zondag 16 mei 2021

Hé en ho! En ksst!




Met mijn Haagse vriendin wandelde ik door de Amsterdamse waterleidingduinen. Dat was een soort van primeur. Niet vanwege het wandelen want dat doe ik vaker. Ook niet vanwege de waterleidingduinen want daar was ik eerder, en ook niet vanwege de vriendin want die gaat al een leven mee. Nee, het zat ‘m in de combinatie. Zij houdt namelijk niet van wandelen. En zij is meer een stadsmens.
Normaalgesproken nemen wij elkaars leven met enige regelmaat door aan restauranttafels, op terrassen en in nachtelijke kroegen, eventueel voorafgegaan door bioscoop- of theaterbezoek. Nu daar tot nader order de klad in is gekomen en we de digitale alternatieven toch duidelijk minder leuk vinden besloot mijn vriendin, zoals velen met haar deze maanden, het wandelen dan toch maar te omarmen. Zodoende trokken wij er op een frisse, niet al te mooie dag op uit, met een goedgevulde knapzak, om het leven te bespreken. Dwars door de natuur.
Toen het tegen het middaguur tijd werd voor een pauze zochten wij ons een omgevallen boom langs het pad en stalden de inhoud van de goedgevulde knapzak voor ons uit op de grond. Wat hadden we allemaal niet bij ons. Krentenbollen, koffie, appelsap, handgemaakte sandwiches, zoute stengels, olijven, droge worst, gevulde koeken, ongezonde gezonde repen.. genoeg voor wel drie pauzes. Wie heeft het nog over terrassen?
Ons aldus opmakend voor het aangenaam verpozen meende ik vanuit mijn ooghoek iets te zien bewegen in de achtergrond. Niet iets donkers en iets talrijks, zoals in het lied van Drs P, maar toen ik eenmaal omkeek kwam het een beetje in de buurt want de eerste gedachte die pijlsnel héél even door me heen schoot was: dit ís toch wel een vos? Maar ja hoor, gelukkig, het was een vos.
Een vos! Man! Vossen heb ik tot nog toe alleen maar heel uit de verte in tegenovergestelde richting weg zien rennen, een doodenkele keer bovendien, maar deze stond ons vlakbij een beetje te peilen, met z’n sluwe oogjes. Misschien was ie net zo verrast als wij.
Je moet je héél voorzichtig omdraaien, fluisterde ik mijn vrolijk doorkletsende vriendin toe, héél zachtjes. Misschien hield ik zelfs mijn vinger wel voor mijn lippen, dat zou kunnen, dat weet ik eerlijk gezegd niet meer. Ik was bang dat de vos zich bij een verkeerde beweging uit de voeten zou maken vóór mijn vriendin hem goed gezien had, dat zou jammer zijn geweest.
De vos was echter helemaal niet van plan zich uit de voeten te maken bleek al snel, die kwam juist dichterbij. Helemaal spannend werd het toen hij aan de regenbroek, waar mijn vriendin op was gaan zitten, op de natte boomstam, begon te trekken. En maar nauwelijks onder de indruk was van onze natuurlijke reactie van hé en ho en af! En ksst! Met een kalm boogje liep de vos om onze boomstam heen en bleef toen indringend naar de uitgestalde inhoud van onze knapzak staan kijken. Steeds een klein stapje dichterbij, oogcontact zorgvuldig vermijdend, de blik strak op de etenswaar gericht. Het was duidelijk wat de bedoeling was, de vraag was hoe we daar mee om zouden gaan. We waren niet van plan de vos te gaan voeren uiteraard, we wilden niet meewerken aan de verpatatting van de natuur, nee.. maar we begonnen ons wel een beetje zorgen te maken over hoe de vos daar dan weer mee om zou gaan.
Vallen die beesten je aan, vroeg mijn vriendin bijvoorbeeld zenuwachtig. Waarop ik, als plattelandsmens, zo stellig mogelijk meende van niet maar die wijsheid was niet op kennis gebaseerd, ik had geen idee. En een vos is best groot, eigenlijk, als je zelf ongemakkelijk op een boomstam zit.
Zo zou het zeker geen ontspannen oponthoud worden dus hoe bijzonder de ontmoeting met de wilde natuur ook was, de vos moest weg. En het is vreselijk rolbevestigend natuurlijk, waarvoor bij dezen mijn welgemeende excuses, maar ik ging dat dan proberen voor elkaar te krijgen, als man. Ik wapperde wat met een rode plastic zak, ik zwaaide met mijn armen en sprak de vos gebiedend toe. Toen ik ten slotte opstond en de vos met imponerend gespreide armen wilde verdrijven liep hij inderdaad een tiental meters voor mij uit maar vóór ik terug was op onze boomstam stond de vos alweer naar de zoute stengels te loeren.
Tja. Er zat duidelijk maar één ding op, de natuur moest zijn loop hebben. Wij pakten onze krentenbollen en zoute stengels weer in, haastiger dan strikt noodzakelijk, en kozen het mensenpad, hopend dat de vos ons niet de rest van de dag zou blijven volgen. Wat niet gebeurde. De vos snuffelde nog wat rond bij onze boomstam, in de hoop dat er wat kruimels van de zoute stengels waren blijven liggen, en vertrok toen nuffig in tegenovergestelde richting.
Later werd ons van diverse zijden meewarig medegedeeld dat ‘die vossen in de waterleidingduinen inmiddels een soort schoothondjes zijn geworden’. Goed, dat mag dan misschien zo zijn, aan onze authentieke ervaring verandert dat helemaal niks.

maandag 10 mei 2021

Kauwtjes en eksters




Mijn dochter heeft haar kinderen geleerd om grote vogels uit de tuin te jagen. Kauwtjes en eksters zijn er niet welkom. De voederstations, zoals die dingen tegenwoordig heten, zijn er alleen voor de kleine vogeltjes. Musjes en meesjes. Roodborstjes. Vertoont zich toch een grote vogel dan wordt er driftig met armen gezwaaid en op ramen gebonkt en in uiterste nood zelfs een deur geopend. Ik heb dat steeds bezien met de welwillendheid waarmee je je kinderen en kleinkinderen natuurlijk altijd beziet, maar ik vond het ook een klein beetje onzin. Kauwtjes en eksters zijn ook vogels, tenslotte. Die doen ook maar wat ze door de natuur is opgedragen.
Kauwtjes en eksters hebben ook lieve kuikentjes die willen eten, probeerde ik weleens een lans voor ze te breken, maar mijn dochter bleef daar onverbiddelijk onder, evenals mijn kleinkinderen.
Nu wordt de laatste dagen onze eigen achtertuin plotseling nogal druk bezocht door een groep kauwtjes en eksters. In eerste instantie vond ik het nog wel geestig om te zien wat een klungelige capriolen ze uithaalden om toch, fladderend en flapperend, in dat pindakaaspotje te raken, met dat te grote lijf. Grappig ook dat ze daar dus steeds behendiger in werden. Vermakelijk hoe ze elkaar omstandig de tent uit vochten.
Maar vandaag vind ik ze opeens wel erg onbeschaafd en ordinair alles voor zichzelf opeisen. Zonder enige gêne worden hoeveelheden naar binnen gesnaveld waar een koolmees zijn hele gezin een maandlang van kan voeden. Maar als de koolmees zich ook vertoont voor een hapje wordt hij luidruchtig verjaagd, door zo’n bullebak.
Dus nu denk ik dat mijn dochter gelijk heeft. Ik weet het misschien wel zeker. Ook dat gegeven bezie ik met welwillendheid, zo gaan die dingen nou eenmaal.
Het wordt trouwens tijd de voederstations weer op te heffen, er is genoeg te eten in de natuur.

woensdag 5 mei 2021

Zakdoek





Mijn schoonmoeder heeft de leeftijd, zullen we maar zeggen, dat een verhaal wel eens meer dan eens langskomt. Ze vergeet dat ze het al verteld heeft en vertelt het telkens opnieuw met steeds hetzelfde enthousiasme, waardoor het verhaal ook gerust wel eens meer dan eens tot zijn recht komt.
Zo vertelde ze de laatste tijd vaak over haar oranje zakdoekje, dat ze dan ook meteen, gewassen en gestreken, tevoorschijn trok. Ze had het zakdoekje van haar moeder gekregen, zo luidt haar verhaal, aan het eind van de oorlog, op Bevrijdingsdag, om ermee naar de Canadezen te zwaaien. Sindsdien had ze het bewaard en blijkbaar was ze weer begonnen het bij zich te dragen. Eigenlijk, zo besloot ze haar verhaal de laatste keer, zou het ingelijst moeten worden. Of ik dat niet voor haar wilde doen, ik was tenslotte de kunstenaar.
Ik maakte dus een lijst om het zakdoekje, van een mooi glimmend stukje hout dat van zichzelf al naar oranje neigde. Onder het zakdoekje schreef ik haar naam, de datum van de dag waarop ze ermee gezwaaid had en dat ze het van haar moeder had gekregen. Ik was er wel tevreden over.
Vandaag leek me de gepaste dag het aan haar te geven, 76 jaar later tenslotte. Verrast nam ze het cadeau in ontvangst. Mooi, vond ze het. Maar een plekje in de kamer leek haar niet nodig. Ze had niet zoveel zin om de hele tijd naar een snotlap te kijken.

zaterdag 1 mei 2021

Zwaaien



Met mijn schoonzus wandelde ik in Friesland vandaag. Fryslân. We lopen al een tijdje het Grootfrieslandpad, vandaar. Een groot gedeelte van de route gaat daarbij over onverharde paden, grasdijken, boerenwegen, waar je zelfs in coronatijd wandeltijd niet veel mensen tegenkomt, laat staan verkeer. Soms loop je ook een stukje langs de weg. Dat is minder leuk maar dat kan dan niet anders, nemen we maar aan.
Dit stukje liepen we ook op een fietspad langs een wat drukkere weg. Het was op weg naar Akkrum. Er reed ons een blauw bestelautootje met aanhanger tegemoet, een Berlingo was het geloof ik, die ons pas opviel toen er overdreven getoeterd werd en zowel de bestuurder als de bijrijdster enthousiast naar ons zwaaiden. Nu ken ik niemand in Akkrum maar gewoontegetrouw zwaaide ik meteen enthousiast terug want blijmoedige positiviteit moet je zoveel mogelijk aanmoedigen vind ik, zeker in deze barre tijden, maar ook omdat ik meestal wat traag ben met het herkennen van degene die zwaait en ik dan te laat ben om nog terug te zwaaien, wat niet sympathiek is. Zo heb ik al wat afgezwaaid naar onherkenden en onbekenden en altijd welgemeend.
Nu was ik er echter vlot bij want ik herkende mijn vriend Edwin, al had ik geen idee wat die in Akkrum zou doen, met een aanhanger ook nog.
Tot ik besefte dat die helemaal niet zo’n blauwe Berlingo heeft. En op het laatste moment zag en wist dat het Edwin helemaal niet was. Ik zwaaide toch weer naar een onbekende. Die inmiddels uit beeld was gereden. En zich nu ook zat te realiseren dat ik zijn Edwin helemaal niet was.

vrijdag 30 april 2021

Stoplicht op groen






Het toeval bracht ons in Almelo. We hadden een paar heerlijke dagen in Twente achter de kiezen, met bezoek aan oude vrienden en fikse, zonovergoten wandelingen. We hadden een bezoekje aan de kinderen en kleinkinderen voor de boeg, op hun vakantieadres op de Veluwe, en daar zaten nog een paar uurtjes tussen. En in Almelo waren we nog nooit geweest. Vandaar. Ver was het niet. En we wilden wel eens weten of het waar was, van Almelo en dat stoplicht.
We waren er op de dag dat de terrassen weer open gingen. Dat de terrassen weer open mochten, zeggen andere mensen. Dat de terrassen weer open konden, zou mijn eigen formulering zijn geweest als ik daar niet een beetje mijn vraagtekens bij had gehad. Maar goed, wat is wijsheid.. niemand die het nog weet, ik al helemaal niet, en de terrassen gingen dus weer open. Om twaalf uur.
Er hing een soort van koortsachtige verwachting in Almelo. Het was mooi weer. Het was druk. Overal werden laatste handen gelegd aan terrassen. Iemand riep spottend: denk om de anderhalve meter hè?, tegen de ijssalonhouder die zijn drie tafeltjes in het gelid aan het zetten was. Iemand riep: dáár ga ik straks de héle middag zitten!, tegen de caféhouder die een bordje ‘hier melden’ bij zijn desinfectiezuil plaatste. Gezellig, tot straks, riep de caféhouder terug. Het winkelend publiek liep dralend door de straten. Nog een half uur.
Wij haalden een koffie to go, nu het nog kon, en vervolgden onze stadswandeling. Later liepen we een goed gesorteerde boekhandel binnen, want dat kon ook weer, zonder afspraak. Binnen was het rustig. Erg rustig. Misschien wist niemand dat dit óók weer mocht. Wij gelukkig wel. Na een ontspannen zoektocht zonder eindtijd kochten we drie boeken. Een kookboek met klassieke Franse recepten, als cadeau voor iemand die binnenkort terecht het land ontvlucht en haar heil in Frankrijk gaat zoeken. Het boekje Wild Plukken, over wat je allemaal zó uit de natuur kunt eten, een titel waar mijn vrouw haar oog al langer op had laten vallen. Ik koos voor Tat Tvam Asi, een dikke bundel zeer korte verhalen van A L Snijders, waar ik fan van ben.
Weer buiten was het twaalf uur geweest, veel terrassen waren vol. Andere waren nog leeg. Er werd volop gewinkeld. Als je niet goed keek leek het of er nooit iets was gebeurd. Dat schijnt voor Almelo dus sowieso te gelden, maar of dat ook echt waar is, daar zijn we niet achter gekomen.

dinsdag 9 maart 2021

Opsteker






Ik sta de schuur te schilderen, de binnenkant. Die krijgt binnenkort een nieuwe functie en ik heb bedacht dat dat nodig is. Dat dat moet, schilderen. De schuur is de enige ruimte in huis waar echt nog nooit iets aan gedaan is sinds we hier wonen, behalve hem steeds voller proppen met zooi en andere spullen. Die er nu dus allemaal uit zijn waardoor hij meer dan ooit nog de sfeer uitstraalt van de vorige eigenaar. Een fris kleurtje op de muren zou wonderen doen, had ik bedacht, en toevallig stonden tussen de zooi en de andere spullen nog een paar emmertjes muurverf, in de frisse kleurtjes die de rest van ons huis zo kenmerken.
Het is de laatste muur die ik nu sta te doen. En de bewerkelijkste. Omdat de cv ketel eraan hangt, en de wasmachine ervoor staat, is de muur overwoekerd met een dicht netwerk van diverse leidingen, pijpen en buizen, die ik allemaal schoon wil houden en waar ik dus met kleine kwastjes achterlangs moet zien te komen. Het is een moeilijk en tijdrovend gedoe.
Mijn oudste zoon, die vrij is vandaag, komt eens een kijkje nemen, bij zijn vader. Dat het goed gaat, steekt hij mij een hart onder de riem. Dat het wel een rotklus is, brom ik terug, in andere bewoordingen. Maar, montert mijn zoon verder, als íemand het kan ben jij het. Je hebt tenslotte kunstacademie, laat hij er nog op volgen.
Zelf zeg ik dat ook wel eens, als ik een onbenullig knip of plakwerkje heb gedaan. Acht jaar kunstacademie zijn niet geheel verloren gegaan, roep ik dan, of iets van gelijke strekking. Dus nu vraag ik mij af: staat mijn zoon mij hier nou in de zeik te nemen? Ik kijk hem eens aan, maar nee, die indruk heb ik niet. Hij meent het blijkbaar. Wat ik dáár dan weer mee moet weet ik ook zo gauw niet.


vrijdag 19 februari 2021

Musjes en meesjes





Een aardig bijverschijnsel van al dat winterse weer is een tuin vol vogels. Daar hebben we normaal al niet over te klagen en daar doen we ook ons best voor, met een onaangeharkte en weinig gesnoeide tuin, met bomen en struiken en takkenrillen. Vetbollen, pinda’s en voederplanken in de winter. Maar nu alles bedekt is met een dik pak sneeuw zijn het er meer dan ooit. En zijn ze ondernemender dan ooit. Op het onvoorzichtige af misschien zelfs aangezien er ook de nodige katten rondlopen. Waaronder twee van onszelf haast ik mij te verontschuldigen, al zijn die niet al te slim en moeilijk van de kachel af te krijgen deze witte dagen. Bovendien hebben die het meestal te druk met elkaar achterdochtig en intimiderend in de gaten houden.
Maar goed, het is dus een feest om naar buiten te kijken, naar al het gefladder en druk gedoe. Grappig om te zien ook hoe verschillend allerlei soorten zich van elkaar gedragen. Musjes bijvoorbeeld zijn gezellige vogels. Die komen in een wolkje aanvliegen en gaan genoeglijk met elkaar een hapje eten, die kunnen best met z’n tweeën op een vetbol, tuurlijk. Voor meesjes is dat anders. Die dulden geen concurrentie. Als die eenmaal op een vetbol zitten is ie van hun alleen. Maar nooit voor lang want er komt er altijd wel weer eentje met een grotere bek. Pimpelmeesjes nemen vaak even snel een hapje en vliegen naar elders om dat op te eten. Die zijn ook eerder geneigd op hun beurt te wachten, omdat ze weten dat dat toch niet lang duurt waarschijnlijk. Koolmeesjes houden de bol wat langer voor zichzelf. Proberen dat althans.
En merels, dat zijn eigenlijk gewoon kutvogels. Hans Dorrestijn vond dat al eerder dus het mag. Ze zingen misschien best aardig en ze zijn gerust een markante verschijning, met hun zwarte pak en oranje snavel - ik heb het over de mannetjes - maar het zijn de proleten onder de vogels. Als vogels honden hadden, had de merel een pitbull. Die besteden meer tijd aan het op agressieve wijze verjagen van andere vogels dan aan het eten zelf. Terwijl ze afkomen op een appelboompje dat zó mudvol rode miniappeltjes hangt dat alle merels uit de hele straat er tegelijk geheel coronaproof hun buikje rond van zouden kunnen eten. Ze komen verdorie zelfs uit hun boompje naar beneden gestormd om onschuldige musjes af te poeieren. En die lusten die appeltjes helemaal niet eens. Geen enkele andere vogel lust die appeltjes. Behalve de zanglijster, die er precies zo mooi bij komt zitten als op het schilderijtje van Jan Mankes. Maar die wordt ook weggejaagd.
Ik zie een ekster die een pelpinda opraapt, er de tuin mee inhipt, de pinda diep in de sneeuw steekt en het gat met zijn snavel weer dichtmaakt. Dat doet hij ook nog met een andere pinda, op een andere plek, voor hij met de derde wegvliegt. Dat is alleen slim, bedenk ik, als de ekster ook begrijpt dat die sneeuw over een paar dagen weg is en hij de buit vóór die tijd komt ophalen. Anders is het gewoon ordinair graaigedrag.
Dan zie ik in een boom aan de andere kant van onze sloot een grote vogel zitten, duidelijk groter dan de duif in elk geval, die iets verderop zit. Het zal toch niet. Je hoort en leest wel dat met de sneeuw en de kou ook roofvogels zich makkelijker vertonen en minder voorzichtig naar de bewoonde wereld trekken, in de hoop allicht op geheel eigen wijze een voederplank leeg te snaaien, dus wie weet. Ik wil de verrekijker er bij pakken, die ik ooit van mijn schoonvader kreeg en die altijd wel ergens staat. Het is geen heel goede, en veel te onhandig groot en zwaar om mee te nemen op wandelingen, zoals mijn schoonvader dat wel had bedoeld, maar voor mij is hij goed genoeg. En het gebaar is waar het om gaat in deze. Hij staat alleen niet waar ik hem het laatst heb gelaten. Ik loop naar boven, zoek haastig op allerlei andere plekken - straks is de vogel gevlogen, denk ik benauwd - ga weer naar beneden en daar vind ik hem. Wel op een andere plek gelukkig. En de vogel zit er nog, onverstoorbaar. Als ik heb scherpgesteld kijk ik een doodgewone houtduif in de ogen. Ik meen een spottende blik waar te nemen.

donderdag 18 februari 2021

Een kniediep ravijn





Mijn vaste ochtendwandeling gaat door de sneeuw vandaag. Voor het eerst in jaren ligt er al twee dagen een dik pak, het vriest, er wordt straks geschaatst en iedereen is blij. En al hoeft het geen weken te duren voor mij, ben ik ook niet dol op het nostalgisch patriotterig Hollanders-onder-elkaar sfeertje dat er al snel omheen komt hangen, ik vind het eigenlijk ook wel mooi.
Nou zeg ik wel: er ligt een dik pak, maar dat verschilt nogal van plek tot plek. De wind heeft onbehoorlijk huisgehouden. Alleen bij ons in de straat al zijn er buren die de sneeuwschuiver en schop gewoon in het boetje hebben kunnen laten staan en toch een keurig schoon straatje voor de deur hebben liggen, terwijl anderen, een huis verderop, zich een weg door een kniehoog sneeuwduin moesten banen om nog een beetje als fatsoenlijk burger voor de dag te komen. Nee, eerlijk waren de lasten weer niet verdeeld. Dat was niet netjes van de wind. Al had zij in menige hoek, tegen tal van muurtjes en heggen ook verrassende, verbazingwekkende sculpturen geblazen, opgeworpen en uitgewaaid, met wonderlijke lijnen, onverklaarbare vormen en tedere contouren.
Eenmaal buiten de bebouwde kom werden de opgebouwde hoge verwachtingen dan weer niet waargemaakt. Hier leek het op het eerste oog maar nauwelijks gesneeuwd te hebben. Een zeer karig buitje, leek hier gevallen, dat de weilanden niet eens kon bedekken, het vruchtbaar zwart en groen stak er overal ruim doorheen. Tot bleek dat dit wat chagrijnige landschap werd doorsneden door hagelwitte sloten die tot de rand toe waren gevuld met sneeuw, alsof ook hier iemand met een reusachtige sneeuwschuiver en bezem zijn stoepje vrij had gemaakt, voor de vogels en de dieren des velds, en de sneeuw in de goot bij elkaar had geveegd.
De bebouwde kom verlaat ik op mijn vaste route langs een smal wandelpaadje dat zich tussen het hek om de atletiekbaan en de waterpartij rond de voorlopig laatste nieuwbouwwijk wurmt. Vanaf het bruggetje dat ernaartoe leidt zie ik dat dat paadje meer dan kniehoog is ondergesneeuwd, en in één moeite door zie ik dat daar een meneer staat, met een schop, die over de hele lengte van het paadje een dus kniediep ravijn heeft gegraven, net breed genoeg voor een wandelaar.
Ik ben misschien wel de eerste die van zijn welwillende service gebruik gaat maken en wil de meneer dus niet met een achteloze groet passeren. Ik complimenteer hem van harte met zijn goede werk en bedank hem vast bij voorbaat. De meneer lacht bescheiden en zegt er niet langer dan een uurtje mee bezig te zijn geweest. Hij knikt naar zijn schop en verklaart dat híj nog weet hoe hij daar mee om moet gaan. Ik weet niet zeker of hij hier alleen zijn vaardigheid bedoelt, maar dat laat ik voor de loop van het gesprek liever in het midden.
Als ik stel dat hij niet van de gemeente is omdat hij immers geen fluorescerend hesje draagt, beaamt hij dat gretig. Nee, als dat zo was, volgt hij licht smalend mijn spoor, dan hadden er roodwitte linten gehangen. Dan had er een hek op het bruggetje gestaan, en een bord. En dan waren er twee verkeersregelaars aan te pas gekomen.
En dan had u nu, meen ik zijn verhaal in stijl verder af te maken, dan had u nu uitgebreid uw derde rookpauze. Maar nee, daar wil de meneer niet aan. Ik rook niet, verklaart hij bokkig.

Dit bericht werd ook gepubliceerd op De Vrije Wandeling, weblog van een wandelaar

dinsdag 16 februari 2021

Sporen




Maagdelijk en ongerept, nee, dat is het niet meer, de sneeuw, bij mijn koude ochtendwandeling. Het ligt er al anderhalve dag en dat heeft zijn sporen achtergelaten. Van andere wandelaars. En van mensen die hun stoepje hebben schoongeveegd, met de auto zijn vertrokken of hun hond hebben uitgelaten.
Buiten de bebouwde kom volg ik de onwennige sporen van de dieren des velds. Hazepoten, ongemakkelijk diep weggezakt in een dik pak sneeuw. Drietenige sleepsporen van vogels die hun poten niet hoog genoeg op hebben kunnen tillen om boven de sneeuw uit te komen. Een vermoedelijke eend die een schuivende landing maakte op het besneeuwd ijsoppervlak, en vervolgens met een haakse hoek in tegenovergestelde richting de hele sloot maar afwaggelde, op zijn koude poten. Een haas die halverwege de vaart, waar de sneeuw ophield, blijkbaar niet verder durfde, van gedachten veranderde en rechtsomkeert maakte. Het is grappig om een beetje te staan fantaseren over wat zo’n dier hier dan bij heeft gedacht. Niks waarschijnlijk, maar je weet het niet.
De dieren zelf zijn er ook trouwens, al is het mondjesmaat. Smienten en eenden liggen rillerig bij elkaar te fluiten en te snateren in de laatste stukken open water. Twee kleumende hazen in het wit, wit, wit, wit knollenknollenland doen zelfs geen poging om weg te rennen. Eerder mismoedig dan parmant kijken ze me na. Maar ja, wat kan ik eraan doen?  In een bosje verderop ontdek ik een aantal spechten, die zich verraden met dat heerlijke trrr geluid, waarna het nog even zoeken is voor ik ze ook zie. Of in elk geval één van de twee want het is me te koud om al te lang stil te blijven staan. Op de volkstuin, die ik ook even bezoek, verraden de afdrukken in de sneeuw dat een haas zich trefzeker tegoed heeft gedaan aan de laatste blaadjes palmkool die er nog stonden, en in één moeite door de resterende broccoliplanten en de snijbiet. Enfin, een haas moet ook eten.
Op het industrieterrein staan op verschillende plekken mensen hun oprijlaan schoon te bikken, voor de klanten van vandaag, met ouderwetse, niet ongezellige geluiden van deugdzame arbeid, van ijzer op steen. Alleen de McDonalds heeft er een lawaaiapparaat op benzine voor.

Dit bericht werd ook gepubliceerd op De Vrije Wandeling, weblog van een wandelaar

donderdag 15 oktober 2020

Een ram met een schort voor






We zijn nog niet echt in Hindeloopen, maar we wandelen over de IJsselmeerdijk en zien aan haar lieve torentje dat het niet ver meer is. We hebben een riant uitzicht over het water, dat door het onstuimig spel van wind, wolken en zon steeds van kleur verandert. Soms grijs, dan zilver of met een lichtgroene gloed die mysterieus over het golvend oppervlak glijdt. Hollands licht, Hollandse luchten. Een fascinerend schouwspel waar je niet snel genoeg van krijgt. Wij niet in elk geval. De schapen die ons omringen, zoals op veel grasdijken het geval is, trekken zich er weinig van aan. Van ons ook niet trouwens, al doen ze nog net wel even een stapje opzij.
Plotseling klimmen twee stoere mannen jaloersmakend soepel over het hek en voor we goed en wel doorhebben wat er gebeurt heeft één van de twee mannen een schaap met een handige zwaai op de rug gelegd en in een soort houdgreep genomen. Het schaap zag het blijkbaar ook niet aankomen, het heeft tenminste geen schijn van kans en nu is tegenstribbelen te laat. Wij zijn nieuwsgierig en vinden het leuk onderweg een praatje te maken met deze of gene en vragen wat er met het schaap aan de hand is. De man, die ondertussen een soort lederen voorschoot bij het schaap verwijdert, wijst ons er om te beginnen fijntjes op dat dit geen schaap is maar een ram, wat wij, nu er geen lederen schort meer voor zit ook luid en duidelijk zelf kunnen vaststellen. Geen twijfel mogelijk. Zeer overtuigend.
Deze ram, legt de man ons verder uit, heeft de afgelopen tijd een aantal proefdekkingen gedaan, met dat schort voor dus, en een geel verfblok op zijn borst. Aan de ruggen van de schapen is daardoor bij te houden hoeveel van hen er inmiddels bronstig zijn. Nu dat er genoeg zijn mag het schort er af en kan de ram er voor het echie op. Zonder schort en met een groen verfblok, zodat ook weer kan worden bijgehouden welke schapen de beurt hebben gehad. Op deze manier worden alle schapen binnen een korte periode drachtig en zullen ze straks ook allemaal in een periode van vier weken lammeren. Een vorm van geboorteregulering. Broodnodig, volgens de mannen, want dat wordt dan vier weken dag en nacht bokhard doorwerken en wanneer dat langer dan vier weken zou duren, zouden de mannen van vermoeidheid narrig tegen elkaar gaan worden. En dat is niet de bedoeling, aldus de man, want het is mooi werk. Hij zegt er nog bij dat hij dat nog meent ook, maar dat hadden we al gezien.
Weekhartig als ik ben merk ik dan nog op dat het voor de ram wel zielig is dat hij er al die tijd met een schort voor op heeft gemoeten, maar dat wordt glunderend weggelachen door de man. Dat ik zelf immers ook zo ben begonnen, roept hij joviaal. En dat was toch ook niet zielig?
Dan klimmen de mannen weer jaloersmakend soepel over het hek. Op naar de volgende ram.

Dit is een enigszins bewerkt fragment uit: Een ram met een schort voor, als eerder gepubliceerd op De vrije wandeling, weblog van een wandelaar.

vrijdag 28 augustus 2020

Ontmoeting op afstand




We wandelen Enkhuizen binnen en worden op de eerste de beste rotonde geconfronteerd met een vrij groot en kleurig beeld. Het is het silhouet van een vrouw. Op de gevel van een aanpalende flat staat een dichtregel die kennelijk op het beeld slaat en waaruit blijkt dat we te maken hebben met de Maagd van Enkhuizen. Of beter gezegd: De Maegd van Enkhuysen.
Het zegt ons niets eerlijk gezegd, maar wij zijn dan ook niet van Enkhuizen. Niet eens echt van Noord-Holland. Nu is Enkhuizen een historische haven- en handelsstad met een rijk verleden, we zouden ons dus kunnen voorstellen dat de maagd een heldin is die haar medeburgers ooit heeft gered van een brand, een pandemie of de vijand, gelijk bijvoorbeeld Kenau van Haarlem.
We besluiten onderweg naar het station een aantal Enkhuizenaren te vragen hoe het zit. Een leuk en leerzaam sociaal experiment. Het blijkt echter al snel dat de maagd niet erg leeft in Enkhuizen. De meeste ondervraagden komen niet verder dan onze zelfverzonnen suggestie wat schaapachtig te beamen.
Als laatste bevragen we een mijnheer in het centrum van de stad. De mijnheer meldt bescheiden niet uit Enkhuizen te komen en niets van een maagd te weten maar Enkhuizen wel een erg mooi stadje te vinden, wat wij op ons beurt weer volmondig beamen.
Vanaf de overkant van de straat mengt zich dan nog iemand wat luidruchtig in het gesprek door ons toe te roepen dat Enkhuizen een mooie stad is, maar dat hij er nog niet dood gevonden zou willen worden. Wij zijn enigszins beduusd door de beschonken onthulling van de wat scharrige figuur die wij nu aan de overkant ontwaren, een al even scharrig hondje aan de lijn, maar gunnen hem ook zijn plek op aarde dus roepen terug dat wij persoonlijk helemaal nergens dood gevonden willen worden. Waardoor er per ongeluk een ingewikkeld gesprek ontstaat, over de gelukkig wel zeer veilige afstand van zeker tien meter, waarbij de bescheiden mijnheer zich duidelijk steeds ongemakkelijker gaat voelen en waarbij wij door het passerend publiek, over wiens hoofden het gesprek gevoerd wordt, meewarig worden aangekeken.
De scharrige figuur vertelt dat hij in Rotterdam woont maar nu tijdelijk hier logeert, in het huis van zijn maat, die in het ziekenhuis ligt. Om voor diens hondje te zorgen, het scharrige hondje aan de lijn. Omdat iemand dat tenslotte moet doen. Net als veel mensen die teleurgesteld zijn door het leven meldt hij nadrukkelijk meer met dieren te hebben dan met mensen. Dieren zijn tenminste eerlijk, vindt hij. En als woensdag zijn maat weer uit het ziekenhuis komt, is hij meteen weer naar Rotterdam vertrokken.
Het is in meerdere opzichten een hartverscheurend verhaal, als je erbij stilstaat. Dat wel. Toch breien we er een eind aan en vervolgen onze weg naar het station.
Pas dan durft ook de bescheiden mijnheer weer door te lopen.

Dit is een bewerkt fragment uit "Ontmoetingen op veilige afstand" als gepubliceerd op De Vrije Wandeling, weblog van een wandelaar

woensdag 10 juni 2020

Voetstuk





Ik vond wel dat ik er nog even over moest bellen, naar het waterleidingbedrijf, over de toestand met het hommelnest. Niet eens zozeer uit beleefdheid, hoewel ik wel zo ben opgevoed, maar vooral omdat ik benieuwd was naar hoe zo’n gesprek zou verlopen. Ongemakkelijk, vermoedde ik en ik weet eigenlijk niet waarom mij dat nu opeens zo leuk leek. Op toneel, of in een Netflixserie kan ik ongemakkelijke gesprekken meestal wel waarderen, maar voor mezelf mijd ik ze doorgaans liever als de pest. In dit geval blijkbaar niet. Vreemd, vond ik het zelf ook. Het kwam misschien omdat ik me een beetje wilde uitsloven voor mijn jongste zoon, die me geassisteerd had bij de hele operatie en die nu ook getuige zou zijn van dit telefoongesprek, als ik het nu meteen deed. Dat zou zomaar kunnen. Even laten zien dat oud nog niet altijd saai en ingedut hoeft te betekenen. Misschien wilde ik dat sowieso even aan de wereld laten weten, via het waterleidingbedrijf. Of aan mezelf, god ja, waarom niet. De uitlaatkleppen zijn dun gezaaid deze dagen.
In elk geval, het waterleidingbedrijf opende het gesprek volautomatisch met excuses voor mogelijke overlast omdat ‘veel van onze medewerkers in verband met de overheidsmaatregelen rond corona thuiswerken’. Waarna het onvermijdelijk keuzemenu, waarin je pas helemaal aan het eind kunt kiezen om aan de lijn te blijven om een medewerker te spreken, wat ik, als ik dan toch moet bellen, sowieso altijd wel prettig vind en dus liever standaard als eerste optie zou zien, met tot slot de mededeling dat ‘dit gesprek kán worden opgenomen voor leerdoeleinden’. Een kleine drie minuten na aanvang had ik ene Dewi aan de lijn, die vriendelijk vroeg waarmee zij mij van dienst kon zijn, en kon ik mijn verhaal doen.
Dat ik dus een kaartje had gekregen, begon ik bij het begin, om de stand van de watermeter mee door te geven, maar dat mijn watermeter nou eenmaal in een put in de voortuin zit, die ik daarvoor dus moest openmaken - twee zware grindtegels met ijzeren ringen eraan - dat er dan nog een stuk in plastic verpakt piepschuim over de watermeter lag, ter isolatie, en dat daar dus een hommelnest op was gebouwd. Door hommels. En dat er ook allemaal hommels uit de put omhoog kwamen vliegen, waarvan ik toen nog niet zeker wist of ze zouden steken of niet. Dat wij een insectenvriendelijke tuin om ons huis hadden, omdat het met de insectenstand immers zorgelijk gesteld was, dat we het daarom ook niet over ons hart hadden kunnen krijgen het nest kapot te maken of te verstoren en wij dus, lang verhaal kort, geen watermeterstand konden doorgeven dit jaar.
Namens het waterleidingbedrijf heeft Dewi uitgebreid alle begrip voor de situatie en vindt zij het heel mooi dat wij ervoor kozen de hommels te sparen, dat het goed is dat ik er even over bel, dat zij zal zorgen dat er een schatting gemaakt wordt, van ons watergebruik, maar dat als die erg hoog uitvalt, voor mijn gevoel, ik altijd weer even kan bellen.
Tot zover een alles behalve ongemakkelijk gesprek. Sterker nog, na zoveel weken sociaal gedistantieer leef ik er helemaal van op en grijp ieder aanknopingspunt dat Dewi mij biedt, iedere stilte die zij laat vallen aan om het gesprek zo lang mogelijk te rekken met veel omhaal van woorden, nauwelijks ter zake doende uitweidingen en grappige grapjes.
Ondertussen zit mijn jongste zoon aan de overkant van de tafel over zijn zoveelste schaal yoghurt met muesli gebogen er het zijne van te denken, dat zie ik heus wel. Meewarig schuddend met zijn hoofd en rollend met zijn ogen en met scheve lachjes van plaatsvervangende schaamte vindt hij het duidelijk een zwaar overdreven gedoe met vervelende, muffe ouwe mannen grapjes, maar het kan me niks schelen. Ik heb een hommelvolk gered, Dewi vindt het ook.

vrijdag 5 juni 2020

Hommels





Van het waterleidingbedrijf kreeg ik onlangs het jaarlijks schriftelijk verzoek de stand van de watermeter op te nemen en liefst via internet door te geven. Dat zou, volgens het kaartje, alles bij elkaar slechts twee minuten tijd in beslag nemen. Een werkje van niks, wilde het waterleidingbedrijf maar zeggen. Toch is het elk jaar weer een werkje dat ik graag voor me uit mag schuiven en het zal de eerste keer niet zijn dat het er helemaal niet van komt en er van hogerhand een schatting van ons watergebruik wordt gemaakt. Een schatting die overigens altijd accuraat genoeg is om er het jaar erna opnieuw niet al te zwaar aan te tillen.
Maar goed, vandaag moest het maar eens gebeuren. Ik had mijn jongste zoon geronseld voor het zware en het vieze werk, zelf zou ik aanwijzingen geven, notities maken en de administratieve afwikkeling verzorgen. Onze watermeter, moet u weten, zit in een kniediepe put in de voortuin, afgedekt met twee zware stenen platen waarop, voor het gezicht, naast het nodige kleine spul, ook nog een vrij grote en onhandig te verplaatsen plantenpot staat. Onder die stenen platen, die je aan roestige metalen ringen die aan een middeleeuwse kerker doen denken van hun plaats moet tillen, tref je dan een sterk vervuilde plastic zak waar ooit kunstmest in heeft gezeten maar die nu twee stukken piepschuim bevat en aldus al jaren dienst doet als isolatie tegen de vorst. Om de watermeter vervolgens af te lezen moet er eerst een klepje worden geopend en daarvoor is het onvermijdelijk om op de knieën te gaan en tot aan de schouder in de put te reiken. Om de meterstand te ontcijferen, in de halfduistere diepte, moet je zelfs je hoofd naar binnen steken, wat bepaald niet aanlokkelijk is vanwege de schimmels, het eeuwenoude spinrag, de modderige viezigheid en het wegschietend en rondkruipend gedierte. Als enig lichtpuntje in de hele zaak zit er steevast een dikke pad op de bodem te somberen. Alsof hij denkt: Ja hoor, laat mij hier maar wachten. De pad vinden we leuk. De pad beschouwen we als een oude bekende, hoewel we uiteraard niet zeker weten of het steeds dezelfde pad is.
Bij het openen van de put bleek deze dit jaar zelfs nog meer door de natuur in bezit genomen dan waar we al op waren voorbereid, want op de sterk vervuilde plastic zak met stukken piepschuim troffen we een hommelnest. Een aanvankelijk wat onooglijk hoopje dode blaadjes, esdoornvleugeltjes, dennennaalden en onduidelijke rommeltjes waarvan je je later pas afvraagt hoe die hommels dat daar in vredesnaam allemaal op een hoopje in die put hebben gekregen, met die kleine pootjes zonder handjes, maar dat het een hommelnest was werd meteen duidelijk want ze kropen voortdurend naar binnen en naar buiten door verschillende toegangspoorten. Hoe onooglijk ook, het was weldegelijk een bouwwerk waarover was nagedacht.
Een handvol hommels vloog ons direct verontrust tegemoet. Lichtelijk verontrustend ook wel trouwens want ik meende dan wel te weten dat hommels, als ze al konden steken, het in elk geval niet heel snel deden maar zo een bedreiging van hun nest zouden ze misschien wel eens als een goede reden kunnen zien het toch maar eens te proberen. En hoeveel hommels zaten er dan eigenlijk in zo’n nest? Ik had weer eens geen idee.
Dus daar stonden we dan. Besluiteloos. In twijfel. Aan de ene kant de dwingende vraag van een voormalige overheidsinstantie en het feit dat we al halverwege onze lang uitgestelde operatie waren; aan de andere kant een hommelnest dat beslist onherstelbaar beschadigd zou raken wanneer we de watermeter toch probeerden te bereiken, met alle verdere gevolgen van dien.
We besloten dat we het niet over ons hart konden verkrijgen. Dat je niet een insectenvriendelijke tuin kunt hebben en dan een heel hommelnest vernietigen voor zoiets onbenulligs als de juiste stand van de watermeter. Het gaat immers al slecht met de insecten, en hommels zijn ook nog eens een keer onze favorieten. Het is een groot plezier ze zo gezapig van bloem naar bloem te zien zoemen.
We stelden onze hommels gerust, legden de stenen platen weer terug, er op lettend de ingang open te houden, zetten de onhandig te verplaatsen plantenpot weer op zijn plek en prijsden ons gelukkig met een eigen hommelnest in de tuin. Dan maar weer een schatting dit jaar. Daar hoeven we niet zo zwaar aan te tillen.

zaterdag 23 mei 2020

Postelein of geen postelein






In wat je gerust een opwelling kunt noemen hebben wij ons enige weken geleden een volkstuin aangeschaft. Tijdens een avondzonnig corona-ommetje kwamen wij toevallig langs het plaatselijk volkstuincomplex, waar een zelfgemaakt bord in de berm aankondigde dat er tuinen te huur waren, wat ons er toe verleidde in elk geval eens even een kijkje te nemen en minder dan vierentwintig uur later was het rond en konden we beginnen. Honderdvijftig vierkante meter vers gefreesde en kurkdroge kleigrond. Een dorre vlakte, woest en ledig. Hulpeloos ten prooi aan blakerende voorjaarszon en noordhollandse wind. In niets te vergelijken met de lommerrijke herinneringen die wij aan onze Haagse volkstuin koesteren, laat staan met de volle Amstelglorie van Jan Wolkers, zoals die mij nu opeens heimelijk voor ogen staat.
Maar goed, je kunt dus met evenveel recht zeggen dat alles nog mogelijk is, want zo is het ook. Binnen de reglementen van de volkstuindersvereniging uiteraard, dat dan weer wel, volgens goed hollands gebruik, maar tijdens onze eerste rondwandeling hebben we wel al tuinen gezien die ons wat dat betreft de hoop geven dat die niet zo streng en rechtlijnig uitvallen als je misschien zou verwachten. Voor de zekerheid kiezen we bovendien een tuin waarvan de buren links en rechts op het oog in elk geval een voorkeur voor gezellige rommeligheid lijken te hebben. Daar steken we allicht minder snel ongunstig bij af dan bij een volgens de regelen der kunst met liniaal en waterpas aangelegde en fijn geharkte, onkruidvrije zone.
En zo zijn we de laatste weken dus regelmatig op de tuin te vinden, spittend, schoffelend en plannen makend. Waterdragend met gieters en emmers, van de sloot naar de onverzadigbare akker. We timmerden verhoogde bakken, er werd een terras aangelegd. We plantten bessenstruiken, bermbloemen en knotwilgjes. We zaaiden van alles voor, in potjes, eierdozen en wc-rolletjes. Richtten groentebedden in, zetten een composthoop op touw en maakten goedmoedige praatjes met de buren, leunend op de hark. We zaaiden in de volle grond. Waren in de weer met stokken en gaas en netten. Net echt allemaal.
En nu staan we gebogen over het eerste ontkiemende spul.
En hebben geen idee.

maandag 18 mei 2020

Wespenkoningin






Nu mijn agenda door de omstandigheden geheel is leeggeveegd, sociale contacten van hogerhand ernstig worden ontraden en ik niet zo iemand ben die dan welgemoed van de gelegenheid gebruik maakt om vrolijk fluitend zijn huis van boven naar beneden ondersteboven te halen, uit te mesten en te soppen, komt het de laatste tijd wel eens voor dat ik zo niet moedeloos dan toch in elk geval doelloos uit het raam de tuin in sta te staren. Wachtend op iets dat niet gebeurt. Tja, zo is het nou eenmaal. Nu hebben wij een leuke tuin, waar van alles in staat te groeien en te bloeien en uit te botten, en het particulier coronaleed wordt vooralsnog gecompenseerd met veel mooi weer, het kan echt erger, tel uw zegeningen enzovoort, ik weet het, maar toch..
Vandaag gebeurt er dan trouwens wel iets, al is het niet veel, want daar zie ik een wesp vliegen. Op zich niets bijzonders, wij hebben ook nog eens een insectvriendelijke tuin, dus daar zoemt en fladdert en dart van alles in het rond, ook wespen. Maar ik meen vrij zeker te weten dat het nog een beetje vroeg is voor wespen en dat dit waarschijnlijk een koningin is, op zoek naar een geschikt plekje voor een nest. Het is een bijzonder grote wesp, dus dat zou dan wel eens kunnen kloppen. En het lijkt er na een tijdje sterk op dat dat geschikte plekje inmiddels gevonden is in de spouwmuur van onze uitbouw, ik zie de wesp tenminste telkens opnieuw door een gaatje tussen vensterbank en sponning naar binnen kruipen, en weer naar buiten komen.
In vroeger tijden zou ik het beest zonder enige aarzeling met een hamer hebben geplet, de mensheid aldus met één klap verlossend van een zomerlang overlast van een heel wespenvolk, tegenwoordig ben ik ouder, wijzer en ja, ook milder. Niet alleen, besef ik nu, is de wesp natuurlijk een onmisbare schakel in het grote geheel, ik heb de wesp ook leren kennen als een intelligent en sociaal dier. Daarover schreef ik al eens eerder een bericht, waarnaar ik hier graag met dit linkje verwijs, in plaats van het allemaal opnieuw te vertellen, maar samenvattend ben ik de wesp in een ander daglicht gaan zien en ik vind het daarom niet nodig deze wesp nu te vermoorden.
Echter, een nest in de spouwmuur, zo direct aan het terras, onder het raam van de wc, dat is ook weer zo wat. Dat zit straks niet lekker ontspannen.
Ik besluit dat er toch in elk geval wel íets moet gebeuren. Ik pak mijn kitspuit uit de schuur, vergewis me ervan dat de wesp haar bouwlocatie heeft verlaten en vul het gaatje tussen vensterbank en sponning met kit, in de hoop hiermee een min of meer wespvriendelijk compromis af te dwingen. Nog terwijl ik daarmee bezig ben landt de wesp vanuit het niets op de spuitmond, paniekerig heen en weer zoemend, waarschijnlijk in een Bruce Willis achtige poging het onheil te keren. Ik schrik er een beetje van, die enorme wesp opeens zo vlakbij, want weliswaar ben ik de wesp in een ander daglicht gaan zien, ik ben er dan weer niet automatisch van overtuigd dat die mildere blik wederzijds is. Liever doe ik een stapje achteruit om van een afstandje te bezien hoe de zaken zich ontwikkelen.
Gelukkig werpt de wesp zich niet meteen op de nog natte kit, een zeer wespónvriendelijke mogelijkheid waar ik geen rekening mee had gehouden. Een bijna menselijke verwarring lijkt zich van de wesp meester te maken. Eerst blijft ze even voor het dichtgekitte gat zitten. Het was toch hier?, zie ik haar bijna denken. Als er niets gebeurt en alles blijft zoals het is, neemt ze blijkbaar aan dat ze zich dan wel vergist zal hebben en gaat langs de sponning op zoek naar waar de ingang wel is, al kan ik zien dat ze daar zelf niet echt in gelooft, het gaat zonder overtuiging. Dan besluit ze helemaal opnieuw te beginnen, vanaf het begin. Maakt zichzelf wijs dat ze onderweg waarschijnlijk even niet heeft opgelet en zo verkeerd is uitgekomen. Ze vliegt op, maakt een wijde boog om mij heen, vliegt opnieuw aan op de vensterbank en landt voor het dichtgekitte gat, waarvan ze hoopte dat dat er nu niet meer zou zijn. Opnieuw inspecteert ze de afsluiting en andermaal drentelt ze ongelovig heen en weer langs de sponning. Dit herhaalt zich nog zeker driemaal. Zelfs vliegt ze nog een keer opnieuw aan op het naastgelegen raam, van de badkamer, dat er inderdaad precies hetzelfde uitziet, zich afvragend ongetwijfeld of ze zich nou zó sterk vergist zou kunnen hebben. Uiteindelijk geeft ze het op en druipt af. Met hangende schouders. Schuldig voel ik me niet, nee dat niet. Maar ik hoop wel dat ze een andere, betere plek heeft gevonden. Dat hoop ik echt.

dinsdag 11 februari 2020

Sympathie






Nogal bruusk zwaait de deur van de coupé open en een gehaaste man met een rugzak aan de hand komt binnen. Hij heeft zich maar nauwelijks in de laatste vrije tweezitter laten zakken of de deur zwaait andermaal open, niet minder bruusk, om toegang te verlenen aan een niet mis te verstane controleur die met vorsende blik de coupé scant en al snel gevonden heeft wat hij blijkbaar zoekt: de gehaaste man met de rugzak aan de hand. De coupé doet net of ie niks merkt maar houdt duidelijk hoorbaar de adem in.
Doelgericht vraagt de controleur de gehaaste man om zijn vervoersbewijs. Met verve voert deze dan zijn toneelstukje op, zoekt zijn jas, zijn portemonnee en zijn rugzak meermalen af naar een kaartje waarvan de hele coupé weet dat het er niet zal zijn. De controleur staat het wijdbeens en geduldig uit, haalt aan het einde ervan zijn bonnenboek en een pen tevoorschijn waarna het ritueel met vergeten identiteitsbewijzen en onwaarschijnlijke instapstations wordt afgewerkt.
De controleur hanteert met professioneel overwicht de kalme doch onverzettelijke en conflictvermijdende toon die hij op de training heeft geleerd. De man zonder vervoersbewijs, die trouwens een opvallend hoog stemgeluid blijkt te hebben, schiet heen en weer tussen kruiperige onderdanigheid en misplaatste assertiviteit. Dat hij alle begrip heeft voor het feit dat meneer de controleur natuurlijk ook maar gewoon zijn werk doet, onderstreept hij, en dat meneer de controleur dus maar vijf eurootjes extra moet rekenen, voor zichzelf. Om vervolgens op hoge poten een bezwaarprocedure aan te kondigen en het luidkeels zéér onbeleefd te vinden dat meneer de controleur hem hier ten overstaan van zoveel mensen voor zwartrijder staat uit te maken. En hem dwingt allerlei privacygevoelige informatie als zijn adres en postcode prijs te geven. Dat meneer de controleur zijn schoenmaat waarschijnlijk groter is dan zijn IQ.
De controleur ondergaat het allemaal onverstoorbaar, laat weten dat hij ook wel eens iets onbeleefd vindt en informeert of meneer lang over zijn schoenmaatgrapje heeft nagedacht.
Ik kan hier wel verklappen dat mijn sympathie in dezen toch echt ligt bij de controleur, dat het me een afschuwelijk beroep lijkt en dat ik de man zonder vervoersbewijs een beetje een eikel vind. Maar naast mij in de bank zit een zilvergrijze dame zó gedurig te tssssen, te tuttuttutten en te het is me toch watten, en zit daarmee zo nadrukkelijk naar mijn instemming te hengelen van hoe erg wij dit samen als keurige mensen onder elkaar wel niet vinden en waar moet het heen met dit land, dat ik daar dan ook weer iebel van word. Waaruit maar weer eens blijkt hoe ingewikkeld het allemaal in elkaar kan zitten.

donderdag 6 februari 2020

Voor kunstzaak







Bij een onbesuisde opruimactie trof ik de foto van een al bijna vergeten schilderij. Een schilderij uit eigen koker nog wel. Ik maakte het op de kunstacademie, vele jaren geleden, voor mijn eindexamenexpositie. Het was één van de twee schilderijen die ik daar verkocht, wat ik destijds als een veelbelovende start van mijn carrière als beeldend kunstenaar beschouwde. Ach ja. Veel verder dan een veelbelovende start is het niet gekomen met die carrière en meer dan twee schilderijen heb ik nooit verkocht. Er heeft er nog wel één een paar weken proefgehangen in het trappenhuis van een verzamelende dame, die wellicht meende daarmee eventueel een aanstormend talent in huis te halen, maar die er uiteindelijk van afzag omdat het doek net iets te klein was om ergens precies tussen te passen en ik het voorstel het opnieuw te schilderen maar dan twintig centimeter groter met gekrenkte kunstenaarstrots van de hand wees. Daarmee bleven de verkoopcijfers voor eeuwig steken op twee.
Of eigenlijk ook weer niet, want één van die twee verkochte schilderijen was aangekocht door de kunstuitleen en daarvan kreeg ik een paar jaar later een brief met de mededeling dat het werk wegens overtolligheid discreet vernietigd zou worden wanneer ik het niet zou komen ophalen, op een bepaalde dag, binnen bepaalde uren. Ik ben mij altijd blijven afvragen hoe je iets discreet kunt vernietigen wanneer je de enige persoon op aarde die er blijkbaar nog om maalt er van tevoren per brief van op de hoogte stelt, maar ik klom op de aangewezen dag op het aangewezen uur wel op de fiets uiteraard, om mijn geesteskind te redden. Een weinig eervolle rit die alleen werd opgefleurd door de aanblik van mijn voormalige schilderdocent aan de academie, die met een groot schilderij onder de arm mismoedig in tegenovergestelde richting fietste. Ik wist waar hij vandaan kwam, hij niet waar ik naar toe ging.
Mijn geredde geesteskind heeft vervolgens nog jaren verkocht en wel in mijn atelier gehangen, en toen ik dat niet meer had nog geruime tijd in mijn huis gestaan, op steeds wisselende plekken, tot ik het uiteindelijk wegens gebrek aan ruimte zelf maar discreet vernietigde, samen met zijn overgeschoten broers en zussen waar de wereld ook niet op had zitten wachten. Behalve dus het schilderij op de foto. Dat ik al bijna vergeten was. Wat zou er van geworden zijn? Vraag ik mij nu dan maar even af, met de foto in mijn hand. Zou het nog ergens aan een muur hangen? Zou er nog wel eens iemand naar kijken? Af en toe? Of is alles voor niets geweest?

maandag 3 februari 2020

Klimaat






Aan de Haagse Conradkade zitten we op een bankje in een abri op tram 11 te wachten, mijn jongste zoon en ik. We zitten uit de wind, er schijnt een voorzichtig zonnetje. Speciaal vanwege de ronduit slechte weersverwachtingen hebben wij onze wandelplannen voor vandaag omgezet in iets overdekts en nu lijkt het verdorie wel lente. Eind januari, nota bene. Maar goed, we hebben evengoed een leuke dag.
We schuiven wat dichter naar elkaar toe om plaats te maken voor een mevrouw met grijs haar en een rolkoffertje die blijkbaar ook tram 11 moet hebben. Voor de mevrouw had het niet gehoeven, dat opschuiven, zegt ze zelf wat koket, want zo dik is ze niet. Beleefd beamen wij naar waarheid dat het inderdaad makkelijk past, met z’n drieën op het bankje, maar we schuiven niet terug, het is goed zo. Wel raken we aldus verwikkeld in een onbeduidend maar vriendelijk gesprekje over het weer, dat, als gezegd, lenteachtig genoemd mag worden, vindt ook de mevrouw. We zijn het er over eens dat het zonnetje vrolijk stemt. De mevrouw weet dan hoopvol te vertellen dat vorig jaar de eerste stranddag al op 25 februari viel. Wij weten dat zo precies niet meer maar geloven haar op haar woord, kunnen zelf ook nauwelijks wachten op betere tijden, al voegen we er aan toe dat dit ons toch eigenlijk ook zorgen zou moeten baren. Maar dat vindt de mevrouw meteen grote onzin. Dat is allemaal maar een hetze die ze verzonnen hebben om ons geld afhandig te maken, weet ze met grote stelligheid. En zo verandert het onbeduidend gesprekje van toon en bevinden we ons opeens middenin de klimaathysterie.
Er schiet mij van alles te binnen om het standpunt van de mevrouw enigszins te relativeren. De vraag bijvoorbeeld wie die ‘ze’ dan eigenlijk zijn. En waarom er zo’n ingewikkeld scenario voor nodig is om ons geld afhandig te maken. En waarom we de wetenschap alleen zouden vertrouwen wanneer het in ons straatje past. En nog zo wat. Maar ik bedenk dat het zinloos is en comprimeer het allemaal in de voorzichtige overweging dat het misschien toch wel zo zou kunnen zijn dat er in elk geval íets zou moeten gebeuren. Voor de mevrouw is de stemming echter bedorven, zonnetje of niet. Zij doet er verder een halsstarrig zwijgen toe. Zonder groeten stapt ze de tram in en zorgt ervoor niet bij ons in de buurt te komen zitten. Mijn zoon stelt later wat verwonderd vast dat hij vandaag zijn eerste echte klimaatontkenner heeft ontmoet. Dus misschien is er toch nog hoop.

dinsdag 21 januari 2020

75 jaar






Er komen twee jonge mannen bij ons in de coupé zitten. Ze maken nogal een luidruchtige en zelfverzekerde entree, hoewel je met evenveel recht zou kunnen zeggen dat ze in een geanimeerd gesprek verwikkeld zijn. Zulke jongemannen zijn het dus. Het soort jongemannen waaraan je op één of andere manier kunt zíen dat ze welgestelde ouders hebben. Ik heb me vaak afgevraagd waar hem dat dan in zit - de blonde lok over het voorhoofd, de blauwe bodywarmer, de achteloze rode sjaal, de twijfelloze oogopslag – maar het is moeilijk er de vinger op te leggen. Het kan ook zijn dat ik het merk aan mijn nekharen die altijd een beetje overeind gaan staan.
Goed.. met enig bravoure dus komen ze binnen en ploffen neer in de vierzitter achter ons. Maar ook als ze wat verder weg waren neergestreken hadden we hun gesprek goed kunnen volgen, ook als we dat niet hadden gewild. Zulke jongemannen zijn het dus en God zij dank is het geen stiltecoupé.
Eén van de jongemannen is midden in een verhaal over een bezoek aan het Anne Frankhuis, waar hij een oriënterend gesprek over een opdracht heeft gevoerd. Hij laat het klinken alsof de toekomst van het Anne Frankhuis ervan afhangt, maar het kan natuurlijk evengoed over een stageplek gegaan zijn. Voor het gesprek maakt dat blijkbaar niet uit want daar wordt verder niet op ingegaan. Wat de jongeman vooral wil vertellen is dat het allemaal erg leuk was geweest. Leuk. Heel leuk. Het woord ‘leuk’ valt meerdere malen en wordt uitgesproken op de manier van zijn welgestelde vader die het over een fles wijn van tachtig euro heeft. Dat leuk. En dat het Anne Frankhuis dus een ziek groot kantoor heeft. Echt ziek groot.
De andere jongeman informeert, met een mespuntje talkshowachtige sensatie in de ondertoon, of hij dan ook gezien heeft ‘waar ze gezeten heeft’. Dat is vreemd genoeg niet het geval. De tweede jongeman vertelt op zijn beurt dat hij het boek aan het lezen is, wat de eerste jongeman dan weer leuk vindt, maar de tweede jongeman moet bekennen dat hij er niet echt doorheen komt, door het boek.
Waar het over gaat, wil de eerste jongeman dan wel eens weten, wat ons hoofdschuddend tot de conclusie brengt dat hij in elk geval niet overdreven geïnformeerd naar zijn oriënterend gesprek is vertrokken. Dat hij misschien ook wel helemaal niet weet dat ‘ze daar gezeten heeft’.
De tweede jongeman vertelt kort maar adequaat dat ‘ze haar dagelijks leven beschrijft, en hoe ze daar dan zitten en zo’. En herhaalt dat hij er niet echt doorheen komt. Maar misschien, hoopt hij tenslotte, wordt het verderop nog leuker.

woensdag 15 januari 2020

Boomer






Met mijn jongste zoon wandel ik, in etappes, van Schagen, onze woonplaats, naar Den Haag, onze geboorteplaats. En daarna weer terug. De lange wandeling naar huis, hebben we deze zelfverzonnen tocht genoemd.
Omwille van het klimaat en andere praktische overwegingen bereizen wij start- en eindpunt van onze etappes met het openbaar vervoer. Dat is niet altijd even comfortabel. Vooral op de terugweg, die zich na een dag wandelen uiteraard door de avondspits beweegt, moeten we vaak tot boven Alkmaar genoegen nemen met een krappe staanplaats in een afgeladen halletje, of, als we geluk hebben, met een plakkerige zitplaats op een smerig trappetje. Het is niet anders. Wie het klimaat wil dienen moet offers brengen. Vanuit dat perspectief bezien zou je het ook als bemoedigend kunnen ervaren dat de trein zo goedgevuld is, al is het dan met gratis reizende studenten. Ik wil daar niet meteen een oordeel over hebben.
Waar ik wel meteen een oordeel over heb, is de jongeman die we vandaag in onze eerste trein op de heenweg aantreffen. Lang- en breeduit uitgestrekt neemt hij samen met zijn rugzak een hele vierzitter in beslag, in een verder behoorlijk gevulde coupé. Hij houdt zich slapend en reageert niet op onze afwachtende aanwezigheid naast zijn koninkrijk. Zijn kapsel zit onberispelijk in model gekamd en geboetseerd, maar voor de rest ziet hij er wat smoezelig uit. Er zitten vlekken in zijn shirt, er liggen croissantkruimels op zijn jas en er hangt een meer dan vage dranklucht om hem heen. Mijn zoon wurmt zich mild en toegeeflijk tussen verschillende ledematen door naar de moeilijk bereikbare restanten van een zitplaats, maar ik heb het opeens wel even gehad met dat hedonistische, verwende, onverschillige en egocentrische millennialgedrag. Okay, dan maar een boomer. Ik duw wat tegen zijn schouder en roep iets over zitten, en plaats maken, wat dan uiteindelijk met gepaste onwilligheid gebeurt. Zolang we tegenover elkaar zitten blijft hij gedrogeerd knikkebollen. Niettemin lijkt hij op weg te zijn naar school, gezien het tijdstip op de dag, de rugzak en het station waar hij uitstapt. Ik heb ernstig medelijden met degene die zuks straks in de klas heeft zitten.

Uit: De dunne grenzen van het fatsoen, gepubliceerd op De Vrije Wandeling, weblog van een wandelaar.