donderdag 14 december 2023

Geschraagd







Kunt u het vinden? Het is een vraag waar ik normaalgesproken vriendelijk en beleefd afhoudend op reageer. Omdat ik het meestal inderdaad zelf wel kan vinden. Omdat ik daarna graag op eigen houtje in mijn eigen tempo een tijdje wil staan wikken en wegen hoe of wat en hoeveel dan en hoe groot en omdat ik het in de schaarse gevallen dat ik het niet kan vinden altijd nog kan komen vragen nietwaar. Ja hoor, dank u wel, is dan ook meestal mijn antwoord, eventueel vergezeld van een wetende blik en een zelfverzekerd knikje.
Maar vandaag kwam de vraag precies op het goede moment. Ik had al een tijdje lopen dwalen, in de bouwmarkt, tussen de kubieke meters kerstbullen en –prullen en andere gezelligheid, ik had de meest voor de hand liggende schappen wel zo’n beetje gehad en ik kon het inderdaad niet vinden. Reuze handig dus dat er juist op dat moment iemand in de bedrijfskleuren tevoorschijn kwam die mij de vraag stelde. Kunt u het vinden?
De reddende engel was een montere jongeman met hip haar en een gemodelleerd baardje dat hem eerder jongensachtig dan mannelijk maakte. Ik had zijn vader kunnen zijn, maar eerder nog zijn opa. Zijn opgeruimdheid nam mij voor hem in.
Schragen, herhaalde hij mijn vraag, het woord behulpzaam proevend, schragen.. Kunt u misschien uitleggen hoe dat er ongeveer uitziet, vervolgde hij, zonder merkbaar ongemak over zijn onwetendheid in dezen, dan weet ik misschien waar het ligt. Hij hield dus rekening met de mogelijkheid dat hij ook daar geen flauw idee van zou kunnen hebben. Dat nam mij nog verder voor hem in. Nooit ging ik nog naar een andere bouwmarkt.
Dat het een simpele houten constructie was die je uit kon klappen, zodat je er bijvoorbeeld een deur op kon leggen om die te schilderen, verduidelijkte ik mijn vraag, want dat was waar ik ze voor nodig had. Een deur schilder ik bij voorkeur terwijl hij ligt, zodat je zelf kunt blijven staan, je de scharnieren schoon houdt omdat je die eraf haalt en je ook geen druipers krijgt. Ieder zijn meug natuurlijk, dus ik de mijne.
Nou, dan wist de jongeman misschien precies waar hij moest wezen en ging mij met ferme pas voor, gangpad in, hoekje om, gangpad uit, de hele bouwmarkt door, om met een breed armgebaar te eindigen bij de Black ’n Decker Workmates. Dat je die ook uit kon klappen, prees hij de koopwaar aan toen ik voorzichtig naar voren bracht dat dit niet helemaal was wat ik bedoelde. Dat wat ik zocht een stuk eenvoudiger en vooral ook een stuk goedkoper was.
De jongeman liet zich daar niet door uit het veld slaan: Als ik wist hoe wat ik zocht officieel heette, zocht hij het op in de computer en kon hij zien wat ik nou eigenlijk bedoelde en of dat in de bouwmarkt aanwezig was. De officiële spelling kostte even moeite maar toen bleek dat er veertien schragen, met een r dus, in de schappen - zonder r - moesten hangen. En daar gingen we weer, met ferme pas, gangpad uit, hoekje om, gangpad in, langs de meest voor de hand liggende schappen. Maar daar hingen ze dus niet, wist ik al, al zei ik dat niet.
Nu moest de jongeman zich toch gewonnen geven en leek het hem, met ongebroken humeur, het beste dat ik hier even wachtte, en hij er een collega die alles wist bij haalde.
De collega die alles wist wist het inderdaad en zo liep ik even later naar de kassa met twee schragen over mijn schouder. De jongeman kwam er speciaal nog even voor uit een gangpad gedoken om met een brede glimlach en opgestoken duimen te constateren dat het gelukt was. Een fijne dag nog! riep hij me na.
Ik bedoel maar. Dit gebeurt ook. Laten we ons daar maar aan vasthouden, de komende tijden.

donderdag 30 november 2023

Oud nieuws







Na ruim zes weken is het nu in elk geval zover dat ik de plafonds van onze nieuwe badkamer en wc kan witten. Niet dat alles verder al helemaal klaar is, of naar behoren functioneert, tegenslag hoort erbij, ook met vaklui in huis, het is niettemin een heuglijk feit. En leuk om te doen. Eindelijk weer zelf aan de slag, uit de wachtstand, de zaken in eigen hand.
Om spetters en spatten op de nagelnieuwe tegelvloer te voorkomen, bedek ik die met oude kranten. De krant van gisteren, en eergisteren, vorige week. Oud nieuws. Yesterdays papers telling yesterdays news, heb ik wel eens iemand horen zingen, in een platgetreden lied, maar dat klopt hier en nu niet helemaal. Vanaf bijna elke pagina, vanuit alle hoeken van mijn nagelnieuwe badkamer en wc word ik aangekeken en toegelachen door de verwaten kop van de heer Wilders, zoals hij nu opeens deemoedig genoemd wordt, met zijn milde oogopslag.
Dus het mag dan misschien de krant van gisteren zijn, met het nieuws van gisteren, het is natuurlijk ook het nieuws van de komende weken, maanden, jaren. Nieuws dat voorlopig niet meer weggaat. Waar we ons wel een tijdje toe zullen moeten verhouden, of we dat nou leuk vinden of niet. Ik vind er niks aan, maar blijkbaar zijn er meer dan twee miljoen mensen die het geweldig vinden. Tja. Zo werkt democratie, wordt er dan gezegd. En dat is natuurlijk ook zo. Toch heb ik het er moeilijk mee. Twee miljoen verongelijkte mensen. Het blijft een ruime minderheid natuurlijk, op het totaal aantal stemgerechtigden van dertien miljoen, maar toch. Wat willen ze? Wat verwachten ze? Waarom zijn ze zo boos? Wat staat ons te wachten? Hebben ze hier goed over nagedacht?
Daar moet je vanuit gaan natuurlijk, van dat laatste, iedereen moet serieus genomen worden. Je mag er niet zomaar vanuit gaan dat je te maken hebt met een grote groep luie en gemakzuchtige, ongeïnteresseerde, slecht geïnformeerde, verveelde, tot op het bot verwende überconsumenten die helemaal geen zin hebben hun individuele luxe leventje aan te passen aan een groter belang. Laat staan aan het belang van een ander. Die gewoon kiloknallers op de barbecue willen blijven gooien, spotgoedkoop naar de zon en spotgoedkoop naar de sneeuw willen blijven vliegen en 140 op de snelweg. Die gewoon negerzoen willen blijven zeggen, en jodenkoek en kankerhomo. Die gewoon weer zwarte piet willen. Die zich op black friday gewoon onbekommerd met 80% korting blind willen kopen aan overbodige plastic rotzooi uit China en wegwerpkleding uit Azië. Omdat ze daar recht op hebben. Fuck het dierenleed, fuck de kindslaaf, fuck het klimaat, fuck de natuur, fuck de oorlogsvluchteling, fuck de hele linkse teringzooi.
Daar mag je niet vanuit gaan, nee.
Dus moeten we er vanuit gaan dat deze meer dan twee miljoen mensen een doordachte en weloverwogen stem hebben uitgebracht op de partij van hun keuze.
Maar goed.. is dat beter?

dinsdag 7 november 2023

Tegen beter weten in







Mensen met honden. Als u daar geen zin in heeft slaat u dit bericht maar even over. Ik heb er zelf ook geen zin in, maar het moet weer even. Mensen met honden! In radeloze verontwaardiging laat ik het over het wandelpad galmen. Mijn vrouw loopt met straffe pas voor me uit, duidelijk niet van plan me bij te vallen. Wat is dat toch met mensen met honden, probeer ik het nog maar eens, maar mijn vrouw laat weten dat ze niet begrijpt dat ik daar elke keer weer in trap. Dat ik inmiddels toch beter weet, beter zou moeten weten in elk geval, en dat ik daar nu weer een hele wandeling op loop te knarsetanden. Dat dat zonde van de tijd is. En van de wandeling. Ze heeft gelijk natuurlijk, het is tegen beter weten in.
Het is eindelijk even een uurtje droog, in de herfstmoesson die nu al weken lijkt aan te houden, en we besluiten daar gebruik van te maken om het sluimerend chagrijn met een frisse neus te verdrijven. We rijden een stukje richting de kust en parkeren de auto bij de ingang van een ons nog onbekend wandelgebiedje. Er staat één andere auto. Die zal van de mevrouw zijn die net aan de andere kant van het klaphek aan komt lopen. Met een schoothondje onder haar arm en voor zich uit een groot, zwart, loslopend monster dat bij voorbaat al intimiderend naar ons begint te blaffen. Alleen het klaphek houdt hem tegen. Ik houd op enige afstand stil, in afwachting van een veilige doorgang. De mevrouw ziet dat, zegt dingen als blijf en kom hier tegen haar hond, maar dat zijn blijkbaar vrijblijvende adviezen want ze pakt hem niet aan zijn halsband en ze doet hem niet aan een riem. Wel doet ze het klaphekje open waarop de hond, alle adviezen in de wind slaand, meteen luid blaffend op me af stuift en tegen me aan begint te duwen. Kijk, dan heb je mij al. Want ik houd daar niet van en ik snap niet dat ik dat allemaal maar normaal moet vinden.
Even terzijde deze vuistregel voor mensen met honden: het is úw hond, dus ú houdt hem onder appèl, liever nog aan de lijn, en zorgt dat een ander er geen last van heeft. Als de ander belangstelling heeft voor uw hond, zal hij of zij dat zelf aangeven.
Goed.
Ik voel nu dus meteen al een sterke aandrang om boos naar de mevrouw uit te vallen maar tegen beter weten in besluit ik het beleefd te houden en deel op kalme en de-escalerende toon mede dat ik het niet fijn vind haar hond zo dichtbij me te hebben. Het correcte antwoord zou natuurlijk iets zijn in de trant van neemt u mij niet kwalijk of pardon of iets dergelijks, maar dat vinden mensen met honden over het algemeen heel moeilijk om te zeggen. Dat geldt ook voor deze mevrouw.
Dan moet u niet naast mijn auto gaan staan, want dan vraagt u er om, is de officiële reactie waar ik het wat haar betreft mee kan doen. Hoewel ik vind dat de mevrouw nu zelf ook ergens om vraagt, houd ik mij nog altijd in en rond het korte en zinloze gesprek af met een nog altijd beleefd: u kúnt natuurlijk mij de schuld geven, maar u kunt ook uw hond vasthouden. Tevreden dat ik er in geslaagd ben op een kalme manier assertief te zijn en mijn punt te maken, loop ik door het klaphekje achter mijn in straffe pas vooruitlopende vrouw aan.
De mevrouw heeft haar honden inmiddels in de auto geladen en maakt aanstalten weg te rijden. Dan stopt ze plotseling, opent haar portier en heeft daaroverheen verbeten het laatste woord: dat dit een losloopgebied is, dus! Ze trekt het portier weer dicht, geeft gas en verdwijnt uit beeld. Mij achterlatend met mijn nu toch oplaaiende verontwaardiging over zoveel lompe domheid. Mensen met honden! Galm ik over het wandelpad. Maar mijn vrouw is niet van plan me bij te vallen. Zij trapt er niet meer in.

donderdag 2 november 2023

Klusser







Klusser. Ik heb het nog altijd parmantig in mijn profieltje staan, in de rechterkolom - onderaan bij de telefoonversie waarschijnlijk - kijkt u maar. Huisvader, opa, schrijver, theatermaker, klusser, wandelaar. En nog zo het een en ander. Ziet u het staan?
Nou ben ik inderdaad al op jonge leeftijd begonnen met klussen en zijn er inmiddels drie huizen vrij rigoureus door mijn handen gegaan, als laatste ons droomhuis op het platteland, nog altijd ons thuis, maar de eerlijkheid gebiedt mij te bekennen dat, hoewel ons droomhuis in de meer dan vijftien jaar dat we er nu wonen nooit helemaal af is gekomen, ik al zeer geruime tijd niet meer op serieus klussen te betrappen ben geweest. Al jaren niet meer. Als ik nog een klusser ben, is het een klusser in ruste.
Terwijl er natuurlijk altijd wel iets te doen is, aan een eigen huis een plek onder de zon. Dat weet iedereen. Al is het maar het onderhoud.
Nou is het ook weer niet zo dat wij, als in het zoveelste klusprogramma op televisie, leven op opengebroken vloeren onder een met bouwzeil dicht getapet dak, tussen stapels gipsplaat, zakken cement en rondslingerende bossen hout en pvc-leiding. Nee, zo is het ook niet. Goed, nog niet alles is afgeschilderd, niet alle zelfgebouwde kasten hebben al alle deurtjes, de keuken ontbeert nog een afzuigkap, de thermostaat hangt op een onhandige plek, de deur van de kamer sluit niet geweldig, het schilderen van de buitenboel is er deze zomer ook weer bij in geschoten, maar dat zijn allemaal overkomelijke zaken waar we met gemak omheen weten te wonen. Zonder ons eraan te storen. Komt wel een keer.
Heel lang hebben we dat ook gedacht van onze badkamer. Komt wel een keer. Ik heb dat langer volgehouden dan mijn vrouw, zal ik ruiterlijk toegeven. Mijn vrouw had het al lang opgegeven, maar ik bleef denken: ooit zal de geest over mij nederdalen en begin ik eraan. De tijdelijke douchecabine staat al jaren in onderdelen in de schuur. De geest liet het echter afweten en de moed zonk mij steeds verder in de schoenen. Het werd steeds moeilijker het als iets overkomelijks te zien. Iets waar we omheen konden wonen. Zonder ons eraan te storen. De badkamer, een jaren zeventig relikwie van de vorige bewoner, begon steeds erger en beschamender af te steken bij de rest van het huis - dat er dus, vergeleken bij de badkamer, strak en afgewerkt uitzag. Zodat onlangs uiteindelijk besloten is de zaak uit handen te geven. Inmiddels bivakkeren wij al ruim drie weken op tijdelijke adressen in zomerhuisjes en worden onze badkamer en wc door professionele handen aangepakt. Het gaat er grondig aan toe. Zeer grondig.
Werklui over de vloer. Ik heb daar altijd een moeizame relatie mee onderhouden, met dat gegeven. De rol van opdrachtgever ligt mij niet zo, maar vooral voel ik mij als man, en als klusser, zo tekortschieten. Zo nietterzakedoend. Zo’n goedbedoelend amateurtje waar achter zijn rug meewarig om wordt gelachen. Met z’n zelfgeknutselde keuken van schuttinghout, waar ie anders zo trots op is.
En nu helemaal, nu ik de sleutel van mijn droomhuis heb afgegeven aan de vakman, die het klusje wel even voor me zal opknappen, terwijl ik in een zomerhuisje zit af te wachten tot hij klaar is. En ik er weer bij mag.
Maar goed, het gaat er grondig aan toe, alles staat loodrecht, waterpas en past precies in elkaar, loopt af waar het moet en als het straks af is, zal het wonderschoon zijn. Het zal strak en glimmend afsteken bij de rest van het huis. Dat er dus, vergeleken bij de nieuwe badkamer, gebutst en niet afgemaakt uit zal zien. Hard toe aan onderhoud. Verbetering en reparatie. Een laatste hand, een nieuwe lik verf.
Nee, dat klusser laat ik toch nog maar even staan, in mijn profieltje in de rechterkolom.

maandag 24 juli 2023

Aangepast







Hij had me net op mijn kop gescheten - ik kwam terug van het toilet waar ik de vuiligheid uit mijn haar en van mijn bril had gespoeld - en nu zat ie een terrastafeltje verderop haastig een bakje mayonaise leeg te vreten. Of het inderdaad dezelfde was wist ik uiteraard niet zeker want het wemelde ervan, rond de Leidse haven, maar daar ging ik wel van uit.Waarschijnlijk om te voorkomen dat ze al te gemakkelijk de zeebaarsfilet van je bord kwamen roven was er een camouflagenet over het terras gespannen, maar dat weerhield de brutaalsten er niet van de verlaten tafeltjes af te schuimen. En in elk geval was het niet afdoende tegen de straal dunne, lauwwarme schijt, die mijn bord alleen maar had gemist omdat mijn hoofd in de weg zat. Gadverdamme. En nu zat ie daar dus een mayonaisebakje leeg te vreten, met z’n gemene oogjes. En z’n grote poten op tafel.
Om te weten wat het er voor een was had ik op de kleur van die poten moeten letten, las ik later. En op het grijs van veren en vleugeltoppen. Even de spanwijdte op moeten meten. Nu kom ik niet verder dan meeuw. En hoe dichterbij ik kwam hoe groter. Zo’n grote-stads-meeuw die afvalzakken open hakt, met z’n vernielzuchtige snavel. Zo’n meeuw waarvan je hoopt dat ie ook inderdaad wegvliegt als je op hem afloopt om hem weg te jagen.
Dat deed ie, gelukkig. Met medeneming van het bakje mayonaise. Hij pakte het handig beet, met z’n snavel, en vloog puberaal loom op om het even verderop op het dek van een plezierboot weer neer te zetten en de maaltijd te vervolgen, tot ie ook daar weer hinderlijk werd gestoord.
Het was niet zo’n lichtgewicht plastic wegwerpbakje, maar een stenen schaaltje dat tot de inventaris van het restaurant behoorde, wat de actie iets nog brutalers gaf. Iets vermakelijks, ook wel, eigenlijk. Ik voelde ondanks mijzelf een soort bewondering voor de koelbloedige kalmte, de superieure onbevreesdheid. De kille gewetenloosheid. Aangepast door onaangepast gedrag.
Tien minuten later meldde zich een rood aangelopen fietser in oranje tenue op het terras. Hij kwam het mayonaisebakje terugbrengen. Met brede gebaren en een opgewonden blik in de ogen duidde hij uit tot waar hij de meeuw had achtervolgd.

donderdag 6 juli 2023

Érable d'amour






Eénendertig jaar geleden, wij kenden elkaar een half jaar, gingen mijn vrouw en ik voor het eerst samen op vakantie. In de gammele Renault 5 die mijn vrouw toen net had aangeschaft. Bordeauxrood, was die. Later schilderde zij zwarte bloemen over de roestplekken. Met matte verf. Nog weer later moest de Renault 5 eerst gehoosd worden, als het had geregend. Maar dat was dus allemaal later. Nu reden we zonder vooropgezet plan naar Frankrijk, tentje achterin, de liefde achterna. En die hebben we gevonden want vandaag, éénendertig jaar later, zijn wij nog altijd samen. Tot volle en wederzijdse tevredenheid.
Als souvenir van deze vakantie hadden wij achterin de gammele Renault 5 de zaailing van een esdoorn meegenomen. Vier blaadjes aan een steeltje met een handjevol Franse aarde in een plastic zakje van de supermarché op de smoorhete hoedenplank. Het boompje overleefde de reis, en de schok van de overgang van het Franse woud naar een pot op een loggia in de Haagse binnenstad, een loggia die niet veel later ónze loggia zou worden, en zo werd deze kleine Franse esdoorn al snel het symbool van onze liefde. Onze érable d’amour. We hebben het verhaal vaak en graag verteld aan wie er maar oren naar had.
De kleine esdoorn werd ieder jaar een stukje groter, kreeg regelmatig een ruimere pot, verhuisde van de loggia naar het balkon van ons eerste echt gezamenlijke huis, in dezelfde Haagse binnenstad, en groeide uit tot een echt boompje. Iedere herfst kleurden haar bladeren helgeel, om daarna af te vallen, iedere lente bracht nieuwe, malse knoppen die uitbotten tot een nieuwe, fris groene bladerkroon aan lieve rode steeltjes.
Het boompje verhuisde mee naar ons eerste koophuis, een portiekwoning in een Haagse buitenwijk, waar het, inmiddels in een flinke speciekuip, ruim boven het balkonhek uitstak. Onze peuter en onze kleuter gaven haar water, met hun plastic gietertjes voor op het strand.
Toch leek hier na de eerste jaren de groei er een beetje uit. De nieuwe bladeren werden iedere lente wat kleiner, de knoppen minder dik en talrijk. De speciekuip werd te klein. Of misschien had de esdoorn het inmiddels ook een beetje gehad met de grote stad, net als wij.
We verhuisden naar een huisje in de provincie, een huisje met een tuin voor en achter en ten teken dat dit het huisje was waar we samen nog lang en gelukkig gingen leven, plantten we onze esdoorn der liefde, vijftien jaar inmiddels, op een mooi plekje in de achtertuin.
De eerste twee lentes heeft ze daar wat schichtig om zich heen staan kijken, niet wetende wat haar was overkomen, maar toen zette ze een zelfverzekerde groeispurt in. Al snel stak ze ver boven de schutting uit, ontwikkelde ze drie flinke stammen met een breed uitwaaierende pruik van bladeren. Ze bood verkoelende schaduw op hete dagen en allerlei vogels vonden er een fijne plek om even uit te puffen, te schuilen, een hapje te eten en een vrolijk lied te fluiten of van zich te laten horen. Spreeuwen, merels, musjes en meesjes, tortels, eksters, kauwtjes en gaaien. Roodborstjes. Houtduiven. Een boomkruiper zagen we laatst nog, een specht heel af en toe. In de winter hing het vogelvoerstation van haar takken, altijd goed gevuld, immer druk bezocht.
Op een jaar kreeg ze haar eerste vlindertjes. Daarna vulde de hele tuin zich elk voorjaar van voor tot achter met zaailingen. Het leek of ieder vlindertje ook wortel schoot, en misschien was dat ook wel zo.
Eén keer hebben we haar gesnoeid, omdat de buren daarom hadden gevraagd. Met pijn in het hart stond ik op een ladder haar lange takken af te zagen met een brullend gevaarte. Ze vergaf het ons door in de lente een mooi, vol bladerdek te laten groeien dat haar mishandelde kroon aan het oog onttrok. Maar iedere winter werden we onvermijdelijk aan onze vergissing herinnerd. Ik heb het mezelf nooit vergeven en toen de buren vorig jaar opnieuw kwamen klagen over hun avondzonnetje kregen ze nul op rekest. Het was ónze esdoorn. Onze trots. Ons symbool van liefde. Daar gingen we niet nog eens in staan zagen.
Die esdoorn, die trouwe vriend, is vandaag, na éénendertig jaar, geveld. Door een storm die geen Polly heet, maar Poly, wat volgens mij niet eens een naam is. Als een laatste daad van vriendschap viel ze net naast ons huis en richtte geen andere schade aan dan haar eigen dood. Met bezwaard gemoed sta ik haar de komende dagen in handzame stukken te zagen. Dag lieve boom.

donderdag 9 februari 2023

Ik heb niet eens begonia's






Het kan zijn dat ik oud begin te worden. Of dat ik de verkeerde televisieprogramma’s kijk, de verkeerde krant lees, de verkeerde boeken. Met de verkeerde mensen omga, in de verkeerde bubbel. Maar het gebeurt me steeds vaker. En het wordt ook steeds erger. Vandaag zag en hoorde ik een vrachtwagen de straat inrijden. Nou is het niet zo dat ik hele dagen achter de begonia’s argwanend het leven op straat in de gaten zit te houden, zeker niet, ik sta nog volop in het leven en ik heb niet eens begonia’s, maar nu stond ik toevallig als deugdzaam huisvader de was te vouwen en had daarbij uitzicht op straat. Het is een klein, al jaren doodlopend straatje zonder bedrijvigheid, afgezien van de school aan de overkant.. een vrachtwagen is een gebeurtenis.
Voor onze deur stopte hij, ook nog. En voor de deur van de buren want het was een grote vrachtwagen. Hij piepte bij het achteruitrijden, hij zuchtte bij het uitschakelen. Op de zijkant stond Plieger, in witte kapitalen. Een jonge man met een grijs baseballpetje sprong lenig uit de cabine, keek om zich heen waar hij moest zijn en liep naar de achterkant van zijn wagen om er de deuren open te zwaaien, waarna hij uit het zicht verdween.
Een nieuwe badkamer, vermoedde ik. Eén van de buren heeft een nieuwe badkamer besteld. Er zijn wat wisselingen geweest de afgelopen tijd, dus dat zou zo maar kunnen. Zelf hebben we trouwens ook net iemand over de vloer gehad om na vijftien jaar eens te praten over vervanging van de jaren zeventig badkamer die we van de vorige eigenaar hebben overgenomen, maar dat is een ander verhaal, waarvan ik niet weet of ik dat wil vertellen.
Het zou ook kunnen dat de vrachtwagen voor de school aan de overkant kwam. Daar waren sinds enige tijd Oekraïense oorlogsvluchtelingen in gehuisvest, misschien dat daar iets aan het sanitair moest gebeuren. Al leek het me niet waarschijnlijk dat daar dan een vrachtwagen van Plieger voor voor kwam rijden.
Dat bleek ook niet het geval. Inmiddels was de jonge man met het grijze petje weer tevoorschijn gekomen, vanachter zijn vrachtwagen, met onder zijn arm een spiegel. Het was een langwerpige spiegel van naar schatting 30 bij 120 cm. Een spiegel zonder lijst. Een doodgewone spiegel, zou je kunnen zeggen, al lag het er misschien aan wie er in keek. Verpakt in plastic met witte kartonnetjes om de hoeken. Met veerkrachtige tred leverde de jonge man zijn pakketje af bij het buuradres, sprong weer in zijn cabine, handelde de administratie af op zijn telefoon en vertrok.
Ik zag het allemaal gebeuren, als de normaalste zaak van de wereld, en wist het weer eens zeker. Het komt echt nooit meer goed.

zaterdag 17 december 2022

Steak






Ik vertelde mijn vrouw van een aflevering van de Keuringsdienst van Waarde, die ik van de week had zitten terugkijken. Over tapas, ging het. Als u het nog niet gezien heeft is het de moeite waard het alsnog te gaan kijken. Sowieso is het een leuk, en leerzaam ontnuchterend programma, al zullen de meningen ook daarover wel gepolariseerd zijn.
Maar goed, over tapas dus. Of wat daar in Nederland dan onder wordt verstaan. Kort gezegd kwam het er op neer dat de Nederlandse kruidenier een boerenslim maniertje had gevonden om ruim drie keer zoveel geld te vragen, en te krijgen, voor zijn kaas, zijn leverworst en zijn cervelaat. Door het in blokjes en plakjes te snijden, in piepkleine hoeveelheden in plastic bakjes te verpakken en daar met grote letters tapas op te zetten. En dat de Nederlandse consument daar dan dus ook grif drie keer zoveel voor betaalde, als voor gewoon een stuk kaas of een leverworst, omdat hij zich dan een bourgondisch kosmopoliet kon voelen, zonder daar rare dingen voor te hoeven eten. Dat tapas eigenlijk een soort toverwoord was. Een moneymaker.
Mijn vrouw hoorde het allemaal geamuseerd aan, merkte nog wel even op dat ze het best wel eens leuk en gezellig zou vinden als we dat soort dingen dan samen zouden kijken, in plaats van dat ik dat in mijn eentje zat te doen, maar had toen zelf ook een verhaal.
Bij de Jumbo, vertelde ze, had ze vegan steak zien liggen. Per twee in plastic verpakt, met een kek kartonnen wikkeltje erom, kostte dat vier euro.
Vegan steak.
Dat waren dus twee plakken knolselderij. Perfect gegaard, volgens het kekke kartonnen wikkeltje.. ja, dat haal je de koekoek, je kunt knolselderij rauw eten. Zodra het warm is, is het gaar ook. Perfect zelfs, denk ik zo. En steak was het dan waarschijnlijk omdat er met kleurstof van die nep-grillstrepen op waren geschilderd. Voor de beleving. Volgens de op internet bijgeleverde serveersuggestie kun je de vegan steaks trouwens het beste eten met een lekker tartaartje erbij. Tot zover de zuivere intenties.
Verderop, op de groenteafdeling, kon je voor één euro twintig een hele knolselderij kopen, waar je makkelijk vijf plakken vegan steak uit kon snijden. Zonder plastic, zonder grillbelevingsstrepen, maar perfect gegaard. En dan hield je ook nog genoeg over voor een bakje lekker frisse selleriesalade ter waarde van twee euro dertig.
Het is om je te bescheuren natuurlijk, als het niet zo treurig was. De geile geldzucht waarmee van in beginsel sympathieke begrippen een uitgehold, in plastic verpakt verdienmodel wordt gemaakt. De ordinaire platheid, van mensen die een vegetariër waarschijnlijk het liefst aanduiden als wortelknager. De domme volgzaamheid ook, van het winkelend publiek, de consument, die wel wat anders aan het hoofd heeft dan zich hier druk over maken. Straks kopen we allemaal braaf vegan sla en vegan worteltjes en vegan boontjes. Allemaal kek in plastic verpakt en drie keer zo duur. En dan denken we ook nog oprecht dat we iets goeds doen voor de wereld. Het is om gek van te worden. Of murw. Dat kan ook.

maandag 12 december 2022

Varken






We wandelen een rondje over Wieringen, hoog boven in Noord-Holland, ver weg van de Randstad. Landelijk gebied. Uiteraard worden we al wandelend her en der ook geconfronteerd met de agrarische onvrede die de laatste maanden als een kwalijke damp over het land hangt. Omgekeerde vlaggen, nostalgische valse boerenzakdoekenromantiek, armzalig getypografeerde spandoeken en borden, nauwelijks leesbaar, met een eenzijdige kijk op bedenkelijk rijm.. Ach, het zal allemaal wel, probeer ik de irritatie meestal maar buiten de deur te houden, want wat heb je eraan.
Als een soort van tegenhanger komen we ook een varken tegen. Een varken in de buitenlucht. In een zelfgecreëerde modderpoel waarin het rond kan lopen, waarin het gezelschap heeft van een drietal andere varkens, die zich nu even hebben teruggetrokken, in een vrij toegankelijk schuurtje.
Bedenk u eens hoe lang het geleden is dat dat een normaal beeld was, een varken in de buitenlucht, met bewegingsvrijheid, met de poten in de modder, op een boerenbedrijf. Heeft u dat nog meegemaakt? Hoe lang is het geleden dat u überhaupt een varken heeft gezien?
Ik zal niet beweren dat dit varken hier een geweldig leven staat te hebben. Het staat zich nog steeds tussen hekken opgesloten te pletter te vervelen op een nou ook weer niet supergroot modderveldje. En het wordt straks natuurlijk evengoed onder stressvolle omstandigheden geslacht - hoe zou dat ook anders kunnen dan onder stressvolle omstandigheden - om als bio-scharrelvlees verkocht te worden. Maar het staat nu in elk geval in de buitenlucht. Het kan de wolken zien, en de zon. De wind en de regen voelen, de vogels horen. Het kan de kont keren en de neus in de modder steken. Het zou zich kunnen inbeelden een levend wezen te zijn.
En dan speelt toch de irritatie weer op. Het is in en in verdrietig makend dat we daar hier nu een beetje blij om moeten staan te zijn. Om dit ene varken. In niet eens bijzonder optimale omstandigheden.
Is het niet eens tijd om ons de vraag te stellen, variërend op een andere hoogoplopende discussie, of Nederland niet te klein is voor twaalf miljoen varkens. Vier miljoen koeien. Honderd miljoen kippen. In plaats van al die obstinate vlaggen overal. Denk er eens over na, zou ik zeggen.

Dit bericht is in een iets andere vorm eerder gepubliceerd in een wandelverslag, op De vrije wandeling, weblog van een wandelaar

vrijdag 18 november 2022

Zoden aan de dijk






Goed, ik ging mijn boodschappen dus voorlopig even ergens anders halen. Normaalgesproken ben ik een vaste klant van één en dezelfde supermarkt. Niet uit loyaliteit of andere nobele overwegingen maar puur uit gemakzucht: je weet zo’n beetje waar alles staat, je maakt huphup je vaste rondje en voor je het weet is het godzijdank weer achter de rug. Zo leuk is het niet, elke keer maar weer dat boodschappen doen.
Nu mijn vaste supermarkt zich ondanks alles uitbundig in het oranje had gestoken, met vlaggen en wimpels en Toppers en Donnies, en je bij de kassa moest uitleggen dat je juichzegels niet zo toepasselijk vond, zag ik mijn kans schoon daar toch een woke punt te maken. Zo eenvoudig is dat namelijk niet, in mijn situatie. Niet kijken is geen optie want ik kijk sowieso al nooit voetbal. Omdat het bloedstollend saai en vervelend is. Maar ook omdat ik het zonder mensenrechtenschendingen en serviel geslijm bij corrupte, dictatoriale regimes al een abject geldverslindend verschijnsel vind. Niet kijken en niet naar Qatar afreizen zet in mijn geval dus geen zoden aan de dijk, dat stond toch al niet op de planning.
Niet dat ik dacht dat mijn boodschappen ergens anders halen wel zoden aan de dijk zou zetten, maar je moet toch iets, met je machteloze woke overtuigingen. Wat me bovendien stoorde aan de supermarkt was dat er nogal opzichtig net gedaan werd of het helemaal niet over het wk ging, al dat oranje geweld, maar over sport in het algemeen. Nergens een voetbal, nergens een Q, nergens een directe verwijzing naar het wk. Helemaal de van alle walletjes meeëtende Hollandsche koopmansgeest. Bah. Ik ging mijn boodschappen voorlopig wel even ergens anders doen.
Mijn gezin was weinig onder de indruk en voorspelde me dat ik dan binnenkort waarschijnlijk helemaal nergens meer boodschappen zou kunnen halen en wat gingen we dan eten? Maar ik hield dapper stand en dwaalde ontheemd mijn weg zoekend door een andere supermarkt waar ze alles sinds ik er de laatste keer was een andere plek hadden gegeven, waar het immer veel te druk was naar mijn zin, waar het vegetarisch aanbod nog altijd aan de karige kant was maar waar in elk geval geen oranje toestanden rondhingen.
Tot gisteren.
Gisteren reed ik mijn karretje zachtjes grommend over een enorme vloersticker waarop twee oranje leeuwen, zonder voetbal maar met roodwitblauwe schmink en oranje HOLLAND sjaaltjes, met grote letters zogenaamde brulsmullers aanprezen. Ik ga niet uitleggen wat dat zijn, het is al erg genoeg allemaal. Het leek er dus op dat mijn gezin gelijk ging krijgen.
Tot vandaag.
Vandaag besloot ik dat, als het dan toch overal even erg was, ik net zo goed naar mijn vorige supermarkt terug kon keren, waar het altijd wat rustiger is en het vegetarisch aanbod aanzienlijk uitgebreider. En waar ik nu tot mijn verbazing vaststelde dat alle oranje spandoeken, Toppers en Donnies, vlaggen, wimpels en spencers waren verwijderd. Niks meer. Als sneeuw voor het klimaat. Zelfs werd er niet meer met juichzegels geleurd bij de kassa.
Nu ga ik mezelf niet rijk rekenen en denken dat mijn kleine boycot of mijn boze stukje dus wel zoden aan de dijk hebben gezet. Nee zeg. En over de supermarkt maak ik me ook geen illusies: de Hollandsche koopman heeft een ruggengraat van knaken en elke overweging is puur een financiële.
Wel denk ik voorzichtig dat er dus blijkbaar meer mensen zijn die zich aan het smakeloos hoereren hebben gestoord. Dat er klachten zijn ingediend, opmerkingen gemaakt, vragen gesteld.. genoeg om de supermarkt ervan te overtuigen de boel maar weer op te ruimen. En dat onze woke overtuigingen dus toch zoden aan de dijk kunnen zetten, als we ze maar met genoeg laten horen. En dat er dus misschien toch nog een klein beetje hoop zou kunnen zijn voor de wereld. Een heel klein beetje maar, te weinig waarschijnlijk, maar altijd beter dan niks.

Wat vooraf ging

vrijdag 4 november 2022

De stem van de koopman






Of ik juichzegels spaarde, werd mij bij het afrekenen van de boodschappen gevraagd. Juichzegels. Er kan altijd wel wat gespaard worden, bij de supermarkt, het zal de Hollandsche volksaard zijn. Het idee dat je iets gratis krijgt heeft een onuitroeibare aantrekkingskracht op den Nederlandschen huisvrouw. Meestal gaat het om zaken die je al hebt - messen, glazen, borden, pannen - of anders wel dingetjes en dangetjes die je niet wilt hebben, plastic zooi, prullaria en andere milieuvervuiling. Niet lang geleden was de dagelijkse vraag zelfs of ik ook spaarde voor de nieuwe auto van Max Verstappen. Waarop mijn dagelijks flauw antwoord dan was dat Max Verstappen dat zelf maar moest doen. Tja, je moet toch iets met je machteloze woke overtuigingen.
Maar goed, nu waren het dus juichzegels. Het was me bij binnenkomst al opgevallen dat het er opeens wel weer erg oranje aan toe ging, in de supermarkt. Spandoeken, vlaggetjes, hesjes, leeuwen en meer dan levensgrote kartonnen Toppers en Donnies, allemaal even oranje. En al boodschappend bedacht ik me dat het toch ook godgeklaagd was dat zo’n supermarkt evengoed weer hysterisch los ging op het wk voetbal, omstreden evenement of niet. En dat die hoeren van de Toppers er blijkbaar ook geen probleem in zagen hun met fotoshop uitgestreken smoelen aan het verdienmodel te verhuren. En dan had ik van dat schielijk ingeslikte reclamespotje met 6500 hossende bouwvakkers nog niet eens gehoord. Hoe cynisch je ook in het leven staat, je blijft je verbazen.
Bij nadere bestudering van het oranjegeweld viel me trouwens wel langzaamaan op dat er nergens een bal in beeld was. Geen voetballers. Het woord voetbal of wk werd niet genoemd. Je kon sparen voor een hoofdspencer voor supporters. Het is wrang om te bedenken dat er mensen betaald worden voor het verzinnen van dit soort kreupele ongein terwijl de halve cultuursector wordt wegbezuinigd maar dat is een ander verhaal. Laat ik me over één ding tegelijk kwaad maken. Want nu zie ik dat aan de randen van het spandoek met de jolige polonaise van Toppers en Donnies nog vier andere mensen figureren, al is het een stuk minder nadrukkelijk. En als je echt héél goed kijkt zie je dat die mensen schaatsen aan hebben. Heel fletse noren. Maar schaatsers zijn het zeer zeker niet. Nee. Het zijn anonieme excuustruzen die de schone schijnheiligheid moeten ophouden dat het hier, al ademt de hele kampanje luidruchtig louter voetbal, niet om het wk voetbal gaat. Veel Hollandscher kun je het niet krijgen.
Of ik juichzegels wil.
Nee, dank u, er is niet zoveel om voor te juichen wat mij betreft. En hoewel ik mij geen illusies maak over de rest van de wereld, doe ik mijn boodschappen voorlopig even ergens anders.

donderdag 16 juni 2022

Komt voor de val





Goed, nog even over dat ritje op de mountainbike, want daar is het laatste woord toch nog niet over gezegd. Met jeugdig elan begon ik eraan, een man wordt immers geacht zo jong te zijn als hij zich voelt. Die mountainbikes stonden er, ze waren ervoor gehuurd, we hadden ze net opgehaald, niemand anders meldde zich voor het voorgestelde ritje, het was mooi weer, we waren er een paar daagjes op uit.. waarom niet, dacht ik. Out of the box met die geit. En voor ik het wist jakkerde ik achter mijn vriend aan over een mountainbikeparcours. Tot zover vertel ik niks nieuws. En als ook al gezegd, ik stapte op met gemengde gevoelens, de schrik sloeg me om het hart toen we het veilige asfalt verlieten, maar ik vond het dus eigenlijk wel leuk. Het ging eigenlijk best lekker. Ik sloeg, vond ik zelf, helemaal geen gek figuur.
Het was sowieso een bijzondere dag vandaag omdat het 4 juni was. 4 juni is de dag dat ik, vier jaar geleden, werd geopereerd. Een open hartoperatie met drie bypasses die wegens lekkage meteen dezelfde dag een tweede keer moest worden uitgevoerd. Dan is dat hier ook maar een keer gezegd. Beslist een traumatische ervaring kan ik u vertellen. Ik heb twee maanden krom gelopen van de pijn, kon geen kleding aan mijn borst verdragen van ellende en het heeft me zeker een jaar gekost om er fysiek weer een beetje bovenop te komen. Mentaal is het vier jaar later nog altijd een beladen dag die ik drie weken van tevoren al aan zie komen. Ik heb me destijds tot de laatste dag verzet tegen het idee dat die operatie nodig was en mede door het feit dat ik ook nu nog bijna dagelijks last heb van zenuwpijn aan mijn borst heb ik nog steeds regelmatig dwarse buien waarin ik mij afvraag hoeveel ik er nou eigenlijk mee ben opgeschoten. Waarin ik mijzelf vervloek dat ik er ooit aan ben begonnen, ook wel.
En nu vloog ik dus met een noodgang over een smal en kronkelig zandpad door de bossen, op een mountainbike, heuveltje op heuveltje af, in het kielzog van mijn geoefende vriend, zonder een centje pijn, en ging dit allemaal door mijn hoofd. Ik ga niet zeggen dat ik dankbaar was, dat niet, nee. Maar misschien was dit wel een zeldzaam moment van inzicht. Erkenning van het idee dat ik er misschien wel degelijk op was vooruitgegaan. De weg naar acceptatie. En dat juist op deze dag. Mooi.
Het was daarom jammer dat ik amper tien minuten na al deze mooie en wijze gewaarwordingen bij een steile afdaling de controle over de fiets verloor, in de berm terecht kwam, een boomstronk raakte, over de kop sloeg en naar adem happend met het zwart voor de ogen en minstens twee gekneusde ribben op het bospad eindigde.
Ja, dat was jammer.

zaterdag 11 juni 2022

Reality check






Met een vriend deed ik een ritje op de mountainbike. Het was Pinksterweekend, we waren er een paar dagen op uit met z’n allen. Vrienden onder elkaar, kinderen, aanhang, kleinkinderen.. een heel gezelschap. Een jaarlijkse traditie die voor het eerst weer voluit gevierd kon worden. Het was zaterdagochtend, net na de koffie, het was lekker weer en er waren zojuist twee mountainbikes gehuurd. De vriend aasde op een ritje, maar de jongere garde, die daarvoor het meest in aanmerking kwam, lag nog op bed of moest nog ontbijten of gaf anderszins niet thuis. Waarop ik dan maar meldde dat ík wel een ritje met hem wilde maken. Een beetje tot mijn eigen verbazing want het is niet wat je noemt mijn ding, dat gejakker. Als wandelaar heb ik er zelfs wel eens een gepeperde mening over, over die luidruchtige roedels voortrazend, in strak en felgekleurd lycra verpakt testosteron. En nu stak ik mijn vinger op. Vreemd.
Ik was dan ook niet de enige die verbaasd was. Er viel een korte stilte over het terras van het zomerhuisje. Een vragende blik van mijn dochter, lichte spot meende ik erin te ontdekken. De vriend vroeg of ik het zeker wist, hij trok zijn wenkbrauwen er bij op. Mijn jongste zoon, allround sportman, begon zelfs schamper te lachen, ha ha ha, zijn vader op een mountainbike.. dat wilde hij wel eens zien. Kortom, vluchten kon niet meer. Quasi beledigd over zoveel nauwverholen onderschatting klom ik op de fiets en reed demonstratief mijn comfortzone uit, in het kielzog van mijn vriend.
Toen we na de eerste halve kilometer het comfortabel geasfalteerd fietspad verlieten om rechtsaf een smal en bochtig zandpaadje in te duiken, schrok ik even. Dit was nou ook weer niet helemaal mijn bedoeling geweest, ik had een wat gezapiger ritje voor ogen gehad, langs anwb paddestoelen en knooppuntborden. Nu reed ik verdorie op een mountainbikeparcours, en nog hard ook. Man!
Maar eigenlijk vond ik het wel leuk. Eigenlijk ging het best lekker. Moeiteloos nam ik hobbels en bochten, zwevend slingerde ik tussen de bomen door. Eén en al gratie en souplesse. Zie je wel, dacht ik, een tikkeltje triomfantelijk, zie je wel, een man is zo jong als hij zich voelt, al is het een cliché. En ik bedacht me dat ik dit vier jaar geleden, voor mijn grote operatie, nooit zo lang had volgehouden. Dat ik er toen om te beginnen al niet eens aan was begonnen. En moest je me nu eens zien!
Bij een klaphekje, waar we noodgedwongen even stil stonden, kregen we gezelschap van een achteropkomend drietal. Echte mountainbikers, in vol ornaat, met cijfers en letters op hun kleurige truitjes, strakke broekjes om de machtige dijen. Schoenen, helmen, bidons. Dat wij er níet uitzagen als echte mountainbikers, was hun eensluidend oordeel, na een korte blik op ons toeristisch burgermans-tenue van spijkerbroek, overhemd en wandelschoenen. Máár, liet één van de mannen er afsluitend op volgen voor ze weer verder fietsten, respect voor ons, want zíjn vader deed dit niet meer.
Ongelovig keek ik ze na. Pardon? Zijn váder? Zei hij dat nou? Wat was dit voor complilediging? Ik zag even mijn 89 jarige schoonvader voor me, krakkemikkig strompelend achter zijn rollator. Heel even maar. Toen realiseerde ik me dat de mountainbikers mannen van ergens in de dertig waren geweest. De leeftijd van mijn schoonzoon, met beginnend grijs op de slapen. En dat het wel eens zou kunnen kloppen, van die vader.
Tja.
Een man mag dan af en toe zo jong zijn als hij zich voelt.. uiteindelijk is hij natuurlijk toch ook wel gewoon zo oud als hij is.

maandag 9 mei 2022

De wereld een beeldentuin




Een beginnersfoutje was het eigenlijk. Zo begon het. Zo ontstond het idee, ooit, lang geleden. In de beeldentuin van het Kröller Müller museum, nota bene, hoe mooi kan het lopen.. Ik was in mijn eentje op fietstocht door Nederland, langs beeldenparken, -tuinen, -bossen en -routes. Ik was net weer vrijgezel, ik zat op de kunstacademie en ik was op zoek naar mezelf, een nieuwe versie van mezelf. Een nieuw leven, een doel, iets anders.. Ik stond open voor alles. Alles. En zo liep ik, in de beeldentuin van het Kröller Müller museum dus, belangstellend rondjes om een manshoge, vierkante sculptuur van geribbeld kiezelbeton waar een soort metalen roosters in verwerkt waren. Trachtend zijn zeggingskracht te doorgronden. Haar zijn te absorberen.
Tot ik ontdekte dat er geen bordje bij stond, zoals wel bij de andere sculpturen. Dat ik ook wel een beetje van het pad was afgedwaald. En daarna dat het dus ook helemaal geen sculptuur wás, waar ik zo interessant omheen liep te peinzen, maar de ontluchting van de kelder van het museum, of zoiets.
Een tikkeltje gênant natuurlijk, zeker voor een kunstacademiestudent, maar gelukkig had geen mens me gezien. Behalve ikzelf. Oók gelukkig, want daar was meteen het idee. Ik had hier iets dat niet als kunst bedoeld was, tóch als zodanig staan bekijken. En gewaardeerd. En dat maakte dus pas wat uit toen ik had ontdekt hoe de vork in de steel zat.
Een interessante kwestie. Wat zei dat over mij? Wat zei dat over kunst? Ik had geen idee, maar ik besloot ter plekke er een thema van te maken, voor de foto’s onderweg, op mijn fietstocht, dan kwam ik er allicht vanzelf wel achter.
Jaren geleden is dit allemaal. 1991, om precies te zijn. En sindsdien ben ik het blijven tegenkomen, op mijn pad. En fotograferen, al die jaren. GeenKunst, noem ik het. De catalogus op internet wordt almaar volumineuzer.
Goed, dan zou je dus denken dat je inmiddels door de wol geverfd bent. Een veteraan op het gebied. Dat je je niet meer laat foppen. Maar van de week gebeurde het opnieuw. Wandelend van Benthuizen naar Bodegraven stuitten we even buiten Reeuwijk Dorp, langs de Kerkweg, op een beeld. Een vierkante plaat beton, leuk diagonaal in de berm gelegd, met in elke hoek een kniehoge oranje-rode appelvorm. Een verwijzing naar de streek, dacht ik, we liepen immers door een gebied van tuinders en fruittelers. De betonplaat konden we dan zien als een fruitschaal waarin de oogst werd gepresenteerd maar die met zijn vierkante, ongepolijste functionaliteit misschien ook het industriële, het grootschalige karakter van de fruitteelt benoemde. In die termen probeerde ik het beeld te doorgronden. De Kerkweg werd geheel gerenoveerd en heringericht, was duidelijk te zien, dus misschien was het ter ere daarvan dat er een kunstwerk was geplaatst, die dingen gebeuren.
Ik liep er eens een rondje omheen en maakte wat foto’s voor de rubriek Kunst Onderweg op mijn wandelweblog. Een bordje stond er niet bij, er stond geen naam in het beton gekrast, nadere informatie ontbrak, maar dat heb ik in de loop van deze rubriek over kunst in de openbare ruimte wel vaker meegemaakt, dat maakt het alleen maar leuker. Thuis zou ik op internet eens zien wat ik te weten kon komen over het kunstwerk en zijn maker. Over het hoe en waarom.
Maar wat ik ook intikte als zoekterm, een halve avond lang, wijzer werd ik niet. Met geen woord, met geen pixel werd er gerept over dit beeld. Ten einde raad legde ik het voor aan een vriendin die in de omgeving van Reeuwijk woont en in de kunst zit bovendien, misschien kon zij me meer vertellen. En inderdaad. Zij lachte me hartelijk uit. Dit was geen kunst. Dit was een wandelbankje, om even op te zitten, onderweg. Er stonden er meer in de omgeving.
Tja.. nou ja, in elk geval heb ik weer een nieuwe aanwinst voor mijn GeenKunst catalogus. Het jammere was wel, achteraf, dat wij juist langs de Kerkweg even buiten Reeuwijk op zoek waren naar een bankje, om even op te zitten, want het was nog best ver naar Bodegraven.

Blader eventueel door de GeenKunst catalogus op internet

Dit bericht werd ook gepubliceerd op De Vrije Wandeling, weblog van een wandelaar

donderdag 28 april 2022

Krabbelaars in de marge






Mijn vrouw en ik, we verjaren allebei ieder jaar, we hebben zo onze jubilea, of andere gelegenheden eens een feestje te geven, en moeten dus vrij regelmatig op verzoek bedenken wat we zouden willen hebben. En naarmate de cijfers oplopen wordt dat steeds lastiger, verzinnen wat je nog zou willen hebben, bij alles wat je al hebt. Want eigenlijk heb je alles al, soms zelfs meer dan je zou willen.
Een tijdlang hanteerden wij daarom het motto: alles is goed, zolang het op kan. Wat dan vaak weer resulteerde in een hoeveelheid drank en spijzen die in de praktijk maar moeilijk echt op kwam zonder een feestje te geven. Een paar jaar geleden nu hebben wij, naar het voorbeeld van vrienden, een kunstfonds in het leven geroepen en dat werkt eigenlijk heel goed. Het klinkt heel vermogend en misschien zelfs een beetje patserig maar het betekent gewoon dat wie iets wil geven en zelf geen idee heeft ons de bekende envelop met inhoud overhandigt, waarvan wij dan op voorhand hebben aangekondigd dat we dat uit zullen geven aan kunst. Kunst, daar kun je nooit genoeg van hebben, zeker niet wanneer je het zelf uit kunt zoeken.
Al snel hadden we best een aardig bedrag te besteden en gingen we op zoek naar iets moois. Maar dat bleek nog niet mee te vallen. Mooie dingen genoeg, daar niet van, waar we tegenaan liepen was het feit dat we blijkbaar toch niet patserig genoeg waren om in één groots en meeslepend gebaar ons hele fonds op tafel te gooien in ruil voor een kunstwerk. Telkens drong zich de kleinzielige vraag op of we dit kunstwerk nou echt zoveel geld waard vonden. Zouden we er geen spijt van krijgen? Bleef het lang genoeg mooi? Een enkele keer, ik zal het eerlijk opbiechten, dacht ik zelfs de verboden gedachte: dat kan ik zelf ook wel maken. Tja. Sorry.
Inmiddels hebben we besloten dat we het natuurlijk ook niet allemaal in één keer hoeven uitgeven, dat we nou eenmaal krabbelaars in de marge zijn, en bepalen we ons tot het aankopen van de wat kleinere werken, de zogenoemde betaalbare kunst. Dingen die we bijzonder genoeg vinden om te willen hebben maar die je zou laten staan wanneer je ze van de huishoudpot moest betalen. Zo hebben we in de loop der tijd het één en ander gekocht zonder er spijt van te krijgen, dat we nog altijd mooi vinden, en houden we steeds voldoende in kas voor een volgende aankoop.
De afgelopen twee jaar kwam het om bekend veronderstelde redenen niet erg van expositiebezoek, noch van feesten en partijen trouwens, maar nu bezoeken we een tentoonstelling van Floris Hovers, in Amstelveen, waar we allebei erg vrolijk van worden. En in een als museumshop bedoeld hoekje bij de balie treffen we een paar keramieken vazen waar we het snel over eens zijn. Robuuste vazen, stoer maar elegant, met een motorblok-achtige vormgeving, die eventueel met bouten en moeren aan elkaar zijn te bevestigen, wat de industriële uitstraling nog eens versterkt. Ze zijn er in verschillende gedaantes en kleuren, ik informeer bij de balie naar de mogelijkheden.
De aangesproken dame, die bij binnenkomst ook al onze museumjaarkaarten scande, beantwoordt voor de volle honderd procent aan het beeld dat je er zo van vrijwillige dames achter de balie van een plaatselijk museum op na houdt: zilvergrijs, rode bril, een beetje deftig en buitengewoon vriendelijk en goedbedoelend, maar op mijn vraag had ze duidelijk niet gerekend, die brengt haar lichtelijk in verwarring. Of er buiten de uitgestalde vazen nog andere kleuren beschikbaar zijn? Gut, ja.. dat zou ze eigenlijk niet weten, en hoewel ze ook niet helemaal lijkt te begrijpen waarom ík dat dan in vredesnaam zou willen weten haalt ze er een tweede dame bij. Ook zilvergrijs en een beetje deftig, maar zonder rode bril. Deze dame herhaalt de vraag eens voor zichzelf, maar heeft dan ook werkelijk geen idee. Zij gaat er iemand over bellen. We horen haar overleggen en dan vertelt ze ons dat de vazen die in de shop staan opgesteld de enige exemplaren zijn.
Onze reactie dat wij daaruit dan onze keuze zullen maken brengt de dames vervolgens zó van hun á propos dat ik zelf ook aan het twijfelen raak en mij genoodzaakt voel nog even te verifiëren dat de vazen immers te koop zijn? Twee paar ogen als schoteltjes kijken ons aan, één vanachter een rode bril. Stamelend en struikelend over hun woorden verzekeren de dames ons dat dat inderdaad het geval is, ja zeker, en gut, wat bijzonder! Eén van de dames drentelt behulpzaam met ons mee naar het als shop ingerichte hoekje, de ander dribbelt opgewonden heen en weer achter de balie, niet wetend wat te doen.
Wanneer wij onze keuze al snel op een gele en een grijze vaas laten vallen wordt de stemming zelfs ronduit euforisch. Willen wij twéé vazen kopen? Begrijpen de dames dat nou goed? De gele én de grijze? Allebei dus? Er wordt opnieuw gedribbeld en gedrenteld, er worden handen ineen geslagen.. de dames kunnen er niet over uit hoe bijzonder het is. Er wordt weer gebeld en al snel komt er een meneer ten tonele die al even verguld is met het grote nieuws en zich met de grootste omzichtigheid over de vazen ontfermt om ze met grote hoeveelheden bubbeltjesplastic en meters plakband in te pakken, voor de grote reis, terwijl de dames zich getweeën zenuwachtig over de financiële afhandeling buigen.
Als alles vervolgens in orde is krijgen wij ieder een zacht en knisperend pakket overhandigd. Met een brede glimlach gaat de meneer ons voor naar de deur en laat ons met een lichte buiging uit, de dames wuiven ons na.
Voor het eerst voelen wij ons geen krabbelaars in de marge. Maar vermogend, en misschien zelfs een beetje patserig.

vrijdag 15 april 2022

Een zorgvuldig geel gebeitst plaatje





Mijn oudste zoon heeft aangekondigd dat hij zich twee parkietjes gaat aanschaffen. Hij heeft zich er grondig in verdiept en weet precies te vertellen hoe en wat er moet gebeuren. Ieder mogelijk probleem wordt verbaal getackled, ieder eventueel bezwaar blijmoedig weggeredeneerd. En dat papa het dan misschien wel leuk vindt om samen met hem een kooi te bouwen, had hij vanavond aan tafel zo gedacht.
En dat klopt, ik vind dat inderdaad bijzonder leuk, om samen met mijn jongens iets te maken. Ik denk bijvoorbeeld onmiddellijk terug aan het kippenhok waar we vele uren met zijn tweetjes aan hebben staan timmeren en zagen, een paar jaar geleden alweer. Dat de kippen daarna geen doorslaand succes waren heeft de lol van het samen een hok bouwen nooit bedorven. De foto’s die facebook mij ieder jaar als herinnering voortovert stemmen mij elke keer weer vrolijk. Dus als hij nu met zijn vader een volière wil bouwen, ben ik zijn man. En zijn vader.
Een andere, veel oudere herinnering die meteen boven komt drijven is die aan mijn eigen volière. En mijn eigen vader. Hoe oud zal ik geweest zijn? Dertien, veertien misschien. Of vijftien.. ergens in die tijd in elk geval had ik ook het plan opgevat vogeltjes te gaan houden en wilde daar een volière voor bouwen. Ik zou dat, had ik bedacht, helemaal zelf gaan doen, en had bovendien besloten dat dat in het geheim moest gebeuren. Het idee dáárvan was het gezin, maar waarschijnlijk vooral mijn vader, te verrassen, te overrompelen met het resultaat. De lat lag hoog. Ons gezin verkeerde in die dagen al in een beginnende staat van desintegratie maar ik dacht toen nog dat dat misschien te keren viel, als ik mijn best maar deed.
Ik had een bouwplan gemaakt, ik had gemeten, gerekend en getekend en van mijn zakgeld kocht ik alles dat ik nodig dacht te hebben. Latjes, spijkertjes, plaatjes hardboard. Een rolletje gaas, glasplaatjes, schuurpapier. Ik verstopte alles in mijn kamer, in een kast die ik angstvallig op slot hield en in de stille uurtjes werkte ik aan mijn projekt. Hoe lang ik er over gedaan heb weet ik eerlijk gezegd niet meer maar in het eindresultaat toonde zich reeds de pietluttige perfectionist die mij later nog op vele gebieden dwars zou zitten. Het was een plaatje, mijn kooi. Een zorgvuldig geel gebeitst plaatje. Strak in het gaas, met een soepel op en neer schuivend voorpaneel, een schuiflade met van dat witte zand, glasplaatjes tegen het opstuivend stof, uitneembaar om het makkelijk schoon te kunnen maken, een leuke stok uit het bos om op te zitten, een badje, een voedersilo.. alleen de vogeltjes ontbraken nog. Ik was enorm trots op mijzelf, op het resultaat. En dat ik dit blijkbaar kon. Ook toen al een ongemakkelijke emotie.
Vol verwachting riep ik op de grote dag van de onthulling het gezin bijeen in mijn kamer. Daar stonden we, met z’n vijven. Ik was er klaar voor. Mijn vader was in zijn gebruikelijke humeur, zwijgzaam, onwillig, wrokkig, maar dat zou zo wel veranderen, dacht ik. Ja, dat wist ik wel bijna zeker. Ach ja..
‘Als je nou gezegd had dat je een kooi wilde maken, dan had ik je kunnen helpen, dan was het misschien nog wat geworden’, was zijn enig commentaar. Ik hoor het hem nog zeggen.
Mijn moeder stond er als altijd verkrampt en handenwringend bij, ik zie haar nog staan, en probeerde op gemaakt opgewekte toon nog wat te redderen door te zeggen dat ze het tóch knap vond, want zó handig was ik per slot van rekening niet.
Tja. Zo ging dat.
En nu we het vandaag aan tafel dus toch over vogels en volières en vaderlijke hulp hebben lijkt het me aardig dit verhaal maar weer eens uit de oude doos te halen. Mijn zoons hebben het blijkbaar nog nooit gehoord en moeten er smakelijk om lachen. Dat doet me plezier en ik lach vrolijk met ze mee. Maar het is om te janken natuurlijk.

vrijdag 8 april 2022

Bestiarium




Het liefst zou mijn oudste zoon een hond hebben, maar omdat dat één van de laatste en felst verdedigde bastions van zijn vaders vetorecht is, heeft hij zich in de loop der jaren noodgedwongen moeten behelpen met andere huisdieren. Huisdieren waarvan je niet met een plastic zakje de stront van straat hoeft te rapen. Want zijn vader is niet achterlijk, die weet natuurlijk heus wel wie er op de doordeweekse dagen, lange dagen dat het hele gezin naar werk en school is, de trouwe viervoeter uit zou mogen laten. En zijn stront oprapen dus, met een plastic zakje. En daar bedankt zijn vader voor. Om het over andere tegenargumenten maar niet te hebben. De dierenliefde moest dus op andere soorten worden gebotvierd.
Zo heeft er een tijdje een lege pindakaaspot met een enorme wijngaardslak op tafel gestaan. George, heette die, naar George Baker, waar hij niet begrijpend tegen het glas geplakt een beetje op leek. Verschillende keren hebben we kikkerdril in heel veel visjes en piepkleine kikkertjes zien veranderen, die trouwens ook verbazend goed tegen het glas bleken te kunnen plakken en dondersgoed begrepen dat daarboven de uitgang was.
Sinds ik in een weekhartige bui op een onbewaakt moment door de knieën ging voor een superschattig kitten uit het nest van de overbuurvrouw is er een kat in huis. Eerst was dat Midas, die zich van superschattig kitten al snel ontwikkelde tot een totaal niet in ons geïnteresseerde schim in huis en na zijn tragisch verlopen sterven werd begraven in de tuin, die we na de verhuizing naar het platteland inmiddels hadden. Om gepaste tijd later te worden vervangen door twee nieuwe superschattige kittens, Spooky and Sue, die zich gelukkig veel aanhaliger betoonden. Nog vóór zijn tweede verjaardag werd Sue echter platgereden door een verder anoniem gebleven suv die geen tijd had daar ook nog voor te stoppen, waardoor Sue Midas gezelschap ging houden in de achtertuin en Spooky alleen achterbleef, aanhaliger dan ooit. Met Kerst meldde zich dan een aanloper aan de deur die zich niet weg liet jagen, zich kopjes gevend en aanhankelijk mauwend naar binnen slijmde en die wij vanwege de kerstgedachte dan maar liefdevol in ons gezin opnamen, in de naïeve veronderstelling dat dat ook gezellig was voor de eenzame Spooky, maar die sindsdien de verhoudingen met haar stiefzus voortdurend op scherp weet te zetten.
Er is diep getreurd om Pluisje, een bij het afscheid van de grote stad van vrienden cadeau gekregen konijn dat een zeer voortijdige dood stierf, en daarna is er maandenlang fanatiek en luidkeels hoogroodaangelopen ruzie gemaakt wie de beurt had om het hok van het overgebleven konijn schoon te maken, totdat dat op ouderlijk initiatief een liefdevoller huis vond en zich daar tot een aanhankelijk knuffeldier bleek te ontpoppen. Een kant die het kreng, Japan heette het om niet meer te achterhalen redenen, bij ons bijzonder goed verborgen had weten te houden.
Wekenlang hebben mijn oudste zoon en ik met veel plezier aan een kippenhok staan timmeren en zagen omdat hij kippen ging houden. Drie stuks waren het. Ik zie hem nog de keuken binnen komen lopen met zijn eerste eitje, stralend en glimmend alsof ie het zelf gelegd had. Dat was een mooi moment. Verder hebben we weinig plezier gehad van de kippen want behalve dat ze zich niet zo gevoelig betoonden voor menselijke genegenheid vraten ze alles kapot wat ze voor de snavels kwam. Als omgekeerde 3D printers gingen ze de tuin door. En ook het schoonhouden van het hok werd een bron van hoogoplopende conflicten, zoals dat gaat. Onder zachte dwang vonden de kippen een ander onderkomen en we hebben nooit meer iets van ze vernomen.
Nu heeft mijn zoon bedacht dat hij parkietjes wil. Twee, want één is zielig. Al dagenlang gaan de verwachtingsvolle verhalen over tafel en voor elk mogelijk probleem heeft hij een pasklare oplossing bij de hand. Zelfs heeft hij voor het eerst in een decennium zijn kamer opgeruimd om keihard aan te tonen dat daar heus wel ruimte is voor een flinke kooi. Van het parkietje dat ik zelf ooit had kan ik me voornamelijk het aanhoudend en gekmakend gekrijs herinneren, maar ook daar heeft hij geen oren naar. Het is een verloren zaak. Maar goed, alles beter dan een hond.

maandag 4 april 2022

De eerstvolgende






Na een kort en efficiënt dagelijks rondje langs de schappen van de supermarkt kom ik bij een vrije kassa, met m’n karretje. Ongeveer tegelijk met twee andere karretjes. Omdat ik nou eenmaal van goede wil ben houd ik wat in, laat de concurrentie voor gaan en sluit achteraan aan in de korte rij die nu is ontstaan. Achter mij sluit even later nog iemand aan en hierdoor krijgt de rij de lengte waarbij in de meeste supermarkten een extra kassa wordt geopend. Zo ook hier, zo ook vandaag. Vanuit het niets verschijnt een nieuwe medewerker die de eerstvolgende op luide toon uitnodigt naar kassa acht te komen.
Normaalgesproken reageer ik niet op dergelijke oproepen omdat die niet zelden leiden tot situaties waar ik voor geen prijs in terecht wil komen. Het begrip ‘eerstvolgende’ blijkt vaak voor zeer ruime uitleg vatbaar waardoor er een verbeten wedstrijdje ontstaat wie er dan als eerste zijn boodschapjes op de nieuw geopende band mag leggen, en als man van goede wil sta je dan over het algemeen toch gewoon weer achteraan, al is het in een andere rij. En mensen, het gaat om minuten. Er razen pandemieën, hongersnoden en oorlogen over de wereld. Alsjeblieft zeg. Met je karretjes vol dagelijkse luxe..
Maar hier en nu kijkt de medewerker mij en ook mijn achterbuurvrouw nogal direct aan. Ik voel me aangesproken. Blijkbaar zijn wij de eerstvolgenden. Ik wissel voor de zekerheid nog een korte blik met mijn achterbuurvrouw, maar die is het ermee eens en ik maak al het eerste begin van een draai naar rechts, met mijn karretje, als de spreekwoordelijke derde partij aan komt wandelen. Een kekke bejaarde met een goeie kop grijs haar, een wuft, rood sjaaltje om zijn hals en zo’n vlot, gewatteerd jasje aan, die met joviale tred zijn kans schoon ziet, bij kassa acht. Ik draai meteen weer terug in mijn rij, voor zover ik er al uit was, want dit is dus precies de situatie waar ik voor geen prijs in terecht wil komen.
Zo makkelijk kom ik er echter niet vanaf, besluit de medewerker. Dat de mensen in de rij er al langer stonden, corrigeert zij de joviale meneer, en dat die dus eerst mogen. Weer valt haar blik op mij. De joviale meneer deinst terug en ik voel mij nu min of meer verplicht me bij kassa acht te vervoegen. Het zou onbeleefd zijn dat niet te doen. Wie weet hoeveel moeite het de medewerker heeft gekost voldoende moed en assertiviteit bij elkaar te schrapen om het hier voor mij op te nemen. Ik ken dat. Ik begrijp dat. Het is de assertiviteit waar ik zelf meestal voor pas.
Gehoorzaam verhuis ik van kassa en leg mijn boodschappen klaar op de band. De joviale meneer sluit achteraan aan in de rij.
Wat ben je streng, roept hij olijk naar de medewerker, die hij blijkbaar kent want hij noemt haar bij de voornaam.
Dat ze het eerlijk wil doen, bitst de medewerker vanachter de kassa, terwijl ze mijn boodschappen scant, omdat ze géén zin heeft in de discussie die ze anders krijgt. Met weer een korte blik op mij. Waardoor ik mij alsnog een vervelende zeikerd weet.

maandag 21 maart 2022

Het einde van de regenboog






Een paar weken geleden schreef ik een stukje over de regenboogstoep op het stationsplein van ons vriendelijke stadje op het platteland. Een boos stukje was het. Niet omdat ik bezwaar tegen een regenboogstoep zou hebben, al vind ik het niet per se mooi, en al helemaal niet omdat ik me niet zou kunnen vinden in waar die stoep voor staat. Integendeel, zou ik zeggen. Waar ik me boos over maakte, in mijn stukje maar ook daarbuiten, was het feit dat de regenboogstoep bijna geheel was ondergekliederd met dikke strepen zilverkleurige spuitbusverf. Er was behoorlijk werk van gemaakt want hoewel het een flinke regenboog was, was er maar een klein stukje ongemoeid gelaten, waarschijnlijk omdat de spuitbussen leeg waren. De regenboog was zo goed als uitgewist. En dat was de bedoeling geweest. Een daad van intolerantie. Kleinzielig homofoob vandalisme.
Precies het soort haatgedrag waartegen het stadsbestuur zich sterk zegt te maken, met de regenboogstoep. En ook langs die weg maakte ik mij boos want dit statement van solidariteit, dat wij als stad hebben willen maken, dit symbolisch hart onder de riem van onze lhbtiqa+ gemeenschap lag er nu al een flink aantal weken aldus gevandaliseerd bij. En zo lag er dus, ik citeer even mijn eigen stukje, al wekenlang een heel ander statement dan oorspronkelijk bedoeld aan ieders voeten, bij het verlaten van het station en het binnenlopen van ons vriendelijke stadje. Het statement namelijk dat we best een leuk regenboogstoepje willen verven, wanneer de tijdgeest daarom vraagt en we ons daarmee als moderne grote stad kunnen profileren, maar dat als aan die stoere stellingname gevolg moet worden gegeven, we niet thuis zijn.
Want waarom wordt die stoep niet dezelfde week nog opnieuw in de regenboogkleuren geschilderd? En de week erna desnoods nog een keer? En nog een keer? Net zo vaak als blijkbaar nodig. Principes kosten geld, zo is het nou eenmaal. Maar als we te beroerd en te krenterig zijn om ons warme solidariteits-statement vrij van homofobe smetten te houden, dan zijn onze principes niets waard. Dan is het niet meer dan modieuze, holle mooipraterij. Politieke scoringsdrift. PR. Stadsmarketing. Een loos, schijnheilig gebaar. En dat mogen wij ons best aanrekenen.
Ik plaatste mijn boze stukje op de socials, ik tagde daarin de gemeente, ik maakte via de website van het stadsbestuur langs officiële weg een officiële melding van vandalisme, met mijn boze stukje als toelichting in het daarvoor bestemde tekstvakje, en heb andere mensen aangespoord hetzelfde te doen. Tot nog toe heb ik daar geen reactie op gekregen, al is de melding van de site verdwenen.
Deze week, het was de dag van de gemeenteraadsverkiezingen, liep ik van het stembureau terug naar huis en kwam daarbij, het was niet helemaal toevallig, langs de regenboogstoep. Of het met de verkiezingen te maken heeft, wie zal het zeggen, dat het een gevolg is van mijn stukje zal ik zeker niet beweren, maar met een hogedrukreiniger of ander grof dan wel chemisch geweld was het zilverkleurig vandalisme grondig verwijderd, inclusief de gehele regenboog. Mijn vorige stukje eindigde ik met: als we het niet belangrijk genoeg vinden, haal het dan maar weer weg. En zo is het blijkbaar gegaan. De anonieme homofobe grote bek heeft gewonnen. Het einde van de regenboog.
Maar het is niet alsof die er nooit geweest is. Alle vierkante betonnen steentjes die er deel van hebben uitgemaakt zien er weer spiksplinternieuw en brandschoon uit. Door het kleurverschil met de rest van de stoep ligt er nu duidelijk zichtbaar een geheel uitgewiste regenboog. Een monument voor onze labbekakkerigheid.

Lees hier eventueel het eerste stukje over de regenboogstoep

Update: Inmiddels is bekend geworden dat de regenboogstoep op initiatief van een medestadsbewoner en betaald door een plaatselijk schildersbedrijf opnieuw zal worden geschilderd, met een betere antigraffiti-laag. Een mooi, sympathiek en positief gebaar. Het is fijn te weten dat dat ook nog bestaat.

dinsdag 8 maart 2022

Het wereldleed






Omdat het wild om zich heen grijpend wereldnieuws ons al sinds het ochtendblad bedrukte, waren wij ’s middags naar het strand gereden, in een poging de ellende wat van ons af te schudden. Het wereldleed even te vergeten. Het strand en de zee zijn daar meestal wel goed voor. De zon op je bol, de wind in je haar, de blik op de einder. Zo liepen we een rondje door de duinen en een eindje langs de branding, tot we het te koud kregen van de wind en maar weer eens op huis aan gingen. Ik zal niet zeggen dat het wereldleed vergeten was, je doet wat je kan. In elk geval was de stemming tijdelijk iets minder bedrukt.
Zeer tijdelijk.
Op een verder verlaten kruispunt met vrij uitzicht over een uitgestrekt polderlandschap werden wij over het hoofd gezien door een auto van links die, toen dat eenmaal duidelijk was, niet meer te ontwijken viel. Met veel geraas boorden wij ons in de rechterflank van wat inmiddels de tegenpartij heet en seconden later stonden beide auto’s zwaar beschadigd in de berm. Total loss, weten we inmiddels van ons eigen lieve autootje.
Waarna zich een overvloed aan gebeurtenissen ontrolde.
Uit de andere auto stapte een in paniek huilend en telefonerend meisje, dat nauwelijks vijf minuten later door haar moeder in de troostende armen werd gesloten. Een grote woede maakte zich in mij los. Een omwonende kwam nurks, met de handen in de zakken vertellen dat dit op deze kruising dus wel vaker voorkwam. Een passerende jongeman keerde zijn Alfa Romeo sportauto, parkeerde tussen de wrakken in de berm en verleende troost aan alle betrokkenen, zonder aanzien des persoons. Een brede, kale politieman met ‘hondenbegeleider’ op zijn rug arriveerde en interviewde iedereen op kalmerende en crisisbestendige toon. Mijn borstbeen, vier jaar na mijn operatie nog altijd een gevoelige plek, deed pijn door de klap van de gordel. Mijn vrouw huilde en werd getroost door de jongeman van de Alfa Romeo. De agent vond het beter, gezien mijn klacht en verleden, dat er een ambulance kwam. Een meneer met een camera maakte overal foto’s van. Dezelfde meneer waarschuwde dat de airbag zich alsnog kon openen, dat het verstandiger was wanneer ik de auto toch verliet. Ik wilde de auto niet verlaten. Ik verliet de auto, ik moest het portier ervoor open trappen. De agent zei dat het meisje het niet met opzet had gedaan. Dat niemand de deur uitgaat met het plan zijn auto in de prak te rijden. De ambulance kwam, met loeiende sirenes. Niemand had een schadeformulier. De moeder zei tegen het huilende meisje dat ze zich om de auto geen zorgen moest maken - het was de auto van de moeder - de verzekering zou het betalen. Ik was onverminderd boos. Ik moest de ambulance in. Mijn vrouw huilde weer even. De ambulancebroeder knoopte mijn overhemd open. Dat vond hij niet erg, zei hij. Er waren drie broeders. De sleepdienst werd gebeld. Ik werd onderzocht. Mijn vrouw had pijn aan haar pols, die bleek later gescheurd en zit nu in het gips. De sleepdienst arriveerde. De jongeman van de Alfa vroeg of we het verder zouden redden. Dat zouden we. De auto van links werd op de trailer gereden. We bedankten de jongeman met de Alfa. Onze auto werd met gaffertape bij elkaar geplakt en achter de trailer gehangen. De sleepdienst bracht ons naar huis. De chauffeur deed rijdend de administratie op zijn telefoon en hield niet op met praten. Weer thuis begon het grote appen en telefoneren. En het verzekeringscircus.
Dus ja, het wereldleed, dat waren we toen wel even vergeten. Al was dat ook maar weer tijdelijk.