zaterdag 19 juni 2021

Inzicht




Ik durf het hier nauwelijks op te schrijven, daar begint het al mee. Maar het komt de laatste tijd dus wel eens voor dat mensen, medetuiniers, aan mijn tuin staan en zich daar dan positief over uitlaten. Dat ze mijn zelfgebouwde huisje zo leuk vinden worden en dat mijn tuin er zo aardig bij ligt, met die boompjes en die kunstwerkjes en al die verschillende verhoogde bakken. Speels. Leuk. Eigen.
Ik pruttel dan volautomatisch verontschuldigend dat ik er dus geen enkel verstand van heb. Dat ik er niks van weet, dat ik maar wat aanrommel. Wel kijk wat het wordt. Niks bijzonders.
En dat viel mij opeens op, dat ik dat deed. Volautomatisch. Verontschuldigend. Vooral verontschuldigend. En nu ik er bij nadenk doe ik dat wel vaker. Veel vaker, eigenlijk. Wat ik ook doe, wat ik ook maak, wat ik ook schrijf, fotografeer of verbouw.. ik heb er nooit echt verstand van. Ik rommel altijd maar wat aan, kijk altijd wel wat het wordt en niks bijzonders. Pruttelpruttelpruttel.
Het leek mij wel iets van een inzicht. Maar ja.. wie ben ik?

woensdag 16 juni 2021

Zaag




Ik sta latten te zagen in de tuin. Met een handzaag die ik nog van mijn opa heb gekregen, toen ik aan mijn eerste verbouwing begon. Veertig jaar geleden, moet dat zijn. Tenminste, dat vertel ik er wel eens over, aan mijn zonen, of mijn vrouw. Of mijzelf.
Mijn opa is al heel lang dood, ik weet niet zo gauw hoe lang al, maar daarom ben ik gehecht aan de zaag, want elke keer als ik hem in handen heb, denk ik aan mijn opa. Het is een lekker zaagje ook. Kort en fel. Grofgebekt. Het zou natuurlijk leuk zijn hier te kunnen zeggen: net als mijn opa, maar dat zou niet waar zijn. Mijn opa was een rijzige gestalte en verder een keurige, bedaagde zelfs wat saaie man. Hoe dan ook, de zaag is al heel oud.
Al herinner ik me nu ook dat ik er niet eens zo lang geleden nog een prijsstickertje op heb zien zitten. Een groen. Neongroen. Of de prijs die het vermeldde in guldens was weet ik niet meer, maar ik begin opeens wel te twijfelen of er veertig jaar geleden al neongroene prijsstickertjes waren. Maar vooral of zo’n stickertje er dan zó lang zó neongroen op zou hebben kunnen zitten.
Misschien is mijn verhaal dus wel helemaal niet waar. Maar dat kan me eigenlijk niet schelen. Ik ben niet alleen aan de zaag, maar ook aan het verhaal gehecht.

maandag 14 juni 2021

Eksters




Over eksters worden vaak lelijke dingen gezegd, geschreven en gedacht. Dat ze brutaal zijn bijvoorbeeld. Schreeuwerig, of ordinair. Dat het gemene nestenrovers zijn, die harteloos de kuikentjes van andere vogels vermoorden en opeten.
Tja. Maar ja. En wij dan? Ben ik geneigd te denken. Wij laten honderdduizenden biggen, kalveren en kippen opgroeien, in barre, soms brandgevaarlijke duisternis, tegen zo laag mogelijke kosten, met geen ander doel dan ze buiten ons gezichtsveld af te laten slachten en daarna in onherkenbare stukjes op te eten. Een ekster gaat tenminste nog zelf op jacht. Loopt nog het risico op tegenstand en mislukking. Of om zelf het haasje te zijn, als ie een nog grotere vogel tegenkomt.
Toch ben ik zelf ook niet vrij van vooroordelen, zal ik maar eerlijk bekennen. Als ik op de tuin een enorm gekrakeel hoor, in het verderop gelegen bosje, van gillende vogels, krakende takken en bladeren en luid krijsende eksters, denk ik in eerste instantie ook dat die piraten wel een nest aan het leegroven zullen zijn. Elkaar bovendien nog de boom uitvechten voor het laatste mezenkuiken. Maar als ik dichterbij loop om poolshoogte te nemen en eventueel te redden wat er te redden valt, zie ik dat het anders zit. Halverwege een boom zit een huiskat, over nestenrovers gesproken, met een keurig halsbandje om, die het hier blijkbaar op het nest van een ekster heeft voorzien. En die nu een grote overmacht van woedende eksters tegenover zich ziet, het zijn er inmiddels minstens acht of negen. Schreeuwend en scheldend vallen ze de jager onverschrokken aan. De kat ziet zich gedwongen de aftocht te blazen en doet dat zoals alleen katten dat kunnen, onverminderd arrogant.
De eksters blijven nog een tijdje verontwaardigd nabespreken en verdwijnen dan geleidelijk. Allemaal in verschillende richtingen. Denkelijk naar hun eigen verderop gelegen nesten. Wat dus aanleiding geeft te veronderstellen dat die beesten elkaar te hulp zijn geschoten, van heinde en verre. Dat er een noodsignaal is uitgezonden, en gehoord. Dat er sprake is van communicatie, solidariteit en sociale samenhang. We mogen god wel op onze blote knietjes danken dat daar bij varkens, koeien en kippen geen sprake van lijkt te zijn.

woensdag 9 juni 2021

Scheef




Op mijn tuin bouw ik een huisje. Ik ben er al lang aan bezig, niettemin wordt het schots en scheef. Erg vind ik dat niet. Ik probeer het perfectionisme los te laten, zeg ik tegen wie er over begint. Meestal ben ik dat trouwens zelf, die er over begint. Gewoontegetrouw haast ik mij de zeer gewaardeerde belangstellende op alle ongerechtigheden te wijzen. Dat het schots en scheef is dus, onder meer.
Met plankjes en latjes en decoratieve foefjes werk ik alles zo af dat het lijkt alsof het allemaal toch echt zo is bedoeld. Dat het een kunstzinnig, vrijgevochten huisje wordt.
Vandaag werkte ik er ook weer aan. Ik zette een laatste raam in de voorkant, twee ramen in de zijkant. Het wordt een huisje dat voornamelijk uit ramen bestaat. Aan de straat gevonden ramen, zelfgemaakte ramen met kringloopglas en ramen die ik al jaren met me meesleep. Ze zijn allemaal van een ander formaat en ik puzzel het associatief, zoals het uitkomt in elkaar. Als iets ergens precies, of bijna precies onder of boven of tussen past, dan hoort het daar. Dan moet het zo zijn. Dat is een beetje mijn werkwijze.
Boven de twee ramen die ik in de zijkant zette paste vandaag nog precies een glas en lood raam dat ik jaren geleden van mijn Haagse vriend kreeg. Dat deed mij deugd want nu had dat raam ook een plekje gevonden en zo werd ik op de tuin ook steeds aan onze vriendschap herinnerd. Dat zijn dingen waar ik van houd.
Als ik aan het eind van de middag mijn werk eens sta te bekijken vind ik het wel een beetje erg scheef. Het zal niet makkelijk zijn deze kieren op een logische manier weg te werken. Ik zie ook meteen hoe ik het anders had kunnen doen. Beter. En ik zie dat ik die twee eerste ramen eigenlijk liever omgedraaid zou willen hebben, de witte onder, de bruine in het midden. Het glas in lood raam is ook wit dus nu zitten er twee witte ramen vlak boven elkaar, wat ik minder mooi vind.
Ik besluit dat het onzin is, dat het niks uitmaakt en dat ik het perfectionisme immers los had gelaten, bij dit projekt, opdat het ooit een keer afkwam.
Toch kom ik een tikkeltje chagrijnig thuis. Een chagrijn dat de hele avond blijft hangen. Ik weet niet precies waar ik nou de pest over in heb. Over die scheve ramen, of over dat ik nú al weet dat ik het van de week waarschijnlijk toch gewoon allemaal overnieuw ga doen.

Voor wie het leuk vind: onlangs werd ik geïnterviewd voor de volkstuinpodcast en die is hier te beluisteren

De foto bij dit bericht werd genomen door Monique de Leeuw

maandag 7 juni 2021

Mondkapje

Met aan elke hand een volle boodschappentas kom ik de supermarkt uit, mijn mondkapje nog voor. Dat doe ik bij de fiets pas af, als ik de tassen heb neergezet en ik mijn handen vrij heb. Ik zou het ook al af kunnen doen voordat ik de tassen de boodschappenkar uit til, dan heb ik mijn handen ook vrij, maar dan ben ik officieel nog binnen en ik wil zo min mogelijk recalcitrant zijn, in dezen.
Een oudere mevrouw die net van haar fiets is afgestapt, het is een moeilijke fiets met drie wielen en een mand achterop, ziet mij aankomen en blijft staan. Ik zie haar dralen, op haar vestzakken kloppen, ik hoor haar iets ouderwets als ‘oh jeetje’ mompelen en begrijp dat ze geen mondkapje mee heeft. Omdat ik nu ook blijf staan spreekt ze me aan. En zegt dat ze geen mondkapje mee heeft. Nu kan ze niet naar binnen om haar boodschappen te doen, zie ik haar denken. Ze kijkt om naar haar moeilijke fiets. Aarzelt. Moet ze nou weer helemaal terug naar huis, zie ik de moed haar in de schoenen zinken.
In mijn binnenzak heb ik een extra mondkapje, weet ik. Check ik. En ik dacht niet dat ik het gebruikt had, het is namelijk een geheel witte en die vind ik niet mooi. Ik heb liever een wit-blauwe of een zwarte. Ik weet ook niet waarom ik de witte dan bij me heb, maar het is zo.
Ik bied de mevrouw mijn extra mondkapje aan, met de aantekening dat ik het niet gebruikt heb. Het is een spontaan gebaar. Een opwelling. Terwijl ik het doe bedenk ik al dat het misschien niet handig is. Dat ik zelf nooit van mijn eigen gebaar gebruik zou maken. Maar de mevrouw neemt het opgelucht aan en doet het zonder aarzelen voor waardoor ik moeilijk terug kan. Ze verontschuldigt zich nog dat ze het mij wel niet terug zal kunnen geven, omdat ik nu immers naar huis ga. Waarop ik dan maar zeg dat ik dat niet erg vind, dat ik er genoeg heb, en we nemen afscheid.
Later pas bedenk ik dat bij de ingang van de supermarkt altijd een hele doos mondkapjes klaar staat, voor wie er geen heeft. Dat dat natuurlijk een veel betere oplossing was geweest. Het blijft me een tijdje dwarszitten, maar ik denk niet dat dat bij de mevrouw ook zo is.

donderdag 3 juni 2021

Hom






Ik ben in Den Haag. En heb tussen twee afspraken door wat vrije tijd ingepland omdat ik het altijd leuk vind om op mijn eentje een beetje door mijn oude stad te struinen. Alsof ik er nog woon. Hoewel ik daarbij steeds vaker tot dezelfde conclusie kom als Harrie Jekkers: Den Haag is door de jaren zó veranderd.
Vandaag loop ik door één van mijn oude buurtjes waar ik als huisman domweg gelukkig liep te zijn in de Fahrenheitstraat, met een deeltijdpuber, een peuter en een kleuter. De straat is geheel opnieuw ingericht sinds de laatste keer. Het asfalt vervangen door klinkers, de stoepen breder, de terrassen groter. Het zal gezelliger zijn.
Ik eet een ijsje bij de ijsbakker, zoals we die altijd zijn blijven noemen, waar ook niets meer hetzelfde is, behalve de naam. Achter de vitrine staan niet meer de twee melige Italiaanse mannen van weleer, maar een splinternieuw meisje. Het is een leuk meisje, daar niet van, maar het is anders. En mijn nostalgisch verhaal kan ik niet bij haar kwijt.
Iets verderop staat nog de viskraam, een strak vormgegeven tiny fishshop, zou je kunnen zeggen. Dat  was altijd een bestelauto met een groot raam in de zijwand waarvan het opengeklapte luik dan als afdak diende. Als ie er stond ging ik er vaak een bokkinkie halen met mijn jongste zoon, die dat toen lekker vond. Ik liet hem dat dan zelf bestellen en dan vroeg de man achter de toonbank of het hom of kuit moest zijn. Mijn zoon van twee antwoordde dan altijd trefzeker: hom, want dat vond hij het lekkerst. Dat verbaasde de visman telkens weer. Vandaag staat dezelfde man nog altijd achter de toonbank. Maar als ik hem dit allemaal uitgebreid vertel, terwijl hij mijn haring schoonmaakt, weet hij dat niet meer.

Dit stukje kwam ik handgeschreven tegen in een opschrijfboekje dat ik soms met mij meedraag om aantekeningen te maken. Ik heb dan een periode waarin ik vind dat ik dat moet doen. Dat ik stukjes moet schrijven. Dat ik dat leuk vind. Omdat ik nu ook zo’n bui heb sloeg ik het vandaag weer eens open en kwam het tegen. Het speelde zich ongeveer een jaar geleden af, in juli. Niemand droeg nog mondkapjes, alles was open. Al was dat laatste al wel anders geweest.

Het schilderij dat bij dit stukje staat afgebeeld is van Jaap Min.

zondag 16 mei 2021

Hé en ho! En ksst!




Met mijn Haagse vriendin wandelde ik door de Amsterdamse waterleidingduinen. Dat was een soort van primeur. Niet vanwege het wandelen want dat doe ik vaker. Ook niet vanwege de waterleidingduinen want daar was ik eerder, en ook niet vanwege de vriendin want die gaat al een leven mee. Nee, het zat ‘m in de combinatie. Zij houdt namelijk niet van wandelen. En zij is meer een stadsmens.
Normaalgesproken nemen wij elkaars leven met enige regelmaat door aan restauranttafels, op terrassen en in nachtelijke kroegen, eventueel voorafgegaan door bioscoop- of theaterbezoek. Nu daar tot nader order de klad in is gekomen en we de digitale alternatieven toch duidelijk minder leuk vinden besloot mijn vriendin, zoals velen met haar deze maanden, het wandelen dan toch maar te omarmen. Zodoende trokken wij er op een frisse, niet al te mooie dag op uit, met een goedgevulde knapzak, om het leven te bespreken. Dwars door de natuur.
Toen het tegen het middaguur tijd werd voor een pauze zochten wij ons een omgevallen boom langs het pad en stalden de inhoud van de goedgevulde knapzak voor ons uit op de grond. Wat hadden we allemaal niet bij ons. Krentenbollen, koffie, appelsap, handgemaakte sandwiches, zoute stengels, olijven, droge worst, gevulde koeken, ongezonde gezonde repen.. genoeg voor wel drie pauzes. Wie heeft het nog over terrassen?
Ons aldus opmakend voor het aangenaam verpozen meende ik vanuit mijn ooghoek iets te zien bewegen in de achtergrond. Niet iets donkers en iets talrijks, zoals in het lied van Drs P, maar toen ik eenmaal omkeek kwam het een beetje in de buurt want de eerste gedachte die pijlsnel héél even door me heen schoot was: dit ís toch wel een vos? Maar ja hoor, gelukkig, het was een vos.
Een vos! Man! Vossen heb ik tot nog toe alleen maar heel uit de verte in tegenovergestelde richting weg zien rennen, een doodenkele keer bovendien, maar deze stond ons vlakbij een beetje te peilen, met z’n sluwe oogjes. Misschien was ie net zo verrast als wij.
Je moet je héél voorzichtig omdraaien, fluisterde ik mijn vrolijk doorkletsende vriendin toe, héél zachtjes. Misschien hield ik zelfs mijn vinger wel voor mijn lippen, dat zou kunnen, dat weet ik eerlijk gezegd niet meer. Ik was bang dat de vos zich bij een verkeerde beweging uit de voeten zou maken vóór mijn vriendin hem goed gezien had, dat zou jammer zijn geweest.
De vos was echter helemaal niet van plan zich uit de voeten te maken bleek al snel, die kwam juist dichterbij. Helemaal spannend werd het toen hij aan de regenbroek, waar mijn vriendin op was gaan zitten, op de natte boomstam, begon te trekken. En maar nauwelijks onder de indruk was van onze natuurlijke reactie van hé en ho en af! En ksst! Met een kalm boogje liep de vos om onze boomstam heen en bleef toen indringend naar de uitgestalde inhoud van onze knapzak staan kijken. Steeds een klein stapje dichterbij, oogcontact zorgvuldig vermijdend, de blik strak op de etenswaar gericht. Het was duidelijk wat de bedoeling was, de vraag was hoe we daar mee om zouden gaan. We waren niet van plan de vos te gaan voeren uiteraard, we wilden niet meewerken aan de verpatatting van de natuur, nee.. maar we begonnen ons wel een beetje zorgen te maken over hoe de vos daar dan weer mee om zou gaan.
Vallen die beesten je aan, vroeg mijn vriendin bijvoorbeeld zenuwachtig. Waarop ik, als plattelandsmens, zo stellig mogelijk meende van niet maar die wijsheid was niet op kennis gebaseerd, ik had geen idee. En een vos is best groot, eigenlijk, als je zelf ongemakkelijk op een boomstam zit.
Zo zou het zeker geen ontspannen oponthoud worden dus hoe bijzonder de ontmoeting met de wilde natuur ook was, de vos moest weg. En het is vreselijk rolbevestigend natuurlijk, waarvoor bij dezen mijn welgemeende excuses, maar ik ging dat dan proberen voor elkaar te krijgen, als man. Ik wapperde wat met een rode plastic zak, ik zwaaide met mijn armen en sprak de vos gebiedend toe. Toen ik ten slotte opstond en de vos met imponerend gespreide armen wilde verdrijven liep hij inderdaad een tiental meters voor mij uit maar vóór ik terug was op onze boomstam stond de vos alweer naar de zoute stengels te loeren.
Tja. Er zat duidelijk maar één ding op, de natuur moest zijn loop hebben. Wij pakten onze krentenbollen en zoute stengels weer in, haastiger dan strikt noodzakelijk, en kozen het mensenpad, hopend dat de vos ons niet de rest van de dag zou blijven volgen. Wat niet gebeurde. De vos snuffelde nog wat rond bij onze boomstam, in de hoop dat er wat kruimels van de zoute stengels waren blijven liggen, en vertrok toen nuffig in tegenovergestelde richting.
Later werd ons van diverse zijden meewarig medegedeeld dat ‘die vossen in de waterleidingduinen inmiddels een soort schoothondjes zijn geworden’. Goed, dat mag dan misschien zo zijn, aan onze authentieke ervaring verandert dat helemaal niks.

maandag 10 mei 2021

Kauwtjes en eksters




Mijn dochter heeft haar kinderen geleerd om grote vogels uit de tuin te jagen. Kauwtjes en eksters zijn er niet welkom. De voederstations, zoals die dingen tegenwoordig heten, zijn er alleen voor de kleine vogeltjes. Musjes en meesjes. Roodborstjes. Vertoont zich toch een grote vogel dan wordt er driftig met armen gezwaaid en op ramen gebonkt en in uiterste nood zelfs een deur geopend. Ik heb dat steeds bezien met de welwillendheid waarmee je je kinderen en kleinkinderen natuurlijk altijd beziet, maar ik vond het ook een klein beetje onzin. Kauwtjes en eksters zijn ook vogels, tenslotte. Die doen ook maar wat ze door de natuur is opgedragen.
Kauwtjes en eksters hebben ook lieve kuikentjes die willen eten, probeerde ik weleens een lans voor ze te breken, maar mijn dochter bleef daar onverbiddelijk onder, evenals mijn kleinkinderen.
Nu wordt de laatste dagen onze eigen achtertuin plotseling nogal druk bezocht door een groep kauwtjes en eksters. In eerste instantie vond ik het nog wel geestig om te zien wat een klungelige capriolen ze uithaalden om toch, fladderend en flapperend, in dat pindakaaspotje te raken, met dat te grote lijf. Grappig ook dat ze daar dus steeds behendiger in werden. Vermakelijk hoe ze elkaar omstandig de tent uit vochten.
Maar vandaag vind ik ze opeens wel erg onbeschaafd en ordinair alles voor zichzelf opeisen. Zonder enige gêne worden hoeveelheden naar binnen gesnaveld waar een koolmees zijn hele gezin een maandlang van kan voeden. Maar als de koolmees zich ook vertoont voor een hapje wordt hij luidruchtig verjaagd, door zo’n bullebak.
Dus nu denk ik dat mijn dochter gelijk heeft. Ik weet het misschien wel zeker. Ook dat gegeven bezie ik met welwillendheid, zo gaan die dingen nou eenmaal.
Het wordt trouwens tijd de voederstations weer op te heffen, er is genoeg te eten in de natuur.

woensdag 5 mei 2021

Zakdoek





Mijn schoonmoeder heeft de leeftijd, zullen we maar zeggen, dat een verhaal wel eens meer dan eens langskomt. Ze vergeet dat ze het al verteld heeft en vertelt het telkens opnieuw met steeds hetzelfde enthousiasme, waardoor het verhaal ook gerust wel eens meer dan eens tot zijn recht komt.
Zo vertelde ze de laatste tijd vaak over haar oranje zakdoekje, dat ze dan ook meteen, gewassen en gestreken, tevoorschijn trok. Ze had het zakdoekje van haar moeder gekregen, zo luidt haar verhaal, aan het eind van de oorlog, op Bevrijdingsdag, om ermee naar de Canadezen te zwaaien. Sindsdien had ze het bewaard en blijkbaar was ze weer begonnen het bij zich te dragen. Eigenlijk, zo besloot ze haar verhaal de laatste keer, zou het ingelijst moeten worden. Of ik dat niet voor haar wilde doen, ik was tenslotte de kunstenaar.
Ik maakte dus een lijst om het zakdoekje, van een mooi glimmend stukje hout dat van zichzelf al naar oranje neigde. Onder het zakdoekje schreef ik haar naam, de datum van de dag waarop ze ermee gezwaaid had en dat ze het van haar moeder had gekregen. Ik was er wel tevreden over.
Vandaag leek me de gepaste dag het aan haar te geven, 76 jaar later tenslotte. Verrast nam ze het cadeau in ontvangst. Mooi, vond ze het. Maar een plekje in de kamer leek haar niet nodig. Ze had niet zoveel zin om de hele tijd naar een snotlap te kijken.

zaterdag 1 mei 2021

Zwaaien



Met mijn schoonzus wandelde ik in Friesland vandaag. Fryslân. We lopen al een tijdje het Grootfrieslandpad, vandaar. Een groot gedeelte van de route gaat daarbij over onverharde paden, grasdijken, boerenwegen, waar je zelfs in coronatijd wandeltijd niet veel mensen tegenkomt, laat staan verkeer. Soms loop je ook een stukje langs de weg. Dat is minder leuk maar dat kan dan niet anders, nemen we maar aan.
Dit stukje liepen we ook op een fietspad langs een wat drukkere weg. Het was op weg naar Akkrum. Er reed ons een blauw bestelautootje met aanhanger tegemoet, een Berlingo was het geloof ik, die ons pas opviel toen er overdreven getoeterd werd en zowel de bestuurder als de bijrijdster enthousiast naar ons zwaaiden. Nu ken ik niemand in Akkrum maar gewoontegetrouw zwaaide ik meteen enthousiast terug want blijmoedige positiviteit moet je zoveel mogelijk aanmoedigen vind ik, zeker in deze barre tijden, maar ook omdat ik meestal wat traag ben met het herkennen van degene die zwaait en ik dan te laat ben om nog terug te zwaaien, wat niet sympathiek is. Zo heb ik al wat afgezwaaid naar onherkenden en onbekenden en altijd welgemeend.
Nu was ik er echter vlot bij want ik herkende mijn vriend Edwin, al had ik geen idee wat die in Akkrum zou doen, met een aanhanger ook nog.
Tot ik besefte dat die helemaal niet zo’n blauwe Berlingo heeft. En op het laatste moment zag en wist dat het Edwin helemaal niet was. Ik zwaaide toch weer naar een onbekende. Die inmiddels uit beeld was gereden. En zich nu ook zat te realiseren dat ik zijn Edwin helemaal niet was.

vrijdag 30 april 2021

Stoplicht op groen






Het toeval bracht ons in Almelo. We hadden een paar heerlijke dagen in Twente achter de kiezen, met bezoek aan oude vrienden en fikse, zonovergoten wandelingen. We hadden een bezoekje aan de kinderen en kleinkinderen voor de boeg, op hun vakantieadres op de Veluwe, en daar zaten nog een paar uurtjes tussen. En in Almelo waren we nog nooit geweest. Vandaar. Ver was het niet. En we wilden wel eens weten of het waar was, van Almelo en dat stoplicht.
We waren er op de dag dat de terrassen weer open gingen. Dat de terrassen weer open mochten, zeggen andere mensen. Dat de terrassen weer open konden, zou mijn eigen formulering zijn geweest als ik daar niet een beetje mijn vraagtekens bij had gehad. Maar goed, wat is wijsheid.. niemand die het nog weet, ik al helemaal niet, en de terrassen gingen dus weer open. Om twaalf uur.
Er hing een soort van koortsachtige verwachting in Almelo. Het was mooi weer. Het was druk. Overal werden laatste handen gelegd aan terrassen. Iemand riep spottend: denk om de anderhalve meter hè?, tegen de ijssalonhouder die zijn drie tafeltjes in het gelid aan het zetten was. Iemand riep: dáár ga ik straks de héle middag zitten!, tegen de caféhouder die een bordje ‘hier melden’ bij zijn desinfectiezuil plaatste. Gezellig, tot straks, riep de caféhouder terug. Het winkelend publiek liep dralend door de straten. Nog een half uur.
Wij haalden een koffie to go, nu het nog kon, en vervolgden onze stadswandeling. Later liepen we een goed gesorteerde boekhandel binnen, want dat kon ook weer, zonder afspraak. Binnen was het rustig. Erg rustig. Misschien wist niemand dat dit óók weer mocht. Wij gelukkig wel. Na een ontspannen zoektocht zonder eindtijd kochten we drie boeken. Een kookboek met klassieke Franse recepten, als cadeau voor iemand die binnenkort terecht het land ontvlucht en haar heil in Frankrijk gaat zoeken. Het boekje Wild Plukken, over wat je allemaal zó uit de natuur kunt eten, een titel waar mijn vrouw haar oog al langer op had laten vallen. Ik koos voor Tat Tvam Asi, een dikke bundel zeer korte verhalen van A L Snijders, waar ik fan van ben.
Weer buiten was het twaalf uur geweest, veel terrassen waren vol. Andere waren nog leeg. Er werd volop gewinkeld. Als je niet goed keek leek het of er nooit iets was gebeurd. Dat schijnt voor Almelo dus sowieso te gelden, maar of dat ook echt waar is, daar zijn we niet achter gekomen.

dinsdag 9 maart 2021

Opsteker






Ik sta de schuur te schilderen, de binnenkant. Die krijgt binnenkort een nieuwe functie en ik heb bedacht dat dat nodig is. Dat dat moet, schilderen. De schuur is de enige ruimte in huis waar echt nog nooit iets aan gedaan is sinds we hier wonen, behalve hem steeds voller proppen met zooi en andere spullen. Die er nu dus allemaal uit zijn waardoor hij meer dan ooit nog de sfeer uitstraalt van de vorige eigenaar. Een fris kleurtje op de muren zou wonderen doen, had ik bedacht, en toevallig stonden tussen de zooi en de andere spullen nog een paar emmertjes muurverf, in de frisse kleurtjes die de rest van ons huis zo kenmerken.
Het is de laatste muur die ik nu sta te doen. En de bewerkelijkste. Omdat de cv ketel eraan hangt, en de wasmachine ervoor staat, is de muur overwoekerd met een dicht netwerk van diverse leidingen, pijpen en buizen, die ik allemaal schoon wil houden en waar ik dus met kleine kwastjes achterlangs moet zien te komen. Het is een moeilijk en tijdrovend gedoe.
Mijn oudste zoon, die vrij is vandaag, komt eens een kijkje nemen, bij zijn vader. Dat het goed gaat, steekt hij mij een hart onder de riem. Dat het wel een rotklus is, brom ik terug, in andere bewoordingen. Maar, montert mijn zoon verder, als íemand het kan ben jij het. Je hebt tenslotte kunstacademie, laat hij er nog op volgen.
Zelf zeg ik dat ook wel eens, als ik een onbenullig knip of plakwerkje heb gedaan. Acht jaar kunstacademie zijn niet geheel verloren gegaan, roep ik dan, of iets van gelijke strekking. Dus nu vraag ik mij af: staat mijn zoon mij hier nou in de zeik te nemen? Ik kijk hem eens aan, maar nee, die indruk heb ik niet. Hij meent het blijkbaar. Wat ik dáár dan weer mee moet weet ik ook zo gauw niet.


vrijdag 19 februari 2021

Musjes en meesjes





Een aardig bijverschijnsel van al dat winterse weer is een tuin vol vogels. Daar hebben we normaal al niet over te klagen en daar doen we ook ons best voor, met een onaangeharkte en weinig gesnoeide tuin, met bomen en struiken en takkenrillen. Vetbollen, pinda’s en voederplanken in de winter. Maar nu alles bedekt is met een dik pak sneeuw zijn het er meer dan ooit. En zijn ze ondernemender dan ooit. Op het onvoorzichtige af misschien zelfs aangezien er ook de nodige katten rondlopen. Waaronder twee van onszelf haast ik mij te verontschuldigen, al zijn die niet al te slim en moeilijk van de kachel af te krijgen deze witte dagen. Bovendien hebben die het meestal te druk met elkaar achterdochtig en intimiderend in de gaten houden.
Maar goed, het is dus een feest om naar buiten te kijken, naar al het gefladder en druk gedoe. Grappig om te zien ook hoe verschillend allerlei soorten zich van elkaar gedragen. Musjes bijvoorbeeld zijn gezellige vogels. Die komen in een wolkje aanvliegen en gaan genoeglijk met elkaar een hapje eten, die kunnen best met z’n tweeën op een vetbol, tuurlijk. Voor meesjes is dat anders. Die dulden geen concurrentie. Als die eenmaal op een vetbol zitten is ie van hun alleen. Maar nooit voor lang want er komt er altijd wel weer eentje met een grotere bek. Pimpelmeesjes nemen vaak even snel een hapje en vliegen naar elders om dat op te eten. Die zijn ook eerder geneigd op hun beurt te wachten, omdat ze weten dat dat toch niet lang duurt waarschijnlijk. Koolmeesjes houden de bol wat langer voor zichzelf. Proberen dat althans.
En merels, dat zijn eigenlijk gewoon kutvogels. Hans Dorrestijn vond dat al eerder dus het mag. Ze zingen misschien best aardig en ze zijn gerust een markante verschijning, met hun zwarte pak en oranje snavel - ik heb het over de mannetjes - maar het zijn de proleten onder de vogels. Als vogels honden hadden, had de merel een pitbull. Die besteden meer tijd aan het op agressieve wijze verjagen van andere vogels dan aan het eten zelf. Terwijl ze afkomen op een appelboompje dat zó mudvol rode miniappeltjes hangt dat alle merels uit de hele straat er tegelijk geheel coronaproof hun buikje rond van zouden kunnen eten. Ze komen verdorie zelfs uit hun boompje naar beneden gestormd om onschuldige musjes af te poeieren. En die lusten die appeltjes helemaal niet eens. Geen enkele andere vogel lust die appeltjes. Behalve de zanglijster, die er precies zo mooi bij komt zitten als op het schilderijtje van Jan Mankes. Maar die wordt ook weggejaagd.
Ik zie een ekster die een pelpinda opraapt, er de tuin mee inhipt, de pinda diep in de sneeuw steekt en het gat met zijn snavel weer dichtmaakt. Dat doet hij ook nog met een andere pinda, op een andere plek, voor hij met de derde wegvliegt. Dat is alleen slim, bedenk ik, als de ekster ook begrijpt dat die sneeuw over een paar dagen weg is en hij de buit vóór die tijd komt ophalen. Anders is het gewoon ordinair graaigedrag.
Dan zie ik in een boom aan de andere kant van onze sloot een grote vogel zitten, duidelijk groter dan de duif in elk geval, die iets verderop zit. Het zal toch niet. Je hoort en leest wel dat met de sneeuw en de kou ook roofvogels zich makkelijker vertonen en minder voorzichtig naar de bewoonde wereld trekken, in de hoop allicht op geheel eigen wijze een voederplank leeg te snaaien, dus wie weet. Ik wil de verrekijker er bij pakken, die ik ooit van mijn schoonvader kreeg en die altijd wel ergens staat. Het is geen heel goede, en veel te onhandig groot en zwaar om mee te nemen op wandelingen, zoals mijn schoonvader dat wel had bedoeld, maar voor mij is hij goed genoeg. En het gebaar is waar het om gaat in deze. Hij staat alleen niet waar ik hem het laatst heb gelaten. Ik loop naar boven, zoek haastig op allerlei andere plekken - straks is de vogel gevlogen, denk ik benauwd - ga weer naar beneden en daar vind ik hem. Wel op een andere plek gelukkig. En de vogel zit er nog, onverstoorbaar. Als ik heb scherpgesteld kijk ik een doodgewone houtduif in de ogen. Ik meen een spottende blik waar te nemen.

donderdag 18 februari 2021

Een kniediep ravijn





Mijn vaste ochtendwandeling gaat door de sneeuw vandaag. Voor het eerst in jaren ligt er al twee dagen een dik pak, het vriest, er wordt straks geschaatst en iedereen is blij. En al hoeft het geen weken te duren voor mij, ben ik ook niet dol op het nostalgisch patriotterig Hollanders-onder-elkaar sfeertje dat er al snel omheen komt hangen, ik vind het eigenlijk ook wel mooi.
Nou zeg ik wel: er ligt een dik pak, maar dat verschilt nogal van plek tot plek. De wind heeft onbehoorlijk huisgehouden. Alleen bij ons in de straat al zijn er buren die de sneeuwschuiver en schop gewoon in het boetje hebben kunnen laten staan en toch een keurig schoon straatje voor de deur hebben liggen, terwijl anderen, een huis verderop, zich een weg door een kniehoog sneeuwduin moesten banen om nog een beetje als fatsoenlijk burger voor de dag te komen. Nee, eerlijk waren de lasten weer niet verdeeld. Dat was niet netjes van de wind. Al had zij in menige hoek, tegen tal van muurtjes en heggen ook verrassende, verbazingwekkende sculpturen geblazen, opgeworpen en uitgewaaid, met wonderlijke lijnen, onverklaarbare vormen en tedere contouren.
Eenmaal buiten de bebouwde kom werden de opgebouwde hoge verwachtingen dan weer niet waargemaakt. Hier leek het op het eerste oog maar nauwelijks gesneeuwd te hebben. Een zeer karig buitje, leek hier gevallen, dat de weilanden niet eens kon bedekken, het vruchtbaar zwart en groen stak er overal ruim doorheen. Tot bleek dat dit wat chagrijnige landschap werd doorsneden door hagelwitte sloten die tot de rand toe waren gevuld met sneeuw, alsof ook hier iemand met een reusachtige sneeuwschuiver en bezem zijn stoepje vrij had gemaakt, voor de vogels en de dieren des velds, en de sneeuw in de goot bij elkaar had geveegd.
De bebouwde kom verlaat ik op mijn vaste route langs een smal wandelpaadje dat zich tussen het hek om de atletiekbaan en de waterpartij rond de voorlopig laatste nieuwbouwwijk wurmt. Vanaf het bruggetje dat ernaartoe leidt zie ik dat dat paadje meer dan kniehoog is ondergesneeuwd, en in één moeite door zie ik dat daar een meneer staat, met een schop, die over de hele lengte van het paadje een dus kniediep ravijn heeft gegraven, net breed genoeg voor een wandelaar.
Ik ben misschien wel de eerste die van zijn welwillende service gebruik gaat maken en wil de meneer dus niet met een achteloze groet passeren. Ik complimenteer hem van harte met zijn goede werk en bedank hem vast bij voorbaat. De meneer lacht bescheiden en zegt er niet langer dan een uurtje mee bezig te zijn geweest. Hij knikt naar zijn schop en verklaart dat híj nog weet hoe hij daar mee om moet gaan. Ik weet niet zeker of hij hier alleen zijn vaardigheid bedoelt, maar dat laat ik voor de loop van het gesprek liever in het midden.
Als ik stel dat hij niet van de gemeente is omdat hij immers geen fluorescerend hesje draagt, beaamt hij dat gretig. Nee, als dat zo was, volgt hij licht smalend mijn spoor, dan hadden er roodwitte linten gehangen. Dan had er een hek op het bruggetje gestaan, en een bord. En dan waren er twee verkeersregelaars aan te pas gekomen.
En dan had u nu, meen ik zijn verhaal in stijl verder af te maken, dan had u nu uitgebreid uw derde rookpauze. Maar nee, daar wil de meneer niet aan. Ik rook niet, verklaart hij bokkig.

Dit bericht werd ook gepubliceerd op De Vrije Wandeling, weblog van een wandelaar

dinsdag 16 februari 2021

Sporen




Maagdelijk en ongerept, nee, dat is het niet meer, de sneeuw, bij mijn koude ochtendwandeling. Het ligt er al anderhalve dag en dat heeft zijn sporen achtergelaten. Van andere wandelaars. En van mensen die hun stoepje hebben schoongeveegd, met de auto zijn vertrokken of hun hond hebben uitgelaten.
Buiten de bebouwde kom volg ik de onwennige sporen van de dieren des velds. Hazepoten, ongemakkelijk diep weggezakt in een dik pak sneeuw. Drietenige sleepsporen van vogels die hun poten niet hoog genoeg op hebben kunnen tillen om boven de sneeuw uit te komen. Een vermoedelijke eend die een schuivende landing maakte op het besneeuwd ijsoppervlak, en vervolgens met een haakse hoek in tegenovergestelde richting de hele sloot maar afwaggelde, op zijn koude poten. Een haas die halverwege de vaart, waar de sneeuw ophield, blijkbaar niet verder durfde, van gedachten veranderde en rechtsomkeert maakte. Het is grappig om een beetje te staan fantaseren over wat zo’n dier hier dan bij heeft gedacht. Niks waarschijnlijk, maar je weet het niet.
De dieren zelf zijn er ook trouwens, al is het mondjesmaat. Smienten en eenden liggen rillerig bij elkaar te fluiten en te snateren in de laatste stukken open water. Twee kleumende hazen in het wit, wit, wit, wit knollenknollenland doen zelfs geen poging om weg te rennen. Eerder mismoedig dan parmant kijken ze me na. Maar ja, wat kan ik eraan doen?  In een bosje verderop ontdek ik een aantal spechten, die zich verraden met dat heerlijke trrr geluid, waarna het nog even zoeken is voor ik ze ook zie. Of in elk geval één van de twee want het is me te koud om al te lang stil te blijven staan. Op de volkstuin, die ik ook even bezoek, verraden de afdrukken in de sneeuw dat een haas zich trefzeker tegoed heeft gedaan aan de laatste blaadjes palmkool die er nog stonden, en in één moeite door de resterende broccoliplanten en de snijbiet. Enfin, een haas moet ook eten.
Op het industrieterrein staan op verschillende plekken mensen hun oprijlaan schoon te bikken, voor de klanten van vandaag, met ouderwetse, niet ongezellige geluiden van deugdzame arbeid, van ijzer op steen. Alleen de McDonalds heeft er een lawaaiapparaat op benzine voor.

Dit bericht werd ook gepubliceerd op De Vrije Wandeling, weblog van een wandelaar

donderdag 15 oktober 2020

Een ram met een schort voor






We zijn nog niet echt in Hindeloopen, maar we wandelen over de IJsselmeerdijk en zien aan haar lieve torentje dat het niet ver meer is. We hebben een riant uitzicht over het water, dat door het onstuimig spel van wind, wolken en zon steeds van kleur verandert. Soms grijs, dan zilver of met een lichtgroene gloed die mysterieus over het golvend oppervlak glijdt. Hollands licht, Hollandse luchten. Een fascinerend schouwspel waar je niet snel genoeg van krijgt. Wij niet in elk geval. De schapen die ons omringen, zoals op veel grasdijken het geval is, trekken zich er weinig van aan. Van ons ook niet trouwens, al doen ze nog net wel even een stapje opzij.
Plotseling klimmen twee stoere mannen jaloersmakend soepel over het hek en voor we goed en wel doorhebben wat er gebeurt heeft één van de twee mannen een schaap met een handige zwaai op de rug gelegd en in een soort houdgreep genomen. Het schaap zag het blijkbaar ook niet aankomen, het heeft tenminste geen schijn van kans en nu is tegenstribbelen te laat. Wij zijn nieuwsgierig en vinden het leuk onderweg een praatje te maken met deze of gene en vragen wat er met het schaap aan de hand is. De man, die ondertussen een soort lederen voorschoot bij het schaap verwijdert, wijst ons er om te beginnen fijntjes op dat dit geen schaap is maar een ram, wat wij, nu er geen lederen schort meer voor zit ook luid en duidelijk zelf kunnen vaststellen. Geen twijfel mogelijk. Zeer overtuigend.
Deze ram, legt de man ons verder uit, heeft de afgelopen tijd een aantal proefdekkingen gedaan, met dat schort voor dus, en een geel verfblok op zijn borst. Aan de ruggen van de schapen is daardoor bij te houden hoeveel van hen er inmiddels bronstig zijn. Nu dat er genoeg zijn mag het schort er af en kan de ram er voor het echie op. Zonder schort en met een groen verfblok, zodat ook weer kan worden bijgehouden welke schapen de beurt hebben gehad. Op deze manier worden alle schapen binnen een korte periode drachtig en zullen ze straks ook allemaal in een periode van vier weken lammeren. Een vorm van geboorteregulering. Broodnodig, volgens de mannen, want dat wordt dan vier weken dag en nacht bokhard doorwerken en wanneer dat langer dan vier weken zou duren, zouden de mannen van vermoeidheid narrig tegen elkaar gaan worden. En dat is niet de bedoeling, aldus de man, want het is mooi werk. Hij zegt er nog bij dat hij dat nog meent ook, maar dat hadden we al gezien.
Weekhartig als ik ben merk ik dan nog op dat het voor de ram wel zielig is dat hij er al die tijd met een schort voor op heeft gemoeten, maar dat wordt glunderend weggelachen door de man. Dat ik zelf immers ook zo ben begonnen, roept hij joviaal. En dat was toch ook niet zielig?
Dan klimmen de mannen weer jaloersmakend soepel over het hek. Op naar de volgende ram.

Dit is een enigszins bewerkt fragment uit: Een ram met een schort voor, als eerder gepubliceerd op De vrije wandeling, weblog van een wandelaar.

vrijdag 28 augustus 2020

Ontmoeting op afstand




We wandelen Enkhuizen binnen en worden op de eerste de beste rotonde geconfronteerd met een vrij groot en kleurig beeld. Het is het silhouet van een vrouw. Op de gevel van een aanpalende flat staat een dichtregel die kennelijk op het beeld slaat en waaruit blijkt dat we te maken hebben met de Maagd van Enkhuizen. Of beter gezegd: De Maegd van Enkhuysen.
Het zegt ons niets eerlijk gezegd, maar wij zijn dan ook niet van Enkhuizen. Niet eens echt van Noord-Holland. Nu is Enkhuizen een historische haven- en handelsstad met een rijk verleden, we zouden ons dus kunnen voorstellen dat de maagd een heldin is die haar medeburgers ooit heeft gered van een brand, een pandemie of de vijand, gelijk bijvoorbeeld Kenau van Haarlem.
We besluiten onderweg naar het station een aantal Enkhuizenaren te vragen hoe het zit. Een leuk en leerzaam sociaal experiment. Het blijkt echter al snel dat de maagd niet erg leeft in Enkhuizen. De meeste ondervraagden komen niet verder dan onze zelfverzonnen suggestie wat schaapachtig te beamen.
Als laatste bevragen we een mijnheer in het centrum van de stad. De mijnheer meldt bescheiden niet uit Enkhuizen te komen en niets van een maagd te weten maar Enkhuizen wel een erg mooi stadje te vinden, wat wij op ons beurt weer volmondig beamen.
Vanaf de overkant van de straat mengt zich dan nog iemand wat luidruchtig in het gesprek door ons toe te roepen dat Enkhuizen een mooie stad is, maar dat hij er nog niet dood gevonden zou willen worden. Wij zijn enigszins beduusd door de beschonken onthulling van de wat scharrige figuur die wij nu aan de overkant ontwaren, een al even scharrig hondje aan de lijn, maar gunnen hem ook zijn plek op aarde dus roepen terug dat wij persoonlijk helemaal nergens dood gevonden willen worden. Waardoor er per ongeluk een ingewikkeld gesprek ontstaat, over de gelukkig wel zeer veilige afstand van zeker tien meter, waarbij de bescheiden mijnheer zich duidelijk steeds ongemakkelijker gaat voelen en waarbij wij door het passerend publiek, over wiens hoofden het gesprek gevoerd wordt, meewarig worden aangekeken.
De scharrige figuur vertelt dat hij in Rotterdam woont maar nu tijdelijk hier logeert, in het huis van zijn maat, die in het ziekenhuis ligt. Om voor diens hondje te zorgen, het scharrige hondje aan de lijn. Omdat iemand dat tenslotte moet doen. Net als veel mensen die teleurgesteld zijn door het leven meldt hij nadrukkelijk meer met dieren te hebben dan met mensen. Dieren zijn tenminste eerlijk, vindt hij. En als woensdag zijn maat weer uit het ziekenhuis komt, is hij meteen weer naar Rotterdam vertrokken.
Het is in meerdere opzichten een hartverscheurend verhaal, als je erbij stilstaat. Dat wel. Toch breien we er een eind aan en vervolgen onze weg naar het station.
Pas dan durft ook de bescheiden mijnheer weer door te lopen.

Dit is een bewerkt fragment uit "Ontmoetingen op veilige afstand" als gepubliceerd op De Vrije Wandeling, weblog van een wandelaar

woensdag 10 juni 2020

Voetstuk





Ik vond wel dat ik er nog even over moest bellen, naar het waterleidingbedrijf, over de toestand met het hommelnest. Niet eens zozeer uit beleefdheid, hoewel ik wel zo ben opgevoed, maar vooral omdat ik benieuwd was naar hoe zo’n gesprek zou verlopen. Ongemakkelijk, vermoedde ik en ik weet eigenlijk niet waarom mij dat nu opeens zo leuk leek. Op toneel, of in een Netflixserie kan ik ongemakkelijke gesprekken meestal wel waarderen, maar voor mezelf mijd ik ze doorgaans liever als de pest. In dit geval blijkbaar niet. Vreemd, vond ik het zelf ook. Het kwam misschien omdat ik me een beetje wilde uitsloven voor mijn jongste zoon, die me geassisteerd had bij de hele operatie en die nu ook getuige zou zijn van dit telefoongesprek, als ik het nu meteen deed. Dat zou zomaar kunnen. Even laten zien dat oud nog niet altijd saai en ingedut hoeft te betekenen. Misschien wilde ik dat sowieso even aan de wereld laten weten, via het waterleidingbedrijf. Of aan mezelf, god ja, waarom niet. De uitlaatkleppen zijn dun gezaaid deze dagen.
In elk geval, het waterleidingbedrijf opende het gesprek volautomatisch met excuses voor mogelijke overlast omdat ‘veel van onze medewerkers in verband met de overheidsmaatregelen rond corona thuiswerken’. Waarna het onvermijdelijk keuzemenu, waarin je pas helemaal aan het eind kunt kiezen om aan de lijn te blijven om een medewerker te spreken, wat ik, als ik dan toch moet bellen, sowieso altijd wel prettig vind en dus liever standaard als eerste optie zou zien, met tot slot de mededeling dat ‘dit gesprek kán worden opgenomen voor leerdoeleinden’. Een kleine drie minuten na aanvang had ik ene Dewi aan de lijn, die vriendelijk vroeg waarmee zij mij van dienst kon zijn, en kon ik mijn verhaal doen.
Dat ik dus een kaartje had gekregen, begon ik bij het begin, om de stand van de watermeter mee door te geven, maar dat mijn watermeter nou eenmaal in een put in de voortuin zit, die ik daarvoor dus moest openmaken - twee zware grindtegels met ijzeren ringen eraan - dat er dan nog een stuk in plastic verpakt piepschuim over de watermeter lag, ter isolatie, en dat daar dus een hommelnest op was gebouwd. Door hommels. En dat er ook allemaal hommels uit de put omhoog kwamen vliegen, waarvan ik toen nog niet zeker wist of ze zouden steken of niet. Dat wij een insectenvriendelijke tuin om ons huis hadden, omdat het met de insectenstand immers zorgelijk gesteld was, dat we het daarom ook niet over ons hart hadden kunnen krijgen het nest kapot te maken of te verstoren en wij dus, lang verhaal kort, geen watermeterstand konden doorgeven dit jaar.
Namens het waterleidingbedrijf heeft Dewi uitgebreid alle begrip voor de situatie en vindt zij het heel mooi dat wij ervoor kozen de hommels te sparen, dat het goed is dat ik er even over bel, dat zij zal zorgen dat er een schatting gemaakt wordt, van ons watergebruik, maar dat als die erg hoog uitvalt, voor mijn gevoel, ik altijd weer even kan bellen.
Tot zover een alles behalve ongemakkelijk gesprek. Sterker nog, na zoveel weken sociaal gedistantieer leef ik er helemaal van op en grijp ieder aanknopingspunt dat Dewi mij biedt, iedere stilte die zij laat vallen aan om het gesprek zo lang mogelijk te rekken met veel omhaal van woorden, nauwelijks ter zake doende uitweidingen en grappige grapjes.
Ondertussen zit mijn jongste zoon aan de overkant van de tafel over zijn zoveelste schaal yoghurt met muesli gebogen er het zijne van te denken, dat zie ik heus wel. Meewarig schuddend met zijn hoofd en rollend met zijn ogen en met scheve lachjes van plaatsvervangende schaamte vindt hij het duidelijk een zwaar overdreven gedoe met vervelende, muffe ouwe mannen grapjes, maar het kan me niks schelen. Ik heb een hommelvolk gered, Dewi vindt het ook.

vrijdag 5 juni 2020

Hommels





Van het waterleidingbedrijf kreeg ik onlangs het jaarlijks schriftelijk verzoek de stand van de watermeter op te nemen en liefst via internet door te geven. Dat zou, volgens het kaartje, alles bij elkaar slechts twee minuten tijd in beslag nemen. Een werkje van niks, wilde het waterleidingbedrijf maar zeggen. Toch is het elk jaar weer een werkje dat ik graag voor me uit mag schuiven en het zal de eerste keer niet zijn dat het er helemaal niet van komt en er van hogerhand een schatting van ons watergebruik wordt gemaakt. Een schatting die overigens altijd accuraat genoeg is om er het jaar erna opnieuw niet al te zwaar aan te tillen.
Maar goed, vandaag moest het maar eens gebeuren. Ik had mijn jongste zoon geronseld voor het zware en het vieze werk, zelf zou ik aanwijzingen geven, notities maken en de administratieve afwikkeling verzorgen. Onze watermeter, moet u weten, zit in een kniediepe put in de voortuin, afgedekt met twee zware stenen platen waarop, voor het gezicht, naast het nodige kleine spul, ook nog een vrij grote en onhandig te verplaatsen plantenpot staat. Onder die stenen platen, die je aan roestige metalen ringen die aan een middeleeuwse kerker doen denken van hun plaats moet tillen, tref je dan een sterk vervuilde plastic zak waar ooit kunstmest in heeft gezeten maar die nu twee stukken piepschuim bevat en aldus al jaren dienst doet als isolatie tegen de vorst. Om de watermeter vervolgens af te lezen moet er eerst een klepje worden geopend en daarvoor is het onvermijdelijk om op de knieën te gaan en tot aan de schouder in de put te reiken. Om de meterstand te ontcijferen, in de halfduistere diepte, moet je zelfs je hoofd naar binnen steken, wat bepaald niet aanlokkelijk is vanwege de schimmels, het eeuwenoude spinrag, de modderige viezigheid en het wegschietend en rondkruipend gedierte. Als enig lichtpuntje in de hele zaak zit er steevast een dikke pad op de bodem te somberen. Alsof hij denkt: Ja hoor, laat mij hier maar wachten. De pad vinden we leuk. De pad beschouwen we als een oude bekende, hoewel we uiteraard niet zeker weten of het steeds dezelfde pad is.
Bij het openen van de put bleek deze dit jaar zelfs nog meer door de natuur in bezit genomen dan waar we al op waren voorbereid, want op de sterk vervuilde plastic zak met stukken piepschuim troffen we een hommelnest. Een aanvankelijk wat onooglijk hoopje dode blaadjes, esdoornvleugeltjes, dennennaalden en onduidelijke rommeltjes waarvan je je later pas afvraagt hoe die hommels dat daar in vredesnaam allemaal op een hoopje in die put hebben gekregen, met die kleine pootjes zonder handjes, maar dat het een hommelnest was werd meteen duidelijk want ze kropen voortdurend naar binnen en naar buiten door verschillende toegangspoorten. Hoe onooglijk ook, het was weldegelijk een bouwwerk waarover was nagedacht.
Een handvol hommels vloog ons direct verontrust tegemoet. Lichtelijk verontrustend ook wel trouwens want ik meende dan wel te weten dat hommels, als ze al konden steken, het in elk geval niet heel snel deden maar zo een bedreiging van hun nest zouden ze misschien wel eens als een goede reden kunnen zien het toch maar eens te proberen. En hoeveel hommels zaten er dan eigenlijk in zo’n nest? Ik had weer eens geen idee.
Dus daar stonden we dan. Besluiteloos. In twijfel. Aan de ene kant de dwingende vraag van een voormalige overheidsinstantie en het feit dat we al halverwege onze lang uitgestelde operatie waren; aan de andere kant een hommelnest dat beslist onherstelbaar beschadigd zou raken wanneer we de watermeter toch probeerden te bereiken, met alle verdere gevolgen van dien.
We besloten dat we het niet over ons hart konden verkrijgen. Dat je niet een insectenvriendelijke tuin kunt hebben en dan een heel hommelnest vernietigen voor zoiets onbenulligs als de juiste stand van de watermeter. Het gaat immers al slecht met de insecten, en hommels zijn ook nog eens een keer onze favorieten. Het is een groot plezier ze zo gezapig van bloem naar bloem te zien zoemen.
We stelden onze hommels gerust, legden de stenen platen weer terug, er op lettend de ingang open te houden, zetten de onhandig te verplaatsen plantenpot weer op zijn plek en prijsden ons gelukkig met een eigen hommelnest in de tuin. Dan maar weer een schatting dit jaar. Daar hoeven we niet zo zwaar aan te tillen.

zaterdag 23 mei 2020

Postelein of geen postelein






In wat je gerust een opwelling kunt noemen hebben wij ons enige weken geleden een volkstuin aangeschaft. Tijdens een avondzonnig corona-ommetje kwamen wij toevallig langs het plaatselijk volkstuincomplex, waar een zelfgemaakt bord in de berm aankondigde dat er tuinen te huur waren, wat ons er toe verleidde in elk geval eens even een kijkje te nemen en minder dan vierentwintig uur later was het rond en konden we beginnen. Honderdvijftig vierkante meter vers gefreesde en kurkdroge kleigrond. Een dorre vlakte, woest en ledig. Hulpeloos ten prooi aan blakerende voorjaarszon en noordhollandse wind. In niets te vergelijken met de lommerrijke herinneringen die wij aan onze Haagse volkstuin koesteren, laat staan met de volle Amstelglorie van Jan Wolkers, zoals die mij nu opeens heimelijk voor ogen staat.
Maar goed, je kunt dus met evenveel recht zeggen dat alles nog mogelijk is, want zo is het ook. Binnen de reglementen van de volkstuindersvereniging uiteraard, dat dan weer wel, volgens goed hollands gebruik, maar tijdens onze eerste rondwandeling hebben we wel al tuinen gezien die ons wat dat betreft de hoop geven dat die niet zo streng en rechtlijnig uitvallen als je misschien zou verwachten. Voor de zekerheid kiezen we bovendien een tuin waarvan de buren links en rechts op het oog in elk geval een voorkeur voor gezellige rommeligheid lijken te hebben. Daar steken we allicht minder snel ongunstig bij af dan bij een volgens de regelen der kunst met liniaal en waterpas aangelegde en fijn geharkte, onkruidvrije zone.
En zo zijn we de laatste weken dus regelmatig op de tuin te vinden, spittend, schoffelend en plannen makend. Waterdragend met gieters en emmers, van de sloot naar de onverzadigbare akker. We timmerden verhoogde bakken, er werd een terras aangelegd. We plantten bessenstruiken, bermbloemen en knotwilgjes. We zaaiden van alles voor, in potjes, eierdozen en wc-rolletjes. Richtten groentebedden in, zetten een composthoop op touw en maakten goedmoedige praatjes met de buren, leunend op de hark. We zaaiden in de volle grond. Waren in de weer met stokken en gaas en netten. Net echt allemaal.
En nu staan we gebogen over het eerste ontkiemende spul.
En hebben geen idee.