en de structuur van de gemetselde basaltblokken. Bijzonder hoe uit zulk grof materiaal toch zo’n bescheiden, haast subtiel beeld kan worden gevormd.
Een interessante vraag die nu opkomt maar waarschijnlijk onbeantwoord blijft is of deze twee mannen, Gert Boon en Henk van den Idsert, leeftijdgenoten, elkaar kenden. En was het de architect die bedacht dat de zijgevels uit basaltblokken moesten worden gemetseld en heeft de kunstenaar vanuit dat gegeven zijn ontwerp gemaakt? Of heeft de kunstenaar de architect aan het idee van basaltblokken geholpen?
Ander beeldhouwwerk van Van den Idsert is op verschillende plekken te zien, zeker in Bergen. Aan de Landweg staat daar De Amazones, in Museum Kranenburgh de onvoltooide en aan de Kerkelaan is een beeldentuin met veertig van zijn beelden ingericht.
Rest ons nog onze burgerplicht te vervullen en het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen op de hoogte te brengen van onze bevindingen.

Eerder gepubliceerd op samenuitenthuis, weblog van een wandeling langs het Groot Frieslandpad, in de rubriek Kunst onderweg.

donderdag 21 maart 2019

Afgezant der Renaissance







Voor het schattig kleine raadhuisje van Schoorl (anno 1601) staat een bijzonder beeld. Het lijkt in eerste instantie niet zo heel bijzonder. Bij oppervlakkige beschouwing zou je makkelijk kunnen denken dat het gewoon het dertiende klassiek geboetseerde standbeeld uit het dozijn is. De zoveelste bekende vaderlander uit vervlogen tijden, gevangen in brons. In een ontspannen, zelfverzekerde pose staat hij daar. Wijdbeens, alert, penseel en palet in de aanslag en gekleed volgens de mode voor beter gesitueerden uit een ver verleden. Een hoge kraag, een zwierige mantel, robuuste schouderstukken die aan een harnas doen denken, wijd geplooide en bloezende mouwen met nauwsluitende onderarmen, een pofbroek met beenwindsels om de kuiten en typisch middeleeuwse puntschoenen aan de voeten. Een baret op het hoofd. En alles van de fijnste stoffen en de duurste materialen. Nee, hier staat niet zomaar iemand. En dat klopt. Hier staat Jan van Scorel (1495 – 1562), waarschijnlijk de grootste vaderlander die Schoorl heeft voortgebracht. Een in zijn tijd beroemd, zeer gewaardeerd en baanbrekend kunstenaar. De eerste schilder die zich als kunstenaar beschouwde, een intellectueel als dichters en geleerden, en niet alleen de ambachtsman die de Middeleeuwen in de schilder zagen. Toonaangevend wegbereider van de Renaissance in de Nederlanden. In zijn geboorteplaats geëerd met dit standbeeld. Klassiek geval, duidelijk.
Bekijk je het beeld wat beter, en van wat dichterbij, dan zie je al snel dat die adellijke kleding, die dure en fijne stoffen en materialen zo duur en fijn niet zijn. De pofbroek is opeens een stuk autoband, de bloezende plooien van de mouwen lijken verdacht veel op een in stukken geknipte tuinslang, de schouderstukken zouden wel eens het deksel van een plastic vuilnisemmer kunnen zijn, het vest een rieten mand. Dit zo klassiek aandoende beeld is geheel opgetrokken uit afvalmateriaal en alledaagse gebruiksvoorwerpen. De kunstenaar heeft het een en ander bij elkaar gezocht, het tot een geheel geassembleerd en in brons gegoten. Dat het nu evengoed klassiek oogt komt een beetje door dat brons natuurlijk, maar zeker ook doordat de kunstenaar haar materiaal heel goed gekozen heeft en er bijzonder mooi de juiste sfeer van zo’n adellijke dracht mee weet op te roepen. Erg knap.
Elly Baltus, heet deze kunstenaar, geboren in 1957 in Bergen, en het beeld van Jan van Scorel was het eerste dat zij in deze stijl maakte. Kennelijk viel het in de smaak en was ze er zelf ook blij mee want er volgden er meer, zoals Vrouwen in het verzet, in Heerhugowaard, Jan van Heemskerck in Heemskerk en Jan Jansz Weltevree in De Rijp. Behalve met beelden is Elly Baltus internationaal bekend geworden met haar eigenwijze ontwerpen voor penningen, waarin ze de grenzen van het klassieke gegeven van de penning opzoekt, en combineert met elementen uit de moderne tijd waarin we nu leven, zoals elektronica bijvoorbeeld. Grofweg hetzelfde uitgangspunt dus als we in het beeld van Jan van Scorel zien. Zelf zegt Elly Baltus daarover: ‘We kijken vanuit het heden, met onze mogelijkheden en kennis, naar een historisch figuur die in zijn tijd ook modern was.’
De pose die Van Scorel aanneemt, op zijn sokkel voor het raadhuis, is ontleend aan een schilderij dat aan hemzelf is toegeschreven: Het portret van een jonge scholier, geschilderd in 1531. Op dit schilderij zien we een twaalfjarige jongen, alert en zelfverzekerd met pen en papier in de aanslag staan. Met ook nog net zo’n baret. Op het papier heeft de jongen een notitie gemaakt: Omnia dat Dominus, non habet ergo minus. We zien het papier van de achterkant dus het staat er in spiegelbeeld. Het betekent: Alles geeft de Heer, toch heeft Hij niet minder. Onder de scholier staat nog een Latijnse tekst: Quis dives qui nil cupit pauper avarus. Oftewel: Wie niets verlangt is rijk, de vrek daarentegen is arm. Stichtelijke teksten die verklappen dat Van Scorel behalve schilder en tekenaar, kunstenaar, geleerde en intellectueel ook een religieus man en een filosoof was. Hier staat, met andere woorden, waarlijk een afgezant der Renaissance.

Eerder gepubliceerd op samenuitenthuis, weblog van een wandeling langs het Groot Frieslandpad, in de rubriek Kunst onderweg.

woensdag 13 maart 2019

Het geheim van de Alexanderflat






Op de hoek van de Zeeweg en het Van der Wijckplein in Bergen aan zee staat sinds 1958 de Alexanderflat. De bouw ervan is de geschiedenis ingegaan als het definitieve einde van de blijkbaar ooit nagestreefde kleinschaligheid voor Bergen aan zee, en wordt genoemd als één van de oorzaken dat er nooit echt een centrum is ontstaan, waardoor het dorp een ongestructureerd en rommelig karakter kreeg. Ik praat hier de Dorpsraad na, dat spreekt. De flat telt vier verdiepingen met vakantieappartementen en is er één uit twee of misschien wel meer dozijn. De enige reden het er hier over te hebben is de zijgevel.
De flat lijkt als door twee boekensteunen te worden bijeengehouden door de zijgevels, opgemetseld uit basaltblokken zoals die ook gebruikt worden om golfbrekers mee op te werpen. Een knipoog van de architect allicht naar de op steenworp afstand liggende zee. Een idee dat aardig uitpakt want doordat de basaltblokken onregelmatig van vorm en grootte zijn, ontstaat er een speels metselwerk dat om vele middelpunten lijkt rond te draaien. Gelijk de zee rond een golfbreker kan doen.
De zijgevel aan de kant van de Zeeweg blijkt bovendien, bij beter kijken, voorzien van een wandreliëf. Er worden twee spelende of dansende figuren uitgebeeld, kinderen misschien. Eén staat er op de handen, de ander staat ernaast te juichen of te zwaaien of anderszins. Je moet inderdaad echt beter kijken anders zie je ze zo over het hoofd, de figuren zijn bijna onmerkbaar in het patroon van de gevel meegemetseld, ze steken alleen iets naar voren, de schaduw verraadt ze. Maar alleen de schaduw. Een bordje met nadere inlichtingen over maker, opdrachtgever of jaar van ontstaan is nergens te vinden, al lopen we er een rondje voor om de flat.
Op internet zijn de figuren zelfs helemaal onopgemerkt gebleven. Nergens is een schaduwrandje van informatie te vinden over wie de kunstenaar is, of zelfs maar de architect van het gebouw. Hoe en waar we ook zoeken, het blijft in nevelen gehuld. Uiteindelijk vinden we een webpagina van de Rijksdienst voor het cultureel erfgoed van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.. waar ze het ook niet weten. Waar zelfs een oproep gedaan wordt, aan eenieder die meer weet over het reliëf en zijn kunstenaar, die kennis te delen.
Tot nader order houden wij het er daarom op dat hier een metselaar aan het werk is geweest, halverwege de jaren vijftig, die eigenlijk een toekomst als kunstenaar voor zichzelf had gewenst maar noodgedwongen in de bouw terecht was gekomen. Er moest brood op de plank tenslotte, hij had een vrouw en twee kinderen thuis. In de bouw was nog altijd werk genoeg, zo kort op de oorlog. Een carrière in de kunst zat er voor hem niet in. Maar hier, op de zijgevel van de Alexanderflat, had hij zijn kans schoon gezien. Al metselend aan de rechter zijgevel had hij gemerkt wat een speels beeld het metselen met de onregelmatig gevormde basaltblokken opleverde. Voor de linker gevel had hij heimelijk besloten zijn fantasie de vrije loop te laten en de wereld te laten zien dat hij meer was dan een metselaar. Hij was dan misschien geen Da Vinci, zijn ambitie was er niet minder om. Bergen was een kunstenaarsdorp, hier zouden ze hem begrijpen. Waarderen misschien zelfs. En zo had hij zijn kinderen vereeuwigd, spelend en dansend in een ter plekke uitgedokterd wandreliëf.

Eerder gepubliceerd op samenuitenthuis, weblog van een wandeling langs het Groot Frieslandpad, in de rubriek Kunst onderweg.

donderdag 7 maart 2019

Jonas en de walvis






Als we Bergen aan zee inrijden en het strand naderen, en daarmee het beginpunt van onze langeafstandswandeling voor de komende maanden, zien we midden op de rotonde bij het zeeaquarium een beeld staan. Of beter gezegd, we zien het niet staan. We zoeken een parkeerplekje, we vergewissen ons ervan dat dat gratis is deze tijd van het jaar, we gorden onze rugzakken om, trekken de wandelschoenen aan en gaan op zoek naar een geschikte gelegenheid om de dag te openen met een kop koffie.
Zo vergaat het de kunst in de openbare ruimte. Het staat er wel, maar we zien het niet. Niet echt. We geven geld uit aan een museumjaarkaart, of aan entree voor het museum, om daar kennis te nemen van het tentoongestelde, maar de kunst die dagelijks gratis te bezichtigen valt op straten, pleinen en rotondes, daar lopen en rijden we achteloos aan voorbij. Omdat we te druk zijn met iets anders.
Dat is jammer denken wij, het staat er niet voor niets tenslotte, en we besluiten ons leven te beteren. Te beginnen met het beeld op de rotonde bij het zeeaquarium in Bergen aan zee.
Het heet Jonas en de walvis, staat op het bordje in de van kinderhoofdjes gemetselde sokkel, en het is van Nic Jonk (1928 – 1994). Die kennen we wel, die naam. Op onze wandeling langs het Noordhollandpad, vele jaren geleden, passeerden we zijn beeldentuin in Grootschermer. Ook tamelijk achteloos overigens. We denken aan voluptueuze maar tegelijk sierlijke beelden, glimmend zwart, met veel ronde, vaak ook vrouwelijke vormen. Figuratief en toegankelijk. Dat is dit beeld ook. Bij heel slordig en oppervlakkig kijken zou je een soort van boom kunnen zien maar nadere beschouwing levert al snel een menselijke figuur op, in verstrengeling of worsteling met een grote vis. De groep bollen daaronder zal het schuim op de golven van de zee verbeelden.
Jonas en de walvis. Een bekend verhaal, zou je zeggen, maar bij ons is het een beetje een klok en klepel verhaal. Eerlijk gezegd kennen wij het vooral van het oeroud kinderliedje dat onze ouders voor ons zongen: Toen Jonas in de wallevis zat, van je één.. twee.. drie! Daarbij werd je dan aan handen en voeten opgetild in de maat tussen je ouders heen en weer geslingerd. Bij drie werd je losgelaten en plonsde je in het zwembad, of plofte je op bed. Net als bij veel andere kinderliedjes had je geen flauw idee waar het over ging. Kinderen slikken veel voor zoete koek. Het blijkt dus een bijbelverhaal te zijn. Noem ons onwetend zo u wilt, wij wisten het inderdaad niet. Wij zijn niet erg bekend met de bijbel. Dus.
Jonas, of Jona, was een profeet die van God de opdracht kreeg de bevolking van de stad Ninevé, het huidige Mosul in Irak, een ultimatum te stellen. Wanneer zij hun de Heere onwelgevallige manier van leven niet binnen veertig dagen zouden veranderen zou Zijn toorn hen treffen en zou hun stad worden verwoest. Jonas voelde niet zoveel voor deze taak en maakte zich per schip in tegengestelde richting uit de voeten. Dit bleef uiteraard niet onopgemerkt bij zijn opdrachtgever, we hebben het hier wel over God tenslotte, en die achterhaalde hem met een flinke storm, waarin het schip met man en muis dreigde te vergaan. In een schuldbewuste poging in elk geval de bemanning van het schip van de ondergang te redden besloot Jonas overboord te springen en zijn leven in de golven te offeren. Dat was nou ook weer niet helemaal de bedoeling van God, aan een dode profeet had Hij ook niet veel, en zo kwam het dat Jonas door een grote vis werd opgeslokt en aldus van de verdrinkingsdood gered. Drie dagen en drie nachten zat hij daar opgesloten voor hij door de vis weer werd uitgespuugd. Dat zal de herkomst van het één, twee.. drie! ritueel uit het kinderliedje zijn, vermoeden wij. Jonas, tot inkeer gekomen tijdens zijn eenzame opsluiting, meldde zich alsnog met zijn onheilspellende boodschap bij de inwoners van Ninevé, die het reuze goed opnamen en hun levenswandel welwillend aanpasten, waardoor hun stad werd gespaard. Niet helemaal tot in de eeuwigheid trouwens want vanaf halverwege de 19e eeuw werd de stad al als een ruïne uit het woestijnzand opgegraven en nog onlangs werd uit hoofde van weer een andere God het nodige onwelgevallig cultuurgoed kort en klein geslagen door Islamistische Staat. Ondoorgrondelijk, wat u zegt.
Nic Jonk heeft Jonas niet ín de walvis afgebeeld. Zo letterlijk heeft hij het verhaal kennelijk niet willen nemen. In zijn beeld wordt Jonas door de vis over de golven des doods gedragen en zo in veiligheid gebracht. De vis moeten we dan zien als het symbool van Jezus en het christelijk geloof, zoals je dat wel eens achterop auto’s ziet geplakt. Veilig onderweg met Jezus. Ook Jonks Jonas heeft zijn arm vol vertrouwen om de vis, zijn God, geslagen. Zo heeft de kunstenaar gekozen voor de diepere betekenis van het verhaal.
We lezen dat Nic Jonk, naast zijn eigen leefwereld, graag koos voor bijbelse en mythische taferelen en dat hij, zoekend naar de perfecte uitbeelding ervan, vaak meerdere versies van één tafereel maakte. Zo zijn er acht verschillende versies van Jonas en de walvis bekend, die onder meer te zien zijn in de straten van Amsterdam, Eindhoven, Tilburg, Heerlen, Vlaardingen en in het museum Beelden aan zee in Scheveningen.
Het beeld in Bergen aan zee werd geplaatst in 1977. Aanvankelijk stond het dichter bij strand en zee en had het de branding en de golven als gepaste achtergrond, maar toen het na een storm in 1990 gevaarlijk dicht op het randje van de duinen kwam te staan, werd het verplaatst naar waar het nu staat, op de rotonde bij het zeeaquarium.

Eerder gepubliceerd op samenuitenthuis, het weblog over de wandeling langs het Groot Frieslandpad, in de rubriek Kunst onderweg.

vrijdag 1 februari 2019

This Guy Was Taking His Morningwalk When He Saw A Canada Goose Wearing A Plastic Necklace. And This Is What Happened Next.







Er wordt sneeuw verwacht vandaag, maar zover is het nog niet. Het duurt nog tot de middag, wordt beweerd. De weilanden waarlangs mijn ochtendwandeling loopt, dragen dan ook nog hun alledaags groen. Wel lijken er vanochtend veel meer ganzen te bivakkeren dan anders. Misschien wachten ze de sneeuw af, sla ik maar eens ergens een slag naar. Misschien hebben ze ook een code geel gekregen, en een negatief reisadvies. Een vliegverbod. Ik weet niet hoe hysterisch ganzen daarover doen, over sneeuw. Het zal wel toeval zijn.
Mijn aandacht ondertussen, tussen al dat opgewonden gegak en gehonk, wordt getrokken door een groepje Canadese ganzen. De Branta Canadensis, de grote Canadese gans. Een beetje deftige ganzen vind ik dat, vooral misschien door die lange, slanke, zwarte nek, en de witte bef onder de kop, waardoor ze wat doen denken aan rechters, of officieren van justitie. Er loopt een heel groepje achter elkaar aan te paraderen, links en rechts wat grazend, maar alles buitengewoon waardig.
Eentje springt eruit. Eentje heeft iets groenigs om de nek. Iets groen met wits. Ik zie het wel, maar de afstand is te groot om goed te zien wát het is. Plastic, denk ik direct. Plastic afval, de vloek van onze tijd. De schande van onze beschaving. Het beest heeft argeloos de kop ergens ingestoken en loopt nu met het handvat van een plastic draagtas om de nek, of een verpakking van McDonalds.
Ik zie ook meteen facebook- en twitterfilmpjes voor me, waarin dappere mannen met baarden hulpeloze schildpadden, zwanen of haaien uit iets plastics helpen, met een hoop gedoe, of een schaap weer op de poten zetten, of twee herten uit de knoop, met zo’n Amerikaanse tekstregel eronder waarvan om onduidelijke redenen ieder woord met een hoofdletter begint.
This Guy Was Taking His Morningwalk When He Saw A Canada Goose Wearing A Plastic Necklace. And This Is What Happened Next.
Ik zie het mezelf nog niet doen, maar dat hoeft dan ook niet. Op mijn lekker ingezoomde foto zie ik dat het anders zit. Dit lijkt meer een soort ring zoals je eerder om de poot zou verwachten, maar dan dus om de hals. In witte letters staat er een soort code op. EGK, maak ik ervan. Het is een vrij groot ding en het is natuurlijk geen porum, tjees, ik krijg gewoon medelijden met het beest.
Weer thuis op internet lees ik dat dat helemaal niet nodig is, dat medelijden, want dat de vogel er nauwelijks hinder van ondervindt. Aldus de Sovon, de Stichting Ornithologisch VeldOnderzoek Nederland, dus die zullen het wel weten. De ring is zo groot en zit om de hals zodat hij makkelijk vanaf grote afstand kan worden afgelezen zonder de vogels te verstoren, in tegenstelling vaak tot de pootring. Alleen vrouwtjes worden er mee uitgerust. Waarnemers van over de wereld geven de codes die ze gezien hebben door en zo verzamelt de wetenschap informatie over de eventuele trek, over overlevingskansen en broedsucces.
Wat dat laatste betreft is men dan bijvoorbeeld te weten gekomen dat de gemiddelde gans maar één keer in het leven succesvol jongen grootbrengt, terwijl men dacht dat dat ieder jaar was. Het zou misschien, denk ik dan weer, interessant zijn te onderzoeken in hoeverre zo’n halsring het broedsucces beïnvloedt. Misschien loopt de gemiddelde mannetjesgans liever geen onnodig risico met zíjn kansen op broedsucces en mijdt hij die merkwaardige vrouwtjes met zo’n raar groot, groen ding om de nek met geheimzinnige witte tekens erop. Daar komen rare eieren van, zal hij denken. En geef hem eens ongelijk.

woensdag 30 januari 2019

Triomferend feestgedruis






Bestaat er een leukere band in ons land dan De Kift? Misschien wel hoor, dat zou best kunnen, ik weet ook niet alles, maar als het zo is dan moet dat wel een héél leuke band zijn. Tenminste.. als je De Kift vanavond zo bezig hoort en ziet, in het Patronaat in Haarlem. Dertig jaar al gaat dit muziekcollectief stug zijn eigen gang en nog altijd staan ze in de kleine zalen van de Patronaten te spelen. Wat natuurlijk eigenlijk een schande is, maar ook weer niet zó erg want dat geeft ons mooi de gelegenheid ons tot de incrowd te voelen behoren. De happy few, die op de hoogte is. Die beter weet. De ingewijden.
Wat een tomeloze, vrolijke energie en wat een muzikaal plezier spat er van het podium. Het bomvolle podium, ook nog eens een keer. Niet alleen staan acht muzikanten elkaar daar bijkans te verdringen, in bonte feestkledij gestoken, in uniformjasjes met knopen en strepen alsook een smoking, een trouwpak en een fez, huisgemaakte engelenvleugels van een dozijn huishoudhandschoenen aan de mouwen, nee.. er is tevens nauwelijks ruimte voor een uitgebreid, niet overal even alledaags instrumentarium. Het is punkfanfare die gespeeld wordt tenslotte, een evenmin alledaags genre. Dus we zien een fonkelende kopersectie van tuba, trombone, hoorn, trompet en ventieltrombone, waarvan ik niet eens wist dat dat bestond. Ik moest op internet uitzoeken óf dat wel bestond. Of ik dat nou wel goed gezien had, maar inderdaad.
We zien een steeldrum, een accordeon, een fanfaredrum met paukenstokken en ook zo’n fanfare xylofoon in de vorm van een engelenharp op een steel. Op enig moment sjouwt de befezde drummer zelfs een enorme kartonnen doos het podium op, gevuld met lege conservenblikken in alle maten van de supermarkt, om daar op authentieke hoorspelwijze een soort van ritmisch doorstappende menigte mee te laten klinken.
Daarnaast het meer gebruikelijke werk als drumstel, bas, keyboard en gitaren. Het past er nauwelijks op allemaal maar alles wordt bij tijd en wijle gebruikt door de een of de ander en al dat gewissel en geruil en heen en weer geloop levert een levendige, feestelijke aanblik op. Prettig rommelig. Alsof het ter plekke toevallig zo ontstaat.
De drummer rolt zijn schildersdoek uit en maakt voor de duur van een nummer een bijpassende tekening, na de show te koop voor wat de gek er voor over heeft, komt dat zien. Er wordt een kwis gespeeld, met fragmenten en een hoofdprijs die de ene keer wordt uitgereikt aan wie alles goed heeft, maar de andere keer net zo lief aan wie alles fout heeft. Wat een feest. Komt dat zien! Komt dat horen! Er wordt een beetje geflirt met de lulligheid, er wordt een beetje de schlemiel uitgehangen maar daar trappen wij niet in, het is een geolied spektakel waar we getuige van zijn en het loopt nog op rolletjes ook. In smetteloos Nederlands. Zonder spel-, stijl- en klemtoonfouten en met alleen maar echt bestaande woorden in goedlopende, mooie zinnen en verhalende, literaire teksten. Kom er nog eens om, vandaag de dag.

Zaterdag 2 februari speelt De Kift in Purmerend. Kijk voor meer informatie en een volledige speellijst op dekift.nl Daar zijn ook de cd’s te koop, waarvan alleen de zelf gefabriceerde hoesjes al de moeite waard zijn.

dinsdag 22 januari 2019

De modernen en Frans Hals







Ik ging naar Haarlem om Frans Hals te zien. Frans Hals en de modernen, de titel van de tentoonstelling. In het Frans Hals Museum, dat laat zich raden. Dat is al drie keer Frans Hals. Vier. Goed. De modernen.. In de locatie Hof - het museum heeft twee locaties - zijn dat laat 19e eeuwse schilders van naam en faam als Manet, Van Gogh, Courbet en Duveneck, die, zoals de tentoonstelling ook laat zien, zich uit bewondering hebben laten inspireren en beïnvloeden door de Hollandsche meester van 200 jaar voor hun tijd. Zij herontdekten de late Frans Hals en roemden diens losse maar trefzekere, welhaast impressionistische toets, zijn eigenzinnige, recalcitrante onderwerpkeuze en zijn lak aan conventies. Precies datgene dat de late Frans Hals in zijn eigen tijd nogal werd kwalijk genomen, waardoor men hem ervan verdacht zijn vaste hand en verstand te zijn verloren aan ouderdom en drankzucht. In de tweede helft van de 19e eeuw zag men juist een geniaal schilder die zijn tijd ver vooruit was en zo ontstond dan een run op Haarlem van dus inmiddels niet de minste schilders, die het werk van hun nieuwe idool wilden bewonderen, bespreken, beschrijven, bestuderen en kopiëren.
In de tentoonstelling wordt het werk van Frans Hals getoond tussen en naast het werk van zijn postume fanclub. Het origineel naast de kopie, het voorbeeld naast en te midden van het door hem geïnspireerde. De audiotour vult één en ander desgewenst aan met wetenswaardigheden, smakelijke anekdotes en jubelende citaten uit brieven van deze en gene.
Het is zeker interessant om het werk van Frans Hals in dit licht te bezien en hem zo ook zelf te herontdekken als een soort van rebel, een impressionniste loin avant la lettre, en met eigen ogen te zien hoeveel invloed hij inderdaad duidelijk zichtbaar ruim 200 jaar later nog heeft op wat dan als de avant garde geldt. Niet alleen wat betreft de manier van schilderen, de levendige toets, maar ook bijvoorbeeld zijn keuze om ‘eenvoudige lieden’ te portretteren, gewone mensen, en niet alleen de rijke stinkerds en de belangrijke meneren. Dat dat iemand als Vincent van Gogh heeft aangesproken mag duidelijk zijn. Of dat ook zover gaat als dat deze de pose waarin hij zijn beroemde postbode Joseph Roulin afbeeldt heeft geënt op De Vrolijke Drinker van Frans Hals, maar dan ietsjes anders en in spiegelbeeld, zoals de tentoonstelling meent, daarover kun je misschien eens een wenkbrauw optrekken, maar daarover ga je niet lopen zeiken, want je weet het niet.. misschien is het wel gewoon zo.
In de locatie Hal, waar de tentoonstelling overigens Ruis. Frans Hals anders heet, zijn de modernen pas echt modern, namelijk kunstenaars uit het hier en nu. Die zich dan misschien niet direct of letterlijk door Frans Hals hebben laten inspireren, maar die zich, volgens de tentoonstelling, wel met dezelfde of vergelijkbare thema’s bezig houden. We hebben het dan over thema’s als gender, sociale en culturele identiteit, de artistieke en sociale grenzen van de portretkunst en nog zo wat zwaarwichtigheid. In vier hoofdstukken sleept de bijgeleverde podcast mij er doorheen. Per hoofdstuk, en per zaal zal de ruis toenemen, wordt er daarbij gewaarschuwd. En dat klopt ook wel. Hoe verder ik kom in de tentoonstelling, hoe minder verband ik met Frans Hals ontwaar. Dat wil zeggen, ik snap wel wat de podcast bedoelt, maar ik vind het wat vergezocht allemaal. Ik heb een beetje het oneerbiedige idee dat je zo alles wel met alles in verband kunt brengen, als je er maar genoeg tekst bij levert. En dat dit dus net zo goed een heel andere tentoonstelling had kunnen zijn. Dat ergert me. En hoe meer ruis er wordt toegevoegd, hoe meer tekst er nodig is om de boel bij elkaar te houden, hoe meer ik afhaak, eerlijk gezegd.
Tot zich een incident voordoet.
In zaal drie is een beeld van de sokkel gestoten. De sokkel is niet hoger dan tien centimeter maar het beeld ligt zwaar beschadigd en gebroken op de grond. Suppoosten hebben er gauwgauw vier stoeltjes omheen gezet en daar een politielint om gespannen. Fragile, staat er in veelvoud op. Het lint is rood. De letters zwart. Het beeld is voornamelijk wit en bestaat uit gipsen afgietsels van twee tandwielen en van twee menselijke handen, aangevuld met twee echte hertenpootjes, met echte lieve kleine hoefjes, van een echt dood hert. Daar heeft het beeld waarschijnlijk op gestaan, toen het nog stond, maar nu steken ze aandoenlijk hulpeloos omhoog. Van de handen liggen verschillende vingers los in het rond. Aan de omringende beelden van dezelfde kunstenaar te oordelen is de bovenkant van het beeld met bladgoud afgewerkt, maar omdat het beeld nu ondersteboven ligt is dat niet te zien.
Een tijdje is het een drukte van belang in zaal drie. Twee suppoosten draaien rondjes om het beschadigde beeld, maken foto’s, bespreken met elkaar wat ze wel of niet gezien hebben, camerabeelden komen ter sprake, de mogelijkheid van een ongelukje wordt genoemd. Eén van de suppoosten voert een aantal telefoongesprekken waaruit ik opmaak dat niemand iets gezien heeft en dat niemand ergens aan mag komen.
Dan keert al gauw de serene rust van de museumzaal terug, en gebeurt er iets leuks. Want nu zijn het omver geschopte beeld, de lege sokkel, de brokstukken op de vloer, de stoeltjes en het lint samen opeens een installatie geworden. Fragile, staat er op het lint, en dat klopt, het beeld lijkt kapot te zijn gevallen, of misschien gegooid. Het lint en de stoeltjes hebben het niet kunnen beschermen. Zo geeft de installatie uitdrukking aan de kwetsbaarheid van de mens (handen), van de natuur (hertenpootjes) en van de kunst (beeld).
Daar komt het eerste groepje bezoekers al binnen gelopen. Zij hebben niets meegekregen van het tumult en bekijken het gevallen beeld met het lint erom precies zoals ze de andere beelden bekijken. Als kunst. Ze draaien er aandachtig een rondje omheen, trachten het te doorgronden en lopen weer door naar het volgende schilderij.
Dat is wel een beetje het ding met sommige kunst.. dat je het gewoon niet meer zeker weet allemaal, en dat dat ook juist wel eens de bedoeling kan zijn.. Ik zie bij mijn aandachtig rondje namelijk een tot nog toe onopgemerkt gebleven detail. Op de sokkel ligt een fonkelnieuwe, glimmende stuiver. Die ligt daar niet per ongeluk, denk ik. Als ik er betekenis aan mag geven, vermoed ik dat het hier gaat om iemand die geen stuiver geeft, om deze kunst. En dat duidelijk heeft willen maken. Ik meen zelfs te weten wie..

De tentoonstelling Frans Hals en de modernen loopt nog tot en met 24 februari 2019. Ruis. Frans Hals anders loopt nog tot en met 16 juni 2019. Om onduidelijke redenen wordt een toeslag van € 8,00 gerekend op de normale toegangsprijzen.
Zie ook de site van het Frans Hals Museum.

vrijdag 18 januari 2019

Passer Domesticus






Omdat mijn afspraak voor de ochtend verstek liet gaan, hield ik vanochtend zomaar een lege ochtend in mijn handen. En dat kwam goed uit want ik had zelf ook al niet zoveel zin in mijn afspraak voor de ochtend, dus ik was blij dat er werd afgemeld. Sterker nog, omdat het zeker niet de eerste keer was dat het zo liep had ik er heimelijk al een beetje op gehoopt. Gerekend misschien zelfs wel. Ik ken mijn pappenheimers.
In elk geval, zo had ik opeens mooi tijd voor een ochtendwandeling en dat kwam ook weer goed uit want het was werkelijk schitterend weer. Er lag een dun laagje ijs over de sloten en de plassen en een zonnetje met lentekwaliteiten liet daar geheel belangeloos haar licht over schijnen. Het kon bijna niet beter. Ach, het was eigenlijk perfect. Ik was warempel gelukkig, zoals ik daar liep, jazeker.
En dat gevoel werd nog eens verder aangewakkerd toen ik langs een manshoge braamstruik liep die bomvol lustig kwetterende musjes zat. Want zo gaat dat met gelukkig zijn, als je het eenmaal bent worden de kleinste, simpelste dingen plotseling wonderen van schoonheid en lijkt het kinderlijk eenvoudig het voor de rest van je leven gewoon maar te blijven. Dat het zo niet werkt gaat genadiglijk aan je voorbij.
De braamstruik was er nog niet voldoende van overtuigd dat zijn tijd voorbij was en zat nog behoorlijk in het weliswaar zwart wordende blad, zodat ik vreemd genoeg geen enkel musje zag. Ze waren alleen te horen. Wat het eigenlijk nog bijzonderder maakte. Want daar stond ik dus, te luisteren naar iets dat vlakbij was, onder handbereik, maar dat ik niet kon zien. Ik stond aandachtig te luisteren naar een kwetterende, tsjielpende struik. Het zal een merkwaardig gezicht zijn geweest, maar wat een heerlijk en vrolijk makend geluid. In mijn oren althans, want misschien zaten de musjes elkaar de huid wel vol te schelden. Zaten ze trillend van woede en blinde haat en met overslaande stemmen de bitterste verwijten en verwensingen door elkaar heen te schreeuwen. Werden er de donkerste bedreigingen geuit. Ik wist het niet, want ik verstond er niks van. Maar ik kon het me eigenlijk niet voorstellen, dat musjes zich daartoe verlaagden. Ze hadden misschien heus wel eens onenigheid, of een verschil van inzicht, maar dat werd dan op een beschaafde manier in der minne geschikt. Zo deden musjes dat namelijk.
En opeens was het afgelopen. Als op een afgesproken signaal waren ze uitgepraat, was het stil.
Ik bedankte de musjes hartelijk, en vervolgde tevreden mijn wandeling.