donderdag 16 juni 2022

Komt voor de val





Goed, nog even over dat ritje op de mountainbike, want daar is het laatste woord toch nog niet over gezegd. Met jeugdig elan begon ik eraan, een man wordt immers geacht zo jong te zijn als hij zich voelt. Die mountainbikes stonden er, ze waren ervoor gehuurd, we hadden ze net opgehaald, niemand anders meldde zich voor het voorgestelde ritje, het was mooi weer, we waren er een paar daagjes op uit.. waarom niet, dacht ik. Out of the box met die geit. En voor ik het wist jakkerde ik achter mijn vriend aan over een mountainbikeparcours. Tot zover vertel ik niks nieuws. En als ook al gezegd, ik stapte op met gemengde gevoelens, de schrik sloeg me om het hart toen we het veilige asfalt verlieten, maar ik vond het dus eigenlijk wel leuk. Het ging eigenlijk best lekker. Ik sloeg, vond ik zelf, helemaal geen gek figuur.
Het was sowieso een bijzondere dag vandaag omdat het 4 juni was. 4 juni is de dag dat ik, vier jaar geleden, werd geopereerd. Een open hartoperatie met drie bypasses die wegens lekkage meteen dezelfde dag een tweede keer moest worden uitgevoerd. Dan is dat hier ook maar een keer gezegd. Beslist een traumatische ervaring kan ik u vertellen. Ik heb twee maanden krom gelopen van de pijn, kon geen kleding aan mijn borst verdragen van ellende en het heeft me zeker een jaar gekost om er fysiek weer een beetje bovenop te komen. Mentaal is het vier jaar later nog altijd een beladen dag die ik drie weken van tevoren al aan zie komen. Ik heb me destijds tot de laatste dag verzet tegen het idee dat die operatie nodig was en mede door het feit dat ik ook nu nog bijna dagelijks last heb van zenuwpijn aan mijn borst heb ik nog steeds regelmatig dwarse buien waarin ik mij afvraag hoeveel ik er nou eigenlijk mee ben opgeschoten. Waarin ik mijzelf vervloek dat ik er ooit aan ben begonnen, ook wel.
En nu vloog ik dus met een noodgang over een smal en kronkelig zandpad door de bossen, op een mountainbike, heuveltje op heuveltje af, in het kielzog van mijn geoefende vriend, zonder een centje pijn, en ging dit allemaal door mijn hoofd. Ik ga niet zeggen dat ik dankbaar was, dat niet, nee. Maar misschien was dit wel een zeldzaam moment van inzicht. Erkenning van het idee dat ik er misschien wel degelijk op was vooruitgegaan. De weg naar acceptatie. En dat juist op deze dag. Mooi.
Het was daarom jammer dat ik amper tien minuten na al deze mooie en wijze gewaarwordingen bij een steile afdaling de controle over de fiets verloor, in de berm terecht kwam, een boomstronk raakte, over de kop sloeg en naar adem happend met het zwart voor de ogen en minstens twee gekneusde ribben op het bospad eindigde.
Ja, dat was jammer.

zaterdag 11 juni 2022

Reality check






Met een vriend deed ik een ritje op de mountainbike. Het was Pinksterweekend, we waren er een paar dagen op uit met z’n allen. Vrienden onder elkaar, kinderen, aanhang, kleinkinderen.. een heel gezelschap. Een jaarlijkse traditie die voor het eerst weer voluit gevierd kon worden. Het was zaterdagochtend, net na de koffie, het was lekker weer en er waren zojuist twee mountainbikes gehuurd. De vriend aasde op een ritje, maar de jongere garde, die daarvoor het meest in aanmerking kwam, lag nog op bed of moest nog ontbijten of gaf anderszins niet thuis. Waarop ik dan maar meldde dat ík wel een ritje met hem wilde maken. Een beetje tot mijn eigen verbazing want het is niet wat je noemt mijn ding, dat gejakker. Als wandelaar heb ik er zelfs wel eens een gepeperde mening over, over die luidruchtige roedels voortrazend, in strak en felgekleurd lycra verpakt testosteron. En nu stak ik mijn vinger op. Vreemd.
Ik was dan ook niet de enige die verbaasd was. Er viel een korte stilte over het terras van het zomerhuisje. Een vragende blik van mijn dochter, lichte spot meende ik erin te ontdekken. De vriend vroeg of ik het zeker wist, hij trok zijn wenkbrauwen er bij op. Mijn jongste zoon, allround sportman, begon zelfs schamper te lachen, ha ha ha, zijn vader op een mountainbike.. dat wilde hij wel eens zien. Kortom, vluchten kon niet meer. Quasi beledigd over zoveel nauwverholen onderschatting klom ik op de fiets en reed demonstratief mijn comfortzone uit, in het kielzog van mijn vriend.
Toen we na de eerste halve kilometer het comfortabel geasfalteerd fietspad verlieten om rechtsaf een smal en bochtig zandpaadje in te duiken, schrok ik even. Dit was nou ook weer niet helemaal mijn bedoeling geweest, ik had een wat gezapiger ritje voor ogen gehad, langs anwb paddestoelen en knooppuntborden. Nu reed ik verdorie op een mountainbikeparcours, en nog hard ook. Man!
Maar eigenlijk vond ik het wel leuk. Eigenlijk ging het best lekker. Moeiteloos nam ik hobbels en bochten, zwevend slingerde ik tussen de bomen door. Eén en al gratie en souplesse. Zie je wel, dacht ik, een tikkeltje triomfantelijk, zie je wel, een man is zo jong als hij zich voelt, al is het een cliché. En ik bedacht me dat ik dit vier jaar geleden, voor mijn grote operatie, nooit zo lang had volgehouden. Dat ik er toen om te beginnen al niet eens aan was begonnen. En moest je me nu eens zien!
Bij een klaphekje, waar we noodgedwongen even stil stonden, kregen we gezelschap van een achteropkomend drietal. Echte mountainbikers, in vol ornaat, met cijfers en letters op hun kleurige truitjes, strakke broekjes om de machtige dijen. Schoenen, helmen, bidons. Dat wij er níet uitzagen als echte mountainbikers, was hun eensluidend oordeel, na een korte blik op ons toeristisch burgermans-tenue van spijkerbroek, overhemd en wandelschoenen. Máár, liet één van de mannen er afsluitend op volgen voor ze weer verder fietsten, respect voor ons, want zíjn vader deed dit niet meer.
Ongelovig keek ik ze na. Pardon? Zijn váder? Zei hij dat nou? Wat was dit voor complilediging? Ik zag even mijn 89 jarige schoonvader voor me, krakkemikkig strompelend achter zijn rollator. Heel even maar. Toen realiseerde ik me dat de mountainbikers mannen van ergens in de dertig waren geweest. De leeftijd van mijn schoonzoon, met beginnend grijs op de slapen. En dat het wel eens zou kunnen kloppen, van die vader.
Tja.
Een man mag dan af en toe zo jong zijn als hij zich voelt.. uiteindelijk is hij natuurlijk toch ook wel gewoon zo oud als hij is.

maandag 9 mei 2022

De wereld een beeldentuin




Een beginnersfoutje was het eigenlijk. Zo begon het. Zo ontstond het idee, ooit, lang geleden. In de beeldentuin van het Kröller Müller museum, nota bene, hoe mooi kan het lopen.. Ik was in mijn eentje op fietstocht door Nederland, langs beeldenparken, -tuinen, -bossen en -routes. Ik was net weer vrijgezel, ik zat op de kunstacademie en ik was op zoek naar mezelf, een nieuwe versie van mezelf. Een nieuw leven, een doel, iets anders.. Ik stond open voor alles. Alles. En zo liep ik, in de beeldentuin van het Kröller Müller museum dus, belangstellend rondjes om een manshoge, vierkante sculptuur van geribbeld kiezelbeton waar een soort metalen roosters in verwerkt waren. Trachtend zijn zeggingskracht te doorgronden. Haar zijn te absorberen.
Tot ik ontdekte dat er geen bordje bij stond, zoals wel bij de andere sculpturen. Dat ik ook wel een beetje van het pad was afgedwaald. En daarna dat het dus ook helemaal geen sculptuur wás, waar ik zo interessant omheen liep te peinzen, maar de ontluchting van de kelder van het museum, of zoiets.
Een tikkeltje gênant natuurlijk, zeker voor een kunstacademiestudent, maar gelukkig had geen mens me gezien. Behalve ikzelf. Oók gelukkig, want daar was meteen het idee. Ik had hier iets dat niet als kunst bedoeld was, tóch als zodanig staan bekijken. En gewaardeerd. En dat maakte dus pas wat uit toen ik had ontdekt hoe de vork in de steel zat.
Een interessante kwestie. Wat zei dat over mij? Wat zei dat over kunst? Ik had geen idee, maar ik besloot ter plekke er een thema van te maken, voor de foto’s onderweg, op mijn fietstocht, dan kwam ik er allicht vanzelf wel achter.
Jaren geleden is dit allemaal. 1991, om precies te zijn. En sindsdien ben ik het blijven tegenkomen, op mijn pad. En fotograferen, al die jaren. GeenKunst, noem ik het. De catalogus op internet wordt almaar volumineuzer.
Goed, dan zou je dus denken dat je inmiddels door de wol geverfd bent. Een veteraan op het gebied. Dat je je niet meer laat foppen. Maar van de week gebeurde het opnieuw. Wandelend van Benthuizen naar Bodegraven stuitten we even buiten Reeuwijk Dorp, langs de Kerkweg, op een beeld. Een vierkante plaat beton, leuk diagonaal in de berm gelegd, met in elke hoek een kniehoge oranje-rode appelvorm. Een verwijzing naar de streek, dacht ik, we liepen immers door een gebied van tuinders en fruittelers. De betonplaat konden we dan zien als een fruitschaal waarin de oogst werd gepresenteerd maar die met zijn vierkante, ongepolijste functionaliteit misschien ook het industriële, het grootschalige karakter van de fruitteelt benoemde. In die termen probeerde ik het beeld te doorgronden. De Kerkweg werd geheel gerenoveerd en heringericht, was duidelijk te zien, dus misschien was het ter ere daarvan dat er een kunstwerk was geplaatst, die dingen gebeuren.
Ik liep er eens een rondje omheen en maakte wat foto’s voor de rubriek Kunst Onderweg op mijn wandelweblog. Een bordje stond er niet bij, er stond geen naam in het beton gekrast, nadere informatie ontbrak, maar dat heb ik in de loop van deze rubriek over kunst in de openbare ruimte wel vaker meegemaakt, dat maakt het alleen maar leuker. Thuis zou ik op internet eens zien wat ik te weten kon komen over het kunstwerk en zijn maker. Over het hoe en waarom.
Maar wat ik ook intikte als zoekterm, een halve avond lang, wijzer werd ik niet. Met geen woord, met geen pixel werd er gerept over dit beeld. Ten einde raad legde ik het voor aan een vriendin die in de omgeving van Reeuwijk woont en in de kunst zit bovendien, misschien kon zij me meer vertellen. En inderdaad. Zij lachte me hartelijk uit. Dit was geen kunst. Dit was een wandelbankje, om even op te zitten, onderweg. Er stonden er meer in de omgeving.
Tja.. nou ja, in elk geval heb ik weer een nieuwe aanwinst voor mijn GeenKunst catalogus. Het jammere was wel, achteraf, dat wij juist langs de Kerkweg even buiten Reeuwijk op zoek waren naar een bankje, om even op te zitten, want het was nog best ver naar Bodegraven.

Blader eventueel door de GeenKunst catalogus op internet

Dit bericht werd ook gepubliceerd op De Vrije Wandeling, weblog van een wandelaar

donderdag 28 april 2022

Krabbelaars in de marge






Mijn vrouw en ik, we verjaren allebei ieder jaar, we hebben zo onze jubilea, of andere gelegenheden eens een feestje te geven, en moeten dus vrij regelmatig op verzoek bedenken wat we zouden willen hebben. En naarmate de cijfers oplopen wordt dat steeds lastiger, verzinnen wat je nog zou willen hebben, bij alles wat je al hebt. Want eigenlijk heb je alles al, soms zelfs meer dan je zou willen.
Een tijdlang hanteerden wij daarom het motto: alles is goed, zolang het op kan. Wat dan vaak weer resulteerde in een hoeveelheid drank en spijzen die in de praktijk maar moeilijk echt op kwam zonder een feestje te geven. Een paar jaar geleden nu hebben wij, naar het voorbeeld van vrienden, een kunstfonds in het leven geroepen en dat werkt eigenlijk heel goed. Het klinkt heel vermogend en misschien zelfs een beetje patserig maar het betekent gewoon dat wie iets wil geven en zelf geen idee heeft ons de bekende envelop met inhoud overhandigt, waarvan wij dan op voorhand hebben aangekondigd dat we dat uit zullen geven aan kunst. Kunst, daar kun je nooit genoeg van hebben, zeker niet wanneer je het zelf uit kunt zoeken.
Al snel hadden we best een aardig bedrag te besteden en gingen we op zoek naar iets moois. Maar dat bleek nog niet mee te vallen. Mooie dingen genoeg, daar niet van, waar we tegenaan liepen was het feit dat we blijkbaar toch niet patserig genoeg waren om in één groots en meeslepend gebaar ons hele fonds op tafel te gooien in ruil voor een kunstwerk. Telkens drong zich de kleinzielige vraag op of we dit kunstwerk nou echt zoveel geld waard vonden. Zouden we er geen spijt van krijgen? Bleef het lang genoeg mooi? Een enkele keer, ik zal het eerlijk opbiechten, dacht ik zelfs de verboden gedachte: dat kan ik zelf ook wel maken. Tja. Sorry.
Inmiddels hebben we besloten dat we het natuurlijk ook niet allemaal in één keer hoeven uitgeven, dat we nou eenmaal krabbelaars in de marge zijn, en bepalen we ons tot het aankopen van de wat kleinere werken, de zogenoemde betaalbare kunst. Dingen die we bijzonder genoeg vinden om te willen hebben maar die je zou laten staan wanneer je ze van de huishoudpot moest betalen. Zo hebben we in de loop der tijd het één en ander gekocht zonder er spijt van te krijgen, dat we nog altijd mooi vinden, en houden we steeds voldoende in kas voor een volgende aankoop.
De afgelopen twee jaar kwam het om bekend veronderstelde redenen niet erg van expositiebezoek, noch van feesten en partijen trouwens, maar nu bezoeken we een tentoonstelling van Floris Hovers, in Amstelveen, waar we allebei erg vrolijk van worden. En in een als museumshop bedoeld hoekje bij de balie treffen we een paar keramieken vazen waar we het snel over eens zijn. Robuuste vazen, stoer maar elegant, met een motorblok-achtige vormgeving, die eventueel met bouten en moeren aan elkaar zijn te bevestigen, wat de industriële uitstraling nog eens versterkt. Ze zijn er in verschillende gedaantes en kleuren, ik informeer bij de balie naar de mogelijkheden.
De aangesproken dame, die bij binnenkomst ook al onze museumjaarkaarten scande, beantwoordt voor de volle honderd procent aan het beeld dat je er zo van vrijwillige dames achter de balie van een plaatselijk museum op na houdt: zilvergrijs, rode bril, een beetje deftig en buitengewoon vriendelijk en goedbedoelend, maar op mijn vraag had ze duidelijk niet gerekend, die brengt haar lichtelijk in verwarring. Of er buiten de uitgestalde vazen nog andere kleuren beschikbaar zijn? Gut, ja.. dat zou ze eigenlijk niet weten, en hoewel ze ook niet helemaal lijkt te begrijpen waarom ík dat dan in vredesnaam zou willen weten haalt ze er een tweede dame bij. Ook zilvergrijs en een beetje deftig, maar zonder rode bril. Deze dame herhaalt de vraag eens voor zichzelf, maar heeft dan ook werkelijk geen idee. Zij gaat er iemand over bellen. We horen haar overleggen en dan vertelt ze ons dat de vazen die in de shop staan opgesteld de enige exemplaren zijn.
Onze reactie dat wij daaruit dan onze keuze zullen maken brengt de dames vervolgens zó van hun á propos dat ik zelf ook aan het twijfelen raak en mij genoodzaakt voel nog even te verifiëren dat de vazen immers te koop zijn? Twee paar ogen als schoteltjes kijken ons aan, één vanachter een rode bril. Stamelend en struikelend over hun woorden verzekeren de dames ons dat dat inderdaad het geval is, ja zeker, en gut, wat bijzonder! Eén van de dames drentelt behulpzaam met ons mee naar het als shop ingerichte hoekje, de ander dribbelt opgewonden heen en weer achter de balie, niet wetend wat te doen.
Wanneer wij onze keuze al snel op een gele en een grijze vaas laten vallen wordt de stemming zelfs ronduit euforisch. Willen wij twéé vazen kopen? Begrijpen de dames dat nou goed? De gele én de grijze? Allebei dus? Er wordt opnieuw gedribbeld en gedrenteld, er worden handen ineen geslagen.. de dames kunnen er niet over uit hoe bijzonder het is. Er wordt weer gebeld en al snel komt er een meneer ten tonele die al even verguld is met het grote nieuws en zich met de grootste omzichtigheid over de vazen ontfermt om ze met grote hoeveelheden bubbeltjesplastic en meters plakband in te pakken, voor de grote reis, terwijl de dames zich getweeën zenuwachtig over de financiële afhandeling buigen.
Als alles vervolgens in orde is krijgen wij ieder een zacht en knisperend pakket overhandigd. Met een brede glimlach gaat de meneer ons voor naar de deur en laat ons met een lichte buiging uit, de dames wuiven ons na.
Voor het eerst voelen wij ons geen krabbelaars in de marge. Maar vermogend, en misschien zelfs een beetje patserig.

vrijdag 15 april 2022

Een zorgvuldig geel gebeitst plaatje





Mijn oudste zoon heeft aangekondigd dat hij zich twee parkietjes gaat aanschaffen. Hij heeft zich er grondig in verdiept en weet precies te vertellen hoe en wat er moet gebeuren. Ieder mogelijk probleem wordt verbaal getackled, ieder eventueel bezwaar blijmoedig weggeredeneerd. En dat papa het dan misschien wel leuk vindt om samen met hem een kooi te bouwen, had hij vanavond aan tafel zo gedacht.
En dat klopt, ik vind dat inderdaad bijzonder leuk, om samen met mijn jongens iets te maken. Ik denk bijvoorbeeld onmiddellijk terug aan het kippenhok waar we vele uren met zijn tweetjes aan hebben staan timmeren en zagen, een paar jaar geleden alweer. Dat de kippen daarna geen doorslaand succes waren heeft de lol van het samen een hok bouwen nooit bedorven. De foto’s die facebook mij ieder jaar als herinnering voortovert stemmen mij elke keer weer vrolijk. Dus als hij nu met zijn vader een volière wil bouwen, ben ik zijn man. En zijn vader.
Een andere, veel oudere herinnering die meteen boven komt drijven is die aan mijn eigen volière. En mijn eigen vader. Hoe oud zal ik geweest zijn? Dertien, veertien misschien. Of vijftien.. ergens in die tijd in elk geval had ik ook het plan opgevat vogeltjes te gaan houden en wilde daar een volière voor bouwen. Ik zou dat, had ik bedacht, helemaal zelf gaan doen, en had bovendien besloten dat dat in het geheim moest gebeuren. Het idee dáárvan was het gezin, maar waarschijnlijk vooral mijn vader, te verrassen, te overrompelen met het resultaat. De lat lag hoog. Ons gezin verkeerde in die dagen al in een beginnende staat van desintegratie maar ik dacht toen nog dat dat misschien te keren viel, als ik mijn best maar deed.
Ik had een bouwplan gemaakt, ik had gemeten, gerekend en getekend en van mijn zakgeld kocht ik alles dat ik nodig dacht te hebben. Latjes, spijkertjes, plaatjes hardboard. Een rolletje gaas, glasplaatjes, schuurpapier. Ik verstopte alles in mijn kamer, in een kast die ik angstvallig op slot hield en in de stille uurtjes werkte ik aan mijn projekt. Hoe lang ik er over gedaan heb weet ik eerlijk gezegd niet meer maar in het eindresultaat toonde zich reeds de pietluttige perfectionist die mij later nog op vele gebieden dwars zou zitten. Het was een plaatje, mijn kooi. Een zorgvuldig geel gebeitst plaatje. Strak in het gaas, met een soepel op en neer schuivend voorpaneel, een schuiflade met van dat witte zand, glasplaatjes tegen het opstuivend stof, uitneembaar om het makkelijk schoon te kunnen maken, een leuke stok uit het bos om op te zitten, een badje, een voedersilo.. alleen de vogeltjes ontbraken nog. Ik was enorm trots op mijzelf, op het resultaat. En dat ik dit blijkbaar kon. Ook toen al een ongemakkelijke emotie.
Vol verwachting riep ik op de grote dag van de onthulling het gezin bijeen in mijn kamer. Daar stonden we, met z’n vijven. Ik was er klaar voor. Mijn vader was in zijn gebruikelijke humeur, zwijgzaam, onwillig, wrokkig, maar dat zou zo wel veranderen, dacht ik. Ja, dat wist ik wel bijna zeker. Ach ja..
‘Als je nou gezegd had dat je een kooi wilde maken, dan had ik je kunnen helpen, dan was het misschien nog wat geworden’, was zijn enig commentaar. Ik hoor het hem nog zeggen.
Mijn moeder stond er als altijd verkrampt en handenwringend bij, ik zie haar nog staan, en probeerde op gemaakt opgewekte toon nog wat te redderen door te zeggen dat ze het tóch knap vond, want zó handig was ik per slot van rekening niet.
Tja. Zo ging dat.
En nu we het vandaag aan tafel dus toch over vogels en volières en vaderlijke hulp hebben lijkt het me aardig dit verhaal maar weer eens uit de oude doos te halen. Mijn zoons hebben het blijkbaar nog nooit gehoord en moeten er smakelijk om lachen. Dat doet me plezier en ik lach vrolijk met ze mee. Maar het is om te janken natuurlijk.

vrijdag 8 april 2022

Bestiarium




Het liefst zou mijn oudste zoon een hond hebben, maar omdat dat één van de laatste en felst verdedigde bastions van zijn vaders vetorecht is, heeft hij zich in de loop der jaren noodgedwongen moeten behelpen met andere huisdieren. Huisdieren waarvan je niet met een plastic zakje de stront van straat hoeft te rapen. Want zijn vader is niet achterlijk, die weet natuurlijk heus wel wie er op de doordeweekse dagen, lange dagen dat het hele gezin naar werk en school is, de trouwe viervoeter uit zou mogen laten. En zijn stront oprapen dus, met een plastic zakje. En daar bedankt zijn vader voor. Om het over andere tegenargumenten maar niet te hebben. De dierenliefde moest dus op andere soorten worden gebotvierd.
Zo heeft er een tijdje een lege pindakaaspot met een enorme wijngaardslak op tafel gestaan. George, heette die, naar George Baker, waar hij niet begrijpend tegen het glas geplakt een beetje op leek. Verschillende keren hebben we kikkerdril in heel veel visjes en piepkleine kikkertjes zien veranderen, die trouwens ook verbazend goed tegen het glas bleken te kunnen plakken en dondersgoed begrepen dat daarboven de uitgang was.
Sinds ik in een weekhartige bui op een onbewaakt moment door de knieën ging voor een superschattig kitten uit het nest van de overbuurvrouw is er een kat in huis. Eerst was dat Midas, die zich van superschattig kitten al snel ontwikkelde tot een totaal niet in ons geïnteresseerde schim in huis en na zijn tragisch verlopen sterven werd begraven in de tuin, die we na de verhuizing naar het platteland inmiddels hadden. Om gepaste tijd later te worden vervangen door twee nieuwe superschattige kittens, Spooky and Sue, die zich gelukkig veel aanhaliger betoonden. Nog vóór zijn tweede verjaardag werd Sue echter platgereden door een verder anoniem gebleven suv die geen tijd had daar ook nog voor te stoppen, waardoor Sue Midas gezelschap ging houden in de achtertuin en Spooky alleen achterbleef, aanhaliger dan ooit. Met Kerst meldde zich dan een aanloper aan de deur die zich niet weg liet jagen, zich kopjes gevend en aanhankelijk mauwend naar binnen slijmde en die wij vanwege de kerstgedachte dan maar liefdevol in ons gezin opnamen, in de naïeve veronderstelling dat dat ook gezellig was voor de eenzame Spooky, maar die sindsdien de verhoudingen met haar stiefzus voortdurend op scherp weet te zetten.
Er is diep getreurd om Pluisje, een bij het afscheid van de grote stad van vrienden cadeau gekregen konijn dat een zeer voortijdige dood stierf, en daarna is er maandenlang fanatiek en luidkeels hoogroodaangelopen ruzie gemaakt wie de beurt had om het hok van het overgebleven konijn schoon te maken, totdat dat op ouderlijk initiatief een liefdevoller huis vond en zich daar tot een aanhankelijk knuffeldier bleek te ontpoppen. Een kant die het kreng, Japan heette het om niet meer te achterhalen redenen, bij ons bijzonder goed verborgen had weten te houden.
Wekenlang hebben mijn oudste zoon en ik met veel plezier aan een kippenhok staan timmeren en zagen omdat hij kippen ging houden. Drie stuks waren het. Ik zie hem nog de keuken binnen komen lopen met zijn eerste eitje, stralend en glimmend alsof ie het zelf gelegd had. Dat was een mooi moment. Verder hebben we weinig plezier gehad van de kippen want behalve dat ze zich niet zo gevoelig betoonden voor menselijke genegenheid vraten ze alles kapot wat ze voor de snavels kwam. Als omgekeerde 3D printers gingen ze de tuin door. En ook het schoonhouden van het hok werd een bron van hoogoplopende conflicten, zoals dat gaat. Onder zachte dwang vonden de kippen een ander onderkomen en we hebben nooit meer iets van ze vernomen.
Nu heeft mijn zoon bedacht dat hij parkietjes wil. Twee, want één is zielig. Al dagenlang gaan de verwachtingsvolle verhalen over tafel en voor elk mogelijk probleem heeft hij een pasklare oplossing bij de hand. Zelfs heeft hij voor het eerst in een decennium zijn kamer opgeruimd om keihard aan te tonen dat daar heus wel ruimte is voor een flinke kooi. Van het parkietje dat ik zelf ooit had kan ik me voornamelijk het aanhoudend en gekmakend gekrijs herinneren, maar ook daar heeft hij geen oren naar. Het is een verloren zaak. Maar goed, alles beter dan een hond.

maandag 4 april 2022

De eerstvolgende






Na een kort en efficiënt dagelijks rondje langs de schappen van de supermarkt kom ik bij een vrije kassa, met m’n karretje. Ongeveer tegelijk met twee andere karretjes. Omdat ik nou eenmaal van goede wil ben houd ik wat in, laat de concurrentie voor gaan en sluit achteraan aan in de korte rij die nu is ontstaan. Achter mij sluit even later nog iemand aan en hierdoor krijgt de rij de lengte waarbij in de meeste supermarkten een extra kassa wordt geopend. Zo ook hier, zo ook vandaag. Vanuit het niets verschijnt een nieuwe medewerker die de eerstvolgende op luide toon uitnodigt naar kassa acht te komen.
Normaalgesproken reageer ik niet op dergelijke oproepen omdat die niet zelden leiden tot situaties waar ik voor geen prijs in terecht wil komen. Het begrip ‘eerstvolgende’ blijkt vaak voor zeer ruime uitleg vatbaar waardoor er een verbeten wedstrijdje ontstaat wie er dan als eerste zijn boodschapjes op de nieuw geopende band mag leggen, en als man van goede wil sta je dan over het algemeen toch gewoon weer achteraan, al is het in een andere rij. En mensen, het gaat om minuten. Er razen pandemieën, hongersnoden en oorlogen over de wereld. Alsjeblieft zeg. Met je karretjes vol dagelijkse luxe..
Maar hier en nu kijkt de medewerker mij en ook mijn achterbuurvrouw nogal direct aan. Ik voel me aangesproken. Blijkbaar zijn wij de eerstvolgenden. Ik wissel voor de zekerheid nog een korte blik met mijn achterbuurvrouw, maar die is het ermee eens en ik maak al het eerste begin van een draai naar rechts, met mijn karretje, als de spreekwoordelijke derde partij aan komt wandelen. Een kekke bejaarde met een goeie kop grijs haar, een wuft, rood sjaaltje om zijn hals en zo’n vlot, gewatteerd jasje aan, die met joviale tred zijn kans schoon ziet, bij kassa acht. Ik draai meteen weer terug in mijn rij, voor zover ik er al uit was, want dit is dus precies de situatie waar ik voor geen prijs in terecht wil komen.
Zo makkelijk kom ik er echter niet vanaf, besluit de medewerker. Dat de mensen in de rij er al langer stonden, corrigeert zij de joviale meneer, en dat die dus eerst mogen. Weer valt haar blik op mij. De joviale meneer deinst terug en ik voel mij nu min of meer verplicht me bij kassa acht te vervoegen. Het zou onbeleefd zijn dat niet te doen. Wie weet hoeveel moeite het de medewerker heeft gekost voldoende moed en assertiviteit bij elkaar te schrapen om het hier voor mij op te nemen. Ik ken dat. Ik begrijp dat. Het is de assertiviteit waar ik zelf meestal voor pas.
Gehoorzaam verhuis ik van kassa en leg mijn boodschappen klaar op de band. De joviale meneer sluit achteraan aan in de rij.
Wat ben je streng, roept hij olijk naar de medewerker, die hij blijkbaar kent want hij noemt haar bij de voornaam.
Dat ze het eerlijk wil doen, bitst de medewerker vanachter de kassa, terwijl ze mijn boodschappen scant, omdat ze géén zin heeft in de discussie die ze anders krijgt. Met weer een korte blik op mij. Waardoor ik mij alsnog een vervelende zeikerd weet.

maandag 21 maart 2022

Het einde van de regenboog






Een paar weken geleden schreef ik een stukje over de regenboogstoep op het stationsplein van ons vriendelijke stadje op het platteland. Een boos stukje was het. Niet omdat ik bezwaar tegen een regenboogstoep zou hebben, al vind ik het niet per se mooi, en al helemaal niet omdat ik me niet zou kunnen vinden in waar die stoep voor staat. Integendeel, zou ik zeggen. Waar ik me boos over maakte, in mijn stukje maar ook daarbuiten, was het feit dat de regenboogstoep bijna geheel was ondergekliederd met dikke strepen zilverkleurige spuitbusverf. Er was behoorlijk werk van gemaakt want hoewel het een flinke regenboog was, was er maar een klein stukje ongemoeid gelaten, waarschijnlijk omdat de spuitbussen leeg waren. De regenboog was zo goed als uitgewist. En dat was de bedoeling geweest. Een daad van intolerantie. Kleinzielig homofoob vandalisme.
Precies het soort haatgedrag waartegen het stadsbestuur zich sterk zegt te maken, met de regenboogstoep. En ook langs die weg maakte ik mij boos want dit statement van solidariteit, dat wij als stad hebben willen maken, dit symbolisch hart onder de riem van onze lhbtiqa+ gemeenschap lag er nu al een flink aantal weken aldus gevandaliseerd bij. En zo lag er dus, ik citeer even mijn eigen stukje, al wekenlang een heel ander statement dan oorspronkelijk bedoeld aan ieders voeten, bij het verlaten van het station en het binnenlopen van ons vriendelijke stadje. Het statement namelijk dat we best een leuk regenboogstoepje willen verven, wanneer de tijdgeest daarom vraagt en we ons daarmee als moderne grote stad kunnen profileren, maar dat als aan die stoere stellingname gevolg moet worden gegeven, we niet thuis zijn.
Want waarom wordt die stoep niet dezelfde week nog opnieuw in de regenboogkleuren geschilderd? En de week erna desnoods nog een keer? En nog een keer? Net zo vaak als blijkbaar nodig. Principes kosten geld, zo is het nou eenmaal. Maar als we te beroerd en te krenterig zijn om ons warme solidariteits-statement vrij van homofobe smetten te houden, dan zijn onze principes niets waard. Dan is het niet meer dan modieuze, holle mooipraterij. Politieke scoringsdrift. PR. Stadsmarketing. Een loos, schijnheilig gebaar. En dat mogen wij ons best aanrekenen.
Ik plaatste mijn boze stukje op de socials, ik tagde daarin de gemeente, ik maakte via de website van het stadsbestuur langs officiële weg een officiële melding van vandalisme, met mijn boze stukje als toelichting in het daarvoor bestemde tekstvakje, en heb andere mensen aangespoord hetzelfde te doen. Tot nog toe heb ik daar geen reactie op gekregen, al is de melding van de site verdwenen.
Deze week, het was de dag van de gemeenteraadsverkiezingen, liep ik van het stembureau terug naar huis en kwam daarbij, het was niet helemaal toevallig, langs de regenboogstoep. Of het met de verkiezingen te maken heeft, wie zal het zeggen, dat het een gevolg is van mijn stukje zal ik zeker niet beweren, maar met een hogedrukreiniger of ander grof dan wel chemisch geweld was het zilverkleurig vandalisme grondig verwijderd, inclusief de gehele regenboog. Mijn vorige stukje eindigde ik met: als we het niet belangrijk genoeg vinden, haal het dan maar weer weg. En zo is het blijkbaar gegaan. De anonieme homofobe grote bek heeft gewonnen. Het einde van de regenboog.
Maar het is niet alsof die er nooit geweest is. Alle vierkante betonnen steentjes die er deel van hebben uitgemaakt zien er weer spiksplinternieuw en brandschoon uit. Door het kleurverschil met de rest van de stoep ligt er nu duidelijk zichtbaar een geheel uitgewiste regenboog. Een monument voor onze labbekakkerigheid.

Lees hier eventueel het eerste stukje over de regenboogstoep

Update: Inmiddels is bekend geworden dat de regenboogstoep op initiatief van een medestadsbewoner en betaald door een plaatselijk schildersbedrijf opnieuw zal worden geschilderd, met een betere antigraffiti-laag. Een mooi, sympathiek en positief gebaar. Het is fijn te weten dat dat ook nog bestaat.

dinsdag 8 maart 2022

Het wereldleed






Omdat het wild om zich heen grijpend wereldnieuws ons al sinds het ochtendblad bedrukte, waren wij ’s middags naar het strand gereden, in een poging de ellende wat van ons af te schudden. Het wereldleed even te vergeten. Het strand en de zee zijn daar meestal wel goed voor. De zon op je bol, de wind in je haar, de blik op de einder. Zo liepen we een rondje door de duinen en een eindje langs de branding, tot we het te koud kregen van de wind en maar weer eens op huis aan gingen. Ik zal niet zeggen dat het wereldleed vergeten was, je doet wat je kan. In elk geval was de stemming tijdelijk iets minder bedrukt.
Zeer tijdelijk.
Op een verder verlaten kruispunt met vrij uitzicht over een uitgestrekt polderlandschap werden wij over het hoofd gezien door een auto van links die, toen dat eenmaal duidelijk was, niet meer te ontwijken viel. Met veel geraas boorden wij ons in de rechterflank van wat inmiddels de tegenpartij heet en seconden later stonden beide auto’s zwaar beschadigd in de berm. Total loss, weten we inmiddels van ons eigen lieve autootje.
Waarna zich een overvloed aan gebeurtenissen ontrolde.
Uit de andere auto stapte een in paniek huilend en telefonerend meisje, dat nauwelijks vijf minuten later door haar moeder in de troostende armen werd gesloten. Een grote woede maakte zich in mij los. Een omwonende kwam nurks, met de handen in de zakken vertellen dat dit op deze kruising dus wel vaker voorkwam. Een passerende jongeman keerde zijn Alfa Romeo sportauto, parkeerde tussen de wrakken in de berm en verleende troost aan alle betrokkenen, zonder aanzien des persoons. Een brede, kale politieman met ‘hondenbegeleider’ op zijn rug arriveerde en interviewde iedereen op kalmerende en crisisbestendige toon. Mijn borstbeen, vier jaar na mijn operatie nog altijd een gevoelige plek, deed pijn door de klap van de gordel. Mijn vrouw huilde en werd getroost door de jongeman van de Alfa Romeo. De agent vond het beter, gezien mijn klacht en verleden, dat er een ambulance kwam. Een meneer met een camera maakte overal foto’s van. Dezelfde meneer waarschuwde dat de airbag zich alsnog kon openen, dat het verstandiger was wanneer ik de auto toch verliet. Ik wilde de auto niet verlaten. Ik verliet de auto, ik moest het portier ervoor open trappen. De agent zei dat het meisje het niet met opzet had gedaan. Dat niemand de deur uitgaat met het plan zijn auto in de prak te rijden. De ambulance kwam, met loeiende sirenes. Niemand had een schadeformulier. De moeder zei tegen het huilende meisje dat ze zich om de auto geen zorgen moest maken - het was de auto van de moeder - de verzekering zou het betalen. Ik was onverminderd boos. Ik moest de ambulance in. Mijn vrouw huilde weer even. De ambulancebroeder knoopte mijn overhemd open. Dat vond hij niet erg, zei hij. Er waren drie broeders. De sleepdienst werd gebeld. Ik werd onderzocht. Mijn vrouw had pijn aan haar pols, die bleek later gescheurd en zit nu in het gips. De sleepdienst arriveerde. De jongeman van de Alfa vroeg of we het verder zouden redden. Dat zouden we. De auto van links werd op de trailer gereden. We bedankten de jongeman met de Alfa. Onze auto werd met gaffertape bij elkaar geplakt en achter de trailer gehangen. De sleepdienst bracht ons naar huis. De chauffeur deed rijdend de administratie op zijn telefoon en hield niet op met praten. Weer thuis begon het grote appen en telefoneren. En het verzekeringscircus.
Dus ja, het wereldleed, dat waren we toen wel even vergeten. Al was dat ook maar weer tijdelijk.

vrijdag 4 maart 2022

Goed geregeld




Ik had een bus verf nodig. Beits eigenlijk. Blackwash, om precies te zijn. De bus in mijn werkplaats was zo goed als leeg, ik gebruik het dan ook graag. In de schappen van de bouwmarkt was het om één of andere reden niet meer te vinden. Vele gradaties wit en bruin, maar geen zwart. Wel antraciet, maar dat is een moeilijk woord voor grijs, en grijs is geen zwart. Laat staan black.
Toch wilde ik het hebben. Gelukkig leven we in moderne tijden, online bleek het nog wel te bestaan, al was het, volgens de site van de bouwmarkt, schaars. Snel plaatste ik één van de laatste bussen in mijn virtuele winkelwagentje, lichtte als gevraagd mijn doopceel, betaalde en de bus was van mij. Ideaal. Zodra ik hem af kon halen bij mijn bouwmarkt zou ik een berichtje krijgen, werd mij beloofd.
Dat berichtje was er met een halve dag, of nog sneller, waaruit ik de voorzichtige conclusie trok dat mijn bus niet van ver weg uit één of ander centraal magazijn had hoeven komen maar dat mijn eigen bouwmarkt de schappen gewoon niet zo nauwkeurig bijvult. Maar goed, mijn bus verf stond klaar.
Of ik de afhaalcode bij me had, vroeg het meisje achter de balie. Dat had ik niet. Niet uit recalcitrantie, wat best had gekund, maar omdat het me niet was opgevallen dat die erbij zat, bij het berichtje.
Op welke naam het stond en om welk artikel het ging, vroeg het meisje daarna. Vragen die ik wel kon beantwoorden en niet veel later stond het meisje achter de balie met mijn bus verf in haar handen. Aan de bus zat een gevouwen a4 geplakt waarop met grote viltstiftletters mijn naam stond geschreven en de geprinte informatie was hoogstwaarschijnlijk mijn doopceel, dat ik online dus niet helemaal voor niets had gelicht. Alles kwam goed.
Of ik de afhaalcode bij me had, vroeg het meisje toen naar de bekende weg.
Even viel er een stilte. Het was een korte maar ongemakkelijke stilte, beiden wachtten we op wat komen ging. Het meisje met mijn bus verf, ik met lege handen.
Dat ze het artikel helaas niet mee kon geven zonder de afhaalcode, moest het meisje mij tot haar spijt mededelen. Ook niet als ik, zoals ik praktisch aanbood, ter controle mijn id liet zien. Dat mijn naam in koeienletters op het papier stond maakte niet uit. Dat mijn volledig adres op het papier stond maakte ook niet uit. Dat ik al betaald had, dat ik immers precies wist wat ik kwam halen.. het meisje was onvermurwbaar. Het kon niet want het kon niet, dus het kon niet.
Toen ik een uurtje later zwijgend mijn afhaalcode aan hetzelfde meisje overhandigde, ging zij in de computer kijken om welk artikel het ging. En op welke naam het stond. Niet veel later overhandigde ze mij mijn bus verf. Beits, eigenlijk. Blackwash, om precies te zijn.

dinsdag 25 januari 2022

Een bescheiden zak geld







Zeker onze oudste zoon zit al een tijdje voorzichtig op de rand van het nest, op de uitkijk naar iets van hem zelf. Dat valt niet mee. Voor een jongen als onze oudste zoon – 23, gediplomeerd automonteur met een vast contract voor vijf dagen per week en wat inkomsten betreft dus normaalgesproken voorlopig even aan zijn bovengrens - zijn er geen huizen die hij kan betalen. Er zijn zelfs geen huizen die hij bijna kan betalen. Ook niet in het vriendelijke stadje in de provincie waar wij wonen. Ook niet in de wat onbeduidender dorpen eromheen. En voor sociale huurwoningen zijn er altijd ruim 150 wachtenden voor hem. Als het er niet meer zijn. Een jongen als onze oudste zoon, en daar zijn er beslist meer van dan enkel die van ons, kan alleen een huis kopen wanneer zijn ouders een zak geld op tafel weten te leggen. Tja.
Toch gingen we laatst weer een huisje bekijken, in het noorden van de regio. De vraagprijs was zodanig gesteld dat er met een bescheiden ouderlijke zak geld eventueel sprake zou kunnen zijn van een mogelijkheid. Hoewel de hysterisch overbiedende concurrentie natuurlijk spreekwoordelijk is, deze dagen. De slimme investeerder ligt overal op de loer, ook in het noorden van de regio.
Het was een klein, goed onderhouden rijtjeshuisje in een keurig straatje achteraf. We pasten net met zijn vieren in de voortuin. Daar stonden we, met onze zoon en zijn vriendin. We waren keurig op tijd, we hadden de mondkapjes vast voor gedaan, onze zoon drukte op de bel. De makelaar die de deur open deed had ook zijn mondkapje voor, zijn folders en mapjes in de aanslag. Hij overzag het gezelschap, met strenge blik, en oordeelde het te groot. Hij mocht er maar twee binnenlaten, sprak hij merkbaar ontstemd. En dat dat ook duidelijk in de uitnodiging had gestaan.
Goed, regels zijn nou eenmaal regels, dat snapten wij ook, dus wij deden bereidwillig een stapje terug. Wij zouden wel buiten wachten. Onze zoon stapte over de drempel van zijn eventueel toekomstig eigen nest, om zich door een chagrijnige makelaar te laten rondleiden, met zijn vriendin. Mijn vrouw probeerde zich door de ramen een oordeel te vormen van wat binnen te zien was, maar daar had ik al geen zin meer in. Monkelend liep ik het straatje uit, het hoekje om, om te kijken of ik aan de achterkant iets kon vinden om over te zeiken. Dat was niet zo maar dat kwam alleen omdat de achterkant geheel aan het oog werd onttrokken door een overdekt winkelcentrum dat pal tegen het rijtje woningen was aangebouwd.
Eenmaal weer terug in het voortuintje, waar mijn vrouw intussen het houten schuurtje had bezichtigd om te constateren dat daar met een beetje goede wil eventueel zijn motor in zou passen, stapte de makelaar weer even naar buiten. Hij ging met de jongelui naar de bovenverdieping, kondigde hij aan, dus misschien wilden wij dan toch de begane grond even bekijken. Door zijn mondkapje heen zagen wij zijn uitnodigende glimlach. De stemming was duidelijk omgeslagen. Waarschijnlijk had hij zich halverwege de keuken plotseling bedacht dat hij nu, potverdorie, natuurlijk de zak geld buiten op de stoep had laten staan.

woensdag 12 januari 2022

Et omnia vanitas






Als je in ons stadje de trein uitstapt en het station verlaat loop je al snel over de regenboog. Een flink stuk stoep richting centrum dat in de bekende regenboogkleuren is geschilderd. Het is een ronde stoep, waardoor de regenboog ook echt een boog wordt, dat is leuk bedacht. Verder vind ik het niet echt mooi, eerlijk gezegd. Sorry. Ik weet wel dat het bedoeld is als symbool van solidariteit met de lhbtiqa+ gemeenschap, een hart onder de riem, een signaal, een statement, dat is het probleem ook zeker niet, ik vind het gewoon niet zo mooi. Die lelijke ralstonkleuren over die betonnen steentjes.. tja.. Het heeft in elk geval niets van de subtiele, ijle schoonheid van een regenboog. Daar komen regenboogvlaggen een stuk beter bij in de buurt. Bovendien vind ik het een vreemd idee dat je dus met je modderpoten over een respectbetuiging gaat lopen. Weinig respectvol.
Maar goed, die stoep ligt er nu eenmaal en de gemeente, het stadsbestuur, wil daar mee zeggen: wij staan pal voor onze lhbtiqa+ mensen, kijk maar, je komt het station uit en je kunt er niet omheen, het statement ligt luid en duidelijk aan je voeten. Hartstikke mooi, zou je zeggen.
Maar nu is deze regenboog, dit statement, al wekenlang ondergespoten met dikke strepen zilverkleurige verf. En er is werk van gemaakt ook. Het was een flinke regenboog en er is maar een klein stukje ongemoeid gebleven, waarschijnlijk was de spuitbus leeg. Er is geen tekst gespoten, geen figuur of tag, er is geprobeerd de hele regenboog aan het zicht te onttrekken. Uit te wissen.
Dat is natuurlijk gedaan door een stel domgedronken en doorgesnoven boerenkinkels die tolerantie nog niet kunnen spellen als het ze wordt voorgezegd, die de woorden homo en flikker rijkelijk als scheldwoord gebruiken voor iedereen die ook maar het kleinste streepje afwijkt van hun onwrikbare middeleeuwse opvattingen over mannelijkheid, en die zó doodsbang zijn om daar zélf ook maar het kleinste streepje van af te wijken dat ze zich genoodzaakt voelen dit soort dingen te ondernemen. Baldadigheid, zullen sommigen het noemen. En we zijn toch allemaal jong geweest, zullen sommigen beweren. Maar over dat soort gemakzuchtige flauwekul-argumenten wil ik het niet eens hebben want dan ga ik schuimbekken.
Hoe je het ook wendt of keert, er ligt nu dus  al wekenlang een heel ander statement aan ieders voeten, bij het verlaten van het station en het binnenlopen van ons vriendelijke stadje. Het statement namelijk dat we best een leuk regenboogstoepje willen verven, wanneer de tijdgeest daarom vraagt en we ons daarmee als moderne grote stad kunnen profileren, maar dat als aan die moedige stellingname gevolg moet worden gegeven, we niet thuis zijn.
Als we al te beroerd en te krenterig zijn om onze regenboogstoep snel en adequaat van homofoob vandalisme te ontdoen, hoe staat het dan verder met de dappere principes?
Als we het niet belangrijk genoeg vinden, haal het dan maar weer weg. Mooi was het toch al niet.

dinsdag 4 januari 2022

Het klimaat






Het is niet groot, de plaats waar wij wonen. Als eeuwig voormalig randstedeling ben ik geneigd van een dorp te spreken, maar daar zijn ze hier niet van gediend. Er is een markt dus het is een stad. Zo is het altijd geweest, zo is het nog. En omdat we hier nou eenmaal wonen en het geen pas geeft neerbuigend te doen, hebben we het, als we het erover hebben, over een klein stadje. Waarom niet? Alles is relatief.
En er zit ook wel iets in, haast ik mij eraan toe te voegen, want behalve een markt zijn we van wel meer stedelijke gemakken voorzien. Een bioscoop, een bibliotheek, een theater en een filmhuis. Om maar eens wat te noemen. Een Hema, verschillende supermarkten, een overdekt winkelcentrum en een zeer uitgebreid assortiment horeca. Een station. Een rotonde en een stoplicht. En een lokale omroep.
Namens die lokale omroep nu, trekt een kleurrijk plaatselijk coryfee er wekelijks met camera en microfoon op uit om, toch weer op de markt, de stemming te peilen. Over het actueel thema van de week. Wat vindt u van de boerenacties? (Heel goed). Wat is de kleur van Piet? (Zwart!!). Moet het centrum autovrij? (Nee). Moet de Lidl er komen? (Ja). Heeft u de kerstboom al staan? (Ja).
Zo werd er enige tijd geleden dan gevraagd wat men thuis zelf deed om het klimaat te redden. Veel mensen probeerden wat minder vaak de auto te nemen. Probeerden een dagje geen vlees te eten. Wat korter te douchen. Het afval te scheiden. De verwarming wat lager. Iedereen was van goede wil, zullen we maar zeggen, net als overal waarschijnlijk, in de hoop dat het klimaat dan ook een beetje zijn best zou doen. Op één mevrouw na. Eén mevrouw antwoordde stellig en zonder denkpauze: niets. Want, zo meende zij, het klimaat redt zichzelf wel. Een stellingname die zelfs de nationale talkshows nog gehaald heeft, als internet-itempje. Die vonden dat waarschijnlijk wel een lekker authentiek provinciaalse oprisping.
In eerste instantie vond ik de uitspraak van deze mevrouw eerlijk gezegd ook getuigen van een ergerlijk onverschillige, egocentrische domheid. Dit was dus duidelijk zo iemand die geen zin had ook maar iets van haar rijke, comfortabele consumentenleventje op te geven voor zoiets ongrijpbaars als het klimaat. Of een klimaatcrisis. Iemand die vond dat wetenschap ook maar een mening was. Een mening die zij gemakshalve niet deelde. Linkse gekkigheid uit de Randstad.
Later drong het tot mij door dat de mevrouw natuurlijk gewoon gelijk had. Dat dat waarschijnlijk precies was wat het klimaat aan het doen was: zichzelf redden. Met vulkaanuitbarstingen, aardbevingen, bosbranden, hittegolven, overstromingen en pandemieën. Het immuunsysteem van het klimaat aan het werk om het woekerend gezwel dat mensheid heet uit te zweren. En geef het klimaat eens ongelijk. Want het blijft maar de vraag of de mevrouw het ook zo bedoelde.

vrijdag 24 december 2021

Nog favorieter dan hij al was






Het zijn de donkere dagen voor Kerst. Ik zeg het maar even, voor wie het ontgaan mocht zijn. De geplande gezelligheden rond Kerst en oud en nieuw zijn conform de regels afgeschaald. Om me maar eens ambtelijk uit te drukken. De kranten berichten onophoudelijk van een volk dat het nergens over eens is. Dat het nergens mee eens kan zijn. Van mensen op zoek naar de randen van de regels, de mazen in de wet voor eigen gebruik. De meningen hopen zich op, vaak torenhoog. Mijn zicht op nieuwe theaterplannen is door de lockdown ondertussen weer enigszins verduisterd. Het huis vult zich opnieuw met online les- en vergadergeluiden, de boosterprik zeurt al twee dagen na, kortom, de kerststemming zit erin. En klagen mag niet en klagen helpt niet want het is zoals het is. Zo is het ook nog eens een keer.
Een beetje duf en een beetje sip bedacht ik de dag dan maar af te sluiten met iets op Netflix. Maar ook dat is nog niet zo eenvoudig, als je er eigenlijk al niet zo voor in de stemming bent. Hoe te kiezen uit dit oerwoud van nietszeggende titels? Die in steeds wisselende volgordes onder steeds andere kopjes worden aangeboden. Alsof dat wat helpt. Na een paar minuten was ik er flauw van en kwam ik terecht bij het Uur Van De Wolf, op NPO plus. Een vertrouwd programma dat mij al vaker uit de brand heeft geholpen. De keuze viel op een documentaire van Joost Conijn over A L Snijders, één van mijn favoriete schrijvers, dit jaar nog zeer ten onrechte overleden. Ik had hem al eerder gezien, de film, maar durfde er wel op te vertrouwen dat ik me daar niet alles meer van zou herinneren. Ik word ook een dagje ouder. En zo was het. En zo ging het. Wat een heerlijke film! En wat een heerlijke man! Een man om van te houden. Bij de aftiteling was mijn humeur enorm opgeknapt en was hij nog favorieter dan hij al was.
Ik vond meteen ook dat ik wel weer eens een boek van hem kon kopen, als aanvulling op de collectie. Bij wijze van kerstgeschenk aan mijzelf. Het kon nog net. Het was half elf. 23 december. Had ik het nog precies voor de Kerst binnen.
Maar toen zag ik voor me hoe zo’n opgejutte loonslaaf in een enorme loods vlak voor sluitingstijd nog snel dat boek voor mij moest inpakken, midden in de nacht, omdat ik dat per se vóór kerst nog in huis wilde hebben. Hoe zo’n onderbetaalde pakjeskoerier de dag voor kerstnacht nog zwaar gestresst de weg naar mijn huis moest vinden, met een busje vol pakjes en dozen voor mensen als ik. En ik besloot het niet te doen. Ik vond het niet rijmen met de kerstgedachte.
Dus nu ben ik opnieuw begonnen in een boek dat ik al had. Ik vind het wel mooi van mezelf. 

maandag 13 december 2021

Voor zolang het duurt






Zelf ben ik direct na de middelbare school bij de eerste mogelijkheid die zich voordeed gillend het ouderlijk huis ontvlucht, om er na een paar jaar pappen en nathouden nooit meer terug te komen - mijn jongens, van 22 en 23 inmiddels, wonen nog altijd thuis. Niet helemaal meer onder papa’s vleugels natuurlijk, hoewel die nog wel steeds de voorraadkasten vult, hun was doet en hun potje kookt.
Gedeeltelijk heeft dat te maken met het feit dat er in dit rijke, welvarende land alleen nog in huisvesting voor rijke en welvarende mensen lijkt te zijn voorzien, omdat we bedacht hebben dat het een goed idee was de projektontwikkelaar, de durfinvesteerder en andere prinsbernhardachtigen hier de vrije hand te geven. Maar ik durf hier ook wel hardop te beweren dat mijn jongens het best nog gezellig vinden, zo bij papa en mama in het nest. En ja, papa en mama vinden dat - op een doodenkele uitzondering na - ook best nog gezellig. Inmiddels komen er ook vriendinnen over de vloer, die blijven eten, die blijven slapen, die ’s ochtends nog op de bank blijken te hangen.. zo af en toe wordt er bezoek ontvangen en wordt de benedenverdieping in bezit genomen door een handjevol gasten die stuk voor stuk ruim boven ons uittorenen, al hebben we ze nog als kleuter over de vloer gehad, en die naarmate de avond vordert luidruchtiger gesprekken voeren.. het is allemaal best.
Het is fijn om ze nog elke dag thuis te horen komen, van hun werk, van school of waar ook maar vandaan, hun verhalen te horen, hun jouw verhalen te vertellen, samen te eten, deel uit te maken van hun dagelijks leven. Het is fijn nog even een gezin te zijn.
Voor zolang dat nog duurt. Want heel even leek daar opeens verandering in te komen. De oudste meldde terloops dat hij volgende week een bezichtiging had. De jongste, die zich onlangs bij een antikraakburo had aangemeld, bleek ook al meteen een huis te zijn aangeboden. En ik weet het wel, zo hoort het te gaan, en het is goed zo, maar het was wel even slikken. Een leeg nest. Voor het eerst in 35 jaar - nog altijd meer dan de helft van mijn leven.
Nu bleek het piepkleine huisje dat mijn oudste bezichtigde een uitgebreide verzameling verborgen en niet verborgen gebreken, waar overigens ongetwijfeld evengoed wel weer twee ton op geboden zal worden, en besloot mijn jongste dat hij de aangeboden woning niet kon betalen, nu de coronamaatregelen zijn inkomen hadden gehalveerd, dus het gevaar is tijdelijk afgewend.
Je zult mij niet horen zeggen dat ik daar blij om ben, zoals gezegd: zo hoort het te gaan, maar van iets van opluchting was weldegelijk sprake. Al blijft het uitstel natuurlijk. Onvermijdelijk.

dinsdag 7 december 2021

Een routinegesprekje






Om de mantelzorg voor mijn hoogbejaarde schoonouders wat te vergemakkelijken waren er invalideparkeerkaarten voor hen aangevraagd, bij de gemeente. Zodat wie daarvoor de beurt had de auto bij de ingang van het ziekenhuis, de huisartsenpraktijk, het zwembad, de fysiotherapeut, het gemeentehuis.. op een invalidenparkeerplaats kon zetten. Zelf hebben mijn schoonouders, nog altijd tot hun eigen verontwaardiging maar ons aller opluchting, geen auto meer dus het moesten kaarten op naam worden. Niet op kenteken.
Natuurlijk en vanzelfsprekend worden die kaarten niet zomaar aan Jan en Alleman uitgedeeld, daar zou een controlegesprek aan voorafgaan. Met een onafhankelijk extern medisch bureau, dat van onze belastingcenten zou beoordelen of de situatie wel ernstig genoeg was om daar ons belastinggeld aan te besteden. Je kunt vrijwillig en zelfredzaam mantelzorgen wat je wilt, als eenvoudig burger die een beroep doet op een bestaande overheidsregeling ben je nou eenmaal een fraudeur tot het tegendeel uitputtend bewezen is. En omdat we in barre tijden leven zou dat gesprek via een videocall plaatshebben. Of we vanaf half drie maar klaar wilden zitten met een stabiele internetverbinding en alle ingevulde formulieren en id-kaarten bij de hand.
Dus daar zaten we, met een kopje thee en ieder een half mini-Brosreepje. Elke vijf minuten vroeg mijn schoonmoeder ongedurig opgeprikt wanneer de dokter nou kwam en ook mijn schoonvader had zijn nette jasje aangetrokken in de veronderstelling dat er een gestudeerd iemand op bezoek zou komen, al probeerde hij, toen hij het eenmaal doorhad, zo achteloos mogelijk net te doen alsof hij wel begrepen had dat het via de laptop zou gaan.
Even na drieën kwam er een vrouwenhoofd in beeld dat goedemiddag riep op een toon die ruimte liet voor de veronderstelling dat zij liever had gehad dat wij een half uur aan tafel naast de laptop op haar hadden gewacht. Nu moest er eerst zeer moeizaam uit een stoel worden opgestaan, een rollator gepakt en krakkemikkig naar de tafel gestommeld worden, en weer even moeizaam in een stoel neergezegen. Een strategie waarvan wij dachten dat die iedere discussie overbodig zou maken maar die dus als oneerbiedig werd opgevat. Mijn schoonmoeder vroeg paniekerig of zij er ook bij moest komen zitten maar het vrouwenhoofd schudde zich in digitale blokken uiteen en verordonneerde dat dát niet de bedoeling was. Dat het twee afzonderlijke dossiers waren. Twee afzonderlijke gesprekken ook. Dat mijn schoonmoeder maar even ergens anders moest wachten tot zij aan de beurt was. De toon was gezet.
En zaten mijn schoonvader en ik nog trouwhartig klaar voor een routinegesprekje over een duidelijke zaak, al snel bleek het een bars en langdurig politieverhoor, met ons in het verdachtenbankje. Hoe ver hij nog kon lopen, wilde het vrouwenhoofd wel eens weten, van mijn schoonvader. Hoeveel meter, exact? Hoe vaak hij dan wel epileptische aanvallen had? Hoeveel per maand, precies? Of hij wel per se begeleiding nodig had, als hij ergens werd afgezet? Of hij het niet alleen afkon? Of hij anders niet even tien minuutjes voor de deur op zijn rollator kon zitten wachten tot de auto elders was geparkeerd? Een wantrouwig salvo werd op mijn schoonvader afgevuurd. En waar die zich gedienstig verloor in breed uitwaaierende, zwalkende monologen die de gestelde vraag misschien wel als uitgangspunt hadden maar ook al gauw neigden naar een levensverhaal - mijn schoonvader is blij met elke gelegenheid zijn hart te kunnen luchten - werd hij ruw onderbroken met het gesnauwd bevel de vraag te beantwoorden. Hoeveel meter kon hij lopen? Hoeveel aanvallen had hij per maand?
Toen deze hardvochtige ondervraging ruim een half uur geduurd had, was de onafhankelijk medisch expert nog altijd niet op de toch voor de hand liggende gedachte gekomen dat zij wel eens in gesprek kon zijn met een 89 jarige man die het misschien niet allemaal meer even snel begreep. Die de goede woorden allicht niet allemaal meer meteen paraat had. Dat die schoonzoon er misschien ook niet helemaal voor niks naast zat.
Die schoonzoon zat trouwens vreselijk zijn best te doen zich niet met het gesprek te bemoeien, omdat hij zijn schoonvader in zijn waarde wilde laten maar vooral ook omdat hij niet van voorzeggen en voorgekookte antwoorden beschuldigd wilde worden, iets dat hem bij deze mevrouw niet onwaarschijnlijk leek. Zijn lichaamstaal, hij zag het zelf ook in het kleine schermpje van de videocall, was echter duidelijk genoeg en blijkbaar zag de mevrouw uiteindelijk ook dat hij op het punt stond haar aan haar haar door het scherm te trekken want plotseling, na een vruchteloze lijdensweg van 40 minuten, kreeg ik, de schoonzoon, het woord. Hoe ik de situatie zag.
Het erge is natuurlijk dat je dan beleefd moet blijven. Het erge is dan dat je, waar je schoonvader bij zit, hardop moet zeggen wat hij nog altijd niet wil horen. En dat je, als je je parkeerkaartjes wilt hebben, dus niet kunt zeggen wat een onsympathieke, niet empathische en onprofessionele domme trut je haar vindt.

vrijdag 3 december 2021

Acte de présence





Het is drie december vandaag. 2021. Op zich niet echt een bijzondere dag. Een tikkeltje lusteloos misschien, neigend naar chagrijn. Ook niks nieuws. Gewoon een natte, grijze dag in een natte, grijze week in een maand die daar speciaal voor lijkt te zijn uitgevonden. Net als ieder jaar. Het jaar zou je dan nog bijzonder kunnen noemen, met zijn mondkapjes en lockdowns en maatregelen, zijn discussies en meningentsunami, ware het niet dat we daar inmiddels ook al wel zo’n beetje aan gewend zijn geraakt. Dus. Een dag als alle andere.
Op één klein detail na. Het is vandaag precies twintig jaar geleden dat ik het eerste stukje op dit weblog plaatste. Dat ging ook over de herfst trouwens, kan ik mij herinneren, en de bijpassende gemengde gevoelens.
Ik schreef al wel eerder stukjes, onder de titel Huismannenpraatjes, die ik ook hier en daar op internet publiceerde, maar op zo’n weblog, had ik gezien, kon je soms ook al volstaan met een ultrakort bericht, wat het makkelijker maakte om iedere dag acte de présence te geven. Dat leek mij toen wel wat. En destijds was dat nog iets nieuws en moderns, een weblog. Ik zal niet zeggen dat ik de eerste was, verre van dat en zeer zeker niet, maar ik stond ook niet achteraan. Dat is nu wel anders. Ik zal niet zeggen dat ik de laatste ben, op het zinkend schip in de oceaan van podcasts, instastories, tiktok en twitter, maar een volhouder zou je me toch kunnen noemen.
En behalve een uitgebreid en gedetailleerd verslag van een gedenkwaardig dagelijks leven dat anders allicht in de vergetelheid was geraakt, waarvan je anders misschien maar zou zijn kwijtgeraakt hoe gedenkwaardig het allemaal was, heeft het me leuke en bijzondere dingen gebracht. Fotoreportages en interviews in verschillende damesbladen, op internet, een column op de lokale radio. Met de bijbehorende uitstapjes. Om maar eens wat te noemen.
Twintig jaar.
Ach ja. Dit weblog staat ook in een lange traditie van dagboekschrijverij, waar ik denk ik rond mijn veertiende mee begon en wat ik meer of minder fanatiek jarenlang heb volgehouden. Dozen vol. Daar tegen afgezet is twintig jaar ook maar weer minder dan de helft. Dus ja.. ik weet verder ook niet wat ik er eigenlijk over te melden heb. Maar onvermeld wilde ik het toch ook niet laten.

Mocht er, behalve ikzelf, iemand zijn die terug wil lezen in die twintig jaar: in de rechterkolom van de desktopversie kun je onder het kopje blogspotarchief per maand terug tot en met 2011. Onder het kopje de huisvaderarchieven zijn de eerste tien jaar tot 2001 terug te vinden. Voor dat laatste kun je ook hier klikken. 

vrijdag 26 november 2021

Zwartwandelen







Zo goed als iedere dinsdag bezoek ik mijn oude schoonouders, ’s middags, na hun dutje. Dan drinken we een kopje thee en nemen de gebeurtenissen van de week door. Gebeurtenissen die steeds kleiner worden. Die steeds meer op elkaar gaan lijken. Als het een beetje weer is, en dat is het eigenlijk altijd wel, maak ik daarna een wandelingetje met mijn schoonmoeder. Een al korter wordend wandelingetje. Mijn schoonvader is daar niet voor te porren. Die vindt het ook wel lekker om even een uurtje alleen te zijn, al moeten we ook weer niet heel veel langer wegblijven dan dat. Het luistert nauw.
Meestal rijden we naar hetzelfde stukje bos, waar we de ene keer linksaf en de andere keer rechtsaf naar het eind van het pad lopen en weer terug. Voor mijn schoonmoeder maakt dat niet uit, die verklaart iedere week even enthousiast hoe mooi ze het hier vindt en dat ze er al ze weet niet hoe lang niet meer is geweest. Voor haar wordt het nooit saai. En ach, mij maakt het ook niet veel uit voor dat uurtje, maar vandaag besluit ik toch eens ergens anders heen te rijden. Naar de duinen. Waar ze ook al ze weet niet hoe lang niet meer is geweest. Wel herinnert ze zich dat je er een toegangskaart voor nodig hebt. En dat ze die niet meer heeft. Het is jammer dat juist die informatie wel is blijven hangen want dat dreigt even roet in het eten te gooien. Ook het ontzag voor het gezag zit er nog diep in en zonder geldig toegangsbewijs durft mijn schoonmoeder eigenlijk niet naar binnen.
Ik heb niet zoveel zin, nu we eenmaal hier zijn uitgestapt, weer ergens anders heen te rijden dus ik sus dat het wel mee zal vallen, dat we maar een piepklein rondje maken en dat het wel heel sterk zou zijn dat we daar een boswachter bij tegen zouden komen. En dat die ons dan om toegangsbewijzen zou gaan vragen. En dat we ons dan altijd nog van de domme kunnen houden. Maar daar wil mijn schoonmoeder allemaal niks van weten. Ze heeft geen zin in een boete en je zult het altijd zien.
Ik besluit daarop dat we dagkaarten kopen, wat maakt het uit tenslotte, er staat een betaalzuil langs het pad, ik heb mijn pinpas al in de hand. Wanneer mijn schoonmoeder ziet dat ons wandelingetje dan vier euro gaat kosten, schiet haar dat pardoes in het verkeerde keelgat. Vier euro?! Voor zo’n klein pestwandelingetje? Dat vindt ze schofterig! Wat een oplichters. En zo kordaat als maar mogelijk wanneer je met een stok loopt, betreedt ze het verboden terrein.

Dit bericht werd ook gepubliceerd op De Vrije Wandeling, weblog van een wandelaar

maandag 22 november 2021

Iets prettig gemoedelijks







Wat je er gratis bij krijgt, op de volkstuin, is het sociale praatje. Het praatje over de heg. De spreekwoordelijke heg, want echte heggen zijn er niet veel, op het complex. Praatjes over het weer, de nattigheid, de droogte. De slakken, de rupsen, de hazen. De oogst, de anderen, de toestand in de wereld en waar het toch allemaal heen moet tegenwoordig. En dat komt misschien niet altijd helemaal uit, je hebt er misschien ook wel eens wat minder zin in, of tijd voor, maar het heeft ontegenzeggelijk ook iets prettig gemoedelijks en ik ben er dan ook meestal wel voor te porren.
Vandaag sta ik maar zo’n beetje onverrichterzake rond te kijken in mijn koninkrijkje. Vanwege de aanhoudende nattigheid en bezigheden buitenshuis ben ik een paar dagen niet geweest en ook vandaag is het te zompig om er echt iets te doen. In de verte zie ik echter wel een praatje aan komen lopen, in de vorm van een geheel uit vlekkerig roze opgetrokken oudere dame.
Wat een werk hè? roept ze me toe. Wat een werk. Ze gaat er eens goed voor staan en laat haar blik over mijn tuin glijden.
Tja, antwoord ik min of meer neutraal, ik vind het niet erg. En dat is ook zo. Je kunt het werk noemen, maar voor mij is dat de hele lol van een volkstuin: eindeloos volslagen zinloos bezig zijn aan iets dat nooit af is. Nooit af hoeft.
Ja, dat krijg je als je een paar maanden niet komt. Laat ze er op zalvende toon op volgen.
Wat mij betreft is dit gesprek nu al ontspoord maar volautomatisch schiet ik lafhartig in de verdediging.
Nou, een paar máánden, sputter ik wat bokkig tegen, hopend dat ze mijn onwil opmerkt en doorloopt, hoofdschuddend en afkeurende geluiden makend desnoods, maar dat doet ze natuurlijk niet.
Oh.. nog lánger.. een jáár. De toon is zo mogelijk nog zalvender. Het grote gelijk vergezeld van een omineuze glimlach. Ik ken die toon. Ik ken die glimlach. Ik ben acht jaar oud. Dit is mijn moeder. Ik jok dat ik geen koekje heb gepikt, maar de kruimels op mijn trui verraden me.
Ik zie een grote bende. Eén grote bende. Een wildernis. Komt ze bestraffend op stoom. Je moet spitten. Van vóór naar achter spitten. Dat is de enige manier om van al die troep af te komen. Spitten!
Een tikje confuus, misschien zelfs wel bedremmeld kijk ik om me heen. Mijn tuin. Ik wil helemaal niet spitten. En al helemaal niet van voor naar achter. Ik wil helemaal niet van al die troep af. Ik vind het leuk, die troep. Maar de roze mevrouw duldt geen tegenspraak, ze oreert nog minutenlang door. Ik vind het allang geen leuk praatje meer, hier is niets gemoedelijks aan. Toch doe ik niets anders dan beleefd de lieve vrede bewaren. Ontwijkende antwoorden geven. Nergens tegenin gaan. Ik vraag me af waarom. Want als ze uiteindelijk doorloopt, nogmaals roepend dat ik moet spitten, haar vinger priemend in de lucht, begint het bekende gezeur. Over wat ik allemaal had kunnen zeggen. Had willen zeggen. Had moeten zeggen.

dinsdag 16 november 2021

Koperwieken







Het was zomaar even mooi weer en zaterdagmiddag tegelijk, wij trokken eropuit voor een wandeling door de duinen. En langs het strand, want zó mooi was het weer. Je moet je kansen grijpen als ze zich voordoen, zeker in onzekere tijden als de onze. Rustig was het niet per se, maar zeker ook niet druk. De lockdown light die gisteren werd afgekondigd had nog niet meteen tot een nieuwe wandelhype geleid. Gelukkig, zou ik bijna zeggen, want ik heb het rijk graag alleen, elitair als ik ben. Vandaag deelden we het rijk met wat hondenuitlaters, een handjevol wandelaars en een enkel jong gezin.
We liepen door een redelijk sobere duinvallei, met overwegend helmgras en hier en daar een kale stuifplek, die door een grillige heuvelachtigheid en de voluptueuze wolkenluchten erboven toch haar charme had. In de hellingwanden ontwaarden we de nodige konijnenholen en hoewel we de konijnen zelf niet zagen, verraadden de karakteristieke keutels langs het pad dat ze er weldegelijk zaten.
Van ons favoriete tv programma Vroege Vogels, dat we deze maanden vanaf de allereerste aflevering in 2007 zitten terug te kijken, weten we dat dit gebied dus geschikt is voor tapuiten. Die maken gebruik van de konijnenholen, hebben wij geleerd. Jammer genoeg zouden we op dit moment geen van tweeën meer uit ons hoofd weten hoe een tapuit eruitziet, je kunt niet alles onthouden. Natuurlijk zouden we dat dan meteen even hebben kunnen opzoeken op onze telefoontjes maar dat leek niet zo nodig aangezien we de hele wandeling alleen maar vogels zagen waarvan we heel zeker wisten dat het geen tapuiten waren. Meeuwen, spreeuwen, eenden. Kraaien, duiven, merels. En een drieteenstrandloper. En ach, ook zonder tapuiten kun je een leuke middag hebben.
Toch waren we alsnog bijzonder in ons schik toen we vlakbij de parkeerplaats plotseling wel twee vogels buiten ons boekje zagen scharrelen. Koperwieken, meende ik op de gok, vanwege het roestbruine veegje onder de vleugels. En verdomd, het ter plekke geraadpleegd alwetend internet gaf ons gelijk. Wonderlijk dat je daar zó innig tevreden mee kunt zijn. Wonderlijk, maar ook fijn. Ik gun het iedereen.