zondag 29 april 2018

Kiekendief







Op een plek waar ik ze al eerder had gezien, zag ik vanmorgen twee roofvogels, onrust zaaiend rondcirkelen boven een riet-omzoomd meertje. Twee roofvogels. Verder dan dat kom ik meestal niet, in de herkenning. Ik probeer me dan altijd wel een beeld in te prenten, als ik wat zie vliegen, om het later nog uit te zoeken, maar eenmaal weer thuis is dat beeld meestal alweer aardig vervaagd, lijken al die roofvogels ook eigenlijk best wel op elkaar en blijk ik op allerlei onderscheidende details niet te hebben gelet. En mocht ik al eens tot een soortnaam komen dan blijk ik het de volgende keer dat ik iets zie vliegen toch gewoon weer niet te weten. Ik heb er weinig talent voor, denk ik.
Toch weerhoudt dat me niet om ook nu weer een poging te wagen wat kenmerken te onthouden, je weet tenslotte maar nooit. Ik blijf dus een tijdje staan kijken hoe de vogels onverstoorbaar hun rondjes vliegen. Hoe ze soms wat verder weg zweven, een tussenlanding maken, maar altijd weer terugkomen boven het meertje. Van mij trekken ze zich weinig aan, ik kan ze aardig bekijken, zo met het blote oog. Ik zie witte schouders, een lange staart met een afgerond eind, puntige vleugels, een roodbruine kleur. Eén is duidelijk groter dan de ander. Ik vermoed dat het een stelletje is dat hier een nest in de buurt heeft. Sterker nog, ik heb het overmoedige idee dat ik ook weet waar dat nest zit want ik zie ze telkens op hetzelfde punt neerstrijken, aan de overkant van het water, ergens tussen het riet en een groepje bomen. De grootste van de twee zie ik daar zelfs met een flinke tak in zijn poten landen. Dat kan bijna niet missen in deze tijd van het jaar, besluit ik.
Ik waan mij een hele ornitholoog wanneer ik om het meertje heen loop en bij het bewuste bomengroepje voorzichtig op onderzoek uitga, of ik iets van een nest kan vinden. Op z’n minst een aanzet daartoe. Of in elk geval die ene tak. Al speurend begin ik me dan te realiseren dat wanneer het klopt wat ik denk er hier dus twee roofvogels bezig zijn aan een nest op de grond. En begin ik mij meteen maar af te vragen of roofvogels dat wel doen, op de grond broeden. Ik heb natuurlijk weer eens geen idee. Maar eenmaal weer thuis in de boeken blijkt juist deze vraag tot een voorzichtige conclusie te leiden. De kiekendief namelijk. Want die nestelt inderdaad op de grond, in de buurt van water en riet. Lees ik. Buizerds, haviken en sperwers, lees ik verder, nestelen hoog in de boom. Valken bouwen zelf geen nest, die kraken iets dat leegstaat, of gebruiken een kast. Het zal, denk ik tenslotte, een bruine kiekendief zijn, vanwege de kleur uiteraard, maar ook omdat dat volgens internet verreweg de meest voorkomende soort is in ons land. De blauwe en de grauwe zijn zelfs ronduit zeldzaam.
Voilá. Gedetermineerd.
Niet dat ik nou de volgende keer een kiekendief van een buizerd kan onderscheiden, toch is het fijn om uit te vinden dat wat je gezien hebt klopt.

dinsdag 24 april 2018

Kikkers






Je kunt natuurlijk gaan ochtendwandelen en dan hopen dat je kopzorgen en je muizenissen verwaaien met de ochtendbries. Dat je wat opklaart van het ochtendzonnetje op je bol. Dat het wat karige humeur wordt opgetild door de vogels, en de dieren des velds.
Vaak loopt het zo trouwens. Je komt al snel iets tegen dat je opbeurt. Al is het maar een merel die je te laat in de gaten heeft en zich dan kwaadaardig scheldend uit de wieken maakt. Of het jouw schuld is. Al is het maar een stelletje kraaien dat zich hoog boven op een tak niet druk zit te maken om jou, al hebben ze je heus wel in de gaten, met die nieuwsgierige blikken naar beneden. Die weten dondersgoed dat jij niet kunt vliegen en dat je echt niet in die boom gaat klimmen. Al is het maar een handvol lammetjes dat zich in malle bochten bokkespringt omdat al die levenslust er nou eenmaal gewoon niet inpast.
Maar misschien was het humeur vandaag al te ver heen, dat zou kunnen, want vandaag was het ijdele hoop. Ik was alleen op de wereld. Het enige dat ik tegenkwam was een drietal dode kikkers op het asfalt. Met hun lange, spitse ledematen in bevallige, vrolijke poses lagen ze daar, hun bolle kopjes nuffig omhoog. In een verstilde danse macabre. Een voor altijd op pauze gezette videoclip van Roger Glover and Friends. At the butterfly ball.
Ze waren niet platgereden, niet onder een auto gekomen. Ze waren feitelijk ongeschonden, behalve dan dat ze dood waren. Technisch gesproken zal er dus wel een vogel aan te pas zijn gekomen, al vraag je je af hoe het zo gekomen is dat die drie zo dicht bij elkaar liggen. Zo ongeschonden en zo dood. Wat er gebeurd kan zijn. Aan gulzigheid. Aan onhandigheid.
En technisch gesproken zijn het dus dieren, die ik hier tegenkom, op mijn weg. Maar of mijn humeur er nou erg door wordt opgetild, dat waag ik te betwijfelen.

dinsdag 10 april 2018

Kuifeendjes







Eerder deze week kwam ik al ochtendwandelend langs een bescheiden meertje hier in de buurt, rijk omzoomd van kragen riet. Het was een mistige ochtend en één en ander zorgde voor een even mysterieuze als fotogenieke aanblik waar ik een tijdje zomaar gratis van stond te genieten. Iets verderop zag ik twee niet nader herkende roofvogels elkaar de boom uit jagen en om de beurt dreigende rondjes over het water zweven. Er was een fuut, er waren eenden en ganzen en meerkoeten natuurlijk, vlakbij was er iets kleins en grijs dat wel eens een rietzanger of een rietgors of iets anders met riet geweest zou kunnen zijn, en er was plotseling het onmiskenbare geluid van een roerdomp. Nooit eerder echt gehoord maar het was hem, zonder twijfel. Een laag, oemp of hoemp achtig geluid dat eigenlijk wonderwel bij de naam past. Alsof de roerdomp probeert zijn eigen naam uit te spreken. Maar dan onder water. Het zou mij niet verbazen wanneer de naam van de roerdomp een soort verbastering van zijn geluid zou zijn. Een pseudonomatopee, of zoiets. Enfin, hoe het ook zij, de roerdomp liet zich niet zien, hij keek wel linker uit.
Vandaag besluit ik een tweede poging te wagen en wandel opnieuw naar het meertje. Mijn komst wordt al van verre aangekondigd door een stelletje meerkoeten dat zich kijvend en spetterend uit de voeten maakt, eenden die schielijk opsnateren en een koppel ganzen dat foeterend opstijgt om verderop met veel misbaar te water te gaan. Dat zal wel niks worden, probeer ik mezelf maar vast wat op een teleurstelling voor te bereiden. Het moet wel heel vreemd uitpakken wil hier nou net een dove roerdomp zijn neergestreken. Evengoed blijf ik een tijdje staan, hopend tegen beter weten in.
Niet veel later krijg ik ongevraagd gezelschap van een man op de fiets. Langzaam hobbelt hij over de grasdijk dichterbij, een beleefde groet bij het passeren. Het is een fiets met fietstassen, én een mandje voorop. Tien meter van mij vandaan stopt de man en stapt af. Vanachter zijn fiets speurt hij het water en de rietkragen af. Verdomme, denk ik, die gaat hier een beetje op míjn roerdomp staan azen. Even later pakt hij een camera uit één van zijn fietstassen en gaat alvast wat kuifeendjes fotograferen die verderop mooi afsteken tegen het goudgele riet.
Voor mij is de lol eraf. Onverrichterzake en met iets van de pest in verlaat ik het meertje. En dan loop ik ook nog terug in plaats van verder, om niet door de man zijn foto heen te lopen. Sukkel die ik ben.

maandag 2 april 2018

Goed voornemen







Al kom je geen drie kilometer van huis, er valt van alles te zien en te horen, op zo’n ochtendwandelingetje. Je hoeft, wil ik maar zeggen, dus eigenlijk alleen maar de deur uit te gaan, en dan ben je er al. Er vliegt van alles voor je uit en over je heen en het is een leven van belang. Nou heb ik het geluk natuurlijk dat ik met vijf stappen het buitengebied in loop, waar vaak nog weer andere dingen te zien zijn dan in de bebouwde kom, met een wijdere blik ook nog, maar zelfs een wolkje kwetterende mussen in de heg van de buren kan het leven al de moeite waard maken als het moet.
Nog leuker is het natuurlijk wanneer je iets bijzonders meent te zien of te horen. Iets waarvan je meent te weten dat je dat niet zo snel of vaak te zien krijgt. Omdat het zo schuw is bijvoorbeeld, of zeldzaam, of zo klein en vlug. Omdat het bij jouw weten niet zo heel veel voorkomt in deze streek, of omdat je er gedurig van leest en hoort dat het er niet zo best mee voorstaat. Het wolkje mussen in de heg van de buren schijnt daar trouwens inmiddels ook toe te behoren, maar goed.
De eerste in de buitencategorie is vandaag een witte reiger. Met terugwerkende kracht gok ik op de grote zilverreiger, die ik hier in Noordholland niet vaak, maar wel steeds vaker zie. Wat klopt met de berichten dat ze het sinds enige tijd goed doen in ons land, wat dan ook weer te maken schijnt te hebben met veranderd beheer van de Oostvaardersplassen, maar uit veiligheidsoverwegingen ga ik daar verder niet op in.
Mijn witte reiger staat een heel eind verderop in een sloot en heeft mij waarschijnlijk al veel eerder gezien dan ik hem. Hoewel hij daar natuurlijk gewoon liep te vissen, lijkt hij zich achter de slootwal te verstoppen. Zijn lange, dunne en helwitte nek steekt nog een argwanend eindje boven het maaiveld uit, om mij in de gaten te houden. Verder is er niemand. Uiteindelijk neemt hij het zekere voor het onzekere en maakt zich superieur uit de wieken.
Wanneer ik weer door wil lopen, hoor ik een volgende bijzonderheid. Ik realiseer me trouwens dat ik dat al een tijdje hoor, maar nu luister ik er ook naar. Een grutto. Vergissen is uitgesloten omdat die zijn eigen naam roept. Tenminste, dat wordt beweerd. Ik sluit mij hier tegendraads aan bij Koos van Zomeren, die de roep van de grutto noteert als oo grut oo grut. Dat is precies wat ik hoor. Een wat zorgelijk oo grut oo grut. Niet ten onrechte, schijnt dat te zijn, omdat de ooit oer Hollandse weidevogel inmiddels min of meer met uitsterven wordt bedreigd. Er zijn oer Hollandse zaken waar meer lawaai over gemaakt wordt wanneer ze zelfs maar een beetje onder druk komen te staan, maar ook dat is een onderwerp waar ik uit veiligheidsoverwegingen beter niet over kan uitweiden.
Goed, nu ik een grutto hoor, zou ik hem ook wel willen zien, zo gaan die dingen, dus ik pas mijn route aan en loop in de richting waarin ik hem vermoed. Wanneer ik hem na een tijdje opnieuw hoor, is dat alweer een aardig eindje achter mij. Ik ben te ver gelopen. Ik ben vergeten stil te blijven staan, ik ben teveel aan het wandelen. Maar nu zie ik hem ook vliegen, dus ik verleg mijn koers opnieuw en keer op mijn schreden terug. Tot waar ik hem heb zien landen, tot waar ik niet verder kan komen. Aan de slootkant sta ik geduldig te wachten of hij nog eens op wil vliegen, iets dichterbij wil komen misschien. Maar nee. Ingespannen sta ik daar heel lang in de verte te staren naar een bewegend vlekje dat best een grutto zou kunnen zijn, maar evengoed iets anders.
Ik zie het er nog van komen dat ik één dezer dagen met een verrekijker van huis ga voortaan.