zaterdag 20 oktober 2018

De hoorn des overvloeds






Alles waar ‘te’ voor staat is slecht, zei mijn moeder vroeger altijd. Behalve tevreden, liet ze er dan op volgen, om ons, mijn broertjes en mij, in te prenten dat we dát maar hadden te zijn: tevreden. Met wat wij hadden dus. En met wat wij kregen. Niet klagen en niet vragen. Ik vond het destijds natuurlijk een afgekloven dooddoener maar ik denk dat een groot deel van de generatie waar ik toe behoor met deze gedachte is grootgebracht.
Zo niet Generation Wealth, het deel van de mensheid dat fotografe Lauren Greenfield tot onderwerp heeft gekozen. The rich and famous, zogezegd, maar ook de mensen die dat zó graag óók willen zijn, of lijken, dat ze daar veel zo niet alles voor over hebben.
Generation Wealth is ook de titel van de tentoonstelling die ik bezoek in het Haags Fotomuseum. Twee zalen vol mensen die baden in weelde, of net doen alsof ze dat doen. Foto’s en dia’s met lange begeleidende teksten en uitgeschreven interviews met de gefotografeerden, die samen een beeld geven van het leven in rijkdom, in vanzelfsprekende rijkdom, met het vermeende recht op rijkdom. Het leven met de wens om rijk te zijn, te blijven, te lijken of te worden en de invloed die dat allemaal op je heeft. Of op je kinderen.
Ik begin er welgemoed aan, bereid mij open te stellen voor deze mij onbekende en moeilijk voor te stellen wereld, maar na een tijdje bekruipt me toch een ongemakkelijk gevoel. Want wat ik zie is lelijk. Ik zie lelijke huizen vol lelijk en smakeloos bezit, in lelijke, harde kleuren. De dure strijd tegen ouderdom of ingebeelde lelijkheid. Botox en operaties. Meisjes van vijf die in een seksueel getint rollenspel worden gedwongen, door hun ambitieuze moeders. Meisjes van veertien die hun neus laten perfectioneren, als verjaardagscadeau. Vrouwen met een strakgetrokken en opgeblazen hoofd waarvan ze denken dat dat nog jeugdige schoonheid uitstraalt. Vrouwen die al hun in jaren gespaarde geld uitgeven om hun billen en borsten en lippen te laten vergroten, verkleinen, vullen of liften omdat ze denken dat dat een succesvol leven betekent. Ik lees verhalen over drank en drugs en dure auto’s en de zucht naar altijd meer. En vooral zie ik lege blikken. En veel verveelde mensen. Heel veel verveelde en ontevreden mensen.
Ik sleep mij plichtsgetrouw naar het eind van de eerste zaal, maar dan meen ik het wel begrepen te hebben, de boodschap, en laat de rest van de beker, de hoorn des overvloeds, aan mij voorbij gaan. Vóór het mijn goede humeur bederft. Het is te erg. Het is te veel. Het ligt er te dik bovenop. Misschien ben ik nu het slachtoffer van mijn opvoeding, maar - en ik had nooit gedacht dat ik dit nog eens zou zeggen - het zou ook kunnen zijn dat mijn moeder toch gelijk had.

De tentoonstelling Generation Wealth van Lauren Greenfield is tot en met 3 februari 2019 te zien in het Haags Fotomuseum, en bestaat naast foto’s, dia’s en teksten uit een aantal korte films.

maandag 15 oktober 2018

Herfstgeluiden






Hoeveel warmterecords er ook gebroken worden deze dagen, hoe zomers er ook op terrasjes wordt gezeten, het goede leven hedonistisch gevierd, zorgeloos gedanst op de vulkaan.. het is wel gewoon herfst en die heeft weer heel wat te koop. Ook bij ons in de straat. Een rijtje esdoorns dat de gemeentelijke kapbrigades tot nog toe heeft weten te ontduiken, heeft een groot gedeelte van de stoep en de rijbaan bedekt met een zacht verend, oranjebruin tapijt van afgevallen en rondwaaiend blad en miljoenen helikoptertjes, zoals we die vroeger als kind altijd noemden. Als je er twee handenvol van omhoog gooide, kwamen ze wiekend als helikopters weer naar beneden.
In de tuin gaat dat komend voorjaar zeker weer heel wat werk opleveren want het zaad van de esdoorn is zeer, zeer vruchtbaar. Ik zeg weleens schertsend tegen wie het maar horen wil dat zo’n neerdwarrelend vleugeltje al wortel begint te schieten voordat het goed en wel de aarde raakt, maar waarschijnlijk is dat eigenlijk gewoon nog waar ook. Als de winter op zijn eind loopt schieten de jonge esdoorns in groten getale overal op. In alle perken te buiten, potten en plantenbakken, in alle kieren en spleten en gaten, of er nou aarde ligt of niet. Honderden gezellig rode steeltjes, met ieder twee langwerpige, zich hoekig ontvouwende kiemblaadjes, die de eerste dagen het helikoptervleugeltje nog als een koddig hoofddeksel blijven dragen. Zoals je opa ze vroeger wel op je neus heeft gezet. Als je die niet met emmers tegelijk uit de grond trekt, verandert je tuin al snel in een dicht woud van esdoorns.
Maar goed, zo ver is het nog niet, want nu is het nog herfst. Met waaierige dagen af en toe, zoals vandaag. En zo wil er wel eens een blaadje of helikoptertje mee naar binnen waaien, de gang in, en de woonkamer. Zelf heb ik daar geen problemen mee, wat maakt het uit tenslotte, maar andere mensen denken daar anders over. Die kunnen dat niet aanzien, al dat blad dat maar zo in de wind over straat danst. Die willen dat niet op hun oprijlaan, die willen dat niet op hun stoepje of hun keurig gemaaid gazon.
Vandaar dat de overbuurman al de hele ochtend met zijn bladblazer staat te loeien. Tot en met het laatste blaadje heeft hij zijn stoepje, zijn oprijlaan en zijn gazonnetje schoon gebruld, maar nog altijd is het blijkbaar niet goed genoeg. Met onverminderd enthousiasme heeft hij zich inmiddels op de stoep en de rijbaan gestort, met oordoppen op tegen zijn eigen geraas. Een flinke hoop bladeren blaast hij zo voor zich uit, wat nog niet meevalt, tegen de wind in. Ik zie en hoor het met lede oren aan en vraag me af knarsetandend af of hij misschien van plan is de hele straat, de hele stad, het hele land leeg te blazen, met zijn mannending.
Een buurvrouw van verderop ondertussen, probeert zich, de handen ferm in de zij geplant, boven het geluid uit verstaanbaar te maken. Of buurman ook nog van plan is zijn honderdduizend bladeren op te vegen, wil zij wel eens weten. Omdat, als hij dat niet doet, het straks allemaal bij haar het pad op waait. Buurman lacht haar vriendelijk toe en zwaait wat met zijn brulboei, in de veronderstelling misschien dat buurvrouw hem waarderend toespreekt, maar zo makkelijk komt hij niet weg. Teleurgesteld zet hij zijn machine uit, zijn oordoppen af en gaat het gesprek aan met buurvrouw. Die luid en duidelijk vindt dat hij de bladeren op hoort te ruimen. Zoals zij dat ook altijd doet: over het hek van het schoolplein, waar de bomen staan. Dáár komt de rotzooi tenslotte vandaan.
Er ontwikkelt zich een lang gesprek, waar ik verder geen zin meer in heb. De bladblazer doet er in elk geval de rest van de dag het zwijgen toe. En de wind blaast de honderdduizend bladeren weer vrolijk dansend terug door de straat. Zoals het hoort.

maandag 8 oktober 2018

Een multiculturele, licht chaotische mengelmoes






Zwerffotograaf. Een officiële opleiding of afstudeerrichting is het niet, en dat klopt ook wel want als fotograaf was Dolf Toussaint autodidact. Na een tekenopleiding werd hij schrijver en journalist, maar toen hij op een dag in de steek werd gelaten door zijn fotograaf, en hij besloot zelf de foto’s bij zijn artikel dan maar te maken, had hij bij toeval zijn ware stiel gevonden en koos hij uiteindelijk en definitief voor de fotografie. Bij voorkeur maakte hij zijn foto’s op straat, zwervend door zijn stad Amsterdam, en bedacht aldus de term zwerffotograaf voor zichzelf.
In het Amsterdams Stadsarchief hangt een uitgebreid overzicht van zijn werk onder de noemer ‘Amsterdam voor het voorbij is’, naar de serie foto’s die Dolf Toussaint, met een aantal collega’s, in opdracht van de gemeente maakte van het Amsterdam van begin jaren zeventig, aan de vooravond van stadsvernieuwing en -uitbreiding die naar verwachting grote veranderingen met zich mee zouden brengen. Een opdracht overigens waar hij zelf bij de gemeente op had aangedrongen.
In journalistiek zwart wit trekt het kleurrijk Amsterdams straatleven van de zestiger en zeventiger jaren aan de bezoeker voorbij. Een straatbeeld waarin de auto weliswaar al aanwezig is, maar minder alomtegenwoordig dan vandaag de dag. We zien hier en daar zelfs nog een paard met wagen, of een bakfiets zoals de bakfiets bedoeld was. We zien kinderen spelen op straat, we zien Hollandse huisvrouwen met hoofddoeken om het kapsel. Mannen met houten ladders onder de arm, mannen met kisten en balen op de schouders. We zien de duiven op de Dam, plus een handjevol toeristen. En fietsers, veel fietsers, allerlei soorten en maten fietsers. Samengelopen volk, demonstraties, samenscholingen. Oproer en rellen, stenengooierij. Hippies, gastarbeiders, Surinamers, straatjongens en Jordanezen. De accordeonist op de hoek. Vrouwen die het gebeuren op straat vanuit de raamopening van commentaar voorzien, vrouwen die kleden kloppen op straat, nozems op brommers, meisjes met hoog haar, kinderen die fikkie stoken of tenten bouwen. Een multiculturele, licht chaotische mengelmoes kortom.
Het zijn schitterende, sfeervolle, soms ook humoristisch aandoende foto’s, die een zeker gevoel van nostalgie oproepen. Herkenning van een tijd waarin je zelf ook al was geboren. Waarin je zelf ook op straat speelde met een step en een stok en een bal. En een korte broek droeg. Een tijd waarin je ouders nog jonge ouders waren. Met ook zo’n kinderwagen, zo’n auto, zo’n bril, zo’n hoofddoek, zo’n regenkapje. Wat je je nu niet meer voor kunt stellen. Een tijd ook waarnaar in het Nederland van vandaag wel eens hardop wordt terug verlangd. Al kun je je afvragen waarom, want we zien ook behoorlijk wat armoe. Slechte gebitten, schamele boeltjes en verpauperde huizen. Mensen te oud voor hun leeftijd.
Amsterdam voor het voorbij is. De naam van de expositie suggereert dat we kijken naar iets dat nu niet meer bestaat. Dat voor altijd verloren is gegaan. In de openbare hal van het stadsarchief hangt echter tegelijkertijd een foto-expositie die meteen het tegendeel bewijst. De Amsterdamse straatbeelden van Leo van der Noort gaan bijna verder waar die van Dolf Toussaint waren gebleven en reiken tot diep in het nu. En goed, de mensen zien er wat rijker uit, welvarender, er is wat meer variatie in huidskleur en afkomst, de auto’s zijn moderner en talrijker.. maar een wezenlijk verschil lijkt er toch niet te zijn. We zien nog steeds een stoet aan markante koppen, groepjes mensen op straat, vrouwen met hoofddoeken, heel veel fietsen. We zien nog steeds mensen die samen lachen, samen eten, samen leven. Samen de straat versieren en zich gebroederlijk verzamelen rond een op de stoep neergezette tv, bier en cola binnen handbereik. Amsterdam ís helemaal niet voorbijgegaan. Amsterdam is gewoon dóórgegaan. Zoals trouwens ook een fotograaf als Thomas Schlijper dagelijks bewijst met zijn foto’s op internet. En zelf denk ik er heel voorzichtig achteraan dat je in andere steden in Nederland wel eens net zulke foto’s zou kunnen maken. Vergelijkbare exposities van in zou kunnen richten. Maar dat durf ik in Amsterdam natuurlijk niet hardop te zeggen.

De expositie Amsterdam voor het voorbij is, met foto’s van Dolf Toussaint, is nog te zien tot en met 4 november 2018.
Amsterdam, de expositie met foto’s van Leo van der Noort, is nog te zien tot en met 25 november 2018.
Beiden in het
Stadsarchief Amsterdam. Het loont zeker de moeite ze beiden achter elkaar te zien.

woensdag 3 oktober 2018

Robocow en de stal van de toekomst






Iedereen houdt van koeien. Tenminste, dat denk ik. Dat moet wel. Geen zachtaardiger oogopslag tenslotte dan die van de koe. Wie kan de verleiding weerstaan, wandelend langs een weiland vol nieuwsgierige koeien of pinken, even stil te blijven staan bij het boerenhek? Met uitgestoken hand en lokkende geluidjes.. in de wetenschap dat ze altijd even poolshoogte komen nemen, de brutaalste voorop en de rest er al snel achteraan. Even te staan luisteren naar dat vriendelijk, aftastend gesnuif. Even te wachten op de kans zo’n zachte neus te aaien, de raspende tong te ontwijken, wat lieve woordjes te zeggen en het idee te hebben dat de koe jou ook wel aardig vindt. Ik kan het niet laten in elk geval. Ik houd van koeien. Vandaar mijn bezoek aan het Alkmaars stedelijk museum en de tentoonstelling De koe het grazen voorbij, van Hans van der Meer.
Nou word ik in het algemeen dan weer niet warm van de koe als onderwerp in de kunst - de koe in de kunst is veelal gekaapt door autodidacte dameskunstenaars in de categorie crea bea, op wiens onbeholpen en modderige dertig per dozijn schilderijen de koe er meestal niet bepaald genadig vanaf komt - maar Hans van der Meer is fotograaf, en in dit geval ook journalist, en dat levert een heel andere invalshoek op. Een geëngageerde namelijk, jawel, het bestaat nog. Met deze tentoonstelling wil Hans van der Meer ons laten nadenken over de koe. De koe als levend onderdeel in een steeds efficiënter en ge-automatiseerder wordend productieproces. Over het romantisch nostalgisch beeld van de koetjes in de Hollandsche wei. Over de prijs die wij betalen voor ons pak melk, en de prijs die de koe daarvoor betaalt. De prijs die het milieu daarvoor betaalt, het landschap. En de boer, niet te vergeten. Het stiertje als bijprodukt.
Het moet anders, is de titel van een boek dat Hans van der Meer maakte en dat de expositie begeleidt. Nu is dat het anders moet een opvatting die wel eens breed zou kunnen blijken te worden gedeeld. Van boer en consument tot dierenliefhebber en vegetariër, van Europese politiek en wethouder tot natuurbeschermer en vogelaar. Alleen over welke kant het op moet, daarover lopen de meningen uiteen. Zoals ook valt te lezen in de uitgebreide fotobijschriften in de expositie en zoals valt te beluisteren in de bijbehorende audiotour, waarin een twaalftal betrokkenen aan het woord komt om vanuit evenveel verschillende hoeken licht op de zaak te laten schijnen. Een zaak die veel verschillende kanten blijkt te hebben en wie er ook aan het woord is, er lijkt altijd wel iets voor te zeggen. Iedereen heeft ergens wel een punt, iedereen heeft wel een beetje gelijk.
Een standpunt of een oordeel wordt in de tentoonstelling eigenlijk nergens ingenomen of uitgesproken, en dat is ook wel eens fijn, in tijden van twitter en facebook, waarin onwankelbare meningen zonder nadenken en zonder schroom of nuance voor de enige waarheid worden gedebiteerd. Hier wordt de aandachtige bezoeker op nuchtere, neutrale toon geïnformeerd over de toestand en de ontwikkelingen in de verschillende hoeken van de melkveehouderij. En wordt hij uitgenodigd, op grond van een aantal persoonlijke verhalen en de foto’s aan de wand, zelf een standpunt te bepalen. Wat soms dus nog niet meevalt.
Al hangen er zeker foto’s die een en ander te denken geven. De zogenoemde dikbilkoeien op de Paasveemarkt in Schagen bijvoorbeeld. Gefokt op een genetische afwijking die ze het monstrueuze achterlijf geeft waardoor ze zich nauwelijks normaal kunnen voortbewegen, waardoor ze in elk geval nooit langs natuurlijke weg geboren kunnen worden maar dat bij de slager wel een grote vleesopbrengst oplevert. Of de foto van de koe die in een betegelde ruimte tussen ijzeren hekken wordt klem gezet en door mannen met overalls en kaplaarzen van haar eicellen wordt beroofd, die later kunstmatig bevrucht en al bij andere koeien worden ‘teruggeplaatst’. Beschamende beelden, waarbij je inderdaad vanzelf gaat denken: dat moet anders.
Daar tegenover staat bijvoorbeeld de foto van de koe die stoïcijns blijft liggen terwijl een robot van bovenaf nieuw hooi in de panoramastal van de toekomst verspreidt en van wie alleen nog het uitgestreken smoel onder de verse laag hooi uitsteekt, met een komisch hooipruikje tussen de oren. Daar tegenover staat ook de oudere, wat minder productief geworden koe, die op het laatste moment van het lijstje ‘wegens de fosfaatwetgeving af te voeren koeien’ werd geschrapt, omdat de melkveehouder het uiteindelijk toch niet over zijn hart kon verkrijgen haar na zoveel wél zeer productieve jaren zo hardvochtig naar de slacht te brengen.
En dan is er nog de foto van wat zo op het eerste oog een soort robocow lijkt te zijn. Op groene stalen poten staat daar een dito machinerie, met slangen en kabels en knoppen en drijfstangen. Alleen de dierlijke kop kijkt nog even goeiig als altijd onze kant op en de onmisbare uier hangt zachtroze en vrij onder het stalen karkas uit. Het lijkt een symbolisch beeld: de koe gedegradeerd tot willoos machine-onderdeel, al bijna geheel vervangen door robotica. De werkelijkheid is minder onheilspellend: de koe wordt van de grond getild voor een pedicurebehandeling. Om infecties en ander ongerief te voorkomen wordt overtollig hoorn van de hoeven gesneden, en door de koe op deze manier op te hijsen kan de behandelaar sneller en veiliger werken zonder diep te bukken. Hier geldt dus het aloude spreekwoord: hoe je de zaken ook bekijkt, het is niet altijd wat het lijkt. En zo wordt deze foto uiteindelijk misschien toch nog symbolisch voor de tentoonstelling.

De tentoonstelling De koe het grazen voorbij is nog tot en met 28 oktober 2018 te zien in het Stedelijk Museum van Alkmaar.

vrijdag 28 september 2018

Oh oh






Er wordt mij wel gevraagd of ik de grote stad niet mis. Den Haag, wordt dan bedoeld, mijn geboortestad. Ik heb er vijfenveertig jaar gewoond en ben er nu ruim twaalf jaar weg. Ruim twaalf jaar woon ik al in iets kleiners op het platteland, in de provincie, maar nog altijd is het blijkbaar te horen, of anderszins te merken, dat ik niet van hier ben. Wat ik overigens helemaal niet erg vind. Ik ben immers ook niet van hier, laten we wel wezen. Al woon ik er met veel genoegen en plezier en gaan er weken voorbij dat het mij niet zo bezig houdt, de aloude vraag: Wat voor weer zou het zijn in Den Haag..
Neueu, is dan ook meestal mijn antwoord, neueu, dat valt wel mee, hoe erg of ik de stad mis. En dat klopt dan ook wel, denk ik dan, want ik weet nog heel goed waarom ik er weg ben gegaan. Een handvol goede redenen die ook vandaag nog volop gelden. Waarvan ik ook vandaag nog duidelijk zie dat het goed was. Neueu, ik zit hier wel op mijn plek.
Maar toch.
Ik kom nog regelmatig in Den Haag en hoewel het door de jaren behoorlijk is veranderd, is er geen andere stad, valt mij telkens weer op, waar ik mij zo vanzelfsprekend thuis voel. Waar ik zo de weg ken. Met op elke straathoek een herinnering. Geen andere stad die zo aan mij trekt.
Laatst was ik er weer en sprak ik een vage, aangetrouwde bekende die ik jaren zonder spijt niet gezien had maar die er wel een ongegeneerd Haagse tongval op na hield, met de bijbehorende jovialiteit en dito humor, en kreeg ik louter daardoor het gevoel met een goede vriend te staan praten. Ik herkende een soort van soortgenoot.
Erger nog werd het van de week toen ik, moe van altijd maar even duistere als oneindige Netflix series bingen, mij eens boog over het aanbod van Uitzending Gemist en daar al snel uitkwam bij het Uur Van De Wolf, één van de weinige programma’s waar je nog naar kunt kijken zonder je voor je land te schamen. Waar ik feilloos in één oogopslag een aflevering aanklikte met Harrie Jekkers in de hoofdrol. Van wie ik niet eens per se een heel groot liefhebber ben maar waarvan ik wel altijd denk: aahdege gauzâh. Ook nu weer. En toen aan het eind van het Uur het onvermijdelijke Oh Oh Den Haag klonk, verdomd als het niet waar is, werd ik overvallen door een warm en vloeibaar gevoel in de borst. Werd het mij ongelogen een beetje wazig voor de ogen. En ik begreep maar weer eens: je kunt best ergens anders gaan wonen.. als je d’r geboren bent, blijf je altijd Hagenees.

maandag 24 september 2018

Non fictie







Omdat ik nog een boekenbon in mijn tas heb, loop ik binnen bij de boekwinkel. Ik loop wel eens vaker binnen bij de boekwinkel trouwens, omdat het een fijne plek is om te zijn. Je dwaalt wat rond, pakt her en der een boek op en bladert wat, leest een stukje hier of daar en loopt met een tevreden, onthaast gevoel weer naar buiten in de veilige wetenschap dat er altijd genoeg moois te lezen zal zijn. En vandaag heb ik dus ook nog een boekenbon te besteden, wat het nog leuker maakt omdat ik nu met een gerust hart iets moois kan kopen, eventueel.
Benieuwd ben ik bijvoorbeeld naar Ze Gaan Er Met Je Neus Vandoor, een nieuw en experimenteel boek van schrijver, dichter en kunstenaar Ted van Lieshout. Ik zag er al wat van op internet, ik las jubelende recensies, het lijkt me leuk het nu in elk geval eens vast te houden en te bekijken. Ik speur dus de kinderafdeling af, tussen de stapels dagboeken van losers en mutsen, maar wat ik zoek is niet te vinden. Nou goed, vanwege het experimentele en daardoor natuurlijk meteen ook maar elitaire karakter kan ik dat dan misschien nog begrijpen, een heel klein beetje, maar jammer vind ik het wel.
Het volgende boek dat mijn belangstelling heeft, Het Litteken Van De Dood, de biografie van Jan Wolkers door Onno Blom, is echter onlangs nog bekroond met de tweejaarlijkse Nederlandse biografieprijs, dus daarvan verwacht ik in elk geval dat het breeduit ligt uitgestald, op een ereplek. In hoge stapels misschien zelfs wel. Maar waar ik ook zoek, ook dit boek is nergens te vinden. De verkoopster die ik er naar vraag, in de veronderstelling dat het misschien al is uitverkocht, heeft geen idee waar ik het over heb, hoe vreemd ik dat ook vind.
Wel zie ik tijdens mijn zoektocht door de boekwinkel op minstens drie plekken een dik grijs boek te koop aangeboden, in stapeltjes van twee of drie. Mijn Strijd, heet het, van A. Hitler. Daarvan wordt blijkbaar wel verwacht dat het best eens goed verkocht kon gaan worden. Sterker nog, het ligt al op plek zeven van de top tien non fictie. En non fictie is het, dames en heren.
Vandaag verlaat ik de boekwinkel met een heel ander gevoel dan anders.

zaterdag 15 september 2018

Een ongeschilderd schilderij






Omdat ik toch in Den Haag ben, voor andere zaken, besluit ik de middag die ik daarvan overhoud cultureel te besteden en zet ad hoc koers naar het fotomuseum, in de verwachting dat daar altijd wel iets te zien is dat de moeite loont. Die verwachting wordt bij binnenkomst meteen gesmoord door de dame die mijn museumjaarkaart scant: er wordt een nieuwe tentoonstelling ingericht en het fotomuseum is vandaag gesloten. Ik ben dus te vroeg, of te laat.
Het Gem is wél geopend, biedt de dame mij bijna verontschuldigend als troost, blijkbaar al in de veronderstelling dat ik daar niet voor kwam. Een veronderstelling die dus juist is, maar ach, waarom niet, denk ik, de kaart is nu toch al gescand, laat ik mij dan maar eens onderdompelen in de actuele kunst, want dat is wat het Gem te bieden heeft, actuele kunst. Vandaag met een expositie getiteld: Geluidsgolven. Met werk van ene Dick Raaijmakers en ‘een nieuwe generatie kunstenaars die beeld en geluid op een verrassende manier laten samensmelten’, aldus de introductie. Dick Raaijmakers ken ik niet en verder kan het ook alle kanten op, dus ik ben benieuwd, en klaar me te laten verrassen.
Goed, laat ik maar meteen bekennen dat ik er niet van ondersteboven ben geraakt. Ik ben heus geïnteresseerd in kunst en zeer bereid ergens wat langer naar te kijken en iets wat beter op me in te laten werken, maar hier kan ik niet zoveel mee.
Okay, in zaal één staat een soort robotje dat als je goed oplet een mysterieus geluid langs wanden en plafond laat suizen en dat met zijn rechthoekige, ronddraaiende koppie een zekere vertedering oproept, gelijk Pixars Wall-E, al zal dat ongetwijfeld de bedoeling niet zijn, en dat is best leuk. Geinig. Ja..
En in de middelste zaal staat een apparaat dat twee vrij grote megafoons in het rond laat zwiepen, steeds sneller en sneller, waardoor het islamitisch aandoend gezang dat eruit komt vreemd wordt vervormd. Dat is ook best leuk. Als ding. Maar in deze verduisterde zaal lijkt het deel uit te maken van iets groters. Aan twee kanten worden wandgroot verminkte en schokkerige filmbeelden geprojecteerd van wat etnische taferelen zouden kunnen zijn geweest; er ligt een gitaarversterker scheef op z’n zij op de grond, waar een soort beat uitkomt; er staan een paar niet nader toegelichte etnisch aandoende houten beelden; een basedrum met een lichtorgel erin; er hangen lelijke tekeningen in fluorkleuren aan de wanden, die in het gekleurde flitslicht telkens iets anders oplichten en lijken te bewegen; en er hangen her en der uit grof zwart afvalmateriaal vervaardigde serpentines en vlaggetjes van het plafond. Het wordt mij niet duidelijk of ik inderdaad te maken heb met één totaalkunstwerk, maar ik krijg wel heel erg het gevoel dat hier iets bedoeld wordt. Dat het in elk geval de bedoeling is dat ik dat gevoel krijg. Ik kom er alleen niet achter wat het zou kunnen zijn en ik kan de gedachte niet onderdrukken dat dát dan wel eens de bedoeling zou kunnen zijn. Maar, erger nog, het interesseert me eigenlijk niet. Het stoort me alleen maar, dit soort pretentieuze lelijkheid. Jammer van het ding met de megafoons. In zijn eentje was dat een sterk beeld geweest. Desnoods zelfs een werk dat beeld en geluid laat samensmelten. Op een verrassende manier, vooruit.
In de derde zaal tenslotte wordt mijn middag gelukkig gered. Niet door het werk dat er getoond wordt want dat heeft niet veel om het lijf. Dat behelst niet meer dan vier enorme speakers waar een rabbig plaatje aluminium voorhangt, aan een tamelijk lullig ijzerdraadje, waarvan ik later op internet uitvind dat het inderdaad de bedoeling was geweest dat die plaatjes door het geluid uit de speakers in beweging zouden zijn gekomen. Ik had het al gedacht en ik heb er een tijdje op staan wachten, maar blijkbaar was de installatie defect. Of mijn geduld te beperkt.
Nee, mijn middag wordt gered door het beeld van de suppoost die in deze zaal zijn toevlucht heeft gezocht voor het abstract kabaal dat uit de middelste zaal klinkt, in een permanent aanzwellende en wegstervende herhaling waarschijnlijk. Geslagen loopt hij de zaal op en neer, starend naar zijn piepende schoenen. Iedere stap is wéér een seconde voorbij. Moedeloos verlangend stelt hij zich op voor de glazen wand waarachter het dagelijks leven voorbijtrekt en zich er niets van aantrekt dat hij hier staat. Alleen ik zie hem. In een ongeschilderd schilderij van Edward Hopper.

Mocht u het niettemin met eigen ogen willen zien, de tentoonstelling Geluidsgolven loopt nog tot 14 oktober, in het Gem in Den Haag.

woensdag 12 september 2018

Lomp







Op perron één sta ik op de trein van tien voor drie te wachten. Ik moet verderop zijn, voor het één of ander. Op hetzelfde perron is een glazen wachthuisje nogal uitgebreid en onderuitgezakt in beslag genomen door drie morsige, rood aangelopen mannen die luidruchtig maar moeilijk verstaanbaar tegen elkaar of in zichzelf zitten te oreren. Ze hebben alle drie een halve liter blik goedkoop bier onder handen en in de zakken van hun vettige jassen zit alvast het volgende. Om hen heen liggen de dichtgeknepen en leeggedronken voorgangers op de grond verspreid. Het wachthuisje mist een paar ruiten maar er liggen geen hopen glassplinters omheen dus daar zullen de mannen niets mee te maken hebben, al draagt het wel bij aan de sfeer.
De mannen roepen wat naar de overkant, waar op perron twee een getinte medelander loopt. Eén van de mannen staat er zelfs voor op, loopt er zelfs voor naar de rand van het perron, om iets naar de getinte medelander te roepen. Het is niet te verstaan, gelukkig waarschijnlijk, maar je kunt wel goed horen dat de roepende man weinig tot geen tanden meer in zijn mond heeft. Hij maakt nog een wegwerpgebaar dat ook van alles kan betekenen en voegt zich dan weer bij de rest. De getinte medelander glimlacht maar wat en loopt verder. Tja, wat moet je anders.
Ondertussen hoop ik een beetje dat deze mannen niet ook met de trein willen reizen, niet met de mijne in elk geval, maar voor de zekerheid besluit ik zo ver mogelijk door te lopen op het perron, zodat er, mocht dat toch het geval zijn, op zijn minst een paar coupés tussen zullen zitten. Ik ga bij die strategie uit van de veronderstelling dat de mannen te beroerd zullen zijn om meer stappen te zetten dan strikt noodzakelijk zijn om de trein in te komen en op de dichtstbijzijnde stoel neer te ploffen. Ik hoef er, volgens deze gedachtegang, alleen maar voor te zorgen dat mijn stoel zo ver mogelijk van de dichtstbijzijnde is.
En zo blijkt maar weer dat je je lelijk in de mensen kunt vergissen want we zijn het station amper uit of de deur van mijn veilig gewaande coupé wordt opengeduwd en twee van de morsige mannen stommelen naar binnen, de derde kwam ze blijkbaar alleen maar uitzwaaien. En hoewel de coupé zo goed als verlaten is, besluit één van de mannen zich in de bank naast mij te laten vallen, waarop de ander kiest voor de plaats schuin tegenover mij, zodat ze in de rechthoek van vier tweepersoonsbanken zo ver mogelijk van elkaar af zitten. Met mij er tussen. In een wolk van kwalijke dampen.
Op onverminderd luide toon hervatten de mannen hun vochtige, wankele conversatie die gaat over de verschillende gevangenissen, wederzijdse kennissen en het feit dat hun laatste biertje eerder op is dan voorzien.
Eén van de mannen heeft tattoos in zijn nek, zie ik nu.
Ik voel mij wat ongemakkelijk bij zoveel boerse lompheid. Ik erger me eraan. Ik erger me aan de inbreuk op mijn rust, aan het schijt hebben aan mijn aanwezigheid. Ik erger mij ook aan mijn kleinburgerlijk vermoeden dat deze mannen hoogstwaarschijnlijk niet zijn ingecheckt, omdat ze zelf natuurlijk net zo goed weten als ik dat ik als keurig betalende beste reiziger niet op een conducteur hoef te rekenen in een situatie als deze. Maar het meest erger ik me nog aan het feit dat ik blijf zitten. En aan het donkerbruin vermoeden dat ik dat doe omdat het onbeleefd zou kunnen overkomen dat niet te doen.

vrijdag 7 september 2018

Noppers







Met mijn kleindochter van twee dwaal ik door de supermarkt, voor een boodschapje, of een paar boodschapjes. De kleine meid drentelt zorgeloos voor me uit, en minstens even opgewekt drentel ik achter haar aan, mij welbewust van het feit dat ik vreselijk loop te glimmen van niet ter zake doende trots. Van andere mensen heb ik dat altijd hinderlijk overdreven gevonden, dat hemelse in het rond glimlachen van kijk mij eens met mijn kind - stel je niet zo aan, dacht ik dan, kinderen krijgen kan iedereen, niks bijzonders - maar vanaf dat ik vader ben, heb ik voor mezelf een uitzondering bedongen, bij mijn strengere zelf. En ook als opa heb ik mijzelf de vrije hand gegeven.
Het is voor mij een vreemde supermarkt maar de kleine meid lijkt de weg wel aardig te kennen want na enige omzwervingen houden we stil bij de schappen met koek en snoep. Trefzeker pakt ze een zak Noppers, die strategisch op haar hoogte ligt uitgestald. Triomfantelijk kijkt ze mij aan, alsof ze weet dat ik die vroeger altijd voor mijn jongens kocht en dat ik alleen om nostalgische redenen al niet zal kunnen weigeren. Maar ik weet niet zeker of mijn dochter, haar moeder, zo’n uitspatting wel goed zal keuren en omdat ik even tevoren ook al op een grootvaderlijk ijsje heb getrakteerd, kies ik nu voor het saaie: Nee joh, dat hebben we niet nodig, leg dat maar weer terug.
Nou is de kleine niet voor niets onlangs twee geworden, dus zij antwoordt met een geheel bij die leeftijd passend gedecideerd nee. Drukt de zak met lekkers nog eens extra stevig tegen zich aan. En ach, wil ik al bijna overstag gaan, wanneer ik al in het rond glimmend opmerk dat ik word gadegeslagen door een mevrouw van onbestemde leeftijd, die mijn kleindochter duidelijk erg schattig vindt en nu benieuwd is naar hoe opa zich hier uit gaat redden.
Om één of andere reden neemt mijn strengere zelf nu weer de leiding en voel ik de vreemde behoefte hier publiekelijk te demonstreren dat ik dus niet zo’n opa ben die zijn gebrek aan vaderlijke liefde en aandacht voor het eigen kroost nu over de rug van zijn kleinkind probeert te compenseren. Dat ik als voltijds huisvader vaker met dit bijltje gehakt heb en dat ik bovendien ook niet zo’n slappeling ben die voor het gemak altijd maar door de knieën gaat voor de wensen van het prinsenkind.
Leg het maar terug, herhaal ik dus op de toon die bij mijn eigen kinderen altijd afdoende is geweest, en toch ook wel een beetje tot mijn opluchting werkt het bij mijn kleindochter ook. De zak Noppers gaat terug in het schap, opa’s punt is gemaakt, al weet hij zelf niet precies bij wie. Of waarom.
En als alle boodschappen zijn gedaan maakt opa een extra rondje langs de schappen met koek en snoep, verzekert zich ervan dat de mevrouw van onbestemde leeftijd er niet meer staat en laat zijn kleindochter alsnog een zak Noppers mee naar de kassa nemen.
Ja, kom zeg.. je bent opa of je bent het niet.

woensdag 29 augustus 2018

Meeuw






Bij mijn dagelijks bedoelde ochtendwandeling werd ik vandaag ingehaald door een meeuw. Wat voor meeuw het precies was, daar waag ik me niet aan want het was waarschijnlijk een andere, maar ik vermoed de Larus Canus. Het beest vloog laag over me heen, maakte een capriool en landde een tiental meters verderop op het asfalt. Daar bleef hij zitten. Toen ik te dicht bij kwam naar zijn smaak trippelde hij een stukje voor me uit, vloog dan toch maar op om nauwelijks twintig meter verder opnieuw te landen. Dit herhaalde zich een aantal keer. Opvliegen, landen, wegtrippelen, opvliegen en weer landen.
Je bent dan geneigd zo’n beest een beetje onbenullig te vinden. Waarom steeds zo’n klein stukje vooruit vliegen? Waarom niet links of rechtsaf de oneindige weilanden in? Veilig achter een sloot. Waar je geen wandelaar tegenkomt, waar je steeds zo lastig voor op moet vliegen. Of als je misschien per se op het asfalt wilt zitten, waarom dan niet de andere kant op gevlogen? Waar de wandelaar al geweest is. Je zou verwachten dat een meeuw dat vanuit de hoogte wel een beetje kan overzien. Dat het gevaar op de grond wel een beetje wordt ingeschat.
Tot je je na een tijdje plotseling afvraagt of het misschien niet zo zou kunnen zijn dat die meeuw nieuwsgierig is naar jou. Dat ie wel op zekere afstand wil blijven, maar je toch eens wat beter wil bekijken. Wat jij er voor eentje bent.
En ik geloof verdomd dat dat het was.
Na vier of vijf keer besloot ik zelf ook eens stil te houden, op precies de kritieke afstand, net vóór het moment van opvliegen. Ik bleef staan. De meeuw bleef zitten. Een tijdje stonden we elkaar zo stilletjes te bekijken. Een tijdje stonden we elkaar áán te kijken, de meeuw en ik. Zo had ik een meeuw nog nooit gezien. Zo had ik een meeuw nog nooit bekeken.
Na deze korte ontmoeting vervolgden we ieder ons eigen weg. Van de meeuw weet ik het niet, maar ik had iets bijzonders meegemaakt.

Meeuw was al eerder te lezen op dit weblog, maar omdat Edith Brouwer er onlangs deze fraaie linosnede bij maakte, besloot ik dat ik het best nog een keer kon plaatsen.

zondag 29 april 2018

Kiekendief







Op een plek waar ik ze al eerder had gezien, zag ik vanmorgen twee roofvogels, onrust zaaiend rondcirkelen boven een riet-omzoomd meertje. Twee roofvogels. Verder dan dat kom ik meestal niet, in de herkenning. Ik probeer me dan altijd wel een beeld in te prenten, als ik wat zie vliegen, om het later nog uit te zoeken, maar eenmaal weer thuis is dat beeld meestal alweer aardig vervaagd, lijken al die roofvogels ook eigenlijk best wel op elkaar en blijk ik op allerlei onderscheidende details niet te hebben gelet. En mocht ik al eens tot een soortnaam komen dan blijk ik het de volgende keer dat ik iets zie vliegen toch gewoon weer niet te weten. Ik heb er weinig talent voor, denk ik.
Toch weerhoudt dat me niet om ook nu weer een poging te wagen wat kenmerken te onthouden, je weet tenslotte maar nooit. Ik blijf dus een tijdje staan kijken hoe de vogels onverstoorbaar hun rondjes vliegen. Hoe ze soms wat verder weg zweven, een tussenlanding maken, maar altijd weer terugkomen boven het meertje. Van mij trekken ze zich weinig aan, ik kan ze aardig bekijken, zo met het blote oog. Ik zie witte schouders, een lange staart met een afgerond eind, puntige vleugels, een roodbruine kleur. Eén is duidelijk groter dan de ander. Ik vermoed dat het een stelletje is dat hier een nest in de buurt heeft. Sterker nog, ik heb het overmoedige idee dat ik ook weet waar dat nest zit want ik zie ze telkens op hetzelfde punt neerstrijken, aan de overkant van het water, ergens tussen het riet en een groepje bomen. De grootste van de twee zie ik daar zelfs met een flinke tak in zijn poten landen. Dat kan bijna niet missen in deze tijd van het jaar, besluit ik.
Ik waan mij een hele ornitholoog wanneer ik om het meertje heen loop en bij het bewuste bomengroepje voorzichtig op onderzoek uitga, of ik iets van een nest kan vinden. Op z’n minst een aanzet daartoe. Of in elk geval die ene tak. Al speurend begin ik me dan te realiseren dat wanneer het klopt wat ik denk er hier dus twee roofvogels bezig zijn aan een nest op de grond. En begin ik mij meteen maar af te vragen of roofvogels dat wel doen, op de grond broeden. Ik heb natuurlijk weer eens geen idee. Maar eenmaal weer thuis in de boeken blijkt juist deze vraag tot een voorzichtige conclusie te leiden. De kiekendief namelijk. Want die nestelt inderdaad op de grond, in de buurt van water en riet. Lees ik. Buizerds, haviken en sperwers, lees ik verder, nestelen hoog in de boom. Valken bouwen zelf geen nest, die kraken iets dat leegstaat, of gebruiken een kast. Het zal, denk ik tenslotte, een bruine kiekendief zijn, vanwege de kleur uiteraard, maar ook omdat dat volgens internet verreweg de meest voorkomende soort is in ons land. De blauwe en de grauwe zijn zelfs ronduit zeldzaam.
Voilá. Gedetermineerd.
Niet dat ik nou de volgende keer een kiekendief van een buizerd kan onderscheiden, toch is het fijn om uit te vinden dat wat je gezien hebt klopt.

dinsdag 24 april 2018

Kikkers






Je kunt natuurlijk gaan ochtendwandelen en dan hopen dat je kopzorgen en je muizenissen verwaaien met de ochtendbries. Dat je wat opklaart van het ochtendzonnetje op je bol. Dat het wat karige humeur wordt opgetild door de vogels, en de dieren des velds.
Vaak loopt het zo trouwens. Je komt al snel iets tegen dat je opbeurt. Al is het maar een merel die je te laat in de gaten heeft en zich dan kwaadaardig scheldend uit de wieken maakt. Of het jouw schuld is. Al is het maar een stelletje kraaien dat zich hoog boven op een tak niet druk zit te maken om jou, al hebben ze je heus wel in de gaten, met die nieuwsgierige blikken naar beneden. Die weten dondersgoed dat jij niet kunt vliegen en dat je echt niet in die boom gaat klimmen. Al is het maar een handvol lammetjes dat zich in malle bochten bokkespringt omdat al die levenslust er nou eenmaal gewoon niet inpast.
Maar misschien was het humeur vandaag al te ver heen, dat zou kunnen, want vandaag was het ijdele hoop. Ik was alleen op de wereld. Het enige dat ik tegenkwam was een drietal dode kikkers op het asfalt. Met hun lange, spitse ledematen in bevallige, vrolijke poses lagen ze daar, hun bolle kopjes nuffig omhoog. In een verstilde danse macabre. Een voor altijd op pauze gezette videoclip van Roger Glover and Friends. At the butterfly ball.
Ze waren niet platgereden, niet onder een auto gekomen. Ze waren feitelijk ongeschonden, behalve dan dat ze dood waren. Technisch gesproken zal er dus wel een vogel aan te pas zijn gekomen, al vraag je je af hoe het zo gekomen is dat die drie zo dicht bij elkaar liggen. Zo ongeschonden en zo dood. Wat er gebeurd kan zijn. Aan gulzigheid. Aan onhandigheid.
En technisch gesproken zijn het dus dieren, die ik hier tegenkom, op mijn weg. Maar of mijn humeur er nou erg door wordt opgetild, dat waag ik te betwijfelen.

dinsdag 10 april 2018

Kuifeendjes







Eerder deze week kwam ik al ochtendwandelend langs een bescheiden meertje hier in de buurt, rijk omzoomd van kragen riet. Het was een mistige ochtend en één en ander zorgde voor een even mysterieuze als fotogenieke aanblik waar ik een tijdje zomaar gratis van stond te genieten. Iets verderop zag ik twee niet nader herkende roofvogels elkaar de boom uit jagen en om de beurt dreigende rondjes over het water zweven. Er was een fuut, er waren eenden en ganzen en meerkoeten natuurlijk, vlakbij was er iets kleins en grijs dat wel eens een rietzanger of een rietgors of iets anders met riet geweest zou kunnen zijn, en er was plotseling het onmiskenbare geluid van een roerdomp. Nooit eerder echt gehoord maar het was hem, zonder twijfel. Een laag, oemp of hoemp achtig geluid dat eigenlijk wonderwel bij de naam past. Alsof de roerdomp probeert zijn eigen naam uit te spreken. Maar dan onder water. Het zou mij niet verbazen wanneer de naam van de roerdomp een soort verbastering van zijn geluid zou zijn. Een pseudonomatopee, of zoiets. Enfin, hoe het ook zij, de roerdomp liet zich niet zien, hij keek wel linker uit.
Vandaag besluit ik een tweede poging te wagen en wandel opnieuw naar het meertje. Mijn komst wordt al van verre aangekondigd door een stelletje meerkoeten dat zich kijvend en spetterend uit de voeten maakt, eenden die schielijk opsnateren en een koppel ganzen dat foeterend opstijgt om verderop met veel misbaar te water te gaan. Dat zal wel niks worden, probeer ik mezelf maar vast wat op een teleurstelling voor te bereiden. Het moet wel heel vreemd uitpakken wil hier nou net een dove roerdomp zijn neergestreken. Evengoed blijf ik een tijdje staan, hopend tegen beter weten in.
Niet veel later krijg ik ongevraagd gezelschap van een man op de fiets. Langzaam hobbelt hij over de grasdijk dichterbij, een beleefde groet bij het passeren. Het is een fiets met fietstassen, én een mandje voorop. Tien meter van mij vandaan stopt de man en stapt af. Vanachter zijn fiets speurt hij het water en de rietkragen af. Verdomme, denk ik, die gaat hier een beetje op míjn roerdomp staan azen. Even later pakt hij een camera uit één van zijn fietstassen en gaat alvast wat kuifeendjes fotograferen die verderop mooi afsteken tegen het goudgele riet.
Voor mij is de lol eraf. Onverrichterzake en met iets van de pest in verlaat ik het meertje. En dan loop ik ook nog terug in plaats van verder, om niet door de man zijn foto heen te lopen. Sukkel die ik ben.

maandag 2 april 2018

Goed voornemen







Al kom je geen drie kilometer van huis, er valt van alles te zien en te horen, op zo’n ochtendwandelingetje. Je hoeft, wil ik maar zeggen, dus eigenlijk alleen maar de deur uit te gaan, en dan ben je er al. Er vliegt van alles voor je uit en over je heen en het is een leven van belang. Nou heb ik het geluk natuurlijk dat ik met vijf stappen het buitengebied in loop, waar vaak nog weer andere dingen te zien zijn dan in de bebouwde kom, met een wijdere blik ook nog, maar zelfs een wolkje kwetterende mussen in de heg van de buren kan het leven al de moeite waard maken als het moet.
Nog leuker is het natuurlijk wanneer je iets bijzonders meent te zien of te horen. Iets waarvan je meent te weten dat je dat niet zo snel of vaak te zien krijgt. Omdat het zo schuw is bijvoorbeeld, of zeldzaam, of zo klein en vlug. Omdat het bij jouw weten niet zo heel veel voorkomt in deze streek, of omdat je er gedurig van leest en hoort dat het er niet zo best mee voorstaat. Het wolkje mussen in de heg van de buren schijnt daar trouwens inmiddels ook toe te behoren, maar goed.
De eerste in de buitencategorie is vandaag een witte reiger. Met terugwerkende kracht gok ik op de grote zilverreiger, die ik hier in Noordholland niet vaak, maar wel steeds vaker zie. Wat klopt met de berichten dat ze het sinds enige tijd goed doen in ons land, wat dan ook weer te maken schijnt te hebben met veranderd beheer van de Oostvaardersplassen, maar uit veiligheidsoverwegingen ga ik daar verder niet op in.
Mijn witte reiger staat een heel eind verderop in een sloot en heeft mij waarschijnlijk al veel eerder gezien dan ik hem. Hoewel hij daar natuurlijk gewoon liep te vissen, lijkt hij zich achter de slootwal te verstoppen. Zijn lange, dunne en helwitte nek steekt nog een argwanend eindje boven het maaiveld uit, om mij in de gaten te houden. Verder is er niemand. Uiteindelijk neemt hij het zekere voor het onzekere en maakt zich superieur uit de wieken.
Wanneer ik weer door wil lopen, hoor ik een volgende bijzonderheid. Ik realiseer me trouwens dat ik dat al een tijdje hoor, maar nu luister ik er ook naar. Een grutto. Vergissen is uitgesloten omdat die zijn eigen naam roept. Tenminste, dat wordt beweerd. Ik sluit mij hier tegendraads aan bij Koos van Zomeren, die de roep van de grutto noteert als oo grut oo grut. Dat is precies wat ik hoor. Een wat zorgelijk oo grut oo grut. Niet ten onrechte, schijnt dat te zijn, omdat de ooit oer Hollandse weidevogel inmiddels min of meer met uitsterven wordt bedreigd. Er zijn oer Hollandse zaken waar meer lawaai over gemaakt wordt wanneer ze zelfs maar een beetje onder druk komen te staan, maar ook dat is een onderwerp waar ik uit veiligheidsoverwegingen beter niet over kan uitweiden.
Goed, nu ik een grutto hoor, zou ik hem ook wel willen zien, zo gaan die dingen, dus ik pas mijn route aan en loop in de richting waarin ik hem vermoed. Wanneer ik hem na een tijdje opnieuw hoor, is dat alweer een aardig eindje achter mij. Ik ben te ver gelopen. Ik ben vergeten stil te blijven staan, ik ben teveel aan het wandelen. Maar nu zie ik hem ook vliegen, dus ik verleg mijn koers opnieuw en keer op mijn schreden terug. Tot waar ik hem heb zien landen, tot waar ik niet verder kan komen. Aan de slootkant sta ik geduldig te wachten of hij nog eens op wil vliegen, iets dichterbij wil komen misschien. Maar nee. Ingespannen sta ik daar heel lang in de verte te staren naar een bewegend vlekje dat best een grutto zou kunnen zijn, maar evengoed iets anders.
Ik zie het er nog van komen dat ik één dezer dagen met een verrekijker van huis ga voortaan.

vrijdag 30 maart 2018

Dwaalgast







Ergens achter mij, in de keuken, wordt koffie voor me gemaakt. Ik sta in een vreemde huiskamer wat naar buiten te kijken, en af te koelen van de verhitte gesprekken die hier zojuist op hoge toon zijn gevoerd. Die straks hun vervolg wel zullen vinden, vrees ik. Leuk is anders, maar soms gaat het zo. Buiten, aan de overkant van de straat, in een voortuin, zie ik een vogel die mij afleidt en mijn aandacht trekt. Omdat ik meteen zie dat ik niet weet welke vogel het is. Nou ben ik geen kenner dus dan kan het nog werkelijk bijna alles zijn, maar één ding weet ik zeker: het is geen merel. En dat is vreemd want het líjkt wél een merel. Het lijkt in alles een merel. Precies even groot, hetzelfde silhouet, dezelfde vlucht. Alleen de kleur klopt niet. Geen gele snavel, geen zwart pak, geen bruin verenkleed voor het vrouwtje. Deze vogel is lichtgrijs van onder en donkerder van boven. Dus een zanglijster, waar je dan aan denkt, is het ook niet. Nee, dat is het zeker ook niet. Ik beweeg me dichter naar het raam voor een betere blik en misschien zelfs een foto maar tegelijk springt buiten op straat een kat tevoorschijn om een poging te wagen en de vogel vliegt buiten beeld.
Eenmaal weer thuis zoek ik op internet wat het geweest zou kunnen zijn. Dat leidt tot verschillende opties waar telkens ook wel weer iets op valt af te dingen. Zo vind ik de zogenaamde beige merel. Een merel met een pigmentafwijking, die daardoor lichter uitvalt dan het origineel zonder dat het een albino wordt. Het zou de gelijkenis met de merel verklaren omdat het dus ook een merel ís, maar beige was mijn vogel zeker niet. In mijn enthousiasme twijfel ik heel even over de Gray lijster, die ook grotendeels aan de omschrijving voldoet maar bij nadere lezing alleen in Noord en Zuid Amerika voorkomt. De zwarte roodstaart dient zich aan als algemeen voorkomende tuinvogel, maar dat rood bij de staart.. dat had ik zeker gezien, als het er geweest was. En zo kom ik dan uiteindelijk op de zwartkeellijster uit, waar ik nog nooit van gehoord had. Wat daar op af te dingen valt is dat dat héél bijzonder zou zijn, in deze contreien. Dat dat in Nederland sowieso een dwaalgast zou zijn, omdat hij broedt in Siberië en overwintert in de Himalaya. Een vogel die vanaf 1981 slechts een keer of tien is waargenomen in ons land, lees ik op een site die het weten kan. Een tikkeltje hoogmoedig dus. Maar ik lees ook dat er afgelopen maand weldegelijk een paar zijn waargenomen, in Groningen. Dat vogelaars van heinde en verre naar een achtertuin in Scheemda trokken om hem daar te zien. Dus.
Ik weet er niet genoeg van en durf niets met zekerheid te zeggen, maar als ik het hier en nu dan toch voor het zeggen heb, dan heb ik het liefst een zwartkeellijster gezien. Wie doet me wat? Een zeldzaamheid. Dat zie je misschien maar één keer.
Hopelijk heeft die kat hem niet te pakken gekregen.

woensdag 28 maart 2018

Gmweûh






Het zal het twijfelachtige weer zijn, op mijn wandeltocht door bos en hei, maar ik ben alleen op de wereld vandaag, zo lijkt het. Geen kip, kom ik tegen. Geen hond. Geen mens. Erg vind ik dat niet. Zo loopt er niemand in mijn uitzicht en kan ik zonder al te veel dralen of oponthoud de uitgestorven foto’s maken waar ik de voorkeur aan geef. En op honden onderweg ben ik toch al niet dol. Bovendien hoef ik nu niet na te denken over hoe er gegroet moet worden. Dat blijkt namelijk, wandelend in Nederland, overal anders te zijn. Het is moi of hoi of hé of nog iets anders en ik weet nooit hoe, wat en waar. Veiligheidshalve houd ik het daarom meestal op goeiedag, dat kan niet verkeerd gaan. Tenminste dat dacht ik. Nu er toch plotseling iemand opduikt, in strakke zuurstokkleuren, die mij groet met ‘goeiedag’, raak ik zo van mijn apropos dat mijn tekst hier wordt ingepikt, dat ik er bij mezelf een verbouwereerd, alles dooreen verhaspelend gmweûh uit hoor komen. De zuurstokman zal zich de rest van de dag hebben afgevraagd waar ik in vredesnaam vandaan kwam.
Verbouwereerd ook trouwens omdat het niet klopt met het door mij in de loop der jaren proefondervindelijk vastgesteld systeem van groeten. Mensen in zuurstokkleuren groeten geen wandelaars, in dat systeem. Die hebben het daar te druk voor, met hun prestatie, hun hardloopapp en hun hartslagmeter. Voor mensen in zuurstokkleuren op fietsen geldt dat nog sterker, die wanen zich van een hogere orde en nemen zelfs helemaal geen wandelaars waar. Wandelaars groeten iedereen, maar worden alleen teruggegroet door andere wandelaars, in de meeste gevallen, als ze geen nordic stokken hebben. In uitzonderlijke gevallen ook door fietsers zonder zuurstokkleuren en ruiters. Dit systeem geldt alleen in de provincie. In randstedelijk gebied wordt in principe niet gegroet. Al passeer je elkaar op een pad van een halve meter breed en moet je voor elkaar de berm in, oogcontact wordt vermeden en ieder vervolgt het eigen gesprek of de eigen gedachtegang. Groeten wordt hier ervaren als zonderling gedrag en een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en daarom ten sterkste afgeraden.

Uit: ‘Groeten uit Grolloo’, gepubliceerd op De Vrije Wandeling, weblog van een wandelaar

zaterdag 24 maart 2018

Bomen horen in het bos







Een opvallend feit over de dorpsgemeente op het platteland waar ik ruim tien jaar terug mijn toevlucht uit de grote stad heb gezocht, is dat men er een hekel heeft aan bomen. Bomen horen in het bos, is een veelgehoorde uitspraak. En voordat iets een bos kan worden, wordt het snel omgezaagd, want bossen, daar is men hier ook niet zo dol op. Ik kan er maar weinig vinden tenminste. Het dichtstbijzijnde bos dat er wél is, wordt momenteel drastisch uitgedund met het argument dat de boomsoort hier historisch gezien niet voorkomt. Historisch gezien ligt ons land voor een groot deel onder water, denk ik dan, dus laat die bomen nou ook maar staan, nu ze er eenmaal staan. Gek genoeg is dat één van de dingen die ik van de grote stad het ergste mis: het bos.
Opgeruimd staat netjes, zegt men hier, als er weer ergens een rijtje bomen is verdwenen. En: wát een licht. En: wát een ruimte. Geen takjes meer op straat, geen bladeren meer op de oprijlaan. Wat een heerlijkheid.
Laatst was het weer zover. Urenlang brulden kettingzagen en houtversnipperaars onafgebroken hun lied van dood en verderf door de wijk. Het was meteen onmogelijk me nog ergens op te concentreren. Vanwege de aanhoudende herrie uiteraard, die mijn hoofd overnam en iedere gedachte de nek omdraaide. Maar ook omdat ik er niet van houd dat er maar voortdurend bomen worden omgezaagd. Ik begrijp het vaak niet. Ik houd van bomen. In het bos en in de stad. Zonder bomen is er geen bos. Zonder bomen zijn stad en straat doods.
De geluiden die ik nu hoorde gaven alle aanleiding het ergste weer te vrezen. Met een zwaar gemoed ging ik later op de dag eens poolshoogte nemen en trof inderdaad niets dan droefenis. Het enige mooie in de straat waar het allemaal gebeurde, waren altijd de bomen geweest. Vijfendertig kersenbomen, niet ouder dan de straat zelf, niet ouder dan twintig jaar. Bomen waar bij het bouwen van de straat waarschijnlijk voor was gekozen. Misschien zelfs wel in overleg met de toekomstige bewoners. Bomen die de liefdeloos lelijke, zielloze straat ieder voorjaar tijdelijk omtoverden in een mooie straat. Met een rijke, wit-roze bloesem, van voor naar achter en terug. Twee, drie lieflijke rijen dik. Lommer in de zomer en in het najaar gratis kersen. Emmers vol. Waar je in de supermarkt een vermogen voor zou betalen. Kersen die niemand wilde. Behalve de spreeuwen. De spreeuwen die op de auto’s poepten.
Zo zal het zijn gegaan. Kunnen die bomen niet weg? Is men gaan denken. Die kersen.. Die spreeuwen.. Die bloemblaadjes.. Allemaal troep op de auto. Door de bomen. Een enquête, een petitie, een brief aan de gemeente.
De bomen waren allemaal omgezaagd. Niks was er van over dan vijfendertig verwijtende stompen, die verderop in de week met grof geweld uit de straat werden getrokken. Opgeruimd staat netjes. Straks worden de gaten gedicht, de straat opnieuw betegeld. Vijfendertig extra parkeerplaatsen. Wat een heerlijkheid.

dinsdag 20 maart 2018

Roerdomp






Met een vriendin maak ik een stevige wandeling in de omgeving. De koppen in de frisse wind. Dat gaat door natte weilanden en modder, over grasdijkjes, langs polders, sloten en vaarten. Met af en toe een dorp. Of een boerderij. En onderweg bespreken we het leven en de dingen en valt er van alles te zien. Wanneer we met een kippenbruggetje een vaart oversteken om aan de overkant tussen twee rietkragen verder te kunnen, schiet er plotseling met enig geraas een vogel uit het riet tevoorschijn. We zien hem opstijgen, maar vooral wegvliegen. Vanaf het hoge bruggetje hebben we er goed zicht op maar meer dan een flits en een streep krijgen we niet te zien, zo snel is de vogel gevlogen.
Toch weet ik zeker dat ik hier en nu, voor het eerst in heel mijn leven, een roerdomp heb gezien. Een roerdomp! De mysterieuze, schaarse en schuwe rietbewoner, die zich alleen met grote tegenzin laat zien. Daar vloog hij! Recht voor mijn neus, onder mijn ogen mijn blikveld uit.
Het klopt eigenlijk niet, heb ik het idee, want die hoort natuurlijk stokstijf met zijn snavel omhoog in het riet te blijven staan, doodstil vertrouwend op zijn vermomming, maar blijkbaar zijn daar uitzonderingen op mogelijk. Misschien heeft hij ons niet aan zien komen, aan gene zijde van het kippenbruggetje. Overvielen we hem met onze plotselinge verschijning in de hoogte en was er geen tijd meer ongezien en ver genoeg de rietkraag in te duiken.
Hoe het ook zij, daar vloog ie en ik wist zeker dat het ‘m was. De roerdomp. De maat, de kleur en het biotoop klopte en veel meer wist er niet van.
Dat was een roerdomp! roep ik dan ook vanaf het bruggetje, mijn enthousiasme niet onder stoelen of banken stekend. Enthousiasme over deze onverwachte waarneming maar ook over het feit dat ik nu ook eens meen te weten wat daar wegvloog. Mijn wandelgenoot toont zich onder de indruk van mijn parate kennis, waarmee ze die meteen ook weer schromelijk overschat natuurlijk. Maar voor de gelegenheid laat ik het me toch een keer aanleunen.

woensdag 14 maart 2018

Cirkels in het zand







Omdat we toch in Den Haag waren, met culturele bedoelingen, waaiden we tussendoor ook nog even aan op het Scheveningse strand. Dat vereiste enige moed, niet alleen omdat Scheveningen met de jaren steeds lelijker wordt, maar vooral omdat het bok-koud was en de poolwind het zand ons ongenadig in de gezichten striemde. Aanleiding voor de expeditie was het bericht dat op het strand van Scheveningen een kunstwerk van zand werd gemaakt. Nou gaat mijn hart meestal niet sneller kloppen van zandsculpturen. In de regel tref je dan een rij van dranghekken omheinde met paletmes uit speciaal zand gemetselde kitscherige, quasi virtuoze taferelen waarvan de patat-etende en bierdrinkende dagjesmeute dan vindt dat dat knap gemaakt is. Jazeker, ik ben van de Volkskrantlezende, azijnpissende linkse elite, en ik ben er trots op. Het mag van mij, de sbs6 zandsculptuur bedoel ik, maar ík hoef er niet heen.
Déze zandsculptuur echter, is bedacht door een kunstenaar slash landschapsarchitect, Bruno Doedens, dus dat is andere koek, al heb ik geen flauw idee wie het is. Van déze zandsculptuur had ik gelezen dat de patat-etende en bierdrinkende twittermeute het een schandelijke geldverspilling vond, dus míjn belangstelling was gewekt. Zo ben ik dan toevallig ook nog eens een keer, om wijlen Mies Bouwman te parafraseren. Vandaar dat wij vandaag dus ijs en weder trotseerden en ons op de Scheveningse boulevard waagden. Voor de kunst.
Ringen aan zee, zo heet het project, en het is bedacht en bedoeld om tweehonderd jaar badcultuur in Scheveningen luister bij te zetten. Wat dat ook moge betekenen, badcultuur, in Scheveningen.
Goed.
Twee onbemande, zilvergrijs glimmende graafmachines hebben op eigen kracht, op basis van gps-gegevens, in ruim twee weken tijd twintig ringen uitgegraven en opgeworpen, waardoor, in de woorden van de schepper, een iconisch landschap is ontstaan. En het is bepaald een bijzonder en indrukwekkend, licht vervreemdend uitzicht dat zich hier over driehonderd meter strand ontvouwt. Van boven gezien is het alsof het strand een rimpeling vertoont zoals nadat er een steen is in geworpen. Vanuit het midden breidt de rimpeling zich tussen boulevard en vloedlijn naar twee kanten uit, in steeds ruimere cirkelbogen, met wiskundige precisie. Het is een reusachtig labyrint, maar ook de associatie met graancirkels dringt zich op, hier is iets buitenaards gebeurd. Iets onverklaarbaars. De opgeworpen zandwallen zijn in het midden meer dan manshoog dus wanneer je daar zo tussen loopt heb je geen uitzicht meer en verlies je het idee dat je op het strand bent. Waar je wel bent, blijft onduidelijk. Aan de kant van de zee wordt het kunstwerk gedurig aangevreten door de branding uiteraard, gelijk het eerste het beste zomerse zandkasteel, en de wind doet vandaag alle moeite de scherpe kantjes van het patroon af te krijgen. Het publiek dat, ondanks verzoeken dat niet te doen, de strandringen beklimt, draagt ook zijn steentje bij aan de natuurlijke erosie. De graafmachines blijven dan weer tot begin april herstelwerkzaamheden verrichten en zo zal het enorme kunstwerk voortdurend veranderen en in beweging zijn en er geen twee dagen hetzelfde uitzien. Het is ook daarom jammer dat ik niet meer in Den Haag woon, ik zou er zeker regelmatig even langs fietsen om te zien hoe de ringen aan zee er vandaag weer bij lagen. Want behalve dat het een bijzonder en krachtig beeld is, vind ik het ook een zeer troostrijke en geruststellende gedachte dat een project als dit dus gewoon ook nog kan, in ons tijdsgewricht van enge eenheidsworst en ‘het moet niet gekker worden’. Dat mag ook wel eens gezegd.

Ringen aan zee is te zien tot 12 april, op het strand van Scheveningen. Voor wie daar niet in de buurt woont of komt, is de livestream op internet een manier om toch een idee te krijgen.

zaterdag 10 maart 2018

Industriële kathedraal met onzinapparaten






Alleen voor het gebouw al. Man! Jarenlang heb ik er pal naast gewoond, een leven geleden alweer. Letterlijk onder de rook want die waaide hoog over naar veel verderop in de stad. Zo pal dus. Vanuit de woonkamer zag ik de twee metaalkleurige schoorstenen torenen en die enorme vierkante hal stak ruim boven de scharrige huizen aan de overkant uit. De elektriciteitsfabriek in Den Haag. En nu lopen we er binnen. Voor Infinity, de expositie van Zoro Feigl.
Volgens het immer in overtreffendste trappen sprekende knmi is het de koudste eerste maart sinds de Kleinste IJstijd, en koud is het inderdaad, maar op één of andere manier sluit dat heel aardig aan bij de sfeer. Dik ingepakt, met de kragen op, betreden wij een vreemde, wat duistere wereld. Ziet het gebouw er aan de buitenkant nog uit als een grote vriendelijke reus, met zijn zorgvuldig vormgegeven 19e eeuwserige ingangspartij met torentjes, kanteeltjes en dakkapelletjes, zijn fraaie gevel met siermetselwerk om de halfronde vensters, binnen treffen we een ruige, afgetrapte fabriekshal model 1950. Een galmende industriële kathedraal die lijkt te zijn overgebleven van een dystopisch doemscenario. Opgetrokken rond een skelet van haveloze stalen balken van soms wel een meter hoog, zwaar leunend op zeer robuuste, vierkante pilaren. Gruizige plafonds met grote en kleine gaten lukraak her en der, waar ooit wel buizen en leidingen doorheen gelopen zullen hebben. Een betonplaten vloer die zich metersver uitstrekt en buitenwanden van indrukwekkende oppervlaktes gele baksteentjes, in klezorenverband de hoogte in gemetseld, die tegen al dit grof en gerafeld geweld vreemd keurig, haast truttig afsteken. Achterin het gebouw, waar de tussenverdieping ophoudt, kijk je tientallen meters omhoog een grimmig stalen labyrint in van zigzaggende trappen, loopbruggen en plateaus, dwarsbalken en constructiekruizen, vloertjes, roosters en trapleuningen. Aan de andere kant hangt een tweetal zware takelhaken omineus te zwijgen.
Toch zou je meteen bij binnenkomst al niet zeggen dat deze fabriekshal leegstaat. De immense, koude en schemerige ruimte is gevuld met industriële geluiden. Lawaai, gesis, metaal op metaal, stampende beweging, geknars, geschuur en gerammel, alles in veelvoud versterkt door de holle galm. Je zíet ook overal beweging. Vanuit allerlei ooghoeken zie je veelbelovend iets draaien, zwaaien of heen en weer gaan, lonkend in een felle kleur of alleen een mysterieus silhouet. Plotseling, met veel kabaal, soms subtiel of nauwelijks waarneembaar.
We lopen rond en laten ons bekoren en betoveren door een verzameling merkwaardige, speelse machines, installaties, apparaten die geen ander nut of doel lijken te hebben dan er zijn, en te bewegen. Tegelijk is hun aanwezigheid volkomen aannemelijk. Doordat de meeste objecten niet al te nadrukkelijk als kunst worden gepresenteerd maar zonder omhaal staan waar ze staan waar ze dan blijkbaar dus horen te staan en maar onverstoorbaar hun ding blijven doen, op door henzelf bepaalde momenten, worden ze één met het gebouw. Krijgt het ook iets onontkoombaars. Zou je je zomaar kunnen laten verleiden tot de gedachte dat hier weldegelijk iets tot stand wordt gebracht. Dat er weldegelijk een nut en een doel gediend wordt. Dat dat je alleen maar ontgaat. Wat daarbij ook helpt is dat de objecten, net als het gebouw, een ouderwets industriële uitstraling hebben en samengesteld lijken te zijn uit materialen en onderdelen die net zo goed uit het gebouw afkomstig zouden kunnen zijn. Robuuste elektromotoren, kettingen, stangen, brandslangen, rubber banden, zeildoek en touwen zo dik als een bovenarm. In elkaar gezet bovendien met een uiterst functioneel ogende deskundigheid. Geen charmant provisorisch geknutsel maar het echte werk. Gebouw en kunst smelten zo samen tot één spannend, uniek, geheel eigen universum. Klinkt een beetje als de verheven catalogus blabla waar ik eigenlijk een hekel aan heb, maar het is wel waar. Ga maar kijken.
Evengoed is het binnen al die industriële robuustheid wel de lichtvoetigheid die regeert. Want het blijven onzinapparaten natuurlijk, die geen ander doel hebben dan er zijn, en te bewegen. Voor de lol. Gewoon voor de lol. Het plezier dat de kunstenaar erin gehad heeft het te maken en dat er overal van af spat, en de lol die wij er weer aan beleven door er bij te staan en er naar te kijken.
Het is verleidelijk hier en nu een aantal van die installaties te beschrijven, in enthousiaste bewoordingen. Het risico is een beetje dat dat niet uit de verf komt en dat het zo’n verhaal wordt dat eindigt in een futloos “je had erbij moeten zijn”. Maar goed, dat moet dan maar.
Zo zien we bijvoorbeeld twee lopende banden, gewoon zoals die waar je je boodschappen oplegt wanneer je ze hebt gedaan, die slingerend en slepend met enig geraas een logge dans uitvoeren. Ze hangen van iedere context ontdaan los van het plafond naar beneden, schuins achter elkaar, en nemen telkens even het rit aan, aangedreven door beweeglijk aan kettingen hangende motoren.
Verderop staan we zeker een kwartier te kijken naar een losjes in de lucht gehouden kluwen van hun rol bevrijde brandslangen die in een ingewikkeld gesloten systeem aan elkaar zijn gekoppeld. Aanvankelijk hangt een groot deel van de slangen slap naar beneden geknakt maar doordat er ergens, vrijwel onzichtbaar, gedurig lucht in wordt gepompt en de boel steeds meer op spanning komt, zet het slangenstelsel langzaam maar zeker met hele kleine beweginkjes uit, als een vreemdsoortige plant die zich geleidelijk weer verheft nadat er op getrapt is. Een wonderlijk en wonderschoon schouwspel.
Op de tussenvloer treffen we vier autowielen die in een sierlijk gevecht zijn verwikkeld. Of in een gewelddadig ballet. Als een draaimolen hangt het geheel naar beneden. De drie buitenste wielen bewegen om het middelste, dat met een elektromotor is uitgerust en zo nog zijn eigen rondjes draait. Telkens wanneer één van de buitenste drie de middelste raakt wordt hij zonder mededogen weggezwiept, slechts rammelend in toom gehouden door zijn ketting.
Een iets andere, bijna verstilde sfeer treffen we beneden, waar tegen de wand van keurige gele baksteentjes twee transportbanden kalm en gestaag hun rondjes draaien, van beneden naar boven en achterlangs weer terug. Onderaan wordt de band door een bak met dikke vloeistof gevoerd die, cohesie adhesie, in een lobbige laag mee naar boven wordt genomen om ergens onderweg gedeeltelijk van gedachten te veranderen en terug naar beneden te zakken waardoor er twee lagen vloeistof in tegengestelde richting over elkaar glibberen. Dit levert een intrigerend en merkwaardig rustgevend schouwspel op. Twee monochroom psychedelische vloeistofdia’s die mij ook de associatie met de hoge glas in lood ramen van een kathedraal opleveren.
Nou goed, ik heb mijn best gedaan.

De tentoonstelling Infinity van Zoro Feigl is nog tot en met 18 maart te zien in de Electriciteitsfabriek in Den Haag. Als u in Den Haag woont of in de buurt bent is een bezoekje zeer aan te raden. Als u niet in de buurt bent is het een omweg waard. Kijk voor de openingstijden en andere toestanden op electriciteitsfabriek.nl