zaterdag 15 september 2018

Een ongeschilderd schilderij






Omdat ik toch in Den Haag ben, voor andere zaken, besluit ik de middag die ik daarvan overhoud cultureel te besteden en zet ad hoc koers naar het fotomuseum, in de verwachting dat daar altijd wel iets te zien is dat de moeite loont. Die verwachting wordt bij binnenkomst meteen gesmoord door de dame die mijn museumjaarkaart scant: er wordt een nieuwe tentoonstelling ingericht en het fotomuseum is vandaag gesloten. Ik ben dus te vroeg, of te laat.
Het Gem is wél geopend, biedt de dame mij bijna verontschuldigend als troost, blijkbaar al in de veronderstelling dat ik daar niet voor kwam. Een veronderstelling die dus juist is, maar ach, waarom niet, denk ik, de kaart is nu toch al gescand, laat ik mij dan maar eens onderdompelen in de actuele kunst, want dat is wat het Gem te bieden heeft, actuele kunst. Vandaag met een expositie getiteld: Geluidsgolven. Met werk van ene Dick Raaijmakers en ‘een nieuwe generatie kunstenaars die beeld en geluid op een verrassende manier laten samensmelten’, aldus de introductie. Dick Raaijmakers ken ik niet en verder kan het ook alle kanten op, dus ik ben benieuwd, en klaar me te laten verrassen.
Goed, laat ik maar meteen bekennen dat ik er niet van ondersteboven ben geraakt. Ik ben heus geïnteresseerd in kunst en zeer bereid ergens wat langer naar te kijken en iets wat beter op me in te laten werken, maar hier kan ik niet zoveel mee.
Okay, in zaal één staat een soort robotje dat als je goed oplet een mysterieus geluid langs wanden en plafond laat suizen en dat met zijn rechthoekige, ronddraaiende koppie een zekere vertedering oproept, gelijk Pixars Wall-E, al zal dat ongetwijfeld de bedoeling niet zijn, en dat is best leuk. Geinig. Ja..
En in de middelste zaal staat een apparaat dat twee vrij grote megafoons in het rond laat zwiepen, steeds sneller en sneller, waardoor het islamitisch aandoend gezang dat eruit komt vreemd wordt vervormd. Dat is ook best leuk. Als ding. Maar in deze verduisterde zaal lijkt het deel uit te maken van iets groters. Aan twee kanten worden wandgroot verminkte en schokkerige filmbeelden geprojecteerd van wat etnische taferelen zouden kunnen zijn geweest; er ligt een gitaarversterker scheef op z’n zij op de grond, waar een soort beat uitkomt; er staan een paar niet nader toegelichte etnisch aandoende houten beelden; een basedrum met een lichtorgel erin; er hangen lelijke tekeningen in fluorkleuren aan de wanden, die in het gekleurde flitslicht telkens iets anders oplichten en lijken te bewegen; en er hangen her en der uit grof zwart afvalmateriaal vervaardigde serpentines en vlaggetjes van het plafond. Het wordt mij niet duidelijk of ik inderdaad te maken heb met één totaalkunstwerk, maar ik krijg wel heel erg het gevoel dat hier iets bedoeld wordt. Dat het in elk geval de bedoeling is dat ik dat gevoel krijg. Ik kom er alleen niet achter wat het zou kunnen zijn en ik kan de gedachte niet onderdrukken dat dát dan wel eens de bedoeling zou kunnen zijn. Maar, erger nog, het interesseert me eigenlijk niet. Het stoort me alleen maar, dit soort pretentieuze lelijkheid. Jammer van het ding met de megafoons. In zijn eentje was dat een sterk beeld geweest. Desnoods zelfs een werk dat beeld en geluid laat samensmelten. Op een verrassende manier, vooruit.
In de derde zaal tenslotte wordt mijn middag gelukkig gered. Niet door het werk dat er getoond wordt want dat heeft niet veel om het lijf. Dat behelst niet meer dan vier enorme speakers waar een rabbig plaatje aluminium voorhangt, aan een tamelijk lullig ijzerdraadje, waarvan ik later op internet uitvind dat het inderdaad de bedoeling was geweest dat die plaatjes door het geluid uit de speakers in beweging zouden zijn gekomen. Ik had het al gedacht en ik heb er een tijdje op staan wachten, maar blijkbaar was de installatie defect. Of mijn geduld te beperkt.
Nee, mijn middag wordt gered door het beeld van de suppoost die in deze zaal zijn toevlucht heeft gezocht voor het abstract kabaal dat uit de middelste zaal klinkt, in een permanent aanzwellende en wegstervende herhaling waarschijnlijk. Geslagen loopt hij de zaal op en neer, starend naar zijn piepende schoenen. Iedere stap is wéér een seconde voorbij. Moedeloos verlangend stelt hij zich op voor de glazen wand waarachter het dagelijks leven voorbijtrekt en zich er niets van aantrekt dat hij hier staat. Alleen ik zie hem. In een ongeschilderd schilderij van Edward Hopper.

Mocht u het niettemin met eigen ogen willen zien, de tentoonstelling Geluidsgolven loopt nog tot 14 oktober, in het Gem in Den Haag.

woensdag 12 september 2018

Lomp







Op perron één sta ik op de trein van tien voor drie te wachten. Ik moet verderop zijn, voor het één of ander. Op hetzelfde perron is een glazen wachthuisje nogal uitgebreid en onderuitgezakt in beslag genomen door drie morsige, rood aangelopen mannen die luidruchtig maar moeilijk verstaanbaar tegen elkaar of in zichzelf zitten te oreren. Ze hebben alle drie een halve liter blik goedkoop bier onder handen en in de zakken van hun vettige jassen zit alvast het volgende. Om hen heen liggen de dichtgeknepen en leeggedronken voorgangers op de grond verspreid. Het wachthuisje mist een paar ruiten maar er liggen geen hopen glassplinters omheen dus daar zullen de mannen niets mee te maken hebben, al draagt het wel bij aan de sfeer.
De mannen roepen wat naar de overkant, waar op perron twee een getinte medelander loopt. Eén van de mannen staat er zelfs voor op, loopt er zelfs voor naar de rand van het perron, om iets naar de getinte medelander te roepen. Het is niet te verstaan, gelukkig waarschijnlijk, maar je kunt wel goed horen dat de roepende man weinig tot geen tanden meer in zijn mond heeft. Hij maakt nog een wegwerpgebaar dat ook van alles kan betekenen en voegt zich dan weer bij de rest. De getinte medelander glimlacht maar wat en loopt verder. Tja, wat moet je anders.
Ondertussen hoop ik een beetje dat deze mannen niet ook met de trein willen reizen, niet met de mijne in elk geval, maar voor de zekerheid besluit ik zo ver mogelijk door te lopen op het perron, zodat er, mocht dat toch het geval zijn, op zijn minst een paar coupés tussen zullen zitten. Ik ga bij die strategie uit van de veronderstelling dat de mannen te beroerd zullen zijn om meer stappen te zetten dan strikt noodzakelijk zijn om de trein in te komen en op de dichtstbijzijnde stoel neer te ploffen. Ik hoef er, volgens deze gedachtegang, alleen maar voor te zorgen dat mijn stoel zo ver mogelijk van de dichtstbijzijnde is.
En zo blijkt maar weer dat je je lelijk in de mensen kunt vergissen want we zijn het station amper uit of de deur van mijn veilig gewaande coupé wordt opengeduwd en twee van de morsige mannen stommelen naar binnen, de derde kwam ze blijkbaar alleen maar uitzwaaien. En hoewel de coupé zo goed als verlaten is, besluit één van de mannen zich in de bank naast mij te laten vallen, waarop de ander kiest voor de plaats schuin tegenover mij, zodat ze in de rechthoek van vier tweepersoonsbanken zo ver mogelijk van elkaar af zitten. Met mij er tussen. In een wolk van kwalijke dampen.
Op onverminderd luide toon hervatten de mannen hun vochtige, wankele conversatie die gaat over de verschillende gevangenissen, wederzijdse kennissen en het feit dat hun laatste biertje eerder op is dan voorzien.
Eén van de mannen heeft tattoos in zijn nek, zie ik nu.
Ik voel mij wat ongemakkelijk bij zoveel boerse lompheid. Ik erger me eraan. Ik erger me aan de inbreuk op mijn rust, aan het schijt hebben aan mijn aanwezigheid. Ik erger mij ook aan mijn kleinburgerlijk vermoeden dat deze mannen hoogstwaarschijnlijk niet zijn ingecheckt, omdat ze zelf natuurlijk net zo goed weten als ik dat ik als keurig betalende beste reiziger niet op een conducteur hoef te rekenen in een situatie als deze. Maar het meest erger ik me nog aan het feit dat ik blijf zitten. En aan het donkerbruin vermoeden dat ik dat doe omdat het onbeleefd zou kunnen overkomen dat niet te doen.

vrijdag 7 september 2018

Noppers







Met mijn kleindochter van twee dwaal ik door de supermarkt, voor een boodschapje, of een paar boodschapjes. De kleine meid drentelt zorgeloos voor me uit, en minstens even opgewekt drentel ik achter haar aan, mij welbewust van het feit dat ik vreselijk loop te glimmen van niet ter zake doende trots. Van andere mensen heb ik dat altijd hinderlijk overdreven gevonden, dat hemelse in het rond glimlachen van kijk mij eens met mijn kind - stel je niet zo aan, dacht ik dan, kinderen krijgen kan iedereen, niks bijzonders - maar vanaf dat ik vader ben, heb ik voor mezelf een uitzondering bedongen, bij mijn strengere zelf. En ook als opa heb ik mijzelf de vrije hand gegeven.
Het is voor mij een vreemde supermarkt maar de kleine meid lijkt de weg wel aardig te kennen want na enige omzwervingen houden we stil bij de schappen met koek en snoep. Trefzeker pakt ze een zak Noppers, die strategisch op haar hoogte ligt uitgestald. Triomfantelijk kijkt ze mij aan, alsof ze weet dat ik die vroeger altijd voor mijn jongens kocht en dat ik alleen om nostalgische redenen al niet zal kunnen weigeren. Maar ik weet niet zeker of mijn dochter, haar moeder, zo’n uitspatting wel goed zal keuren en omdat ik even tevoren ook al op een grootvaderlijk ijsje heb getrakteerd, kies ik nu voor het saaie: Nee joh, dat hebben we niet nodig, leg dat maar weer terug.
Nou is de kleine niet voor niets onlangs twee geworden, dus zij antwoordt met een geheel bij die leeftijd passend gedecideerd nee. Drukt de zak met lekkers nog eens extra stevig tegen zich aan. En ach, wil ik al bijna overstag gaan, wanneer ik al in het rond glimmend opmerk dat ik word gadegeslagen door een mevrouw van onbestemde leeftijd, die mijn kleindochter duidelijk erg schattig vindt en nu benieuwd is naar hoe opa zich hier uit gaat redden.
Om één of andere reden neemt mijn strengere zelf nu weer de leiding en voel ik de vreemde behoefte hier publiekelijk te demonstreren dat ik dus niet zo’n opa ben die zijn gebrek aan vaderlijke liefde en aandacht voor het eigen kroost nu over de rug van zijn kleinkind probeert te compenseren. Dat ik als voltijds huisvader vaker met dit bijltje gehakt heb en dat ik bovendien ook niet zo’n slappeling ben die voor het gemak altijd maar door de knieën gaat voor de wensen van het prinsenkind.
Leg het maar terug, herhaal ik dus op de toon die bij mijn eigen kinderen altijd afdoende is geweest, en toch ook wel een beetje tot mijn opluchting werkt het bij mijn kleindochter ook. De zak Noppers gaat terug in het schap, opa’s punt is gemaakt, al weet hij zelf niet precies bij wie. Of waarom.
En als alle boodschappen zijn gedaan maakt opa een extra rondje langs de schappen met koek en snoep, verzekert zich ervan dat de mevrouw van onbestemde leeftijd er niet meer staat en laat zijn kleindochter alsnog een zak Noppers mee naar de kassa nemen.
Ja, kom zeg.. je bent opa of je bent het niet.

woensdag 29 augustus 2018

Meeuw






Bij mijn dagelijks bedoelde ochtendwandeling werd ik vandaag ingehaald door een meeuw. Wat voor meeuw het precies was, daar waag ik me niet aan want het was waarschijnlijk een andere, maar ik vermoed de Larus Canus. Het beest vloog laag over me heen, maakte een capriool en landde een tiental meters verderop op het asfalt. Daar bleef hij zitten. Toen ik te dicht bij kwam naar zijn smaak trippelde hij een stukje voor me uit, vloog dan toch maar op om nauwelijks twintig meter verder opnieuw te landen. Dit herhaalde zich een aantal keer. Opvliegen, landen, wegtrippelen, opvliegen en weer landen.
Je bent dan geneigd zo’n beest een beetje onbenullig te vinden. Waarom steeds zo’n klein stukje vooruit vliegen? Waarom niet links of rechtsaf de oneindige weilanden in? Veilig achter een sloot. Waar je geen wandelaar tegenkomt, waar je steeds zo lastig voor op moet vliegen. Of als je misschien per se op het asfalt wilt zitten, waarom dan niet de andere kant op gevlogen? Waar de wandelaar al geweest is. Je zou verwachten dat een meeuw dat vanuit de hoogte wel een beetje kan overzien. Dat het gevaar op de grond wel een beetje wordt ingeschat.
Tot je je na een tijdje plotseling afvraagt of het misschien niet zo zou kunnen zijn dat die meeuw nieuwsgierig is naar jou. Dat ie wel op zekere afstand wil blijven, maar je toch eens wat beter wil bekijken. Wat jij er voor eentje bent.
En ik geloof verdomd dat dat het was.
Na vier of vijf keer besloot ik zelf ook eens stil te houden, op precies de kritieke afstand, net vóór het moment van opvliegen. Ik bleef staan. De meeuw bleef zitten. Een tijdje stonden we elkaar zo stilletjes te bekijken. Een tijdje stonden we elkaar áán te kijken, de meeuw en ik. Zo had ik een meeuw nog nooit gezien. Zo had ik een meeuw nog nooit bekeken.
Na deze korte ontmoeting vervolgden we ieder ons eigen weg. Van de meeuw weet ik het niet, maar ik had iets bijzonders meegemaakt.

Meeuw was al eerder te lezen op dit weblog, maar omdat Edith Brouwer er onlangs deze fraaie linosnede bij maakte, besloot ik dat ik het best nog een keer kon plaatsen.

zondag 29 april 2018

Kiekendief







Op een plek waar ik ze al eerder had gezien, zag ik vanmorgen twee roofvogels, onrust zaaiend rondcirkelen boven een riet-omzoomd meertje. Twee roofvogels. Verder dan dat kom ik meestal niet, in de herkenning. Ik probeer me dan altijd wel een beeld in te prenten, als ik wat zie vliegen, om het later nog uit te zoeken, maar eenmaal weer thuis is dat beeld meestal alweer aardig vervaagd, lijken al die roofvogels ook eigenlijk best wel op elkaar en blijk ik op allerlei onderscheidende details niet te hebben gelet. En mocht ik al eens tot een soortnaam komen dan blijk ik het de volgende keer dat ik iets zie vliegen toch gewoon weer niet te weten. Ik heb er weinig talent voor, denk ik.
Toch weerhoudt dat me niet om ook nu weer een poging te wagen wat kenmerken te onthouden, je weet tenslotte maar nooit. Ik blijf dus een tijdje staan kijken hoe de vogels onverstoorbaar hun rondjes vliegen. Hoe ze soms wat verder weg zweven, een tussenlanding maken, maar altijd weer terugkomen boven het meertje. Van mij trekken ze zich weinig aan, ik kan ze aardig bekijken, zo met het blote oog. Ik zie witte schouders, een lange staart met een afgerond eind, puntige vleugels, een roodbruine kleur. Eén is duidelijk groter dan de ander. Ik vermoed dat het een stelletje is dat hier een nest in de buurt heeft. Sterker nog, ik heb het overmoedige idee dat ik ook weet waar dat nest zit want ik zie ze telkens op hetzelfde punt neerstrijken, aan de overkant van het water, ergens tussen het riet en een groepje bomen. De grootste van de twee zie ik daar zelfs met een flinke tak in zijn poten landen. Dat kan bijna niet missen in deze tijd van het jaar, besluit ik.
Ik waan mij een hele ornitholoog wanneer ik om het meertje heen loop en bij het bewuste bomengroepje voorzichtig op onderzoek uitga, of ik iets van een nest kan vinden. Op z’n minst een aanzet daartoe. Of in elk geval die ene tak. Al speurend begin ik me dan te realiseren dat wanneer het klopt wat ik denk er hier dus twee roofvogels bezig zijn aan een nest op de grond. En begin ik mij meteen maar af te vragen of roofvogels dat wel doen, op de grond broeden. Ik heb natuurlijk weer eens geen idee. Maar eenmaal weer thuis in de boeken blijkt juist deze vraag tot een voorzichtige conclusie te leiden. De kiekendief namelijk. Want die nestelt inderdaad op de grond, in de buurt van water en riet. Lees ik. Buizerds, haviken en sperwers, lees ik verder, nestelen hoog in de boom. Valken bouwen zelf geen nest, die kraken iets dat leegstaat, of gebruiken een kast. Het zal, denk ik tenslotte, een bruine kiekendief zijn, vanwege de kleur uiteraard, maar ook omdat dat volgens internet verreweg de meest voorkomende soort is in ons land. De blauwe en de grauwe zijn zelfs ronduit zeldzaam.
Voilá. Gedetermineerd.
Niet dat ik nou de volgende keer een kiekendief van een buizerd kan onderscheiden, toch is het fijn om uit te vinden dat wat je gezien hebt klopt.

dinsdag 24 april 2018

Kikkers






Je kunt natuurlijk gaan ochtendwandelen en dan hopen dat je kopzorgen en je muizenissen verwaaien met de ochtendbries. Dat je wat opklaart van het ochtendzonnetje op je bol. Dat het wat karige humeur wordt opgetild door de vogels, en de dieren des velds.
Vaak loopt het zo trouwens. Je komt al snel iets tegen dat je opbeurt. Al is het maar een merel die je te laat in de gaten heeft en zich dan kwaadaardig scheldend uit de wieken maakt. Of het jouw schuld is. Al is het maar een stelletje kraaien dat zich hoog boven op een tak niet druk zit te maken om jou, al hebben ze je heus wel in de gaten, met die nieuwsgierige blikken naar beneden. Die weten dondersgoed dat jij niet kunt vliegen en dat je echt niet in die boom gaat klimmen. Al is het maar een handvol lammetjes dat zich in malle bochten bokkespringt omdat al die levenslust er nou eenmaal gewoon niet inpast.
Maar misschien was het humeur vandaag al te ver heen, dat zou kunnen, want vandaag was het ijdele hoop. Ik was alleen op de wereld. Het enige dat ik tegenkwam was een drietal dode kikkers op het asfalt. Met hun lange, spitse ledematen in bevallige, vrolijke poses lagen ze daar, hun bolle kopjes nuffig omhoog. In een verstilde danse macabre. Een voor altijd op pauze gezette videoclip van Roger Glover and Friends. At the butterfly ball.
Ze waren niet platgereden, niet onder een auto gekomen. Ze waren feitelijk ongeschonden, behalve dan dat ze dood waren. Technisch gesproken zal er dus wel een vogel aan te pas zijn gekomen, al vraag je je af hoe het zo gekomen is dat die drie zo dicht bij elkaar liggen. Zo ongeschonden en zo dood. Wat er gebeurd kan zijn. Aan gulzigheid. Aan onhandigheid.
En technisch gesproken zijn het dus dieren, die ik hier tegenkom, op mijn weg. Maar of mijn humeur er nou erg door wordt opgetild, dat waag ik te betwijfelen.

dinsdag 10 april 2018

Kuifeendjes







Eerder deze week kwam ik al ochtendwandelend langs een bescheiden meertje hier in de buurt, rijk omzoomd van kragen riet. Het was een mistige ochtend en één en ander zorgde voor een even mysterieuze als fotogenieke aanblik waar ik een tijdje zomaar gratis van stond te genieten. Iets verderop zag ik twee niet nader herkende roofvogels elkaar de boom uit jagen en om de beurt dreigende rondjes over het water zweven. Er was een fuut, er waren eenden en ganzen en meerkoeten natuurlijk, vlakbij was er iets kleins en grijs dat wel eens een rietzanger of een rietgors of iets anders met riet geweest zou kunnen zijn, en er was plotseling het onmiskenbare geluid van een roerdomp. Nooit eerder echt gehoord maar het was hem, zonder twijfel. Een laag, oemp of hoemp achtig geluid dat eigenlijk wonderwel bij de naam past. Alsof de roerdomp probeert zijn eigen naam uit te spreken. Maar dan onder water. Het zou mij niet verbazen wanneer de naam van de roerdomp een soort verbastering van zijn geluid zou zijn. Een pseudonomatopee, of zoiets. Enfin, hoe het ook zij, de roerdomp liet zich niet zien, hij keek wel linker uit.
Vandaag besluit ik een tweede poging te wagen en wandel opnieuw naar het meertje. Mijn komst wordt al van verre aangekondigd door een stelletje meerkoeten dat zich kijvend en spetterend uit de voeten maakt, eenden die schielijk opsnateren en een koppel ganzen dat foeterend opstijgt om verderop met veel misbaar te water te gaan. Dat zal wel niks worden, probeer ik mezelf maar vast wat op een teleurstelling voor te bereiden. Het moet wel heel vreemd uitpakken wil hier nou net een dove roerdomp zijn neergestreken. Evengoed blijf ik een tijdje staan, hopend tegen beter weten in.
Niet veel later krijg ik ongevraagd gezelschap van een man op de fiets. Langzaam hobbelt hij over de grasdijk dichterbij, een beleefde groet bij het passeren. Het is een fiets met fietstassen, én een mandje voorop. Tien meter van mij vandaan stopt de man en stapt af. Vanachter zijn fiets speurt hij het water en de rietkragen af. Verdomme, denk ik, die gaat hier een beetje op míjn roerdomp staan azen. Even later pakt hij een camera uit één van zijn fietstassen en gaat alvast wat kuifeendjes fotograferen die verderop mooi afsteken tegen het goudgele riet.
Voor mij is de lol eraf. Onverrichterzake en met iets van de pest in verlaat ik het meertje. En dan loop ik ook nog terug in plaats van verder, om niet door de man zijn foto heen te lopen. Sukkel die ik ben.

maandag 2 april 2018

Goed voornemen







Al kom je geen drie kilometer van huis, er valt van alles te zien en te horen, op zo’n ochtendwandelingetje. Je hoeft, wil ik maar zeggen, dus eigenlijk alleen maar de deur uit te gaan, en dan ben je er al. Er vliegt van alles voor je uit en over je heen en het is een leven van belang. Nou heb ik het geluk natuurlijk dat ik met vijf stappen het buitengebied in loop, waar vaak nog weer andere dingen te zien zijn dan in de bebouwde kom, met een wijdere blik ook nog, maar zelfs een wolkje kwetterende mussen in de heg van de buren kan het leven al de moeite waard maken als het moet.
Nog leuker is het natuurlijk wanneer je iets bijzonders meent te zien of te horen. Iets waarvan je meent te weten dat je dat niet zo snel of vaak te zien krijgt. Omdat het zo schuw is bijvoorbeeld, of zeldzaam, of zo klein en vlug. Omdat het bij jouw weten niet zo heel veel voorkomt in deze streek, of omdat je er gedurig van leest en hoort dat het er niet zo best mee voorstaat. Het wolkje mussen in de heg van de buren schijnt daar trouwens inmiddels ook toe te behoren, maar goed.
De eerste in de buitencategorie is vandaag een witte reiger. Met terugwerkende kracht gok ik op de grote zilverreiger, die ik hier in Noordholland niet vaak, maar wel steeds vaker zie. Wat klopt met de berichten dat ze het sinds enige tijd goed doen in ons land, wat dan ook weer te maken schijnt te hebben met veranderd beheer van de Oostvaardersplassen, maar uit veiligheidsoverwegingen ga ik daar verder niet op in.
Mijn witte reiger staat een heel eind verderop in een sloot en heeft mij waarschijnlijk al veel eerder gezien dan ik hem. Hoewel hij daar natuurlijk gewoon liep te vissen, lijkt hij zich achter de slootwal te verstoppen. Zijn lange, dunne en helwitte nek steekt nog een argwanend eindje boven het maaiveld uit, om mij in de gaten te houden. Verder is er niemand. Uiteindelijk neemt hij het zekere voor het onzekere en maakt zich superieur uit de wieken.
Wanneer ik weer door wil lopen, hoor ik een volgende bijzonderheid. Ik realiseer me trouwens dat ik dat al een tijdje hoor, maar nu luister ik er ook naar. Een grutto. Vergissen is uitgesloten omdat die zijn eigen naam roept. Tenminste, dat wordt beweerd. Ik sluit mij hier tegendraads aan bij Koos van Zomeren, die de roep van de grutto noteert als oo grut oo grut. Dat is precies wat ik hoor. Een wat zorgelijk oo grut oo grut. Niet ten onrechte, schijnt dat te zijn, omdat de ooit oer Hollandse weidevogel inmiddels min of meer met uitsterven wordt bedreigd. Er zijn oer Hollandse zaken waar meer lawaai over gemaakt wordt wanneer ze zelfs maar een beetje onder druk komen te staan, maar ook dat is een onderwerp waar ik uit veiligheidsoverwegingen beter niet over kan uitweiden.
Goed, nu ik een grutto hoor, zou ik hem ook wel willen zien, zo gaan die dingen, dus ik pas mijn route aan en loop in de richting waarin ik hem vermoed. Wanneer ik hem na een tijdje opnieuw hoor, is dat alweer een aardig eindje achter mij. Ik ben te ver gelopen. Ik ben vergeten stil te blijven staan, ik ben teveel aan het wandelen. Maar nu zie ik hem ook vliegen, dus ik verleg mijn koers opnieuw en keer op mijn schreden terug. Tot waar ik hem heb zien landen, tot waar ik niet verder kan komen. Aan de slootkant sta ik geduldig te wachten of hij nog eens op wil vliegen, iets dichterbij wil komen misschien. Maar nee. Ingespannen sta ik daar heel lang in de verte te staren naar een bewegend vlekje dat best een grutto zou kunnen zijn, maar evengoed iets anders.
Ik zie het er nog van komen dat ik één dezer dagen met een verrekijker van huis ga voortaan.

vrijdag 30 maart 2018

Dwaalgast







Ergens achter mij, in de keuken, wordt koffie voor me gemaakt. Ik sta in een vreemde huiskamer wat naar buiten te kijken, en af te koelen van de verhitte gesprekken die hier zojuist op hoge toon zijn gevoerd. Die straks hun vervolg wel zullen vinden, vrees ik. Leuk is anders, maar soms gaat het zo. Buiten, aan de overkant van de straat, in een voortuin, zie ik een vogel die mij afleidt en mijn aandacht trekt. Omdat ik meteen zie dat ik niet weet welke vogel het is. Nou ben ik geen kenner dus dan kan het nog werkelijk bijna alles zijn, maar één ding weet ik zeker: het is geen merel. En dat is vreemd want het líjkt wél een merel. Het lijkt in alles een merel. Precies even groot, hetzelfde silhouet, dezelfde vlucht. Alleen de kleur klopt niet. Geen gele snavel, geen zwart pak, geen bruin verenkleed voor het vrouwtje. Deze vogel is lichtgrijs van onder en donkerder van boven. Dus een zanglijster, waar je dan aan denkt, is het ook niet. Nee, dat is het zeker ook niet. Ik beweeg me dichter naar het raam voor een betere blik en misschien zelfs een foto maar tegelijk springt buiten op straat een kat tevoorschijn om een poging te wagen en de vogel vliegt buiten beeld.
Eenmaal weer thuis zoek ik op internet wat het geweest zou kunnen zijn. Dat leidt tot verschillende opties waar telkens ook wel weer iets op valt af te dingen. Zo vind ik de zogenaamde beige merel. Een merel met een pigmentafwijking, die daardoor lichter uitvalt dan het origineel zonder dat het een albino wordt. Het zou de gelijkenis met de merel verklaren omdat het dus ook een merel ís, maar beige was mijn vogel zeker niet. In mijn enthousiasme twijfel ik heel even over de Gray lijster, die ook grotendeels aan de omschrijving voldoet maar bij nadere lezing alleen in Noord en Zuid Amerika voorkomt. De zwarte roodstaart dient zich aan als algemeen voorkomende tuinvogel, maar dat rood bij de staart.. dat had ik zeker gezien, als het er geweest was. En zo kom ik dan uiteindelijk op de zwartkeellijster uit, waar ik nog nooit van gehoord had. Wat daar op af te dingen valt is dat dat héél bijzonder zou zijn, in deze contreien. Dat dat in Nederland sowieso een dwaalgast zou zijn, omdat hij broedt in Siberië en overwintert in de Himalaya. Een vogel die vanaf 1981 slechts een keer of tien is waargenomen in ons land, lees ik op een site die het weten kan. Een tikkeltje hoogmoedig dus. Maar ik lees ook dat er afgelopen maand weldegelijk een paar zijn waargenomen, in Groningen. Dat vogelaars van heinde en verre naar een achtertuin in Scheemda trokken om hem daar te zien. Dus.
Ik weet er niet genoeg van en durf niets met zekerheid te zeggen, maar als ik het hier en nu dan toch voor het zeggen heb, dan heb ik het liefst een zwartkeellijster gezien. Wie doet me wat? Een zeldzaamheid. Dat zie je misschien maar één keer.
Hopelijk heeft die kat hem niet te pakken gekregen.

woensdag 28 maart 2018

Gmweûh






Het zal het twijfelachtige weer zijn, op mijn wandeltocht door bos en hei, maar ik ben alleen op de wereld vandaag, zo lijkt het. Geen kip, kom ik tegen. Geen hond. Geen mens. Erg vind ik dat niet. Zo loopt er niemand in mijn uitzicht en kan ik zonder al te veel dralen of oponthoud de uitgestorven foto’s maken waar ik de voorkeur aan geef. En op honden onderweg ben ik toch al niet dol. Bovendien hoef ik nu niet na te denken over hoe er gegroet moet worden. Dat blijkt namelijk, wandelend in Nederland, overal anders te zijn. Het is moi of hoi of hé of nog iets anders en ik weet nooit hoe, wat en waar. Veiligheidshalve houd ik het daarom meestal op goeiedag, dat kan niet verkeerd gaan. Tenminste dat dacht ik. Nu er toch plotseling iemand opduikt, in strakke zuurstokkleuren, die mij groet met ‘goeiedag’, raak ik zo van mijn apropos dat mijn tekst hier wordt ingepikt, dat ik er bij mezelf een verbouwereerd, alles dooreen verhaspelend gmweûh uit hoor komen. De zuurstokman zal zich de rest van de dag hebben afgevraagd waar ik in vredesnaam vandaan kwam.
Verbouwereerd ook trouwens omdat het niet klopt met het door mij in de loop der jaren proefondervindelijk vastgesteld systeem van groeten. Mensen in zuurstokkleuren groeten geen wandelaars, in dat systeem. Die hebben het daar te druk voor, met hun prestatie, hun hardloopapp en hun hartslagmeter. Voor mensen in zuurstokkleuren op fietsen geldt dat nog sterker, die wanen zich van een hogere orde en nemen zelfs helemaal geen wandelaars waar. Wandelaars groeten iedereen, maar worden alleen teruggegroet door andere wandelaars, in de meeste gevallen, als ze geen nordic stokken hebben. In uitzonderlijke gevallen ook door fietsers zonder zuurstokkleuren en ruiters. Dit systeem geldt alleen in de provincie. In randstedelijk gebied wordt in principe niet gegroet. Al passeer je elkaar op een pad van een halve meter breed en moet je voor elkaar de berm in, oogcontact wordt vermeden en ieder vervolgt het eigen gesprek of de eigen gedachtegang. Groeten wordt hier ervaren als zonderling gedrag en een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en daarom ten sterkste afgeraden.

Uit: ‘Groeten uit Grolloo’, gepubliceerd op De Vrije Wandeling, weblog van een wandelaar

zaterdag 24 maart 2018

Bomen horen in het bos







Een opvallend feit over de dorpsgemeente op het platteland waar ik ruim tien jaar terug mijn toevlucht uit de grote stad heb gezocht, is dat men er een hekel heeft aan bomen. Bomen horen in het bos, is een veelgehoorde uitspraak. En voordat iets een bos kan worden, wordt het snel omgezaagd, want bossen, daar is men hier ook niet zo dol op. Ik kan er maar weinig vinden tenminste. Het dichtstbijzijnde bos dat er wél is, wordt momenteel drastisch uitgedund met het argument dat de boomsoort hier historisch gezien niet voorkomt. Historisch gezien ligt ons land voor een groot deel onder water, denk ik dan, dus laat die bomen nou ook maar staan, nu ze er eenmaal staan. Gek genoeg is dat één van de dingen die ik van de grote stad het ergste mis: het bos.
Opgeruimd staat netjes, zegt men hier, als er weer ergens een rijtje bomen is verdwenen. En: wát een licht. En: wát een ruimte. Geen takjes meer op straat, geen bladeren meer op de oprijlaan. Wat een heerlijkheid.
Laatst was het weer zover. Urenlang brulden kettingzagen en houtversnipperaars onafgebroken hun lied van dood en verderf door de wijk. Het was meteen onmogelijk me nog ergens op te concentreren. Vanwege de aanhoudende herrie uiteraard, die mijn hoofd overnam en iedere gedachte de nek omdraaide. Maar ook omdat ik er niet van houd dat er maar voortdurend bomen worden omgezaagd. Ik begrijp het vaak niet. Ik houd van bomen. In het bos en in de stad. Zonder bomen is er geen bos. Zonder bomen zijn stad en straat doods.
De geluiden die ik nu hoorde gaven alle aanleiding het ergste weer te vrezen. Met een zwaar gemoed ging ik later op de dag eens poolshoogte nemen en trof inderdaad niets dan droefenis. Het enige mooie in de straat waar het allemaal gebeurde, waren altijd de bomen geweest. Vijfendertig kersenbomen, niet ouder dan de straat zelf, niet ouder dan twintig jaar. Bomen waar bij het bouwen van de straat waarschijnlijk voor was gekozen. Misschien zelfs wel in overleg met de toekomstige bewoners. Bomen die de liefdeloos lelijke, zielloze straat ieder voorjaar tijdelijk omtoverden in een mooie straat. Met een rijke, wit-roze bloesem, van voor naar achter en terug. Twee, drie lieflijke rijen dik. Lommer in de zomer en in het najaar gratis kersen. Emmers vol. Waar je in de supermarkt een vermogen voor zou betalen. Kersen die niemand wilde. Behalve de spreeuwen. De spreeuwen die op de auto’s poepten.
Zo zal het zijn gegaan. Kunnen die bomen niet weg? Is men gaan denken. Die kersen.. Die spreeuwen.. Die bloemblaadjes.. Allemaal troep op de auto. Door de bomen. Een enquête, een petitie, een brief aan de gemeente.
De bomen waren allemaal omgezaagd. Niks was er van over dan vijfendertig verwijtende stompen, die verderop in de week met grof geweld uit de straat werden getrokken. Opgeruimd staat netjes. Straks worden de gaten gedicht, de straat opnieuw betegeld. Vijfendertig extra parkeerplaatsen. Wat een heerlijkheid.

dinsdag 20 maart 2018

Roerdomp






Met een vriendin maak ik een stevige wandeling in de omgeving. De koppen in de frisse wind. Dat gaat door natte weilanden en modder, over grasdijkjes, langs polders, sloten en vaarten. Met af en toe een dorp. Of een boerderij. En onderweg bespreken we het leven en de dingen en valt er van alles te zien. Wanneer we met een kippenbruggetje een vaart oversteken om aan de overkant tussen twee rietkragen verder te kunnen, schiet er plotseling met enig geraas een vogel uit het riet tevoorschijn. We zien hem opstijgen, maar vooral wegvliegen. Vanaf het hoge bruggetje hebben we er goed zicht op maar meer dan een flits en een streep krijgen we niet te zien, zo snel is de vogel gevlogen.
Toch weet ik zeker dat ik hier en nu, voor het eerst in heel mijn leven, een roerdomp heb gezien. Een roerdomp! De mysterieuze, schaarse en schuwe rietbewoner, die zich alleen met grote tegenzin laat zien. Daar vloog hij! Recht voor mijn neus, onder mijn ogen mijn blikveld uit.
Het klopt eigenlijk niet, heb ik het idee, want die hoort natuurlijk stokstijf met zijn snavel omhoog in het riet te blijven staan, doodstil vertrouwend op zijn vermomming, maar blijkbaar zijn daar uitzonderingen op mogelijk. Misschien heeft hij ons niet aan zien komen, aan gene zijde van het kippenbruggetje. Overvielen we hem met onze plotselinge verschijning in de hoogte en was er geen tijd meer ongezien en ver genoeg de rietkraag in te duiken.
Hoe het ook zij, daar vloog ie en ik wist zeker dat het ‘m was. De roerdomp. De maat, de kleur en het biotoop klopte en veel meer wist er niet van.
Dat was een roerdomp! roep ik dan ook vanaf het bruggetje, mijn enthousiasme niet onder stoelen of banken stekend. Enthousiasme over deze onverwachte waarneming maar ook over het feit dat ik nu ook eens meen te weten wat daar wegvloog. Mijn wandelgenoot toont zich onder de indruk van mijn parate kennis, waarmee ze die meteen ook weer schromelijk overschat natuurlijk. Maar voor de gelegenheid laat ik het me toch een keer aanleunen.

woensdag 14 maart 2018

Cirkels in het zand







Omdat we toch in Den Haag waren, met culturele bedoelingen, waaiden we tussendoor ook nog even aan op het Scheveningse strand. Dat vereiste enige moed, niet alleen omdat Scheveningen met de jaren steeds lelijker wordt, maar vooral omdat het bok-koud was en de poolwind het zand ons ongenadig in de gezichten striemde. Aanleiding voor de expeditie was het bericht dat op het strand van Scheveningen een kunstwerk van zand werd gemaakt. Nou gaat mijn hart meestal niet sneller kloppen van zandsculpturen. In de regel tref je dan een rij van dranghekken omheinde met paletmes uit speciaal zand gemetselde kitscherige, quasi virtuoze taferelen waarvan de patat-etende en bierdrinkende dagjesmeute dan vindt dat dat knap gemaakt is. Jazeker, ik ben van de Volkskrantlezende, azijnpissende linkse elite, en ik ben er trots op. Het mag van mij, de sbs6 zandsculptuur bedoel ik, maar ík hoef er niet heen.
Déze zandsculptuur echter, is bedacht door een kunstenaar slash landschapsarchitect, Bruno Doedens, dus dat is andere koek, al heb ik geen flauw idee wie het is. Van déze zandsculptuur had ik gelezen dat de patat-etende en bierdrinkende twittermeute het een schandelijke geldverspilling vond, dus míjn belangstelling was gewekt. Zo ben ik dan toevallig ook nog eens een keer, om wijlen Mies Bouwman te parafraseren. Vandaar dat wij vandaag dus ijs en weder trotseerden en ons op de Scheveningse boulevard waagden. Voor de kunst.
Ringen aan zee, zo heet het project, en het is bedacht en bedoeld om tweehonderd jaar badcultuur in Scheveningen luister bij te zetten. Wat dat ook moge betekenen, badcultuur, in Scheveningen.
Goed.
Twee onbemande, zilvergrijs glimmende graafmachines hebben op eigen kracht, op basis van gps-gegevens, in ruim twee weken tijd twintig ringen uitgegraven en opgeworpen, waardoor, in de woorden van de schepper, een iconisch landschap is ontstaan. En het is bepaald een bijzonder en indrukwekkend, licht vervreemdend uitzicht dat zich hier over driehonderd meter strand ontvouwt. Van boven gezien is het alsof het strand een rimpeling vertoont zoals nadat er een steen is in geworpen. Vanuit het midden breidt de rimpeling zich tussen boulevard en vloedlijn naar twee kanten uit, in steeds ruimere cirkelbogen, met wiskundige precisie. Het is een reusachtig labyrint, maar ook de associatie met graancirkels dringt zich op, hier is iets buitenaards gebeurd. Iets onverklaarbaars. De opgeworpen zandwallen zijn in het midden meer dan manshoog dus wanneer je daar zo tussen loopt heb je geen uitzicht meer en verlies je het idee dat je op het strand bent. Waar je wel bent, blijft onduidelijk. Aan de kant van de zee wordt het kunstwerk gedurig aangevreten door de branding uiteraard, gelijk het eerste het beste zomerse zandkasteel, en de wind doet vandaag alle moeite de scherpe kantjes van het patroon af te krijgen. Het publiek dat, ondanks verzoeken dat niet te doen, de strandringen beklimt, draagt ook zijn steentje bij aan de natuurlijke erosie. De graafmachines blijven dan weer tot begin april herstelwerkzaamheden verrichten en zo zal het enorme kunstwerk voortdurend veranderen en in beweging zijn en er geen twee dagen hetzelfde uitzien. Het is ook daarom jammer dat ik niet meer in Den Haag woon, ik zou er zeker regelmatig even langs fietsen om te zien hoe de ringen aan zee er vandaag weer bij lagen. Want behalve dat het een bijzonder en krachtig beeld is, vind ik het ook een zeer troostrijke en geruststellende gedachte dat een project als dit dus gewoon ook nog kan, in ons tijdsgewricht van enge eenheidsworst en ‘het moet niet gekker worden’. Dat mag ook wel eens gezegd.

Ringen aan zee is te zien tot 12 april, op het strand van Scheveningen. Voor wie daar niet in de buurt woont of komt, is de livestream op internet een manier om toch een idee te krijgen.

zaterdag 10 maart 2018

Industriële kathedraal met onzinapparaten






Alleen voor het gebouw al. Man! Jarenlang heb ik er pal naast gewoond, een leven geleden alweer. Letterlijk onder de rook want die waaide hoog over naar veel verderop in de stad. Zo pal dus. Vanuit de woonkamer zag ik de twee metaalkleurige schoorstenen torenen en die enorme vierkante hal stak ruim boven de scharrige huizen aan de overkant uit. De elektriciteitsfabriek in Den Haag. En nu lopen we er binnen. Voor Infinity, de expositie van Zoro Feigl.
Volgens het immer in overtreffendste trappen sprekende knmi is het de koudste eerste maart sinds de Kleinste IJstijd, en koud is het inderdaad, maar op één of andere manier sluit dat heel aardig aan bij de sfeer. Dik ingepakt, met de kragen op, betreden wij een vreemde, wat duistere wereld. Ziet het gebouw er aan de buitenkant nog uit als een grote vriendelijke reus, met zijn zorgvuldig vormgegeven 19e eeuwserige ingangspartij met torentjes, kanteeltjes en dakkapelletjes, zijn fraaie gevel met siermetselwerk om de halfronde vensters, binnen treffen we een ruige, afgetrapte fabriekshal model 1950. Een galmende industriële kathedraal die lijkt te zijn overgebleven van een dystopisch doemscenario. Opgetrokken rond een skelet van haveloze stalen balken van soms wel een meter hoog, zwaar leunend op zeer robuuste, vierkante pilaren. Gruizige plafonds met grote en kleine gaten lukraak her en der, waar ooit wel buizen en leidingen doorheen gelopen zullen hebben. Een betonplaten vloer die zich metersver uitstrekt en buitenwanden van indrukwekkende oppervlaktes gele baksteentjes, in klezorenverband de hoogte in gemetseld, die tegen al dit grof en gerafeld geweld vreemd keurig, haast truttig afsteken. Achterin het gebouw, waar de tussenverdieping ophoudt, kijk je tientallen meters omhoog een grimmig stalen labyrint in van zigzaggende trappen, loopbruggen en plateaus, dwarsbalken en constructiekruizen, vloertjes, roosters en trapleuningen. Aan de andere kant hangt een tweetal zware takelhaken omineus te zwijgen.
Toch zou je meteen bij binnenkomst al niet zeggen dat deze fabriekshal leegstaat. De immense, koude en schemerige ruimte is gevuld met industriële geluiden. Lawaai, gesis, metaal op metaal, stampende beweging, geknars, geschuur en gerammel, alles in veelvoud versterkt door de holle galm. Je zíet ook overal beweging. Vanuit allerlei ooghoeken zie je veelbelovend iets draaien, zwaaien of heen en weer gaan, lonkend in een felle kleur of alleen een mysterieus silhouet. Plotseling, met veel kabaal, soms subtiel of nauwelijks waarneembaar.
We lopen rond en laten ons bekoren en betoveren door een verzameling merkwaardige, speelse machines, installaties, apparaten die geen ander nut of doel lijken te hebben dan er zijn, en te bewegen. Tegelijk is hun aanwezigheid volkomen aannemelijk. Doordat de meeste objecten niet al te nadrukkelijk als kunst worden gepresenteerd maar zonder omhaal staan waar ze staan waar ze dan blijkbaar dus horen te staan en maar onverstoorbaar hun ding blijven doen, op door henzelf bepaalde momenten, worden ze één met het gebouw. Krijgt het ook iets onontkoombaars. Zou je je zomaar kunnen laten verleiden tot de gedachte dat hier weldegelijk iets tot stand wordt gebracht. Dat er weldegelijk een nut en een doel gediend wordt. Dat dat je alleen maar ontgaat. Wat daarbij ook helpt is dat de objecten, net als het gebouw, een ouderwets industriële uitstraling hebben en samengesteld lijken te zijn uit materialen en onderdelen die net zo goed uit het gebouw afkomstig zouden kunnen zijn. Robuuste elektromotoren, kettingen, stangen, brandslangen, rubber banden, zeildoek en touwen zo dik als een bovenarm. In elkaar gezet bovendien met een uiterst functioneel ogende deskundigheid. Geen charmant provisorisch geknutsel maar het echte werk. Gebouw en kunst smelten zo samen tot één spannend, uniek, geheel eigen universum. Klinkt een beetje als de verheven catalogus blabla waar ik eigenlijk een hekel aan heb, maar het is wel waar. Ga maar kijken.
Evengoed is het binnen al die industriële robuustheid wel de lichtvoetigheid die regeert. Want het blijven onzinapparaten natuurlijk, die geen ander doel hebben dan er zijn, en te bewegen. Voor de lol. Gewoon voor de lol. Het plezier dat de kunstenaar erin gehad heeft het te maken en dat er overal van af spat, en de lol die wij er weer aan beleven door er bij te staan en er naar te kijken.
Het is verleidelijk hier en nu een aantal van die installaties te beschrijven, in enthousiaste bewoordingen. Het risico is een beetje dat dat niet uit de verf komt en dat het zo’n verhaal wordt dat eindigt in een futloos “je had erbij moeten zijn”. Maar goed, dat moet dan maar.
Zo zien we bijvoorbeeld twee lopende banden, gewoon zoals die waar je je boodschappen oplegt wanneer je ze hebt gedaan, die slingerend en slepend met enig geraas een logge dans uitvoeren. Ze hangen van iedere context ontdaan los van het plafond naar beneden, schuins achter elkaar, en nemen telkens even het rit aan, aangedreven door beweeglijk aan kettingen hangende motoren.
Verderop staan we zeker een kwartier te kijken naar een losjes in de lucht gehouden kluwen van hun rol bevrijde brandslangen die in een ingewikkeld gesloten systeem aan elkaar zijn gekoppeld. Aanvankelijk hangt een groot deel van de slangen slap naar beneden geknakt maar doordat er ergens, vrijwel onzichtbaar, gedurig lucht in wordt gepompt en de boel steeds meer op spanning komt, zet het slangenstelsel langzaam maar zeker met hele kleine beweginkjes uit, als een vreemdsoortige plant die zich geleidelijk weer verheft nadat er op getrapt is. Een wonderlijk en wonderschoon schouwspel.
Op de tussenvloer treffen we vier autowielen die in een sierlijk gevecht zijn verwikkeld. Of in een gewelddadig ballet. Als een draaimolen hangt het geheel naar beneden. De drie buitenste wielen bewegen om het middelste, dat met een elektromotor is uitgerust en zo nog zijn eigen rondjes draait. Telkens wanneer één van de buitenste drie de middelste raakt wordt hij zonder mededogen weggezwiept, slechts rammelend in toom gehouden door zijn ketting.
Een iets andere, bijna verstilde sfeer treffen we beneden, waar tegen de wand van keurige gele baksteentjes twee transportbanden kalm en gestaag hun rondjes draaien, van beneden naar boven en achterlangs weer terug. Onderaan wordt de band door een bak met dikke vloeistof gevoerd die, cohesie adhesie, in een lobbige laag mee naar boven wordt genomen om ergens onderweg gedeeltelijk van gedachten te veranderen en terug naar beneden te zakken waardoor er twee lagen vloeistof in tegengestelde richting over elkaar glibberen. Dit levert een intrigerend en merkwaardig rustgevend schouwspel op. Twee monochroom psychedelische vloeistofdia’s die mij ook de associatie met de hoge glas in lood ramen van een kathedraal opleveren.
Nou goed, ik heb mijn best gedaan.

De tentoonstelling Infinity van Zoro Feigl is nog tot en met 18 maart te zien in de Electriciteitsfabriek in Den Haag. Als u in Den Haag woont of in de buurt bent is een bezoekje zeer aan te raden. Als u niet in de buurt bent is het een omweg waard. Kijk voor de openingstijden en andere toestanden op electriciteitsfabriek.nl

woensdag 7 maart 2018

Specht







Vanochtend vroeg wandelde ik dan weer eens mijn vaste rondje om de dag mee te beginnen. Ik zeg vanochtend vroeg, maar dat klinkt eigenlijk wel erg opgewekt zonnegroeterig en zo was het nou ook weer niet. Het was niet bij het krieken van de dag in elk geval want daarvoor zit er alweer bijna teveel voorjaar in de lucht. Daarvoor moet je alweer bijna té vroeg je bed uit, voor het krieken van de dag. Het was vóór achten, okay? Dat is vroeg genoeg. En mijn vaste rondje was het ook niet helemaal want ik had er een stukje aan vastgeplakt. Maar verder wandelde ik vanochtend vroeg dus weer eens mijn vaste rondje. Om de dag mee te beginnen.
En ergens in dat stukje dat ik eraan had vastgeplakt hoorde ik dat typisch spechtengeluid, een roffelend trrr, waar ik altijd erg blij van word, om één of andere reden. Al moet ik er bij toegeven dat ik te weinig een kenner ben om niet af en toe te twijfelen of ik nou een specht hoor of hout dat door de wind langs elkaar beweegt. Ook omdat de bijbehorende specht zich maar zo zelden laat zien.
Ook nu twijfelde ik in eerste instantie, het geluid klonk raar hard en had iets van een kunstmatige galm. Ik speurde vergeefs de bomen af, hoorde het geluid nog een paar keer en zag toen vlakbij de specht zitten. Gemakshalve schatte ik hem in als de grote bonte, de Dendrocopos Major, omdat dat geloof ik de meest algemene is, in deze contreien. Maar als gezegd, een kenner ben ik niet en ik weet niet precies hoe groot de grote en hoe klein de kleine is, laat staan dat ik op dat moment al wist dat er ook nog een middelste bestaat. En een witrugspecht bovendien. Enfin. Deze specht zat niet tegen een boom maar op het dakje van een lantaarnpaal. Speciaal voor mij gaf hij nog een roffel weg. Dat klonk lekker door, zo’n hardplastic dakje met een klankkast eronder.
Dus dan denk je: zo’n specht is niet achterlijk. Die weet heus wel dat er niets te halen valt in zo’n door mensenhanden geschapen plastic geval. Dat het ook geen handige nestplaats is, zo midden op straat. Dus als hij er dan toch zo enthousiast op zit te tikken, dan moet dat haast wel zijn omdat hij het zelf ook wel lekker vindt klinken, zo’n versterkte beat. Wel zo effectief. Hij zit daar natuurlijk zijn territorium af te bakenen, de lente hangt behoorlijk in de lucht tenslotte, en zo kunnen ze van verre al horen dat híj hier zit. Dat ze uit de buurt moeten blijven. En wie weet wat er nog aan vrouwtjes op af komt.
Ik kon het hem niet vragen, jammer genoeg, of ik gelijk had, want zodra hij mij in de gaten kreeg, ging hij er snel vandoor. Dus misschien is het onzin. Maar ik vind het wel leuk om te denken van niet.

donderdag 8 februari 2018

Is dit alles..?






Mijn jongste zoon is af en toe dus nog wel te porren voor museumbezoek. Leuk vind ik dat. En sterker nog, deze keer had hij mij ervoor gepord. Dat we weer eens naar het museum moesten gaan. Dat hem dat wel weer eens leuk leek. Nee, wat dat betreft is mijn opvoeding zeker niet mislukt.
Dus aldus trokken we er een dagje cultureel op uit en brachten onder meer een bezoekje aan het Mauritshuis. Voornamelijk omdat dat daar het Meisje Met De Parel hing. Daar had mijn zoon wel van gehoord, maar gezien had hij het nog nooit. De Mona Lisa van Vermeer, had ik het genoemd, en dat wekte de nieuwsgierigheid. Het wekte misschien ook te hoge verwachtingen, zoals dat gaat, want als je de Mona Lisa dan eindelijk een keer in het echt ziet, schijn je bekropen te worden door de teleurstellende gedachte: “Is dit alles..?”, heb ik vernomen. Zelf heb ik dat nog niet ervaren omdat ik veel te elitair ben om in de rij bij het zwetend, trekkend en duwend gepeupel aan te schuiven om in de nek gehegen ongemakkelijk naar een schilderij te gaan staan kijken en de Mona Lisa, als toppunt van dit verschijnsel, tot nog toe dus heb gemeden.
Zo erg is het bij het Meisje in het Mauritshuis nog niet, hoewel er wel een halfrond hekje voor is geplaatst om eventuele meutes op afstand te houden. Toch heeft ze wel enige faam, zo blijkt, want terwijl wij het Meisje schuchter begroeten, wordt in elk geval mijn blikveld tamelijk bruusk gepenetreerd door een wildvreemde iphone, die bij verstoord opzij kijken toe blijkt te behoren aan een Japanse jongeman op hippe schoenen en met een aanstellerig wollen mutsje op. Het Instagramtype, als ik het zo mag omschrijven. Volledig door zichzelf in beslag genomen. Mijn verstoorde blik gaat verloren in een parallel universum.
En aan alleen een foto van het Meisje heeft de hippe Japanse jongeman niet genoeg. Dat is slechts het startschot voor een minutenlange sessie waarin de hippe Japanse jongeman de ene na de andere selfie maakt, met het Meisje ergens onscherp, nog juist herkenbaar, op de achtergrond van zijn avontuurlijk, reislustig, exploring bestaan. In steeds ingewikkelder houdingen leunt de jongeman steeds verder over het halfronde hekje en neemt daarbij sans gêne steeds meer ruimte in. Ook onze ruimte, maar wij zijn de enigen die dat merken. En het Meisje misschien, maar zij kan vermoedelijk allang niet meer worden verbaasd. Zij heeft alles al gezien, net als Mona Lisa.
Een paar keer neemt de jongeman een pauze om even door zijn resultaten te swipen, waarover hij kennelijk niet snel tevreden is want telkens volgt een nieuwe shoot. Steeds vanuit een andere hoek, steeds in een andere houding, een nieuwe pose, steeds met dezelfde wezenloze grimas onder het hippe wollen mutsje. Wij doen beduusd een stapje opzij en aanschouwen het gebeuren. Met stijgende verbazing maar niettemin geamuseerd.
Dan heeft hij zijn ding blijkbaar gedaan en verlaat gelukzalig grijnzend over zijn schermpje vegend de zaal, misschien zelfs wel het Mauritshuis, op weg naar nieuwe thrills. En highlights.
Niet één keer, stellen wij eensgezind vast, hebben wij hem direct naar het Meisje zien kijken. Maar eenmaal weer thuis is hij er geweest. Elitair hoofdschuddend en minzaam glimlachend nemen wij onze plekken weer in, en beschouwen het Meisje.
Waarbij één van ons denkt: “Is dit alles..?”

maandag 15 januari 2018

Identiteit per dozijn






Mijn vrouw had mij een nieuw vest gekocht. Een zwart vest van joggingstof, grijze nepvacht aan de binnenkant, ritssluiting, elastieken boorden en een capuchon. Dertien in een dozijn, zeg maar. En dat klopte ook want zo’n vest had ik al. Precies hetzelfde en zo goed als nieuw. Ik had het zelfs aan. Toch hoefde het niet terug naar de winkel want mijn jongste zoon wilde het wel hebben. Gewaagd natuurlijk, hetzelfde vest als je vader, maar blijkbaar vindt hij dat geen probleem, wat ik als compliment wens op te vatten, jazeker.
Nu gingen we samen op museumbezoek en hadden we ongemerkt allebei ons vest aan gedaan. Het zelfde vest dus. Gelukkig verruilde ik het mijne net voor vertrek voor een ander, omdat dat warmer was, anders hadden we ons zeker ongemakkelijk gevoeld bij de fotonotities van Hans Eijkelboom, want die bezochten we, in het Haags Fotomuseum.
Voor wie het verschijnsel niet kent, voor zijn fotonotities neemt Hans Eijkelboom zijn camera mee naar een winkelstraat ergens ter wereld en fotografeert daar een uur, of twee uur, voorbijgangers. Zijn scherp observerend oog ontwaart dan al snel een soort van thema, waar hij op focust en zo heeft hij binnen de kortste keren een serie van twaalf, vijftien of zelfs wel achttien foto’s van mensen met hetzelfde soort jas, of hetzelfde soort tas of ongeveer dezelfde gestreepte trui, waardoor het al snel lijkt of iedereen er precies hetzelfde bijloopt. Hij begon daarmee in 1992 en is er tot op heden niet mee opgehouden, het is wellicht ook zijn bekendste werk, dus een groot deel van de expositie is ermee gevuld. Aan twee flinke wanden hangt de serie blikveldvullend lijst aan lijst, vier rijen hoog vanaf de plint en maakt zo blijmoedig korte metten met het idee dat wij mensen individuen zijn. Al doen we nog zo ons best op onze eigen stijl, onze persoonlijke edgy touch, onze zelfgekozen afwijkende identiteit.. we zijn en blijven dertien in een dozijn.
Niet dat Hans Eijkelboom daar verder iets over wil zeggen, laat staan er een oordeel over wil vellen, nee, hij constateert het alleen. Met verwondering, misschien. Met een milde glimlach, hooguit. Hij ziet de humor er wel van in, lijkt het. En anders wij wel, de bezoekers. Er wordt tenminste wat af gegrinnikt en gegniffeld. Meer dan eens stelt iemand vast dat hij of zij hier of daar zó tussen zou kunnen staan. En mijn zoon en ik zullen zo origineel niet zijn dat wij dat niet ook al hardop hadden bedacht.
Dat dit zo’n langlopende serie is, heeft als aardig en misschien onbedoeld bijverschijnsel dat je door de jaren heen het modebeeld ziet verschuiven, wat ook een gedeelte van het gegniffel zou kunnen verklaren. Aan het begin zie je de jaren tachtig langzaam en terecht wegebben, verderop zie je de witte kuitbroek dan weer onterecht haar intrede doen, je ziet de bodywarmer komen en gaan, de opkomst van het korte rokje over de legging, de wonderbaarlijke terugkeer van de baard.. en alles in twaalf of nog meervoud.
Nog een misschien niet ter zake doend inzicht dat zich luidruchtig opdringt is dat wij Nederlanders ons over het algemeen niet heel stijlvol kleden, om het zacht uit te drukken. Mijn hemel, wat een smakeloze hobbezakkerigheid staart ons hier en daar in veelvoud aan. Daar mogen we ons best een beetje voor schamen. Als dít onze vaderlandse culturele identiteit is waar zoveel over wordt gesproken, dan kan het misschien wel een tandje minder. Maar goed, dat is een persoonlijk terzijde.
Zeer de moeite waard is ook de dame in het publiek die met een lange, beige, gewatteerde nylon jas, oranjerood gestifte lippen, pancakekleurig gelaat en het haar geblondeerd en slordig opgestoken onbewogen staat te kijken naar een lijst met daarin vijftien dames met een lange, beige, gewatteerde nylon jas, oranjerood gestifte lippen, pancakekleurig gelaat en het haar geblondeerd en slordig opgestoken. Er móet iets door haar heen gaan, denken wij, maar ze laat het niet merken.
Voor ons onderstreept het en passant wel een andere observatie, namelijk dat het niet alleen de één of twee kledingstukken zijn die de onderlinge gelijkenis maken. Het gaat verder dan dat. Vaak hebben de mensen binnen een serie ook een zelfde soort kapsel, met een zelfde soort zonnebril er op gelijke wijze ingestoken, een vergelijkbare houding, postuur, gelaatsuitdrukking, een zelfde mate van verzorging, een eendere uitstraling. Kiezen we kleding bij onze vermeende identiteit, of komt de identiteit met de kleding die we kiezen?
Daarover gaat het ook in het oudere en misschien wat minder bekende werk van Hans Eijkelboom, dat in de andere helft van de expositie wordt getoond. De serie bijvoorbeeld waarin een tiental vrouwen gevraagd wordt zo nauwkeurig mogelijk hun ideale man te omschrijven en daarbij op een foto aan te geven wat er aan het gezicht van Hans Eijkelboom zou moeten veranderen om dat ideaalbeeld te benaderen. Vervolgens probeert deze, met behulp van grimeur en kapper, met pruik, plaksnor, valse baard en kleding zoveel mogelijk te gaan lijken op het door de vrouwen omschreven ideaalbeeld. Als resultaat hangen er tien even levensechte als verschillende versies van Hans Eijkelboom die niet of nauwelijks op elkaar lijken en waarin de enige echte ook alleen nog maar zeer vagelijk is te herkennen.
In de serie ‘Met mijn gezin’ is die dan weer wel heel duidelijk te herkennen. Tenminste, zo op het eerste gezicht. Als trotse, jonge vader neemt Hans Eijkelboom hier grijnzend plaats in verschillende gezinnen. Naast steeds een andere breeduit lachende moeder en met andere vertrouwelijk tegen hem aan leunende kleuters, in steeds een ander interieur. Allemaal even geloofwaardig, dus wil de echte echte Hans Eijkelboom nu opstaan? 
Zo bestuderen we glimlachend en elkaar aanstotend nog veel meer fotoseries waarin het begrip identiteit vanuit steeds een andere invalshoek mild spottend en met humor wordt bekeken en bevraagd. Wij hebben een leerzame en vermakelijke middag, met z’n tweeën. En als we eenmaal weer buiten in een mudvolle Haagse abri op een vertraagde bus staan te wachten, bekijken we de zich om ons heen verzamelende medemens met heel andere ogen.

Wij bezochten het retrospectief ‘Hans Eijkelboom, Identiteiten 1970 – 2017’ in het Haags Fotomuseum op zaterdag 6 januari 2018. Dat was de voorlaatste dag dat dat kon en dus nog net op tijd. Photonotebooks.com is de website van Hans Eijkelboom.

zaterdag 13 januari 2018

Reptielenbrein






Voor ik na de koffie weer verder zou wandelen, bezocht ik nog even het toilet van het café. Als man heb je dan vaak de keuze tussen één of meer afsluitbare privécabines met een klassieke wcpot waar je ook op zou kunnen zitten als hij daar niet te goor voor was, en een rijtje urinoirs met piepkleine schotjes ertussen waar je staand op een nepvlieg kunt plassen en net moet doen of je niet over die schotjes heen kunt kijken en bekeken worden, of je het geen enkel probleem vindt om vlak naast een klaterende wildvreemde op je straal te staan wachten. Er zijn zelfs cafés waar niet eens tussenschotjes zijn, waar je met z’n allen in een aluminium trog schuimend in elkaars water staat te wateren. En op elkaars broek staat te spetteren. Er zijn zelfs mannen die daar een gesprekje bij aanknopen. Man! Wie dacht dat alleen de dames het zwaar hadden moet maar eens op de heren gaan kijken.
Als het even kan kies ik voor de dan soms maar wat ranzige privacy van het toilet met een deur en een slot, waar ik dan in voorkomende gevallen maar niet ga zitten en de boel dus noodgedwongen alleen nog maar erger maak.
In de toiletruimte van het café was verder niemand, het zag er allemaal proper uit, er was één toilet met een deur en dat was niet bezet. Niets stond een ongestoord, ordelijk en vlekkeloos toiletbezoek in de weg. Bij het opentrekken van de deur deinsde ik echter terug. In de pot lag, nauwelijks verscholen onder wat besmeurd wcpapier, de gezonde Hollandse opbrengst van mijn voorganger. Gadverdamme! Zeg dat wel. Als dit het resultaat was van vergeetachtigheid dan was het wel in een zeer ver gevorderd stadium. Als dit de wraak was van een ontevreden klant voor een slechte bediening of een vieze cappuccino dan was het wel erg passief agressief. En wat kon ík daar aan doen?
En inderdaad, wat ging ik hier aan doen? Ik kon de zaak natuurlijk doortrekken en zo snel mogelijk vergeten maar voordat ik dat bedacht, had mijn reptielenbrein al besloten deze keer dan toch maar een urinoir te gebruiken, al had ik ook andere behoeften. Bovendien, gaf ik mijn reptielenbrein groot gelijk, was het natuurlijk gewoon smerig om in een café andermans stront door te moeten trekken. En misschien was de stortbak dus wel kapot en dan zat je helemaal met de gebakken peren. Dan was je je verantwoordelijk gaan voelen voor andermans shit en dan draaide er alleen maar een minimaal straaltje water machteloos om de feiten heen. Wat dan? Ik moest er niet aan denken.
Waar ik wél aan moest denken was het feit dat deze drol voor de rest van de wereld vanaf dit moment hoe dan ook van mij zou zijn. Iemand die nu het toilet zou betreden, terwijl ik hier mijn handen stond te wassen, zou wel weten hoe de vork in de steel zat. Iemand die na mij het toilet zou betreden zou hetzelfde tafereel aantreffen als ik, zich misschien herinneren dat hij mij tegenkwam in het halletje, zich misschien herinneren dat hij mij kort tevoren uit het toilet had zien komen en meteen zijn overhaaste conclusie trekken. Het bedienend personeel dat ik discreet op het geconstateerde euvel zou kunnen wijzen zou er ook wel het zijne of hare van denken.
Ik kreeg het verdorie spaans benauwd. Hoe redde ik mij hieruit? Ik vroeg het mijn reptielenbrein, dat onmiddellijk reageerde. Met de moed der wanhoop trok ik een staalhard gezicht waarmee ik het toilet zo achteloos en onopvallend mogelijk verliet, zo snel mogelijk mijn koffie betaalde, zo ruim mogelijk tipte, mijn rugzak greep en mij zo onnadrukkelijk haastig als kon uit de voeten maakte.
Nog kilometers lang bleef ik schichtig achterom kijken.

maandag 8 januari 2018

Kraanvogel







Met mijn vrouw maak ik een wandeling over de Drentse heide, het is nog herfstvakantie. En als te doen gebruikelijk wijzen we elkaar op al het moois dat er te zien is. Een uitzicht, een doorkijkje, een bemoste stronk, een keur aan paddestoelen. Druk is het niet, op de hei, aan de bosrand. We zien alleen een boswachter, die zó blij is iemand tegen te komen dat hij ervoor van zijn houten fiets stapt. We maken een praatje, over het weer, en al het moois dat er te zien is, en bij het afscheid vertelt de boswachter ons nog dat we, als we geluk hebben, wel eens kraanvogels te zien zouden kunnen krijgen. Omdat wij niet één twee drie zouden weten hoe een kraanvogel te herkennen, durven wij niet teveel op ons geluk te vertrouwen. We blijven de rest van de wandeling waakzaam en alert maar afgezien van al het moois dat er te zien is, zien of horen we niets bijzonders.
Dan, als we de hoop eigenlijk al hebben opgegeven, horen we een helder, bijna welluidend kroe kroe in de lucht. Allebei tegelijk steken we onze vinger in de lucht: hoor je het? We horen het allebei. Het is een nieuw geluid voor ons leken, en we weten dus niet welke vogel er bij hoort, maar voor hetzelfde geld is het een kraanvogel, redeneren wij. Uiteraard hebben we ook geen idee welk geluid een kraanvogel maakt. We weten zo weinig eigenlijk.
Wel zien we in een flits een grote vogel achter de bomen verdwijnen zodat we ons in elk geval even kunnen verheugen in de mogelijkheid dat het een kraanvogel was die we hoorden. Een verheugen van korte duur omdat we vrij snel daarna opnieuw het kroe kroe horen, dat deze keer duidelijk zichtbaar gemaakt wordt door iets dat zeer zeker geen kraanvogel is. Eerder een kraai. Maar een kraai, dat weten we dan in elk geval nog wel, zegt géén kroe kroe. En zeker niet helder of bijna welluidend. Het is ook groter dan een kraai, zien we nu. Met waarschijnlijk kinderlijk aandoende logica besluiten we dat het dan wel een roek zal zijn. Roekroek, tenslotte. Waarom niet. Ook leuk.
Thuis op internet worden we vervolgens in verwarring gebracht wanneer we lezen dat de kraanvogel weldegelijk een helder, trompet-achtig kroe kroe voortbrengt. Zie je nou wel, zeggen we tegen elkaar. Maar als we het bijgeleverde geluidsbestand afspelen weten we weer beter, een kraanvogel was het niet. Voor de zekerheid spelen we dan ook de roek af. Een factcheck kan nooit kwaad tenslotte. En dat blijkt, want mijn hemel.. wat een roek voortbrengt, dat komt niet eens bij welluidend in de buurt. Het is geen kroe kroe, het is geen krassen, het is niks, het is geluidsoverlast.
Uiteindelijk komen we uit bij de raaf. De raaf roept precies het kroe kroe dat wij hebben gehoord. Helder en bijna welluidend.
We snappen er niks van. Wordt in de bekende fabel van De La Fontaine niet beweerd dat de raaf zó vals krast dat hij niet mee mag zingen in het koor van vogels? Dat moet een vergissing zijn. De La Fontaine heeft duidelijk een roek gehoord, maar heeft net zo veel verstand van de natuur gehad als wij.


Uit: ‘Een helder, bijna welluidend kroe kroe’, gepubliceerd op De Vrije Wandeling, weblog van een wandelaar

woensdag 27 december 2017

Vrolijk bij elkaar gerommelde lichtvoetigheden







Twee van mijn favoriete tentoonstellingen aller tijden waren herman de vries.all in het Stedelijk Museum van Schiedam, en de Collectie Anoniem in Museum Belvédère te Heerenveen. Favoriet, omdat beiden zich bevonden op en rondom de scheidslijn tussen kunst en geen kunst. Speelden met het onderscheid daartussen, of dat feitelijk zelfs ontkenden.
Herman de vries exposeerde vondsten uit de natuur, soms zonder daar veel meer mee te doen dan het in te lijsten of op een sokkel te plaatsen. Gewoon, om ons te laten zien hoe mooi het is. Ons uit te nodigen er nou eens goed naar te kijken. Het als kunst te beschouwen en te ervaren.
De Collectie Anoniem was een bonte verzameling van naïeve kunst, etnische kunst, gereedschappen, speelgoed, ambachtelijke werkstukken, gebruiksvoorwerpen, attributen, gerenommeerde kunst en verzamelobjecten. Onder anderen. Dit werd allemaal min of meer dwars door elkaar heen gepresenteerd, zonder kaartjes met titels of verdere uitleg, om ons zover te krijgen alles maar eens op zijn eigen merites en schoonheid te beoordelen. Zonder ons af te laten leiden door de niet zo interessante vraag of iets nou kunst is of niet. Niet iedereen kon daar mee omgaan, bleek tijdens mijn bezoek, maar ik verkeer er graag, in dat vrolijke, onbezorgde en prikkelende grensgebied waar het niet uitmaakt of iets wel of geen kunst is. Interessant gebied vind ik dat. Prettig. Met ruimte voor wat licht, lucht, humor en relativering. Niet voor niets verzamel ik zelf al jaren beelden die geen beelden zijn, in mijn GeenKunst-catalogus. Beelden die ik onderweg toevallig tegen kom, die helemaal niet als kunst bedoeld zijn maar die dat, als je het wilt zien, net zo goed wel kunnen zijn. Het is allemaal maar net hoe je het bekijkt. En niet voor niets noem ik mijzelf liever beeldend knutselaar. Als ik mijzelf al iets noem.
Han Bennink, in Museum Kranenburgh in Bergen, opereert in hetzelfde gebied, zeker met zijn ruimtelijk werk. Onbezorgde knutselkunst van overblijfsels van van alles en nog wat, gevonden voorwerpen, afgedankte drumstokken en -kwastjes, antieke speelgoedauto’s, kistjes, doosjes, veren en allerlei dingetjes en dangetjes die zonde zijn om weg te gooien. Een feest van herkenning. Zelf heb ik ook een schuur vol opgeraapte en meegenomen en bewaarde zooi waar ik ideeën en wilde plannen mee heb. Waar ik ooit nog eens iets mee wil doen, mocht het er van komen. En ik vind het een buitengewoon opbeurende en troostrijke gedachte dat er mensen zoals Han Bennink zijn, die niet wachten tot het er van komt, maar het gewoon doen. Die fluitend aan de slag gaan. Vrije geesten die het geen bal kan schelen wat een ander er van vindt. En dat is precies wat ook deze tentoonstelling uitstraalt: positieve, onbekommerde levenslust. Ongebreidelde scheppingsdrang. Inspirerend. Uitdagend. En uitnodigend.. een jongetje van een jaar of drie laat zich verleiden door een met gebroken drumstokjes volgeladen speelgoedkiepauto. Hij pakt hem vast om er een stukje mee te rijden. Broembroem. Zijn moeder grijpt gehoorzaam in en zet de auto weer recht, het is dan toch kunst, maar ik denk zomaar dat de kunstenaar het misschien wel best had gevonden. Zelf snap ik het wel in elk geval. Deze vrolijk bij elkaar gerommelde lichtvoetigheden zou je het liefst allemaal even op willen pakken, om ze met een glimlach van dichtbij te bekijken. Maar ook wanneer je je inhoudt, zoals van welopgevoed museumbezoek jammer genoeg nou eenmaal verwacht wordt, bezorgt deze uitstalling je een goed humeur waar je thuis ook nog wat aan hebt.

De tentoonstelling Han Bennink is nog tot 4 februari te zien in Museum Kranenburgh.
Over mijn bezoek aan de tentoonstelling herman de vries.all schreef ik een verslag op dit weblog
Mijn GeenKunst catalogus is ook te bekijken op internet.