dinsdag 25 januari 2022

Een bescheiden zak geld







Zeker onze oudste zoon zit al een tijdje voorzichtig op de rand van het nest, op de uitkijk naar iets van hem zelf. Dat valt niet mee. Voor een jongen als onze oudste zoon – 23, gediplomeerd automonteur met een vast contract voor vijf dagen per week en wat inkomsten betreft dus normaalgesproken voorlopig even aan zijn bovengrens - zijn er geen huizen die hij kan betalen. Er zijn zelfs geen huizen die hij bijna kan betalen. Ook niet in het vriendelijke stadje in de provincie waar wij wonen. Ook niet in de wat onbeduidender dorpen eromheen. En voor sociale huurwoningen zijn er altijd ruim 150 wachtenden voor hem. Als het er niet meer zijn. Een jongen als onze oudste zoon, en daar zijn er beslist meer van dan enkel die van ons, kan alleen een huis kopen wanneer zijn ouders een zak geld op tafel weten te leggen. Tja.
Toch gingen we laatst weer een huisje bekijken, in het noorden van de regio. De vraagprijs was zodanig gesteld dat er met een bescheiden ouderlijke zak geld eventueel sprake zou kunnen zijn van een mogelijkheid. Hoewel de hysterisch overbiedende concurrentie natuurlijk spreekwoordelijk is, deze dagen. De slimme investeerder ligt overal op de loer, ook in het noorden van de regio.
Het was een klein, goed onderhouden rijtjeshuisje in een keurig straatje achteraf. We pasten net met zijn vieren in de voortuin. Daar stonden we, met onze zoon en zijn vriendin. We waren keurig op tijd, we hadden de mondkapjes vast voor gedaan, onze zoon drukte op de bel. De makelaar die de deur open deed had ook zijn mondkapje voor, zijn folders en mapjes in de aanslag. Hij overzag het gezelschap, met strenge blik, en oordeelde het te groot. Hij mocht er maar twee binnenlaten, sprak hij merkbaar ontstemd. En dat dat ook duidelijk in de uitnodiging had gestaan.
Goed, regels zijn nou eenmaal regels, dat snapten wij ook, dus wij deden bereidwillig een stapje terug. Wij zouden wel buiten wachten. Onze zoon stapte over de drempel van zijn eventueel toekomstig eigen nest, om zich door een chagrijnige makelaar te laten rondleiden, met zijn vriendin. Mijn vrouw probeerde zich door de ramen een oordeel te vormen van wat binnen te zien was, maar daar had ik al geen zin meer in. Monkelend liep ik het straatje uit, het hoekje om, om te kijken of ik aan de achterkant iets kon vinden om over te zeiken. Dat was niet zo maar dat kwam alleen omdat de achterkant geheel aan het oog werd onttrokken door een overdekt winkelcentrum dat pal tegen het rijtje woningen was aangebouwd.
Eenmaal weer terug in het voortuintje, waar mijn vrouw intussen het houten schuurtje had bezichtigd om te constateren dat daar met een beetje goede wil eventueel zijn motor in zou passen, stapte de makelaar weer even naar buiten. Hij ging met de jongelui naar de bovenverdieping, kondigde hij aan, dus misschien wilden wij dan toch de begane grond even bekijken. Door zijn mondkapje heen zagen wij zijn uitnodigende glimlach. De stemming was duidelijk omgeslagen. Waarschijnlijk had hij zich halverwege de keuken plotseling bedacht dat hij nu, potverdorie, natuurlijk de zak geld buiten op de stoep had laten staan.

woensdag 12 januari 2022

Et omnia vanitas






Als je in ons stadje de trein uitstapt en het station verlaat loop je al snel over de regenboog. Een flink stuk stoep richting centrum dat in de bekende regenboogkleuren is geschilderd. Het is een ronde stoep, waardoor de regenboog ook echt een boog wordt, dat is leuk bedacht. Verder vind ik het niet echt mooi, eerlijk gezegd. Sorry. Ik weet wel dat het bedoeld is als symbool van solidariteit met de lhbtiqa+ gemeenschap, een hart onder de riem, een signaal, een statement, dat is het probleem ook zeker niet, ik vind het gewoon niet zo mooi. Die lelijke ralstonkleuren over die betonnen steentjes.. tja.. Het heeft in elk geval niets van de subtiele, ijle schoonheid van een regenboog. Daar komen regenboogvlaggen een stuk beter bij in de buurt. Bovendien vind ik het een vreemd idee dat je dus met je modderpoten over een respectbetuiging gaat lopen. Weinig respectvol.
Maar goed, die stoep ligt er nu eenmaal en de gemeente, het stadsbestuur, wil daar mee zeggen: wij staan pal voor onze lhbtiqa+ mensen, kijk maar, je komt het station uit en je kunt er niet omheen, het statement ligt luid en duidelijk aan je voeten. Hartstikke mooi, zou je zeggen.
Maar nu is deze regenboog, dit statement, al wekenlang ondergespoten met dikke strepen zilverkleurige verf. En er is werk van gemaakt ook. Het was een flinke regenboog en er is maar een klein stukje ongemoeid gebleven, waarschijnlijk was de spuitbus leeg. Er is geen tekst gespoten, geen figuur of tag, er is geprobeerd de hele regenboog aan het zicht te onttrekken. Uit te wissen.
Dat is natuurlijk gedaan door een stel domgedronken en doorgesnoven boerenkinkels die tolerantie nog niet kunnen spellen als het ze wordt voorgezegd, die de woorden homo en flikker rijkelijk als scheldwoord gebruiken voor iedereen die ook maar het kleinste streepje afwijkt van hun onwrikbare middeleeuwse opvattingen over mannelijkheid, en die zó doodsbang zijn om daar zélf ook maar het kleinste streepje van af te wijken dat ze zich genoodzaakt voelen dit soort dingen te ondernemen. Baldadigheid, zullen sommigen het noemen. En we zijn toch allemaal jong geweest, zullen sommigen beweren. Maar over dat soort gemakzuchtige flauwekul-argumenten wil ik het niet eens hebben want dan ga ik schuimbekken.
Hoe je het ook wendt of keert, er ligt nu dus  al wekenlang een heel ander statement aan ieders voeten, bij het verlaten van het station en het binnenlopen van ons vriendelijke stadje. Het statement namelijk dat we best een leuk regenboogstoepje willen verven, wanneer de tijdgeest daarom vraagt en we ons daarmee als moderne grote stad kunnen profileren, maar dat als aan die moedige stellingname gevolg moet worden gegeven, we niet thuis zijn.
Als we al te beroerd en te krenterig zijn om onze regenboogstoep snel en adequaat van homofoob vandalisme te ontdoen, hoe staat het dan verder met de dappere principes?
Als we het niet belangrijk genoeg vinden, haal het dan maar weer weg. Mooi was het toch al niet.

dinsdag 4 januari 2022

Het klimaat






Het is niet groot, de plaats waar wij wonen. Als eeuwig voormalig randstedeling ben ik geneigd van een dorp te spreken, maar daar zijn ze hier niet van gediend. Er is een markt dus het is een stad. Zo is het altijd geweest, zo is het nog. En omdat we hier nou eenmaal wonen en het geen pas geeft neerbuigend te doen, hebben we het, als we het erover hebben, over een klein stadje. Waarom niet? Alles is relatief.
En er zit ook wel iets in, haast ik mij eraan toe te voegen, want behalve een markt zijn we van wel meer stedelijke gemakken voorzien. Een bioscoop, een bibliotheek, een theater en een filmhuis. Om maar eens wat te noemen. Een Hema, verschillende supermarkten, een overdekt winkelcentrum en een zeer uitgebreid assortiment horeca. Een station. Een rotonde en een stoplicht. En een lokale omroep.
Namens die lokale omroep nu, trekt een kleurrijk plaatselijk coryfee er wekelijks met camera en microfoon op uit om, toch weer op de markt, de stemming te peilen. Over het actueel thema van de week. Wat vindt u van de boerenacties? (Heel goed). Wat is de kleur van Piet? (Zwart!!). Moet het centrum autovrij? (Nee). Moet de Lidl er komen? (Ja). Heeft u de kerstboom al staan? (Ja).
Zo werd er enige tijd geleden dan gevraagd wat men thuis zelf deed om het klimaat te redden. Veel mensen probeerden wat minder vaak de auto te nemen. Probeerden een dagje geen vlees te eten. Wat korter te douchen. Het afval te scheiden. De verwarming wat lager. Iedereen was van goede wil, zullen we maar zeggen, net als overal waarschijnlijk, in de hoop dat het klimaat dan ook een beetje zijn best zou doen. Op één mevrouw na. Eén mevrouw antwoordde stellig en zonder denkpauze: niets. Want, zo meende zij, het klimaat redt zichzelf wel. Een stellingname die zelfs de nationale talkshows nog gehaald heeft, als internet-itempje. Die vonden dat waarschijnlijk wel een lekker authentiek provinciaalse oprisping.
In eerste instantie vond ik de uitspraak van deze mevrouw eerlijk gezegd ook getuigen van een ergerlijk onverschillige, egocentrische domheid. Dit was dus duidelijk zo iemand die geen zin had ook maar iets van haar rijke, comfortabele consumentenleventje op te geven voor zoiets ongrijpbaars als het klimaat. Of een klimaatcrisis. Iemand die vond dat wetenschap ook maar een mening was. Een mening die zij gemakshalve niet deelde. Linkse gekkigheid uit de Randstad.
Later drong het tot mij door dat de mevrouw natuurlijk gewoon gelijk had. Dat dat waarschijnlijk precies was wat het klimaat aan het doen was: zichzelf redden. Met vulkaanuitbarstingen, aardbevingen, bosbranden, hittegolven, overstromingen en pandemieën. Het immuunsysteem van het klimaat aan het werk om het woekerend gezwel dat mensheid heet uit te zweren. En geef het klimaat eens ongelijk. Want het blijft maar de vraag of de mevrouw het ook zo bedoelde.

vrijdag 24 december 2021

Nog favorieter dan hij al was






Het zijn de donkere dagen voor Kerst. Ik zeg het maar even, voor wie het ontgaan mocht zijn. De geplande gezelligheden rond Kerst en oud en nieuw zijn conform de regels afgeschaald. Om me maar eens ambtelijk uit te drukken. De kranten berichten onophoudelijk van een volk dat het nergens over eens is. Dat het nergens mee eens kan zijn. Van mensen op zoek naar de randen van de regels, de mazen in de wet voor eigen gebruik. De meningen hopen zich op, vaak torenhoog. Mijn zicht op nieuwe theaterplannen is door de lockdown ondertussen weer enigszins verduisterd. Het huis vult zich opnieuw met online les- en vergadergeluiden, de boosterprik zeurt al twee dagen na, kortom, de kerststemming zit erin. En klagen mag niet en klagen helpt niet want het is zoals het is. Zo is het ook nog eens een keer.
Een beetje duf en een beetje sip bedacht ik de dag dan maar af te sluiten met iets op Netflix. Maar ook dat is nog niet zo eenvoudig, als je er eigenlijk al niet zo voor in de stemming bent. Hoe te kiezen uit dit oerwoud van nietszeggende titels? Die in steeds wisselende volgordes onder steeds andere kopjes worden aangeboden. Alsof dat wat helpt. Na een paar minuten was ik er flauw van en kwam ik terecht bij het Uur Van De Wolf, op NPO plus. Een vertrouwd programma dat mij al vaker uit de brand heeft geholpen. De keuze viel op een documentaire van Joost Conijn over A L Snijders, één van mijn favoriete schrijvers, dit jaar nog zeer ten onrechte overleden. Ik had hem al eerder gezien, de film, maar durfde er wel op te vertrouwen dat ik me daar niet alles meer van zou herinneren. Ik word ook een dagje ouder. En zo was het. En zo ging het. Wat een heerlijke film! En wat een heerlijke man! Een man om van te houden. Bij de aftiteling was mijn humeur enorm opgeknapt en was hij nog favorieter dan hij al was.
Ik vond meteen ook dat ik wel weer eens een boek van hem kon kopen, als aanvulling op de collectie. Bij wijze van kerstgeschenk aan mijzelf. Het kon nog net. Het was half elf. 23 december. Had ik het nog precies voor de Kerst binnen.
Maar toen zag ik voor me hoe zo’n opgejutte loonslaaf in een enorme loods vlak voor sluitingstijd nog snel dat boek voor mij moest inpakken, midden in de nacht, omdat ik dat per se vóór kerst nog in huis wilde hebben. Hoe zo’n onderbetaalde pakjeskoerier de dag voor kerstnacht nog zwaar gestresst de weg naar mijn huis moest vinden, met een busje vol pakjes en dozen voor mensen als ik. En ik besloot het niet te doen. Ik vond het niet rijmen met de kerstgedachte.
Dus nu ben ik opnieuw begonnen in een boek dat ik al had. Ik vind het wel mooi van mezelf. 

maandag 13 december 2021

Voor zolang het duurt






Zelf ben ik direct na de middelbare school bij de eerste mogelijkheid die zich voordeed gillend het ouderlijk huis ontvlucht, om er na een paar jaar pappen en nathouden nooit meer terug te komen - mijn jongens, van 22 en 23 inmiddels, wonen nog altijd thuis. Niet helemaal meer onder papa’s vleugels natuurlijk, hoewel die nog wel steeds de voorraadkasten vult, hun was doet en hun potje kookt.
Gedeeltelijk heeft dat te maken met het feit dat er in dit rijke, welvarende land alleen nog in huisvesting voor rijke en welvarende mensen lijkt te zijn voorzien, omdat we bedacht hebben dat het een goed idee was de projektontwikkelaar, de durfinvesteerder en andere prinsbernhardachtigen hier de vrije hand te geven. Maar ik durf hier ook wel hardop te beweren dat mijn jongens het best nog gezellig vinden, zo bij papa en mama in het nest. En ja, papa en mama vinden dat - op een doodenkele uitzondering na - ook best nog gezellig. Inmiddels komen er ook vriendinnen over de vloer, die blijven eten, die blijven slapen, die ’s ochtends nog op de bank blijken te hangen.. zo af en toe wordt er bezoek ontvangen en wordt de benedenverdieping in bezit genomen door een handjevol gasten die stuk voor stuk ruim boven ons uittorenen, al hebben we ze nog als kleuter over de vloer gehad, en die naarmate de avond vordert luidruchtiger gesprekken voeren.. het is allemaal best.
Het is fijn om ze nog elke dag thuis te horen komen, van hun werk, van school of waar ook maar vandaan, hun verhalen te horen, hun jouw verhalen te vertellen, samen te eten, deel uit te maken van hun dagelijks leven. Het is fijn nog even een gezin te zijn.
Voor zolang dat nog duurt. Want heel even leek daar opeens verandering in te komen. De oudste meldde terloops dat hij volgende week een bezichtiging had. De jongste, die zich onlangs bij een antikraakburo had aangemeld, bleek ook al meteen een huis te zijn aangeboden. En ik weet het wel, zo hoort het te gaan, en het is goed zo, maar het was wel even slikken. Een leeg nest. Voor het eerst in 35 jaar - nog altijd meer dan de helft van mijn leven.
Nu bleek het piepkleine huisje dat mijn oudste bezichtigde een uitgebreide verzameling verborgen en niet verborgen gebreken, waar overigens ongetwijfeld evengoed wel weer twee ton op geboden zal worden, en besloot mijn jongste dat hij de aangeboden woning niet kon betalen, nu de coronamaatregelen zijn inkomen hadden gehalveerd, dus het gevaar is tijdelijk afgewend.
Je zult mij niet horen zeggen dat ik daar blij om ben, zoals gezegd: zo hoort het te gaan, maar van iets van opluchting was weldegelijk sprake. Al blijft het uitstel natuurlijk. Onvermijdelijk.

dinsdag 7 december 2021

Een routinegesprekje






Om de mantelzorg voor mijn hoogbejaarde schoonouders wat te vergemakkelijken waren er invalideparkeerkaarten voor hen aangevraagd, bij de gemeente. Zodat wie daarvoor de beurt had de auto bij de ingang van het ziekenhuis, de huisartsenpraktijk, het zwembad, de fysiotherapeut, het gemeentehuis.. op een invalidenparkeerplaats kon zetten. Zelf hebben mijn schoonouders, nog altijd tot hun eigen verontwaardiging maar ons aller opluchting, geen auto meer dus het moesten kaarten op naam worden. Niet op kenteken.
Natuurlijk en vanzelfsprekend worden die kaarten niet zomaar aan Jan en Alleman uitgedeeld, daar zou een controlegesprek aan voorafgaan. Met een onafhankelijk extern medisch bureau, dat van onze belastingcenten zou beoordelen of de situatie wel ernstig genoeg was om daar ons belastinggeld aan te besteden. Je kunt vrijwillig en zelfredzaam mantelzorgen wat je wilt, als eenvoudig burger die een beroep doet op een bestaande overheidsregeling ben je nou eenmaal een fraudeur tot het tegendeel uitputtend bewezen is. En omdat we in barre tijden leven zou dat gesprek via een videocall plaatshebben. Of we vanaf half drie maar klaar wilden zitten met een stabiele internetverbinding en alle ingevulde formulieren en id-kaarten bij de hand.
Dus daar zaten we, met een kopje thee en ieder een half mini-Brosreepje. Elke vijf minuten vroeg mijn schoonmoeder ongedurig opgeprikt wanneer de dokter nou kwam en ook mijn schoonvader had zijn nette jasje aangetrokken in de veronderstelling dat er een gestudeerd iemand op bezoek zou komen, al probeerde hij, toen hij het eenmaal doorhad, zo achteloos mogelijk net te doen alsof hij wel begrepen had dat het via de laptop zou gaan.
Even na drieën kwam er een vrouwenhoofd in beeld dat goedemiddag riep op een toon die ruimte liet voor de veronderstelling dat zij liever had gehad dat wij een half uur aan tafel naast de laptop op haar hadden gewacht. Nu moest er eerst zeer moeizaam uit een stoel worden opgestaan, een rollator gepakt en krakkemikkig naar de tafel gestommeld worden, en weer even moeizaam in een stoel neergezegen. Een strategie waarvan wij dachten dat die iedere discussie overbodig zou maken maar die dus als oneerbiedig werd opgevat. Mijn schoonmoeder vroeg paniekerig of zij er ook bij moest komen zitten maar het vrouwenhoofd schudde zich in digitale blokken uiteen en verordonneerde dat dát niet de bedoeling was. Dat het twee afzonderlijke dossiers waren. Twee afzonderlijke gesprekken ook. Dat mijn schoonmoeder maar even ergens anders moest wachten tot zij aan de beurt was. De toon was gezet.
En zaten mijn schoonvader en ik nog trouwhartig klaar voor een routinegesprekje over een duidelijke zaak, al snel bleek het een bars en langdurig politieverhoor, met ons in het verdachtenbankje. Hoe ver hij nog kon lopen, wilde het vrouwenhoofd wel eens weten, van mijn schoonvader. Hoeveel meter, exact? Hoe vaak hij dan wel epileptische aanvallen had? Hoeveel per maand, precies? Of hij wel per se begeleiding nodig had, als hij ergens werd afgezet? Of hij het niet alleen afkon? Of hij anders niet even tien minuutjes voor de deur op zijn rollator kon zitten wachten tot de auto elders was geparkeerd? Een wantrouwig salvo werd op mijn schoonvader afgevuurd. En waar die zich gedienstig verloor in breed uitwaaierende, zwalkende monologen die de gestelde vraag misschien wel als uitgangspunt hadden maar ook al gauw neigden naar een levensverhaal - mijn schoonvader is blij met elke gelegenheid zijn hart te kunnen luchten - werd hij ruw onderbroken met het gesnauwd bevel de vraag te beantwoorden. Hoeveel meter kon hij lopen? Hoeveel aanvallen had hij per maand?
Toen deze hardvochtige ondervraging ruim een half uur geduurd had, was de onafhankelijk medisch expert nog altijd niet op de toch voor de hand liggende gedachte gekomen dat zij wel eens in gesprek kon zijn met een 89 jarige man die het misschien niet allemaal meer even snel begreep. Die de goede woorden allicht niet allemaal meer meteen paraat had. Dat die schoonzoon er misschien ook niet helemaal voor niks naast zat.
Die schoonzoon zat trouwens vreselijk zijn best te doen zich niet met het gesprek te bemoeien, omdat hij zijn schoonvader in zijn waarde wilde laten maar vooral ook omdat hij niet van voorzeggen en voorgekookte antwoorden beschuldigd wilde worden, iets dat hem bij deze mevrouw niet onwaarschijnlijk leek. Zijn lichaamstaal, hij zag het zelf ook in het kleine schermpje van de videocall, was echter duidelijk genoeg en blijkbaar zag de mevrouw uiteindelijk ook dat hij op het punt stond haar aan haar haar door het scherm te trekken want plotseling, na een vruchteloze lijdensweg van 40 minuten, kreeg ik, de schoonzoon, het woord. Hoe ik de situatie zag.
Het erge is natuurlijk dat je dan beleefd moet blijven. Het erge is dan dat je, waar je schoonvader bij zit, hardop moet zeggen wat hij nog altijd niet wil horen. En dat je, als je je parkeerkaartjes wilt hebben, dus niet kunt zeggen wat een onsympathieke, niet empathische en onprofessionele domme trut je haar vindt.

vrijdag 3 december 2021

Acte de présence





Het is drie december vandaag. 2021. Op zich niet echt een bijzondere dag. Een tikkeltje lusteloos misschien, neigend naar chagrijn. Ook niks nieuws. Gewoon een natte, grijze dag in een natte, grijze week in een maand die daar speciaal voor lijkt te zijn uitgevonden. Net als ieder jaar. Het jaar zou je dan nog bijzonder kunnen noemen, met zijn mondkapjes en lockdowns en maatregelen, zijn discussies en meningentsunami, ware het niet dat we daar inmiddels ook al wel zo’n beetje aan gewend zijn geraakt. Dus. Een dag als alle andere.
Op één klein detail na. Het is vandaag precies twintig jaar geleden dat ik het eerste stukje op dit weblog plaatste. Dat ging ook over de herfst trouwens, kan ik mij herinneren, en de bijpassende gemengde gevoelens.
Ik schreef al wel eerder stukjes, onder de titel Huismannenpraatjes, die ik ook hier en daar op internet publiceerde, maar op zo’n weblog, had ik gezien, kon je soms ook al volstaan met een ultrakort bericht, wat het makkelijker maakte om iedere dag acte de présence te geven. Dat leek mij toen wel wat. En destijds was dat nog iets nieuws en moderns, een weblog. Ik zal niet zeggen dat ik de eerste was, verre van dat en zeer zeker niet, maar ik stond ook niet achteraan. Dat is nu wel anders. Ik zal niet zeggen dat ik de laatste ben, op het zinkend schip in de oceaan van podcasts, instastories, tiktok en twitter, maar een volhouder zou je me toch kunnen noemen.
En behalve een uitgebreid en gedetailleerd verslag van een gedenkwaardig dagelijks leven dat anders allicht in de vergetelheid was geraakt, waarvan je anders misschien maar zou zijn kwijtgeraakt hoe gedenkwaardig het allemaal was, heeft het me leuke en bijzondere dingen gebracht. Fotoreportages en interviews in verschillende damesbladen, op internet, een column op de lokale radio. Met de bijbehorende uitstapjes. Om maar eens wat te noemen.
Twintig jaar.
Ach ja. Dit weblog staat ook in een lange traditie van dagboekschrijverij, waar ik denk ik rond mijn veertiende mee begon en wat ik meer of minder fanatiek jarenlang heb volgehouden. Dozen vol. Daar tegen afgezet is twintig jaar ook maar weer minder dan de helft. Dus ja.. ik weet verder ook niet wat ik er eigenlijk over te melden heb. Maar onvermeld wilde ik het toch ook niet laten.

Mocht er, behalve ikzelf, iemand zijn die terug wil lezen in die twintig jaar: in de rechterkolom van de desktopversie kun je onder het kopje blogspotarchief per maand terug tot en met 2011. Onder het kopje de huisvaderarchieven zijn de eerste tien jaar tot 2001 terug te vinden. Voor dat laatste kun je ook hier klikken. 

vrijdag 26 november 2021

Zwartwandelen







Zo goed als iedere dinsdag bezoek ik mijn oude schoonouders, ’s middags, na hun dutje. Dan drinken we een kopje thee en nemen de gebeurtenissen van de week door. Gebeurtenissen die steeds kleiner worden. Die steeds meer op elkaar gaan lijken. Als het een beetje weer is, en dat is het eigenlijk altijd wel, maak ik daarna een wandelingetje met mijn schoonmoeder. Een al korter wordend wandelingetje. Mijn schoonvader is daar niet voor te porren. Die vindt het ook wel lekker om even een uurtje alleen te zijn, al moeten we ook weer niet heel veel langer wegblijven dan dat. Het luistert nauw.
Meestal rijden we naar hetzelfde stukje bos, waar we de ene keer linksaf en de andere keer rechtsaf naar het eind van het pad lopen en weer terug. Voor mijn schoonmoeder maakt dat niet uit, die verklaart iedere week even enthousiast hoe mooi ze het hier vindt en dat ze er al ze weet niet hoe lang niet meer is geweest. Voor haar wordt het nooit saai. En ach, mij maakt het ook niet veel uit voor dat uurtje, maar vandaag besluit ik toch eens ergens anders heen te rijden. Naar de duinen. Waar ze ook al ze weet niet hoe lang niet meer is geweest. Wel herinnert ze zich dat je er een toegangskaart voor nodig hebt. En dat ze die niet meer heeft. Het is jammer dat juist die informatie wel is blijven hangen want dat dreigt even roet in het eten te gooien. Ook het ontzag voor het gezag zit er nog diep in en zonder geldig toegangsbewijs durft mijn schoonmoeder eigenlijk niet naar binnen.
Ik heb niet zoveel zin, nu we eenmaal hier zijn uitgestapt, weer ergens anders heen te rijden dus ik sus dat het wel mee zal vallen, dat we maar een piepklein rondje maken en dat het wel heel sterk zou zijn dat we daar een boswachter bij tegen zouden komen. En dat die ons dan om toegangsbewijzen zou gaan vragen. En dat we ons dan altijd nog van de domme kunnen houden. Maar daar wil mijn schoonmoeder allemaal niks van weten. Ze heeft geen zin in een boete en je zult het altijd zien.
Ik besluit daarop dat we dagkaarten kopen, wat maakt het uit tenslotte, er staat een betaalzuil langs het pad, ik heb mijn pinpas al in de hand. Wanneer mijn schoonmoeder ziet dat ons wandelingetje dan vier euro gaat kosten, schiet haar dat pardoes in het verkeerde keelgat. Vier euro?! Voor zo’n klein pestwandelingetje? Dat vindt ze schofterig! Wat een oplichters. En zo kordaat als maar mogelijk wanneer je met een stok loopt, betreedt ze het verboden terrein.

Dit bericht werd ook gepubliceerd op De Vrije Wandeling, weblog van een wandelaar

maandag 22 november 2021

Iets prettig gemoedelijks







Wat je er gratis bij krijgt, op de volkstuin, is het sociale praatje. Het praatje over de heg. De spreekwoordelijke heg, want echte heggen zijn er niet veel, op het complex. Praatjes over het weer, de nattigheid, de droogte. De slakken, de rupsen, de hazen. De oogst, de anderen, de toestand in de wereld en waar het toch allemaal heen moet tegenwoordig. En dat komt misschien niet altijd helemaal uit, je hebt er misschien ook wel eens wat minder zin in, of tijd voor, maar het heeft ontegenzeggelijk ook iets prettig gemoedelijks en ik ben er dan ook meestal wel voor te porren.
Vandaag sta ik maar zo’n beetje onverrichterzake rond te kijken in mijn koninkrijkje. Vanwege de aanhoudende nattigheid en bezigheden buitenshuis ben ik een paar dagen niet geweest en ook vandaag is het te zompig om er echt iets te doen. In de verte zie ik echter wel een praatje aan komen lopen, in de vorm van een geheel uit vlekkerig roze opgetrokken oudere dame.
Wat een werk hè? roept ze me toe. Wat een werk. Ze gaat er eens goed voor staan en laat haar blik over mijn tuin glijden.
Tja, antwoord ik min of meer neutraal, ik vind het niet erg. En dat is ook zo. Je kunt het werk noemen, maar voor mij is dat de hele lol van een volkstuin: eindeloos volslagen zinloos bezig zijn aan iets dat nooit af is. Nooit af hoeft.
Ja, dat krijg je als je een paar maanden niet komt. Laat ze er op zalvende toon op volgen.
Wat mij betreft is dit gesprek nu al ontspoord maar volautomatisch schiet ik lafhartig in de verdediging.
Nou, een paar máánden, sputter ik wat bokkig tegen, hopend dat ze mijn onwil opmerkt en doorloopt, hoofdschuddend en afkeurende geluiden makend desnoods, maar dat doet ze natuurlijk niet.
Oh.. nog lánger.. een jáár. De toon is zo mogelijk nog zalvender. Het grote gelijk vergezeld van een omineuze glimlach. Ik ken die toon. Ik ken die glimlach. Ik ben acht jaar oud. Dit is mijn moeder. Ik jok dat ik geen koekje heb gepikt, maar de kruimels op mijn trui verraden me.
Ik zie een grote bende. Eén grote bende. Een wildernis. Komt ze bestraffend op stoom. Je moet spitten. Van vóór naar achter spitten. Dat is de enige manier om van al die troep af te komen. Spitten!
Een tikje confuus, misschien zelfs wel bedremmeld kijk ik om me heen. Mijn tuin. Ik wil helemaal niet spitten. En al helemaal niet van voor naar achter. Ik wil helemaal niet van al die troep af. Ik vind het leuk, die troep. Maar de roze mevrouw duldt geen tegenspraak, ze oreert nog minutenlang door. Ik vind het allang geen leuk praatje meer, hier is niets gemoedelijks aan. Toch doe ik niets anders dan beleefd de lieve vrede bewaren. Ontwijkende antwoorden geven. Nergens tegenin gaan. Ik vraag me af waarom. Want als ze uiteindelijk doorloopt, nogmaals roepend dat ik moet spitten, haar vinger priemend in de lucht, begint het bekende gezeur. Over wat ik allemaal had kunnen zeggen. Had willen zeggen. Had moeten zeggen.

dinsdag 16 november 2021

Koperwieken







Het was zomaar even mooi weer en zaterdagmiddag tegelijk, wij trokken eropuit voor een wandeling door de duinen. En langs het strand, want zó mooi was het weer. Je moet je kansen grijpen als ze zich voordoen, zeker in onzekere tijden als de onze. Rustig was het niet per se, maar zeker ook niet druk. De lockdown light die gisteren werd afgekondigd had nog niet meteen tot een nieuwe wandelhype geleid. Gelukkig, zou ik bijna zeggen, want ik heb het rijk graag alleen, elitair als ik ben. Vandaag deelden we het rijk met wat hondenuitlaters, een handjevol wandelaars en een enkel jong gezin.
We liepen door een redelijk sobere duinvallei, met overwegend helmgras en hier en daar een kale stuifplek, die door een grillige heuvelachtigheid en de voluptueuze wolkenluchten erboven toch haar charme had. In de hellingwanden ontwaarden we de nodige konijnenholen en hoewel we de konijnen zelf niet zagen, verraadden de karakteristieke keutels langs het pad dat ze er weldegelijk zaten.
Van ons favoriete tv programma Vroege Vogels, dat we deze maanden vanaf de allereerste aflevering in 2007 zitten terug te kijken, weten we dat dit gebied dus geschikt is voor tapuiten. Die maken gebruik van de konijnenholen, hebben wij geleerd. Jammer genoeg zouden we op dit moment geen van tweeën meer uit ons hoofd weten hoe een tapuit eruitziet, je kunt niet alles onthouden. Natuurlijk zouden we dat dan meteen even hebben kunnen opzoeken op onze telefoontjes maar dat leek niet zo nodig aangezien we de hele wandeling alleen maar vogels zagen waarvan we heel zeker wisten dat het geen tapuiten waren. Meeuwen, spreeuwen, eenden. Kraaien, duiven, merels. En een drieteenstrandloper. En ach, ook zonder tapuiten kun je een leuke middag hebben.
Toch waren we alsnog bijzonder in ons schik toen we vlakbij de parkeerplaats plotseling wel twee vogels buiten ons boekje zagen scharrelen. Koperwieken, meende ik op de gok, vanwege het roestbruine veegje onder de vleugels. En verdomd, het ter plekke geraadpleegd alwetend internet gaf ons gelijk. Wonderlijk dat je daar zó innig tevreden mee kunt zijn. Wonderlijk, maar ook fijn. Ik gun het iedereen.

zaterdag 13 november 2021

QR






Twee keer per week ga ik zwemmen, met een vast handjevol vrienden. Voor de conditie uiteraard. Het onderhoud aan het ouder wordende lijf. Staan we elkaar in alle vroegte op te wachten, in het donker en de kou, om gezamenlijk naar het zwembad te fietsen. Dat gaat om 7 uur open en meestal staat er al een rijtje wachtenden als we aankomen. We laten onze plastic abonnementen zien en praten de tijd vol tot de poorten opengaan. Met elkaar, met de andere wachtenden, met het zwembadpersoneel. Het is een klein stadje, het zijn altijd dezelfde mensen. We kennen elkaar. Het gaat er gemoedelijk aan toe. Wanneer we na het zwemmen nog een koffie met elkaar willen drinken, moeten we daar sinds kort een QR code voor laten zien, maar ook dat gaat er gemoedelijk aan toe. Verontschuldigend bijna.
Nu er ook voor het zwemmen zelf een QR code nodig is, lijkt de stemming omgeslagen. De draaideur waar we normaal in ganzenpas door naar binnen komen is afgesloten. Eén voor één mogen we door de gewone deur en worden bij binnenkomst door een strenge meneer staande gehouden voor een coronascananlage. Een ipad op een statief met op buikhoogte een rood lichtje waar je zelf je QR code voor moet houden. Wanneer de ipad vervolgens het inmiddels vertrouwde groene vinkje laat zien, schermt de strenge meneer de ipad plotseling met twee handen af en vraagt je indringend naar je geboortemaand. Het is niet de bedoeling dat je het goede antwoord van het ipadscherm leest, dat is duidelijk. Een lichte irritatie maakt zich hier van mij meester.
Iets later op dezelfde ochtend meld ik mij in de plaatselijke bruine kroeg voor een toneelrepetitie in de daarvoor afgehuurde bovenzaal. Ook hier is het de bedoeling dat je de QR code laat zien. Regels zijn nou eenmaal regels. De dienstdoende barmedewerker werpt een achteloze blik op mijn telefoon en meldt bijna lacherig dat ze het gezien heeft. Een scanapparaat komt er niet aan te pas. Ook hier maakt zich een lichte irritatie van mij meester.
Ik heb mij de rest van de ochtend afgevraagd welke van de twee situaties ik nou irritanter vond, maar ik ben er niet uitgekomen. Wat dan misschien wel weer illustreert in wat voor ingewikkelde tijden we leven.

donderdag 26 augustus 2021

Hannah (2)






In het museum was ik een bekende tegengekomen die geen bekende was. Dat was in 2017. In museum Belvédère, om precies te zijn, één van mijn favoriete musea. Ik schreef er toen ook een stukje over. 
De bekende, die dus geen bekende was, leek sprekend op iemand uit een Australische Netflixserie waar ik toen veel naar keek, waardoor het wel voelde als een bekende. Het was Hannah, uit Please like me, een aanrader. Ik had destijds de aanvechting haar te groeten maar bedacht me toen ik bedacht dat ik dan zou moeten uitleggen dat ik haar op een tv-personage vond lijken. En wie dan precies en waarom. En dat dat waarschijnlijk een ongemakkelijk gesprek had opgeleverd, waar ik dus maar liever van afzag. Hoewel ongemakkelijke gesprekken een aangenaam smaakmakende rode draad vormden in de Netflixserie.
Later kwam ik erachter dat de actrice die dit personage speelde, Hannah Gadsby, een stand-up-comedian is die nogal furore maakte met haar eerste programma. In coronajaar 2020 kwam ik vervolgens mijn eigen stukje toevallig weer tegen en dat bracht mij toen op het idee eens uit te zoeken of zij met dit programma ook Nederland had bezocht. En of dat dan toevallig ook in 2017 zou kunnen zijn geweest - er gold een lockdown en een avondklok, ik had niets beters te doen.
Beiden bleken het geval. Toen bij het bekijken van haar programma ook nog duidelijk werd dat zij behalve comédienne ook kunsthistorica was wist ik het bijna zeker: ik had in 2017 in museum Belvédère inderdaad naast Hannah gestaan. Uit Please like me.
Een wapenfeit van niks, dat weet ik heus wel. En het gesprek zou met deze wetenschap ook beslist niet minder ongemakkelijk zijn geweest.

Lees hier eventueel het eerste stukje over Hannah.

vrijdag 13 augustus 2021

Stiltegebied






Je kunt als wandelaar weleens een beetje een hekel krijgen aan pelotons wielrenners. Of roedels mountainbikers. De goeden niet te na gesproken kunnen die er wel eens merkwaardige ideeën op na houden, op het sociale vlak. Maar op vakantie in Brabant maakten wij kennis met een nieuwe, misschien nog wel ergere variant op het thema. De elektrische toeristenscooter. Het zal vast een officiële naam hebben, iets hips waarschijnlijk, dat weet ik niet, wil ik ook niet weten, toeristenscooter dekt de lading volledig, je zult er nooit iets anders op aantreffen dan toeristen. In kuddeverband, dat spreekt.
Een clownesk voertuig op rare dikke bandjes, met een vreemd laag zadel en een breed uitgevallen stuur, waar je alleen maar potsierlijk voor lul op kunt zitten. Als een kleuter op de bagagedrager van zijn autoped. Een dwaas gezicht, vooral bij de buikige mannen en vrouwen van middelbare leeftijd die wij er vandaag op zien zitten. Om die lulligheid te compenseren wordt er dan ook alleen in luidruchtig en zo groot mogelijk groepsverband op gereden. In toffe jongens vrijgezellenpartysfeer. Kijk eens hoe lollig wij zijn. En lúister eens hoe lollig wij zijn, want hoewel de scooter zelf nauwelijks geluid maakt, hoor je zo’n gezelschap al van verre aan komen. Niet alleen vanwege het jolig geroep en geschreeuw over en weer, maar vooral ook vanwege het irritant snerpende toetertje dat er van fabriekswege op zit. En waar dus permanent lekker op gedrukt wordt, van je tèèèètetèèèètetèèèè, want ja, dat vinden jongens leuk, om met de nog altijd betreurde Jeroen van Merwijk te spreken. Om onnavolgbare redenen hoef je bij deze dingen geen helm op en mag je er, hoewel het geen trappers heeft, blijkbaar ook mee over fietspaden scheuren. Als wandelaar kun je alleen maar aan de kant springen en lijdzaam wachten tot het voorbij is. Als bedaagd fietser eigenlijk ook.
Nu kun je denken: ach, ieder z’n lolletje en dan zál er eens zo’n stoet geinponems langskomen en dan zál je ze nog even horen.. dan wandel je daarna toch weer rustig verder.. Maar zo werkt het niet. Die dingen worden in grote hoeveelheden per uur verhuurd dus in het aanpalend natuurgebied kun je tijdens één wandeling al gauw twee of drie van die optochten tegenkomen. En niet alleen op het fietspad. De derde komen we zelfs tegen op een smal voetpad door het stiltegebied. Minstens twintig achter elkaar. En allemaal toeteren en schreeuwen en lachen. En gezien de joviale commentaren blijkbaar ook nog in de veronderstelling dat wij dat wel leuk zullen vinden, zo’n lawaaiige club uitgelaten oude jonge honden.
Grommend staan wij in de berm op onze tanden te bijten. Als het eindelijk voorbij is komt er even later nog een spuit elf achteraan. Een verloren schaap. Met breed lachend de vraag of wij misschien een groep scooters langs hebben zien komen.
Helaas wel, klinkt ons geërgerd antwoord als uit één mond. Helaas wel. En dit is een voetpad, bijt ik er nog machteloos achteraan.
Maar ja.. Wij zijn de zeikerds natuurlijk. Met ons wandelen in een stiltegebied.. gekker moet het toch niet worden.
Eens komt de dag, dan is ons land af. Dan is heel Nederland een pretpark. Eén groot terras, met bierfietsroutes, zwemparadijzen en onbeperkt spareribs vreten. Leve de vrijheid!

maandag 9 augustus 2021

Slangenarend






In het plaatselijk ochtendblad op ons vakantieadres las ik het bericht dat in de omgeving de slangenarend is gesignaleerd. Ik had nog niet eerder van de slangenarend gehoord. Ik ben oprecht geïnteresseerd in alles wat met vogels en dieren en planten te maken heeft, de natuur, maar zal altijd hopeloos onwetend blijven. Ik las verder dat het een bijzondere verschijning was in ons land. En nu dus in de buurt. Op de Strabrechtse heide. Nu las ik ook dat daar, zoals dat gaat, onmiddellijk hele kuddes vogelaars en aanverwanten op af waren gekomen, met verrekijkers en camera’s en telelenzen, om het beest meteen weer te verjagen, dus hoewel ik een wandeling over de Strabrechtse heide in mijn verzameling klaar heb liggen, besloot ik er weg te blijven. Als het even kan mijd ik de kudde, wat voor kudde het ook is. Mijn voorgenomen wandeling van de dag voert langs de Stratumse heide en de Gijzenrooische Zegge en dat blijft zo.
Wanneer ik zo een eind op streek ben en trek begin te krijgen strijk ik neer op een bankje. Het is een half gesloopt bankje en er ligt een hele rol Fruitella aan bonte snoeppapiertjes omheen maar beter dan dat krijg ik het nou eenmaal even niet. Het blijft verbazend hoeveel rotzooi mensen, die dan toch ook door de natuur en het landschap wandelen, overal achterlaten. Het is verschrikkelijk. Verdrietigmakend.
Als mijn ergernis wat is gezakt hoor ik achter mij een roofvogelachtig geluid en wanneer ik het nogmaals hoor dringt het langzaam tot me door dat het niet het geluid van een buizerd is. Zo onwetend als ik ben, het geluid van een buizerd, een wat klaaglijk miauwen, behoort inmiddels wel tot het basispakket. Wat ik nu hoor is duidelijk anders. Een tikkeltje opgewonden sta ik op van mijn bankje en loop naar het open veld dat vlak achter mij ligt en verdomd, daar zie ik meteen de roofvogel heen en weer kruisen die verantwoordelijk is voor dit geluid. Ik zie het, ik hoor het. Ik probeer wat foto’s te maken, wat nog niet meevalt met mijn eenvoudige camera, om thuis eventueel te determineren wat ik nu weer gezien heb, maar in mijn achterhoofd heeft zich allang het avontuurlijk idee gevormd dat dit weleens de beroemde slangenarend zou kunnen zijn. De Strabrechtse heide is hier ook weer niet zó ver vandaan.
Als de vogel even achter de bomen is verdwenen pak ik mijn telefoon erbij en zoek de slangenarend op het web. Als eerste speel ik een geluidsfragment af dat precies klopt met wat ik net gehoord heb. Dan lees ik over gedrag dat precies klopt met wat ik juist gezien heb. Ik word overvallen door een nergens op gebaseerde opgetogen trots. Ik heb een slangenarend gehoord, gezien én herkend. Dé slangenarend. En er is hier niemand, alleen ik, stuiterend op mijn gesloopte bankje.
Toch heb ik sterk de behoefte mijn geluk te delen.
Een mevrouw komt de hoek om wandelen. Het is een mevrouw met een witte kuitbroek en een tijgerprint bloesje maar het maakt me niet uit.
Of ze lekker aan de wandel is, gooi ik er als inleidend lokkertje in.
De mevrouw trekt haar oortjes eruit en vraagt: wablief?
Nee.. ik zal mijn geluk helemaal zelf op moeten kunnen.

woensdag 4 augustus 2021

Strooiselroof






Je zal het altijd zien. De hele dag dat je door bos en over heide loopt te wandelen kom je niemand tegen, geen hond, geen kip, geen mens, je waant je alleen op de wereld, tót je heel even iets staat te doen waar je geen toeschouwers bij nodig hebt. Dan komt er opeens een medewandelaar de hoek om zeilen. De hoek waarvan je niet gezien had dat die er was of Joost mag weten waar ze dan opeens wel vandaan komen.
Nu denkt u natuurlijk dat ik tegen een boom sta te pissen, en inderdaad, dan gebeurt dat ook heel vaak. Ongemakkelijke situaties levert dat op want ja, je staat toch een beetje voor lul natuurlijk. En je kunt nergens heen zo gauw. Hoe moet je kijken? Waar moet je kijken? Wat denkt zo iemand dat jij staat te doen? Soms loopt zo iemand dezelfde kant op als jij en kom je elkaar verderop weer tegen. Huu.. Ik hou er niet van, maar goed, soms laat de natuur je geen andere keuze.
In dit geval was het iets anders waar ik pottenkijkers bij kreeg, ik stond aan de rand van het bospad een beukje uit te graven. Voor eigen gebruik. In mijn volkstuin leg ik een verzameling boompjes aan die ik tijdens wandelingen uit het bos meeneem. Wederrechtelijk dus. Een gestolen arboretum. Strooiselroof, zoals dat heet, heb ik me ooit laten vertellen. Dat klinkt spannend en dat is het ook, voor een braverik als ik. Laatst hoorde ik dat iemand met dezelfde gewoonte het ‘het verspreiden van biodiversiteit’ noemde, wat inderdaad een positievere toon heeft, maar het blijft toch iets waar iemand anders weleens de wenkbrauwen bij op zou kunnen trekken. Iets waar je niet bij betrapt wilt worden, met je plastic zakje, en je van huis meegebrachte schepje. Iets dat de schijn van vernielzucht om zich heen heeft hangen. Al is dat ook weer reuze relatief allemaal want vanmorgen las in het plaatselijk ochtendblad nog een gedienstig trots artikel over een nieuw aan te leggen testlocatie voor onderzoek naar duurzame wegenbouw, waarvoor als eerste stap op weg naar een CO2 vrije wereld alvast 1900 bomen waren gekapt. Dus. En het zwarte beukje waar ik mijn oog nu op had laten vallen was nog maar piepklein en stond zó dicht bij het pad dat het vrijwel zeker gemaaid zou worden, vandaag of morgen. Dus.
Omzichtig keek ik naar links en naar rechts en nog een keer en toog aan het werk.
Ik had mijn boompje nauwelijks los van de grond of ik hoorde een stem achter mij vragen of ik misschien iets aan het zoeken was. Het was me een raadsel waar ze vandaan gekomen was maar daar stond een mevrouw, met een hondje. Een beetje schaapachtig hield ik mijn zakje omhoog. Dat ik een beukje had uitgegraven, voor in de tuin, zei ik zo neutraal mogelijk en hoopte er het beste van. Ach ja, glimlachte de mevrouw al even neutraal, er staan er genoeg. Ze riep haar hondje en liep door.

zaterdag 31 juli 2021

Algemeenst




Je ziet veel waar je maar weinig van weet, wandelend langs berm en beemd. Zeker als je ogen en oren de kost geeft. Er groeit en bloeit van alles. Er wordt gezongen, gefloten, geroepen, getjilpt en getjirpt en wat al niet. Er vliegt en kruipt en fladdert allerlei voor je uit en om je heen en voor je weg. En maar hoogst zelden weet je waar je mee van doen hebt. Wát je nou zo mooi vindt. Ik doe mijn best daar verandering in te brengen. Zie ik iets, hoor ik iets of vraag ik me iets af dan zoek ik het op. Leve de mobiele telefoon en het immer toegankelijk internet. En zo leer ik nog eens wat, al is dat meestal niet voor lang want ik vind het nog een hele klus om alles goed te onthouden. Het precieze verschil tussen kleine, middelste en grote bonte specht bijvoorbeeld heb ik wel geweten, maar als ik er nu één in de boom zag zitten zou ik toch weer vreselijk gaan twijfelen. Herten en reeën, ook zoiets. Sprinkhanen en krekels. Laat staan al die vreselijk op elkaar lijkende vogeltjes. Het is een hopeloze missie maar ik geef niet op en blijf onverminderd geïnteresseerd, al ontdek ik iets voor de zevende keer.
Soms denk je ook dat je iets heel bijzonders ontdekt. Tijdens mijn wandeling van vandaag bijvoorbeeld trof ik een knalrode libelle. Schitterend. Heidelibelle, had ik een klok horen luiden. Wát een kleur! Er zwermden er een stuk of drie om me heen. Ik bleef een tijdje staan om er van te genieten, hobbelde er wat achteraan in een poging er één of twee fatsoenlijk op de foto te krijgen, voor het betere determineerwerk thuis. En daar bleek dat onwetendheid ook zo gek nog niet is. Het bleek al gauw inderdaad om een heidelibelle te gaan. De bloedrode heidelibelle. Geweldige naam ook. Maar bijzonder was hij niet, volgens de geraadpleegde site van de vlinderstichting. Zeer algemeen, stond daar. En: de algemeenste heidelibel. En om het nóg duidelijker te maken liet de vlinderstichting daar nog op volgen: een van de algemeenste libellen van Nederland. Algemener kortom, kan het eigenlijk niet. Het moet raar lopen wil je er géén tegenkomen, op je wandeling.
Tja. Nou ja. Wordt het daar minder van? Mij maakt het niet uit. Ik blijf het gewoon bijzonder vinden.

dinsdag 27 juli 2021

Eén en al vriendelijk glimlachende belangstelling






Iedere dinsdagmiddag ga ik even bij mijn oude schoonouders langs. Voor een kopje thee, een praatje, een ommetje door het bos of een ritje naar het strand. Eventueel een helpende hand zo hier of daar, een klusje, een wasje. En sowieso een oogje in het zeil. Zo ben ik een klein onderdeel van een de laatste jaren steeds groeiend systeem dat er voor moet zorgen dat mijn schoonouders thuis kunnen blijven wonen, zo lang als dat gaat. En dat gaat, zo goed en zo kwaad als dat gaat. Steeds moeilijker, dat wel.
Deze dinsdagmiddag lijkt er wel iets aan de hand te zijn trouwens. Meteen als ik aan kom rijden is mijn argwaan gewekt, noem het een voorgevoel. Voor het huis van de buren staat een grote, glimmende, dure auto in de berm geparkeerd. Nu zou dat in het dorp waar mijn schoonouders wonen niet direct verbazing hoeven wekken, het is het soort dorp waar zo goed als iedereen een belachelijk grote en dure auto rijdt, maar in dit straatje valt het toch op. Hier wonen voornamelijk bejaarden. Het huis van de buren staat zelfs leeg omdat de buurvrouw van negentig onlangs in een verpleeghuis is opgenomen. Een lot dat mijn schoonouders ook als een zwaard van Damocles boven het hoofd hangt, al is dat onderwerp vooralsnog taboe. Maar goed.
Als ik langs de erker naar achteren loop en vast een blik naar binnen werp, zie ik een mij onbekende meneer in mijn stoel zitten. Een meneer die ik onmiddellijk aan de grote, glimmende auto koppel. Een keurige meneer. Gesoigneerd. Golvend grijs haar, gekapt en gekamd, beschaafd wintersportbruin, kek jasje aan. Welriekend ongetwijfeld ook nog. Eén en al vriendelijk glimlachende belangstelling.
We hebben bezoek, glimt mijn schoonmoeder mij in de gang al tegemoet, ik heb geen idee wie het is maar het is een héél aardige man. Ook mijn schoonvader is duidelijk bijzonder in zijn nopjes met de onverwachte gast, breed gebarend zit hij goedgemutst op zijn praatstoel en laat zich de welwillende aandacht goed smaken.
De deftige meneer maakt zich bij mijn binnenkomst meteen bekend als makelaar maar toch vooral als een oude klant van mijn schoonvader, die hij nu, na zoveel jaren, toch weer eens wilde bezoeken. For old times’ sake, zogezegd.
Ik weet niet wat ik er van moet denken. Dat mijn schoonmoeder niet weet wie ze voor zich heeft is inmiddels nou eenmaal de stand van zaken geworden. Mijn schoonvader lijkt erg op zijn gemak in het gesprek met de meneer en wekt de indruk dat het inderdaad gaat om een klant van vroeger, mijn schoonvader had een groothandel in koffie en dat soort zaken dus dat kan, al moet dat dan wel van ruim twintig jaar geleden zijn.
Voor ik de kans krijg de kat uit de boom te kijken is de meneer echter al uit mijn stoel opgestaan, hoeft echt geen thee meer, heeft nog bezigheden elders die op hem wachten en neemt zo snel als het fatsoen hem toelaat afscheid. Mijn schoonmoeder laat hem uit, nog altijd even glimmend. Zodra hij de kamer uit is vertrouwt mijn schoonvader mij toe dat hij zich deze meneer absoluut niet kan herinneren, maar dat het een héél aardige vent was. Nu is zijn geheugen ook lang niet onfeilbaar meer dus de meneer zal gerust ooit koffie bij hem hebben gekocht maar dat was natuurlijk niet de reden van zijn spontane bezoekje, ben ik geneigd te denken. Als mijn schoonvader vervolgens vertelt dat de makelaar naar eigen zeggen op bezoek was bij de bejaarde achterbuurvrouw, die de boel blijkbaar gaat verkopen, valt de puzzel der achterdocht voor mij in elkaar. Deze héél aardige vent is tot de verheugende ontdekking gekomen dat hier in een zeer geliefd rijke-patsers-dorp drie perceeltjes aan elkaar liggen die in eigendom zijn van hoogbejaarden. Samen één groot perceel waar de gemiddelde projektontwikkelaar wel raad mee weet. Waarop de makelaar besloot meteen maar eens even poolshoogte te gaan nemen, als héél aardige meneer. Brrr.
Als mijn vrouw de volgende dag de makelaar belt om hem namens de familie op het versteende hart te drukken dit soort bezoekjes verder achterwege te laten is deze één en al knipmessend begrip. Natuurlijk natuurlijk. Zeker zeker. Maar mocht de familie tóch van plan zijn te verkopen, dan hield hij zich uiteraard van harte aanbevolen.

dinsdag 20 juli 2021

Van bureaucratische aard





De Bulgaarse hulp van mijn schoonouders heeft een afspraak op het gemeentehuis. Het is een afspraak van bureaucratische aard, met nummers, handtekeningen, machtigingen en formulieren. Dat wil zeggen, hij dénkt dat hij een afspraak heeft. Hij weet het niet zeker. Het laatste bericht erover was een telefoontje van de gemeente dat mijn schoonvader had aangenomen. Die hoort en verstaat of begrijpt niet alles meer even precies maar is nog wel koppig genoeg om dat niet toe te geven of te willen laten merken. Op zijn verslag - vanmiddag om half drie op het gemeentehuis - durft de hulp dus niet zonder meer te varen, temeer daar hij ook, en tegelijkertijd, een email van de gemeente ontving waarin van een afspraak geen sprake was. De hulp vraagt mij de gemeente te bellen om uitsluitsel, zijn eigen poging strandde op een voor hem niet te begrijpen keuzemenu.
Ook voor mij is het tijdens het gesprek dat volgt moeilijk te begrijpen dat een eenvoudige vraag - heeft mijnheer Zusenzo vanmiddag een afspraak voor formulier ditendat? - op zoveel ambtelijke ingewikkeldheid kan stuiten. Het is duidelijk geen kwestie van even een agenda raadplegen. Daar zijn collega’s voor nodig, die in het systeem kunnen, en die momenteel niet aanwezig zijn helaas. Of vandaag niet werken helaas. De juffrouw die ik aan de lijn heb hoort mij welwillend aan, maar kan dus niet in het systeem. Helaas. Wat zij wel voor ons kan doen is een terugbelverzoek aanmaken. Dan worden wij binnen twee werkdagen teruggebeld.
Het is donderdag.
Dus nu krijgen we begin volgende week te horen of we vanmiddag een afspraak hadden. Of niet.

zondag 11 juli 2021

Het hellend vlak


De kus bracht mij in verleiding. Wekte mijn hebzucht. Ik heb het over het boek van Jan Wolkers. Ik zag het liggen in een kast in het grand café waar wij een zaaltje huurden om te repeteren met de toneelgroep, nu dat weer kan, nu dat weer perspectief lijkt te hebben, ik druk mij voorzichtig uit. De kast stond wat verdekt opgesteld op de overloop - de boeken waren voor algemeen gebruik, voor de bezoekers van het café beneden, neem ik aan.
Daar lag Jan Wolkers, met z’n rode omslag te lonken. De kus, stond er met stevige roze letters. Telkens als ik van boven naar beneden liep, of andersom, kwam ik er langs.
Het was een oud exemplaar, een paperback, vele malen gelezen. De vernislaag op de rug hing er in vellen bij. Toch trok het boek mij. Het riep mij. Ik pakte het op. Ik ben een liefhebber van Jan Wolkers, met zijn branie, zijn schaamteloze levenslust, en de kus heb ik meer dan eens gelezen, in een ver verleden. Ik herinner me dat ik het een mooi boek vond. De flaptekst zei het trouwens ook, zag ik: misschien wel het mooiste boek dat Wolkers schreef. Dus.
Opeens wilde ik het boek, dat jaren slechts vaag op de achtergrond van mijn geheugen had gebivakkeerd, opnieuw lezen.
Ik had het nooit achter mezelf gezocht maar ik kwam dus in de verleiding het mee te nemen. Ik kwam zelfs sterk in de verleiding het mee te nemen. Maakte mezelf wijs dat ik het boek er een plezier mee zou doen, dit vergeten boek dat hier duidelijk niet werd gekoesterd. Dat hier liefdeloos tussen de flutromans en de goedkope lectuur was neergekwakt. Meermaals moest ik mijzelf ervan weerhouden. Zelfs thuis dacht ik er nog aan het de volgende keer dan in mijn tas te stoppen. Niemand die het zou merken.
Na mijzelf aldus twee weken gekweld te hebben met de slechtheid die zich blijkbaar ook in de man van goede wil verschuilt, besloot ik het boek dan in godsnaam maar te kopen.
Online vond ik het tweedehands voor een tientje. Inclusief verzendkosten.
Vandaag kwam het binnen, vrolijk verpakt in kinderlijk cadeaupapier.
Voor een tientje redde ik mijzelf van het slechte pad.

maandag 5 juli 2021

Weids




Hoe vertel je deze dagen dat je naar een museum bent geweest. Het mag weer, moet je daar dan bij zeggen. En: wat héérlijk dat dat weer mag. Of: het kan weer, wat iets beter is, maar nog steeds jeukerig. Gevolgd door een statement, of een mening. Dat het toch belachelijk was dat de Action gewoon open mocht, en de Ikea, maar dat de musea en de theaters niet eens meer genoemd werden in de persconferenties. Dat je als voetbalhooligan je goddelijke gang kon gaan, maar dat de musea enzovoorts. Ik heb daar hier allemaal geen zin meer in, hoe waar het ook mag wezen. Laat maar. Ik was naar het museum en dat was fijn, na al die tijd. Ik had het gemist.
Om kalm aan te beginnen had ik het dichtbij huis gezocht, in het Stedelijk Museum Alkmaar, waar de tentoonstelling Weids een beeld wil geven van het Noordhollands landschap, het landschap dat ik, nu ik er woon, vaak bewandel en dat ik zelf ook graag mag fotograferen. Een zaal vol polders, duinen, stolpen, koeien, molens, water en zeegezichten door een bont gezelschap vaak ook Noordhollandse kunstenaars. Jaap Min, Leo Gestel, Gerrit van Blaaderen, Henk van den Idsert, Edgar Fernhout, maar ook klassiekere meesters. Zoals ik zei, het was heerlijk om weer door een museumzaal te lopen, ik had het gemist, en nu ik er weer liep voelde ik dat des te beter.
Wat ik ook bijna gemist had was de film die in het kleine eerste zaaltje werd vertoond. Bij binnenkomst liep ik er weliswaar langs, maar omdat het zich net had gevuld met een gezelschap waarvan het mij coronatechnisch niet aansprak er tussen te gaan staan, gevaccineerd of niet, besloot ik het even over te slaan. Ook half in de veronderstelling dat het misschien een nietszeggend sfeerfilmpje zou zijn, met weeë muziek, om vast in de stemming te komen. Waarna ik het bijna vergat, omdat je er door alle pijlen en looprichtingen op de grond eigenlijk niet meer langs komt. Het zou jammer geweest zijn want de vertoonde film bleek zomaar het onbetwiste hoogtepunt van mijn bezoek. Westfriese Omloop, heette de film. Hij was van de mij verder onbekende Pé Okx, wat wel een heel coole naam is trouwens.
In 2010 begon ik met mijn oudste zoon aan een wandeling over de Westfriese Omringdijk, een monumentale, eeuwenoude dijk die zich na bijna 800 jaar nog altijd zo goed als intact zeer prominent om Westfriesland sluit. We zouden hem helemaal aflopen, mijn zoon en ik, maar er kwam van alles tussen, zoals dat gaat, en we bleven na één dagmars steken bij Schoorldam. Twee jaar later besloot ik een nieuwe poging te wagen met mijn jongste zoon, maar nu op de fiets. Om onderweg toch foto’s te kunnen maken zonder steeds zo hinderlijk af te moeten stappen, had ik een cameraatje op mijn stuur gemonteerd en drukte ik al fietsend zo af en toe recht naar voren af, wat bijzondere foto’s opleverde. Ook deze tocht bleef in de beginfase steken, we kwamen niet verder dan Alkmaar.
Ik vertel dit omdat Pé Okx met zijn film laat zien wat het oplevert als je zulke plannen goed uitdenkt, doorzet, en afmaakt. Ik vertel dit omdat ik jaloers ben op Pé Okx. Hij liep, in 2009 en 2010, iedere maand één dag over de dijk, van zonsopgang tot zonsondergang, weer of geen weer, en maakte elke 12 seconden een foto. Op internet vond ik later uit dat hij met een zelfgeknutseld karretje op pad ging, een soort rijdend statief. Na twaalf wandelingen had hij de hele dijk gehad, 126 km, en 40.000 foto’s gemaakt, die hij achter elkaar monteerde tot een stop motion film van drie kwartier. Een fascinerend, hypnotiserend beeld. Stilstaand, en toch bewegend. In vliegende vaart scheer je over die imposante dijk, die zich door het weids Noordhollands landschap slingert en kronkelt. Door weilanden, dorpen en steden, langs het IJsselmeer, polders, haven en industriegebied. Je ziet het licht worden en weer donker, de seizoenen veranderen. Er ligt sneeuw, of het mist, of de zon schijnt. Wolken jagen voort, veranderen van vorm, veranderen van kleur. De bomen zijn groen, de bomen zijn kaal. De tijd vliegt, de tijd staat stil. Er is geen tijd. Je gaat over een fietspad, over een grasdijk of een drukke autoweg. Fietsers, wandelaars, hardlopers schieten voorbij. Schapen lopen voor je uit. De paaltjes van de hekken links en rechts voeren een stroboscopisch ballet uit op de schitterende, speciaal gecomponeerde muziek. En je blijft kijken. Je blijft kijken, drie kwartier lang. En je denkt: verdomme, dit wil ik ook!

De tentoonstelling Weids, het Noordhollands landschap verbeeld is nog tot 22 augustus 2021 te zien in het Stedelijk Museum Alkmaar. Er moet tot nader order een tijdslot gereserveerd worden.