vrijdag 28 augustus 2020

Ontmoeting op afstand




We wandelen Enkhuizen binnen en worden op de eerste de beste rotonde geconfronteerd met een vrij groot en kleurig beeld. Het is het silhouet van een vrouw. Op de gevel van een aanpalende flat staat een dichtregel die kennelijk op het beeld slaat en waaruit blijkt dat we te maken hebben met de Maagd van Enkhuizen. Of beter gezegd: De Maegd van Enkhuysen.
Het zegt ons niets eerlijk gezegd, maar wij zijn dan ook niet van Enkhuizen. Niet eens echt van Noord-Holland. Nu is Enkhuizen een historische haven- en handelsstad met een rijk verleden, we zouden ons dus kunnen voorstellen dat de maagd een heldin is die haar medeburgers ooit heeft gered van een brand, een pandemie of de vijand, gelijk bijvoorbeeld Kenau van Haarlem.
We besluiten onderweg naar het station een aantal Enkhuizenaren te vragen hoe het zit. Een leuk en leerzaam sociaal experiment. Het blijkt echter al snel dat de maagd niet erg leeft in Enkhuizen. De meeste ondervraagden komen niet verder dan onze zelfverzonnen suggestie wat schaapachtig te beamen.
Als laatste bevragen we een mijnheer in het centrum van de stad. De mijnheer meldt bescheiden niet uit Enkhuizen te komen en niets van een maagd te weten maar Enkhuizen wel een erg mooi stadje te vinden, wat wij op ons beurt weer volmondig beamen.
Vanaf de overkant van de straat mengt zich dan nog iemand wat luidruchtig in het gesprek door ons toe te roepen dat Enkhuizen een mooie stad is, maar dat hij er nog niet dood gevonden zou willen worden. Wij zijn enigszins beduusd door de beschonken onthulling van de wat scharrige figuur die wij nu aan de overkant ontwaren, een al even scharrig hondje aan de lijn, maar gunnen hem ook zijn plek op aarde dus roepen terug dat wij persoonlijk helemaal nergens dood gevonden willen worden. Waardoor er per ongeluk een ingewikkeld gesprek ontstaat, over de gelukkig wel zeer veilige afstand van zeker tien meter, waarbij de bescheiden mijnheer zich duidelijk steeds ongemakkelijker gaat voelen en waarbij wij door het passerend publiek, over wiens hoofden het gesprek gevoerd wordt, meewarig worden aangekeken.
De scharrige figuur vertelt dat hij in Rotterdam woont maar nu tijdelijk hier logeert, in het huis van zijn maat, die in het ziekenhuis ligt. Om voor diens hondje te zorgen, het scharrige hondje aan de lijn. Omdat iemand dat tenslotte moet doen. Net als veel mensen die teleurgesteld zijn door het leven meldt hij nadrukkelijk meer met dieren te hebben dan met mensen. Dieren zijn tenminste eerlijk, vindt hij. En als woensdag zijn maat weer uit het ziekenhuis komt, is hij meteen weer naar Rotterdam vertrokken.
Het is in meerdere opzichten een hartverscheurend verhaal, als je erbij stilstaat. Dat wel. Toch breien we er een eind aan en vervolgen onze weg naar het station.
Pas dan durft ook de bescheiden mijnheer weer door te lopen.

Dit is een bewerkt fragment uit "Ontmoetingen op veilige afstand" als gepubliceerd op De Vrije Wandeling, weblog van een wandelaar

woensdag 10 juni 2020

Voetstuk





Ik vond wel dat ik er nog even over moest bellen, naar het waterleidingbedrijf, over de toestand met het hommelnest. Niet eens zozeer uit beleefdheid, hoewel ik wel zo ben opgevoed, maar vooral omdat ik benieuwd was naar hoe zo’n gesprek zou verlopen. Ongemakkelijk, vermoedde ik en ik weet eigenlijk niet waarom mij dat nu opeens zo leuk leek. Op toneel, of in een Netflixserie kan ik ongemakkelijke gesprekken meestal wel waarderen, maar voor mezelf mijd ik ze doorgaans liever als de pest. In dit geval blijkbaar niet. Vreemd, vond ik het zelf ook. Het kwam misschien omdat ik me een beetje wilde uitsloven voor mijn jongste zoon, die me geassisteerd had bij de hele operatie en die nu ook getuige zou zijn van dit telefoongesprek, als ik het nu meteen deed. Dat zou zomaar kunnen. Even laten zien dat oud nog niet altijd saai en ingedut hoeft te betekenen. Misschien wilde ik dat sowieso even aan de wereld laten weten, via het waterleidingbedrijf. Of aan mezelf, god ja, waarom niet. De uitlaatkleppen zijn dun gezaaid deze dagen.
In elk geval, het waterleidingbedrijf opende het gesprek volautomatisch met excuses voor mogelijke overlast omdat ‘veel van onze medewerkers in verband met de overheidsmaatregelen rond corona thuiswerken’. Waarna het onvermijdelijk keuzemenu, waarin je pas helemaal aan het eind kunt kiezen om aan de lijn te blijven om een medewerker te spreken, wat ik, als ik dan toch moet bellen, sowieso altijd wel prettig vind en dus liever standaard als eerste optie zou zien, met tot slot de mededeling dat ‘dit gesprek kán worden opgenomen voor leerdoeleinden’. Een kleine drie minuten na aanvang had ik ene Dewi aan de lijn, die vriendelijk vroeg waarmee zij mij van dienst kon zijn, en kon ik mijn verhaal doen.
Dat ik dus een kaartje had gekregen, begon ik bij het begin, om de stand van de watermeter mee door te geven, maar dat mijn watermeter nou eenmaal in een put in de voortuin zit, die ik daarvoor dus moest openmaken - twee zware grindtegels met ijzeren ringen eraan - dat er dan nog een stuk in plastic verpakt piepschuim over de watermeter lag, ter isolatie, en dat daar dus een hommelnest op was gebouwd. Door hommels. En dat er ook allemaal hommels uit de put omhoog kwamen vliegen, waarvan ik toen nog niet zeker wist of ze zouden steken of niet. Dat wij een insectenvriendelijke tuin om ons huis hadden, omdat het met de insectenstand immers zorgelijk gesteld was, dat we het daarom ook niet over ons hart hadden kunnen krijgen het nest kapot te maken of te verstoren en wij dus, lang verhaal kort, geen watermeterstand konden doorgeven dit jaar.
Namens het waterleidingbedrijf heeft Dewi uitgebreid alle begrip voor de situatie en vindt zij het heel mooi dat wij ervoor kozen de hommels te sparen, dat het goed is dat ik er even over bel, dat zij zal zorgen dat er een schatting gemaakt wordt, van ons watergebruik, maar dat als die erg hoog uitvalt, voor mijn gevoel, ik altijd weer even kan bellen.
Tot zover een alles behalve ongemakkelijk gesprek. Sterker nog, na zoveel weken sociaal gedistantieer leef ik er helemaal van op en grijp ieder aanknopingspunt dat Dewi mij biedt, iedere stilte die zij laat vallen aan om het gesprek zo lang mogelijk te rekken met veel omhaal van woorden, nauwelijks ter zake doende uitweidingen en grappige grapjes.
Ondertussen zit mijn jongste zoon aan de overkant van de tafel over zijn zoveelste schaal yoghurt met muesli gebogen er het zijne van te denken, dat zie ik heus wel. Meewarig schuddend met zijn hoofd en rollend met zijn ogen en met scheve lachjes van plaatsvervangende schaamte vindt hij het duidelijk een zwaar overdreven gedoe met vervelende, muffe ouwe mannen grapjes, maar het kan me niks schelen. Ik heb een hommelvolk gered, Dewi vindt het ook.

vrijdag 5 juni 2020

Hommels





Van het waterleidingbedrijf kreeg ik onlangs het jaarlijks schriftelijk verzoek de stand van de watermeter op te nemen en liefst via internet door te geven. Dat zou, volgens het kaartje, alles bij elkaar slechts twee minuten tijd in beslag nemen. Een werkje van niks, wilde het waterleidingbedrijf maar zeggen. Toch is het elk jaar weer een werkje dat ik graag voor me uit mag schuiven en het zal de eerste keer niet zijn dat het er helemaal niet van komt en er van hogerhand een schatting van ons watergebruik wordt gemaakt. Een schatting die overigens altijd accuraat genoeg is om er het jaar erna opnieuw niet al te zwaar aan te tillen.
Maar goed, vandaag moest het maar eens gebeuren. Ik had mijn jongste zoon geronseld voor het zware en het vieze werk, zelf zou ik aanwijzingen geven, notities maken en de administratieve afwikkeling verzorgen. Onze watermeter, moet u weten, zit in een kniediepe put in de voortuin, afgedekt met twee zware stenen platen waarop, voor het gezicht, naast het nodige kleine spul, ook nog een vrij grote en onhandig te verplaatsen plantenpot staat. Onder die stenen platen, die je aan roestige metalen ringen die aan een middeleeuwse kerker doen denken van hun plaats moet tillen, tref je dan een sterk vervuilde plastic zak waar ooit kunstmest in heeft gezeten maar die nu twee stukken piepschuim bevat en aldus al jaren dienst doet als isolatie tegen de vorst. Om de watermeter vervolgens af te lezen moet er eerst een klepje worden geopend en daarvoor is het onvermijdelijk om op de knieën te gaan en tot aan de schouder in de put te reiken. Om de meterstand te ontcijferen, in de halfduistere diepte, moet je zelfs je hoofd naar binnen steken, wat bepaald niet aanlokkelijk is vanwege de schimmels, het eeuwenoude spinrag, de modderige viezigheid en het wegschietend en rondkruipend gedierte. Als enig lichtpuntje in de hele zaak zit er steevast een dikke pad op de bodem te somberen. Alsof hij denkt: Ja hoor, laat mij hier maar wachten. De pad vinden we leuk. De pad beschouwen we als een oude bekende, hoewel we uiteraard niet zeker weten of het steeds dezelfde pad is.
Bij het openen van de put bleek deze dit jaar zelfs nog meer door de natuur in bezit genomen dan waar we al op waren voorbereid, want op de sterk vervuilde plastic zak met stukken piepschuim troffen we een hommelnest. Een aanvankelijk wat onooglijk hoopje dode blaadjes, esdoornvleugeltjes, dennennaalden en onduidelijke rommeltjes waarvan je je later pas afvraagt hoe die hommels dat daar in vredesnaam allemaal op een hoopje in die put hebben gekregen, met die kleine pootjes zonder handjes, maar dat het een hommelnest was werd meteen duidelijk want ze kropen voortdurend naar binnen en naar buiten door verschillende toegangspoorten. Hoe onooglijk ook, het was weldegelijk een bouwwerk waarover was nagedacht.
Een handvol hommels vloog ons direct verontrust tegemoet. Lichtelijk verontrustend ook wel trouwens want ik meende dan wel te weten dat hommels, als ze al konden steken, het in elk geval niet heel snel deden maar zo een bedreiging van hun nest zouden ze misschien wel eens als een goede reden kunnen zien het toch maar eens te proberen. En hoeveel hommels zaten er dan eigenlijk in zo’n nest? Ik had weer eens geen idee.
Dus daar stonden we dan. Besluiteloos. In twijfel. Aan de ene kant de dwingende vraag van een voormalige overheidsinstantie en het feit dat we al halverwege onze lang uitgestelde operatie waren; aan de andere kant een hommelnest dat beslist onherstelbaar beschadigd zou raken wanneer we de watermeter toch probeerden te bereiken, met alle verdere gevolgen van dien.
We besloten dat we het niet over ons hart konden verkrijgen. Dat je niet een insectenvriendelijke tuin kunt hebben en dan een heel hommelnest vernietigen voor zoiets onbenulligs als de juiste stand van de watermeter. Het gaat immers al slecht met de insecten, en hommels zijn ook nog eens een keer onze favorieten. Het is een groot plezier ze zo gezapig van bloem naar bloem te zien zoemen.
We stelden onze hommels gerust, legden de stenen platen weer terug, er op lettend de ingang open te houden, zetten de onhandig te verplaatsen plantenpot weer op zijn plek en prijsden ons gelukkig met een eigen hommelnest in de tuin. Dan maar weer een schatting dit jaar. Daar hoeven we niet zo zwaar aan te tillen.

zaterdag 23 mei 2020

Postelein of geen postelein






In wat je gerust een opwelling kunt noemen hebben wij ons enige weken geleden een volkstuin aangeschaft. Tijdens een avondzonnig corona-ommetje kwamen wij toevallig langs het plaatselijk volkstuincomplex, waar een zelfgemaakt bord in de berm aankondigde dat er tuinen te huur waren, wat ons er toe verleidde in elk geval eens even een kijkje te nemen en minder dan vierentwintig uur later was het rond en konden we beginnen. Honderdvijftig vierkante meter vers gefreesde en kurkdroge kleigrond. Een dorre vlakte, woest en ledig. Hulpeloos ten prooi aan blakerende voorjaarszon en noordhollandse wind. In niets te vergelijken met de lommerrijke herinneringen die wij aan onze Haagse volkstuin koesteren, laat staan met de volle Amstelglorie van Jan Wolkers, zoals die mij nu opeens heimelijk voor ogen staat.
Maar goed, je kunt dus met evenveel recht zeggen dat alles nog mogelijk is, want zo is het ook. Binnen de reglementen van de volkstuindersvereniging uiteraard, dat dan weer wel, volgens goed hollands gebruik, maar tijdens onze eerste rondwandeling hebben we wel al tuinen gezien die ons wat dat betreft de hoop geven dat die niet zo streng en rechtlijnig uitvallen als je misschien zou verwachten. Voor de zekerheid kiezen we bovendien een tuin waarvan de buren links en rechts op het oog in elk geval een voorkeur voor gezellige rommeligheid lijken te hebben. Daar steken we allicht minder snel ongunstig bij af dan bij een volgens de regelen der kunst met liniaal en waterpas aangelegde en fijn geharkte, onkruidvrije zone.
En zo zijn we de laatste weken dus regelmatig op de tuin te vinden, spittend, schoffelend en plannen makend. Waterdragend met gieters en emmers, van de sloot naar de onverzadigbare akker. We timmerden verhoogde bakken, er werd een terras aangelegd. We plantten bessenstruiken, bermbloemen en knotwilgjes. We zaaiden van alles voor, in potjes, eierdozen en wc-rolletjes. Richtten groentebedden in, zetten een composthoop op touw en maakten goedmoedige praatjes met de buren, leunend op de hark. We zaaiden in de volle grond. Waren in de weer met stokken en gaas en netten. Net echt allemaal.
En nu staan we gebogen over het eerste ontkiemende spul.
En hebben geen idee.

maandag 18 mei 2020

Wespenkoningin






Nu mijn agenda door de omstandigheden geheel is leeggeveegd, sociale contacten van hogerhand ernstig worden ontraden en ik niet zo iemand ben die dan welgemoed van de gelegenheid gebruik maakt om vrolijk fluitend zijn huis van boven naar beneden ondersteboven te halen, uit te mesten en te soppen, komt het de laatste tijd wel eens voor dat ik zo niet moedeloos dan toch in elk geval doelloos uit het raam de tuin in sta te staren. Wachtend op iets dat niet gebeurt. Tja, zo is het nou eenmaal. Nu hebben wij een leuke tuin, waar van alles in staat te groeien en te bloeien en uit te botten, en het particulier coronaleed wordt vooralsnog gecompenseerd met veel mooi weer, het kan echt erger, tel uw zegeningen enzovoort, ik weet het, maar toch..
Vandaag gebeurt er dan trouwens wel iets, al is het niet veel, want daar zie ik een wesp vliegen. Op zich niets bijzonders, wij hebben ook nog eens een insectvriendelijke tuin, dus daar zoemt en fladdert en dart van alles in het rond, ook wespen. Maar ik meen vrij zeker te weten dat het nog een beetje vroeg is voor wespen en dat dit waarschijnlijk een koningin is, op zoek naar een geschikt plekje voor een nest. Het is een bijzonder grote wesp, dus dat zou dan wel eens kunnen kloppen. En het lijkt er na een tijdje sterk op dat dat geschikte plekje inmiddels gevonden is in de spouwmuur van onze uitbouw, ik zie de wesp tenminste telkens opnieuw door een gaatje tussen vensterbank en sponning naar binnen kruipen, en weer naar buiten komen.
In vroeger tijden zou ik het beest zonder enige aarzeling met een hamer hebben geplet, de mensheid aldus met één klap verlossend van een zomerlang overlast van een heel wespenvolk, tegenwoordig ben ik ouder, wijzer en ja, ook milder. Niet alleen, besef ik nu, is de wesp natuurlijk een onmisbare schakel in het grote geheel, ik heb de wesp ook leren kennen als een intelligent en sociaal dier. Daarover schreef ik al eens eerder een bericht, waarnaar ik hier graag met dit linkje verwijs, in plaats van het allemaal opnieuw te vertellen, maar samenvattend ben ik de wesp in een ander daglicht gaan zien en ik vind het daarom niet nodig deze wesp nu te vermoorden.
Echter, een nest in de spouwmuur, zo direct aan het terras, onder het raam van de wc, dat is ook weer zo wat. Dat zit straks niet lekker ontspannen.
Ik besluit dat er toch in elk geval wel íets moet gebeuren. Ik pak mijn kitspuit uit de schuur, vergewis me ervan dat de wesp haar bouwlocatie heeft verlaten en vul het gaatje tussen vensterbank en sponning met kit, in de hoop hiermee een min of meer wespvriendelijk compromis af te dwingen. Nog terwijl ik daarmee bezig ben landt de wesp vanuit het niets op de spuitmond, paniekerig heen en weer zoemend, waarschijnlijk in een Bruce Willis achtige poging het onheil te keren. Ik schrik er een beetje van, die enorme wesp opeens zo vlakbij, want weliswaar ben ik de wesp in een ander daglicht gaan zien, ik ben er dan weer niet automatisch van overtuigd dat die mildere blik wederzijds is. Liever doe ik een stapje achteruit om van een afstandje te bezien hoe de zaken zich ontwikkelen.
Gelukkig werpt de wesp zich niet meteen op de nog natte kit, een zeer wespónvriendelijke mogelijkheid waar ik geen rekening mee had gehouden. Een bijna menselijke verwarring lijkt zich van de wesp meester te maken. Eerst blijft ze even voor het dichtgekitte gat zitten. Het was toch hier?, zie ik haar bijna denken. Als er niets gebeurt en alles blijft zoals het is, neemt ze blijkbaar aan dat ze zich dan wel vergist zal hebben en gaat langs de sponning op zoek naar waar de ingang wel is, al kan ik zien dat ze daar zelf niet echt in gelooft, het gaat zonder overtuiging. Dan besluit ze helemaal opnieuw te beginnen, vanaf het begin. Maakt zichzelf wijs dat ze onderweg waarschijnlijk even niet heeft opgelet en zo verkeerd is uitgekomen. Ze vliegt op, maakt een wijde boog om mij heen, vliegt opnieuw aan op de vensterbank en landt voor het dichtgekitte gat, waarvan ze hoopte dat dat er nu niet meer zou zijn. Opnieuw inspecteert ze de afsluiting en andermaal drentelt ze ongelovig heen en weer langs de sponning. Dit herhaalt zich nog zeker driemaal. Zelfs vliegt ze nog een keer opnieuw aan op het naastgelegen raam, van de badkamer, dat er inderdaad precies hetzelfde uitziet, zich afvragend ongetwijfeld of ze zich nou zó sterk vergist zou kunnen hebben. Uiteindelijk geeft ze het op en druipt af. Met hangende schouders. Schuldig voel ik me niet, nee dat niet. Maar ik hoop wel dat ze een andere, betere plek heeft gevonden. Dat hoop ik echt.

dinsdag 11 februari 2020

Sympathie






Nogal bruusk zwaait de deur van de coupé open en een gehaaste man met een rugzak aan de hand komt binnen. Hij heeft zich maar nauwelijks in de laatste vrije tweezitter laten zakken of de deur zwaait andermaal open, niet minder bruusk, om toegang te verlenen aan een niet mis te verstane controleur die met vorsende blik de coupé scant en al snel gevonden heeft wat hij blijkbaar zoekt: de gehaaste man met de rugzak aan de hand. De coupé doet net of ie niks merkt maar houdt duidelijk hoorbaar de adem in.
Doelgericht vraagt de controleur de gehaaste man om zijn vervoersbewijs. Met verve voert deze dan zijn toneelstukje op, zoekt zijn jas, zijn portemonnee en zijn rugzak meermalen af naar een kaartje waarvan de hele coupé weet dat het er niet zal zijn. De controleur staat het wijdbeens en geduldig uit, haalt aan het einde ervan zijn bonnenboek en een pen tevoorschijn waarna het ritueel met vergeten identiteitsbewijzen en onwaarschijnlijke instapstations wordt afgewerkt.
De controleur hanteert met professioneel overwicht de kalme doch onverzettelijke en conflictvermijdende toon die hij op de training heeft geleerd. De man zonder vervoersbewijs, die trouwens een opvallend hoog stemgeluid blijkt te hebben, schiet heen en weer tussen kruiperige onderdanigheid en misplaatste assertiviteit. Dat hij alle begrip heeft voor het feit dat meneer de controleur natuurlijk ook maar gewoon zijn werk doet, onderstreept hij, en dat meneer de controleur dus maar vijf eurootjes extra moet rekenen, voor zichzelf. Om vervolgens op hoge poten een bezwaarprocedure aan te kondigen en het luidkeels zéér onbeleefd te vinden dat meneer de controleur hem hier ten overstaan van zoveel mensen voor zwartrijder staat uit te maken. En hem dwingt allerlei privacygevoelige informatie als zijn adres en postcode prijs te geven. Dat meneer de controleur zijn schoenmaat waarschijnlijk groter is dan zijn IQ.
De controleur ondergaat het allemaal onverstoorbaar, laat weten dat hij ook wel eens iets onbeleefd vindt en informeert of meneer lang over zijn schoenmaatgrapje heeft nagedacht.
Ik kan hier wel verklappen dat mijn sympathie in dezen toch echt ligt bij de controleur, dat het me een afschuwelijk beroep lijkt en dat ik de man zonder vervoersbewijs een beetje een eikel vind. Maar naast mij in de bank zit een zilvergrijze dame zó gedurig te tssssen, te tuttuttutten en te het is me toch watten, en zit daarmee zo nadrukkelijk naar mijn instemming te hengelen van hoe erg wij dit samen als keurige mensen onder elkaar wel niet vinden en waar moet het heen met dit land, dat ik daar dan ook weer iebel van word. Waaruit maar weer eens blijkt hoe ingewikkeld het allemaal in elkaar kan zitten.

donderdag 6 februari 2020

Voor kunstzaak







Bij een onbesuisde opruimactie trof ik de foto van een al bijna vergeten schilderij. Een schilderij uit eigen koker nog wel. Ik maakte het op de kunstacademie, vele jaren geleden, voor mijn eindexamenexpositie. Het was één van de twee schilderijen die ik daar verkocht, wat ik destijds als een veelbelovende start van mijn carrière als beeldend kunstenaar beschouwde. Ach ja. Veel verder dan een veelbelovende start is het niet gekomen met die carrière en meer dan twee schilderijen heb ik nooit verkocht. Er heeft er nog wel één een paar weken proefgehangen in het trappenhuis van een verzamelende dame, die wellicht meende daarmee eventueel een aanstormend talent in huis te halen, maar die er uiteindelijk van afzag omdat het doek net iets te klein was om ergens precies tussen te passen en ik het voorstel het opnieuw te schilderen maar dan twintig centimeter groter met gekrenkte kunstenaarstrots van de hand wees. Daarmee bleven de verkoopcijfers voor eeuwig steken op twee.
Of eigenlijk ook weer niet, want één van die twee verkochte schilderijen was aangekocht door de kunstuitleen en daarvan kreeg ik een paar jaar later een brief met de mededeling dat het werk wegens overtolligheid discreet vernietigd zou worden wanneer ik het niet zou komen ophalen, op een bepaalde dag, binnen bepaalde uren. Ik ben mij altijd blijven afvragen hoe je iets discreet kunt vernietigen wanneer je de enige persoon op aarde die er blijkbaar nog om maalt er van tevoren per brief van op de hoogte stelt, maar ik klom op de aangewezen dag op het aangewezen uur wel op de fiets uiteraard, om mijn geesteskind te redden. Een weinig eervolle rit die alleen werd opgefleurd door de aanblik van mijn voormalige schilderdocent aan de academie, die met een groot schilderij onder de arm mismoedig in tegenovergestelde richting fietste. Ik wist waar hij vandaan kwam, hij niet waar ik naar toe ging.
Mijn geredde geesteskind heeft vervolgens nog jaren verkocht en wel in mijn atelier gehangen, en toen ik dat niet meer had nog geruime tijd in mijn huis gestaan, op steeds wisselende plekken, tot ik het uiteindelijk wegens gebrek aan ruimte zelf maar discreet vernietigde, samen met zijn overgeschoten broers en zussen waar de wereld ook niet op had zitten wachten. Behalve dus het schilderij op de foto. Dat ik al bijna vergeten was. Wat zou er van geworden zijn? Vraag ik mij nu dan maar even af, met de foto in mijn hand. Zou het nog ergens aan een muur hangen? Zou er nog wel eens iemand naar kijken? Af en toe? Of is alles voor niets geweest?

maandag 3 februari 2020

Klimaat






Aan de Haagse Conradkade zitten we op een bankje in een abri op tram 11 te wachten, mijn jongste zoon en ik. We zitten uit de wind, er schijnt een voorzichtig zonnetje. Speciaal vanwege de ronduit slechte weersverwachtingen hebben wij onze wandelplannen voor vandaag omgezet in iets overdekts en nu lijkt het verdorie wel lente. Eind januari, nota bene. Maar goed, we hebben evengoed een leuke dag.
We schuiven wat dichter naar elkaar toe om plaats te maken voor een mevrouw met grijs haar en een rolkoffertje die blijkbaar ook tram 11 moet hebben. Voor de mevrouw had het niet gehoeven, dat opschuiven, zegt ze zelf wat koket, want zo dik is ze niet. Beleefd beamen wij naar waarheid dat het inderdaad makkelijk past, met z’n drieën op het bankje, maar we schuiven niet terug, het is goed zo. Wel raken we aldus verwikkeld in een onbeduidend maar vriendelijk gesprekje over het weer, dat, als gezegd, lenteachtig genoemd mag worden, vindt ook de mevrouw. We zijn het er over eens dat het zonnetje vrolijk stemt. De mevrouw weet dan hoopvol te vertellen dat vorig jaar de eerste stranddag al op 25 februari viel. Wij weten dat zo precies niet meer maar geloven haar op haar woord, kunnen zelf ook nauwelijks wachten op betere tijden, al voegen we er aan toe dat dit ons toch eigenlijk ook zorgen zou moeten baren. Maar dat vindt de mevrouw meteen grote onzin. Dat is allemaal maar een hetze die ze verzonnen hebben om ons geld afhandig te maken, weet ze met grote stelligheid. En zo verandert het onbeduidend gesprekje van toon en bevinden we ons opeens middenin de klimaathysterie.
Er schiet mij van alles te binnen om het standpunt van de mevrouw enigszins te relativeren. De vraag bijvoorbeeld wie die ‘ze’ dan eigenlijk zijn. En waarom er zo’n ingewikkeld scenario voor nodig is om ons geld afhandig te maken. En waarom we de wetenschap alleen zouden vertrouwen wanneer het in ons straatje past. En nog zo wat. Maar ik bedenk dat het zinloos is en comprimeer het allemaal in de voorzichtige overweging dat het misschien toch wel zo zou kunnen zijn dat er in elk geval íets zou moeten gebeuren. Voor de mevrouw is de stemming echter bedorven, zonnetje of niet. Zij doet er verder een halsstarrig zwijgen toe. Zonder groeten stapt ze de tram in en zorgt ervoor niet bij ons in de buurt te komen zitten. Mijn zoon stelt later wat verwonderd vast dat hij vandaag zijn eerste echte klimaatontkenner heeft ontmoet. Dus misschien is er toch nog hoop.

dinsdag 21 januari 2020

75 jaar






Er komen twee jonge mannen bij ons in de coupé zitten. Ze maken nogal een luidruchtige en zelfverzekerde entree, hoewel je met evenveel recht zou kunnen zeggen dat ze in een geanimeerd gesprek verwikkeld zijn. Zulke jongemannen zijn het dus. Het soort jongemannen waaraan je op één of andere manier kunt zíen dat ze welgestelde ouders hebben. Ik heb me vaak afgevraagd waar hem dat dan in zit - de blonde lok over het voorhoofd, de blauwe bodywarmer, de achteloze rode sjaal, de twijfelloze oogopslag – maar het is moeilijk er de vinger op te leggen. Het kan ook zijn dat ik het merk aan mijn nekharen die altijd een beetje overeind gaan staan.
Goed.. met enig bravoure dus komen ze binnen en ploffen neer in de vierzitter achter ons. Maar ook als ze wat verder weg waren neergestreken hadden we hun gesprek goed kunnen volgen, ook als we dat niet hadden gewild. Zulke jongemannen zijn het dus en God zij dank is het geen stiltecoupé.
Eén van de jongemannen is midden in een verhaal over een bezoek aan het Anne Frankhuis, waar hij een oriënterend gesprek over een opdracht heeft gevoerd. Hij laat het klinken alsof de toekomst van het Anne Frankhuis ervan afhangt, maar het kan natuurlijk evengoed over een stageplek gegaan zijn. Voor het gesprek maakt dat blijkbaar niet uit want daar wordt verder niet op ingegaan. Wat de jongeman vooral wil vertellen is dat het allemaal erg leuk was geweest. Leuk. Heel leuk. Het woord ‘leuk’ valt meerdere malen en wordt uitgesproken op de manier van zijn welgestelde vader die het over een fles wijn van tachtig euro heeft. Dat leuk. En dat het Anne Frankhuis dus een ziek groot kantoor heeft. Echt ziek groot.
De andere jongeman informeert, met een mespuntje talkshowachtige sensatie in de ondertoon, of hij dan ook gezien heeft ‘waar ze gezeten heeft’. Dat is vreemd genoeg niet het geval. De tweede jongeman vertelt op zijn beurt dat hij het boek aan het lezen is, wat de eerste jongeman dan weer leuk vindt, maar de tweede jongeman moet bekennen dat hij er niet echt doorheen komt, door het boek.
Waar het over gaat, wil de eerste jongeman dan wel eens weten, wat ons hoofdschuddend tot de conclusie brengt dat hij in elk geval niet overdreven geïnformeerd naar zijn oriënterend gesprek is vertrokken. Dat hij misschien ook wel helemaal niet weet dat ‘ze daar gezeten heeft’.
De tweede jongeman vertelt kort maar adequaat dat ‘ze haar dagelijks leven beschrijft, en hoe ze daar dan zitten en zo’. En herhaalt dat hij er niet echt doorheen komt. Maar misschien, hoopt hij tenslotte, wordt het verderop nog leuker.

woensdag 15 januari 2020

Boomer






Met mijn jongste zoon wandel ik, in etappes, van Schagen, onze woonplaats, naar Den Haag, onze geboorteplaats. En daarna weer terug. De lange wandeling naar huis, hebben we deze zelfverzonnen tocht genoemd.
Omwille van het klimaat en andere praktische overwegingen bereizen wij start- en eindpunt van onze etappes met het openbaar vervoer. Dat is niet altijd even comfortabel. Vooral op de terugweg, die zich na een dag wandelen uiteraard door de avondspits beweegt, moeten we vaak tot boven Alkmaar genoegen nemen met een krappe staanplaats in een afgeladen halletje, of, als we geluk hebben, met een plakkerige zitplaats op een smerig trappetje. Het is niet anders. Wie het klimaat wil dienen moet offers brengen. Vanuit dat perspectief bezien zou je het ook als bemoedigend kunnen ervaren dat de trein zo goedgevuld is, al is het dan met gratis reizende studenten. Ik wil daar niet meteen een oordeel over hebben.
Waar ik wel meteen een oordeel over heb, is de jongeman die we vandaag in onze eerste trein op de heenweg aantreffen. Lang- en breeduit uitgestrekt neemt hij samen met zijn rugzak een hele vierzitter in beslag, in een verder behoorlijk gevulde coupé. Hij houdt zich slapend en reageert niet op onze afwachtende aanwezigheid naast zijn koninkrijk. Zijn kapsel zit onberispelijk in model gekamd en geboetseerd, maar voor de rest ziet hij er wat smoezelig uit. Er zitten vlekken in zijn shirt, er liggen croissantkruimels op zijn jas en er hangt een meer dan vage dranklucht om hem heen. Mijn zoon wurmt zich mild en toegeeflijk tussen verschillende ledematen door naar de moeilijk bereikbare restanten van een zitplaats, maar ik heb het opeens wel even gehad met dat hedonistische, verwende, onverschillige en egocentrische millennialgedrag. Okay, dan maar een boomer. Ik duw wat tegen zijn schouder en roep iets over zitten, en plaats maken, wat dan uiteindelijk met gepaste onwilligheid gebeurt. Zolang we tegenover elkaar zitten blijft hij gedrogeerd knikkebollen. Niettemin lijkt hij op weg te zijn naar school, gezien het tijdstip op de dag, de rugzak en het station waar hij uitstapt. Ik heb ernstig medelijden met degene die zuks straks in de klas heeft zitten.

Uit: De dunne grenzen van het fatsoen, gepubliceerd op De Vrije Wandeling, weblog van een wandelaar.

maandag 13 januari 2020

Afscheid






Vanochtend is de hometrainer de deur uitgegaan. Anderhalf jaar geleden nu deed hij zijn min of meer ongevraagde intrede, als noodzakelijk kwaad. Er moest gerevalideerd worden na de operatie die ik toen net achter de rug had. Vanwege de zenuwpijn verdroeg ik geen kleding aan mijn opengezaagde en weer dichtgenaaide borst dus naar buiten, voor de van dokterswege aangeraden korte wandelingetjes, kon of durfde ik nauwelijks.. de in allerijl geleende hometrainer was een uitkomst. Ideaal. Pontificaal midden in de huiskamer, zodat ik er zonder traplopen elke dag een paar keer op kon klimmen. Steeds een minuutje langer, steeds een verzetje hoger. Aanvankelijk blij dat ik in elk geval iets kon en trots dat dat steeds beter ging, later steeds meer tegen heug en meug omdat ik toch echt liever naar buiten wilde. Tot het grootste leed na een paar maanden geleden was, de zenuwpijn chemisch bedwongen, en ik mijn revalidatieheil buiten de deur kon zoeken. Wandelend. En op een echte fiets.
Voor de zekerheid bleef de hometrainer nog een tijdje in huis, pontificaal midden in de huiskamer, en ik zat er ook heus nog wel eens op, als het buiten regende bijvoorbeeld, en ik geen zin had om te wandelen, of echt te fietsen, maar langzamerhand verstofte hij toch tot een goed voornemen.
Mijn vrouw begon zich eraan te ergeren. Dat stond daar maar lelijk te zijn, vond zij, er bleven ook steeds langer jassen en vesten of tassen aan hangen, zoals dat gaat, en daar werd het ook niet beter van. Nog vrij lang ben ik stug vol blijven houden dat ik er echt nog regelmatig op zat maar dat was eigenlijk alleen waar wanneer je het begrip regelmaat in de breedste zin des woords opvat. In plaats daarvan keek het ding mij elke dag met verwijtende blik aan, wat dat betreft integreerde hij dan wel weer mooi in mijn mannenhuishouden van uitgestelde en half afgemaakte projekten en klussen, die mij ook elke dag vanuit hoeken en gaten verwijtend aanstaren.
Maar goed. Nu las ik op facebook een oproepje van iemand die een hometrainer zocht en die kwam hem vanmorgen ophalen. Met een iets te klein autootje. Daar reed hij de straat uit, zijn stuurtje ten afscheid onhandig uit de kofferbak stekend, zijn computertje hoopvol op ‘SET’.
Hij laat nog even een vreemde lege ruimte achter, niet alleen in de kamer gek genoeg, maar dat is niet erg. Een hoofdstuk is afgesloten, zo voelt het. Ik heb iets achter me gelaten. En dat is goed. Dat lucht op. Vooral dat ik er nu niet meer op hoef.

vrijdag 10 januari 2020

Lichtdonker






Het is nog vroeg in de ochtend. Samen met een vriend fiets ik terug naar huis, van het zwembad, waar we ieder onze baantjes hebben getrokken. De vriend doet er tachtig met een ferme, niets ontziende borstcrawl, ikzelf houd het op drie kwartier tussen de andere zwemmers door heen en weer slalommen met een zo ferm mogelijke schoolslag. Twee keer in de week doen we dat: achterlijk vroeg uit de veren om om zeven uur als eerste in het water te liggen, voor de conditie en de beweging. We zijn niet van plan de boel te laten versloffen en de stramme oude mannen te worden die we wel eens om ons heen zien. Vaders. Schoonvaders. IJdele hoop waarschijnlijk maar laat ons nog maar even in de waan, we zijn nog jong genoeg.
Om acht uur zitten we dan energiek en voldaan aan de koffie zonder koekje te constateren dat waar de rest van de wereld nog hortend en stotend op gang aan het komen is, wíj deze sporen vandaag in elk geval alvast verdiend hebben. Wat er op andere dagen wel eens anders uitziet, om acht uur ’s ochtends. Bij mij in elk geval wel. We nemen beknopt de wereld en het leven door en fietsen dan fris en goedgehumeurd de rest van de extra lange dag tegemoet. Zo ook vandaag.
Wat de temperatuur betreft zou je het niet zeggen, maar het is midden in de winter. De kortste dag hebben we nog niet zo lang achter de rug dus rond deze tijd is de zon zo’n beetje halverwege het opstaan, die trekt zich van een klimaatverandering niets aan. Zoek het maar uit met je zooitje, denkt de zon, en geef haar eens ongelijk. Het is niet meer donker maar ook nog niet licht. De fietsverlichting laten we achterwege. Niet meer nodig, oordelen we. Teveel onhandig gedoe ook, met die losse lampjes die nooit blijven zitten hoe en waar je ze hebben wilt. En hoezo moet je je eerst een weg door achtentachtig verschillende knipperstanden werken voor je zo’n lampje weer uit hebt? Maar goed, dit terzijde.
Hoewel wij dus vinden dat het niet meer donker is, is de meneer die ons halverwege op het fietspad tegemoet wandelt van mening dat het nog niet licht is. Het is een wat oudere meneer die zijn hondje uitlaat. Doe je licht aan! Roept hij ons van verre toe. Doe je licht aan, snauwt hij ons toe als we wat dichterbij zijn.
Misschien heeft de meneer wel gelijk, dat zou kunnen, zeker, maar het schiet ons toch in het verkeerde keelgat. We zijn nog jong misschien, maar geen kwajongens meer. Ook daarom onderdrukken we de neiging iets onaardigs terug te roepen. Maar de neiging is er dus wel, en dat is jammer.

zondag 22 december 2019

Natuurwetten






In een onbewaakt ogenblik had ik besloten de radiator in mijn schuurtje vandaag weer eens terug te hangen. In een eerder onbewaakt ogenblik, véél eerder, mag ik wel zeggen, had ik die namelijk weggehaald, in het kader van een groter plan. Ik zou, als voorloper van een nieuwe badkamer, een kast bouwen voor de wasmachine, de radiator hing daarbij in de weg. Wanneer de kast af was zou ik de nu afgedopte leidingen doortrekken en hem op een nieuwe plek terughangen. Echter, zoals die dingen gaan, in elk geval bij mij, na die eerste korte aanval van doortastendheid bleef het stil rond het grotere plan. En koud in mijn schuurtje. Wat ik in de wintermaanden dan als excuus gebruikte voor het feit dat ik niks deed en nergens mee opschoot. De radiator op dezelfde plek terughangen was geen optie omdat ik dan zou toegeven, al was het maar aan mezelf, dat het grotere plan min of meer ten onder was gegaan aan labbekakkerige besluiteloosheid. Zo had ik mijzelf dus aardig in de tang en moest ik lange tijd, hoe lang durf ik hier niet eens te bekennen, mijn winterjas aan doen wanneer ik toch een karweitje in mijn schuurtje had.
Aan die toestand zou vandaag dan eindelijk een einde komen, dankzij een nieuwe aanval van doortastendheid die waarschijnlijk net groot genoeg was om de radiator dan toch maar met hangende pootjes terug te plaatsen. Om mezelf klem te zetten was ik wel zo verstandig geweest mijn oudste zoon te charteren om mij te helpen, en dat was maar goed ook want volgens een bekende natuurwet diende de eerste tegenslag zich al vrij snel aan. Het ontluchtingssleuteltje, nodig om de boel leeg te laten lopen, was nergens te vinden. Er moeten er honderden rondslingeren in mijn mannenhuishouden want elke keer dat ik het nodig heb moet ik een nieuwe kopen omdat het nergens te vinden is. In die zin kun je ook eigenlijk niet van een tegenslag spreken, het is eerder een vast gegeven dat ik even over het hoofd had gezien. Een natuurwet, inderdaad. Een steeds bozere zoektocht langs alle handige en voor de hand liggende plekken waarvan ik zeker weet dat ik er ooit één gehangen, gelegd of bewaard heb en daarna ook door de rest van het huis leverde niks op. Normaalgesproken zou dat ruim voldoende aanleiding geweest zijn het hele projekt maar weer zuchtend op te schorten, maar omdat ik mij bij wijze van levensles groot wilde houden voor mijn zoon werd het een bezoekje aan de bouwmarkt.
Daar bleken de ontluchtingssleuteltjes alleen per vier verpakt verkocht te worden. Dan denk je in eerste instantie dat dat handig is, dat het blijkbaar een wijdverbreid en alom ergernis wekkend probleem is waar de bouwmarkt hier servicegericht op inspeelt door ze per vier aan te bieden waardoor je er, wanneer er ontlucht moet worden, altijd wel eentje kunt vinden. Maar bij nader inzien weet je: zo werkt het niet. Ook dit is een natuurwet.
Net als dat, zodra je na een boze gang naar de bouwmarkt nieuw hebt aangeschaft wat je kwijt was, je meteen bij thuiskomst ziet hangen, liggen of staan wat je nodig had. Meestal op een plek waarvan je zeker wist dat je het er de laatste keer had opgeborgen, weggehangen of neergelegd.
Zodoende heb ik nu vijf ontluchtingssleuteltjes. Die ik straks geen van allen kan vinden.

woensdag 18 december 2019

Komt tijd






En wat doe jij? Nog altijd een populaire gespreksopener op feesten en partijen en ander sociaal ongemak waarbij je mensen ontmoet die je nog niet kende. En die jou nog niet kennen. Ik heb me altijd een beetje ongemakkelijk gevoeld bij die vraag. Wat doe jij voor werk, wordt daar dan namelijk mee bedoeld. Tja. En het gewenste antwoord, zeker bij mannen onder elkaar, is meestal een vrij uitgebreide samenvatting van een succesvolle, opwaartse en goedbetaalde carrière van drukke banen en bloeiende ondernemingen, tachtig-urige werkweken met uitlopers naar leaseauto’s, droomhuizen en slimme hypotheken. De keren dat ik er in het verleden dan met enige trots uitflapte dat ik fulltime huisman was, en de hele week voor de kinderen zorgde, in de veronderstelling dat dat ook een bijdrage aan het gesprek was, bleef die mededeling een tijdje in een met ongemakkelijke stilte gevulde lucht hangen, werd er minzaam geglimlacht, wilde iemand nog wel eens opmerken dat hem dat ook wel wat leek, de hele dag thuis lekker ontspannen niks doen, waarna het onderwerp uitputtend behandeld werd geacht en er op voetbal kon overgeschakeld. Zo kwam ik van lieverlee steeds vaker en met meer plezier in de dameshoek terecht, waar mijn verhalen wel in vruchtbare bodem vielen. Dat was een mooie tijd. Maar inmiddels zijn mijn jongens al heel lang niet klein meer en moet ik mij in voorkomende gevallen zowel bij de dames als bij de heren dus weer zien te redden met een aarzelend bijeen gestamelde bouwval van artistiekerige projekten, huiselijke verplichtingen en ander onbetaald ongeregeld. Een anti-carrière, feitelijk. Zelf ben ik er nog steeds niet ontevreden mee, integendeel, maar het ongemak bij de vraag lijkt ingesleten en zo volautomatisch op te starten dat het langzamerhand is gaan wennen. Toch lijkt aan het probleem nu een eind te gaan komen. Al twee keer werd mij de afgelopen weken de vraag gesteld: werk jij nog?

zaterdag 9 november 2019

Territoriumdrift






Bij een vaste ochtendwandeling heb je dikke kans op vaste ontmoetingen. Iemand die dezelfde wandeling loopt bijvoorbeeld, zoals de meneer met de kleurige sportschoenen en de grote koptelefoon, die altijd met een brede lach en enig volume hallooo! roept wanneer ik hem tegenkom. Iemand die langs de route woont, zoals het oudere echtpaar dat wel eens net in de tuin staat te grutten als ik langskom en mij dan licht argwanend teruggroet. Of de boer die mij regelmatig ziet fotograferen en zich meer dan licht argwanend af komt vragen wat dat moet, wat dat te betekenen heeft. Dan zijn er de schapen die er steevast staan, in hun weiland. De eenden, de ganzen, de smienten, de witte reiger. De kiekendief die zich in het seizoen nog wel eens even laat zien. Allemaal leuke ontmoetingen, al zijn ze nog zo vluchtig en nog zo af en toe.
En er is de ontmoeting die zich bijna iedere keer voordoet, en dat is de ontmoeting met de hond. Een grote, zwarte hond. Een waakhond. Steeds wanneer ik een zekere bocht om ga vraag ik mij af of hij er weer zal zijn. Negen van de tien keer is dat het geval. Negen van de tien keer stuift het beest luid blaffend en grommend op mij af en wordt maar nauwelijks tegengehouden door zo’n gezellig, wiebelig kastanjehouten tuinhekje van de praxis. Blaffend en grommend en tegen het hek opspringend loopt hij met me mee naar de andere kant van de tuin waar hij achter het hekje net zo lang blijft staan schelden en tieren tot ik uit beeld ben verdwenen.
Wat is dat, vraag ik mij af. Waarom? Waarom moet ik als man van goede wil bij een doodnormale, onschuldige wandeling op de openbare weg worden geïntimideerd door een valse hond? Waarom moet ik er maar op vertrouwen dat dat beest niet dwars door of over dat lullige hekje heen naar mijn strot springt? Wat heb je te verbergen met zo’n hond in de tuin, dat ook.
De hond verdedigt zijn territorium hoor ik u zeggen, daarvoor is het een waakhond. Ja.. goed verhaal natuurlijk, maar liep ik niet op de openbare weg? En als ík bij iedere langslopende voetganger roodaangelopen en schuimbekkend mijn tuinpad af zou rennen, tegen mijn hekje zou trappen, schreeuwend van klootzak klootzak teringlijer, keukenmes in de aanslag, om mijn onbedreigd territorium te verdedigen, dan zou de stem des volks het geloof ik wel op prijs stellen dat ik zo snel mogelijk als verward persoon veilig werd opgeborgen, voor de rest van mijn leven. En terecht hoor, houd me ten goede.. zulke dingen doe je niet. Maar als je het door je hond laat doen, dan is het wel okay, blijkbaar. Dan behoort het kennelijk tot het algemeen beschaafd Hollandsch fatsoen.
Niet dat ik me er door van mijn wandeling laat weerhouden, niet dat ik mijn route aanpas, nee zeg.. wij zwichten niet voor terreur tenslotte. En het is de openbare weg, zeg ik nog maar eens. Dus zet ik mij iedere keer dapper schrap, bij de bewuste bocht. En als het monster dan weer grauwend met ontblote tanden tegen het hek aanvliegt begroet ik hem met een welgemeend driewerf: je bent een vuile gore kuthond! En voor zijn baasje steek ik er mijn middelvinger bij in de lucht. Iedere keer weer.
En zo begint het zelfs al te wennen. Ik vertrouw er inmiddels dan maar op dat het beest achter zijn hekje blijft en de laatste keer leek het er zelfs op dat ook bij de hond een zekere herkenning begint te spelen want toen ik hem mijn gebruikelijke begroeting had toegesist liet hij het er verder maar zo’n beetje half bij zitten.

maandag 4 november 2019

24000






Een tijd geleden alweer werd ik getroffen door een computercrash. Nou, echt een crash was het misschien niet, maar het resultaat was wel hetzelfde. Na de zoveelste verplichte en onvermijdelijke update van microsoft liep mijn laptop vast in een windowsblauwe loop van nog nooit vertoonde venstertjes die, wat ik ook aanklikte, dus telkens opnieuw naar elkaar verwezen, want het was een loop.
Onze taal wordt er ook niet fraaier van trouwens, van al die digitalisering, maar dit terzijde.
Verblind van woede en paniek heb ik toen een reeks beslissingen genomen die ik hier niet kan noch wil reconstrueren maar die er toe leidde dat ik met een geheel leeggehaalde laptop achterbleef. En het bijbehorend stinkend moeras van kokende agressie. Of.. nou, zeg maar gerust ongerichte, nietsontziende moordzucht. Verstikkende bloeddorst. Nee, leuk was het niet. Enfin, u kent het gevoel.
En niets gebackupt uiteraard dus minstens drie jaar aan teksten, liedjes en documenten maar vooral foto’s waren in het niets verdwenen. Kinderfoto’s, familiefoto’s, vakantiefoto’s, wandelfoto’s. Drie jaar.. uitgewist, alsof ze nooit waren geleefd. Nooit zouden de voorgenomen fotoalbums en –boeken van die jaren worden gemaakt.
Tot mijn geluk is mijn dochter ooit thuisgekomen met een schoonzoon die over de bovenmenselijke gave beschikt dit soort problemen met een rustige glimlach op te lossen. Vraag me niet hoe het kan, maar een week later had hij alle zoekgeraakte bestanden teruggehaald, uit de krochten en uithoeken van het parallel universum. Die staan dus nu weer op mijn laptop. Ongesorteerd weliswaar, maar toch, terug op het honk. En inmiddels ook veilig gebackupt.
Het zijn er 24.000. Geen titels, geen data, geen volgorde, geen mapjes, geen systeem. Ik struin er regelmatig een beetje doorheen, op zoek naar een werkwijze, een aanpak, het begin van een idee.. maar 24.000 is echt heel veel. Héél véél. Ontmoedigend veel, want inmiddels word ik al struinend bekropen door de gedachte dat die voorgenomen fotoalbums natuurlijk sowieso al nooit gemaakt zouden gaan worden, het laatst gerealiseerde album dateert niet voor niets van naar schatting ruim twaalf jaar terug. En dat bovenop die wankele stapel voorgenomen fotoalbums en -boeken nu dus ook nog eens een digitale berg van 24.000 ongesorteerde foto’s is uitgestort. En de natuurlijk buitengewoon ondankbare vraag of ik daar nou wel beter mee af ben.

woensdag 23 oktober 2019

Met mijn poten in de modder






In een zo langzamerhand onafgebroken lijkende reeks van volgeregende en natgeplensde dagen stond de hemel er vanochtend opeens even strakblauw bij, een mooie gelegenheid er weer eens op uit te trekken voor mijn regelmatig bedoelde ochtendwandeling. En dat kwam mooi uit want ik kon wel een frisse neus en een verzetje gebruiken. En een leeg hoofd, want man man man, daar hoopte de kommer en de kwel en het oud zeer zich ook maar weer huizenhoog op. Bovendien had ik veel teveel tijd in de krant en op internet doorgebracht, waar het klimaat er de afgelopen dagen ook niet beter op was geworden. Er werd wat af gepolariseerd. De één sloeg de ander nog parmantiger met zijn haastig bij elkaar gesprokkelde wereldbeeld om de oren dan de ander een volgende. En iedereen wist de absolute waarheid wel op één of andere manier voor het eigen karretje te spannen. Strontchagrijnig was ik er van geworden. Al dat ijdele gekift had een niet ter zake doende negatieve uitwerking op mijn toch al wankele humeur. Hoog tijd voor wat tegenwicht, dus daar ging ik, op pad. Neus in de wind, wind in de haren, zon op de bol.
Om mijzelf te motiveren ook inderdaad regelmatig de deur uit te gaan, zoals de gezonde bedoeling is, heb ik van die ochtendwandelingen dan meteen een soort fotoprojekt gemaakt. Ik loop telkens hetzelfde rondje, maak onderweg steeds foto’s van onvermijdelijk zo ongeveer dezelfde plekken, door de seizoenen heen, en hoop aldus na verloop van tijd een aardige reeks te hebben die een divers beeld oplevert van dit kleine stukje omgeving. Ach, ik ga er verder niet ingewikkeld of kunstzinnig over doen, ik vind het leuk en we zien wel wat het wordt. Het krijgt me in elk geval in beweging en daar was het om begonnen.
Zo kom ik halverwege de wandeling bijvoorbeeld steeds langs een vriendelijk ogende boerderij die eigenlijk iedere keer mijn aandacht wel trekt en die ik al vanuit vele hoeken met allerlei licht- en weersomstandigheden heb gefotografeerd. Gelegen aan een wat bochtende weg met dito sloot, een beetje verscholen tussen hoge bomen staat hij daar zeer authentiek en rustiek te zijn.
Ook vandaag maakte ik er wat portretten van. De weg lag bezaaid met platgereden modderkluiten, hier werd gewerkt. In de berm stond een tractor geparkeerd met een bekooide aanhanger vol vers geoogste witte kolen. Verderop reed een tweede tractor heen en weer. In de bomen was de herfst voorzichtig vast wat begonnen
Juist toen ik de tractor met kolen wilde passeren, wilde ook de tweede tractor daarlangs. Voor de zekerheid stapte ik opzij de modderige berm in, het was een brede tractor op een smalle weg. Maar in plaats van door te rijden, zoals ik had verwacht, hield de tractor stil, pal naast mij. Het bevreemdde mij een beetje eerlijk gezegd. Waarom precies hier, vroeg ik mij af, maar goed, hij moest hier zeker zijn.
Toen ik mijn wandeling dan maar met een groetend gebaar wilde vervolgen sprong de berijder huts van zijn tractor en hield mij staande. Het was de derde dag van de boerenopstand, het tweede beleg van Den Haag was op hetzelfde moment in volle gang.. ik was het gespin, het gescheld, het gestook en de stemmingmakerij nou juist ontvlucht, met mijn kop in de wind, en nu stond ik hier verdorie oog in oog met een boer die mij zo’n beetje had klemgereden met zijn tractor. Trekker, moet je geloof ik zeggen, anders ben je meteen al een elitaire linkse randstedeling. Het was een echte boer, met een blauwe, zeer verwassen overall maar niet op klompen. Hij stak een kop boven mij uit en was een paar dagen geleden in kennelijke haast geschoren.
Misschien wil hij de weg naar Den Haag vragen, bedacht ik grappig, maar ik liet het wel uit mijn hoofd dat ook hardop te zeggen want vriendelijk keek hij niet.
Waarom liep ik hem te filmen?, werd mij dan zonder te groeten, op barse toon gevraagd.
Vorige week liep ik hem ook al te filmen, had hij mij heus wel gezien, en nu dus weer. Waar dat voor was, wilde hij nu wel eens weten.
De handen gingen in de zakken, de voeten wat uit elkaar. Hier stond een boer die niet meer met zich liet sollen, zoveel was duidelijk. Een nieuw, assertief elan was over hem neergedaald.
Er schoten mij een aantal bijdehante antwoorden door het hoofd die ook bepaald assertief waren en waar de actualiteit ook toepasselijk doorheen schemerde maar ik besloot toch liever de-escalerend te werk te gaan. Dat paste beter bij mij. Ik vertelde dus van mijn ochtendwandelingen en het kunstzinnig fotoprojekt dat ik daar bij verzonnen had. Weidde kort uit over een portret van het landschap en de omgeving, het licht en de seizoenen. Alles met mijn charmantste glimlach.
Waarna de boer ook niet meer wist wat hij nog moest zeggen, wat hij zo te zien jammer vond. Met toch nog een groet beklom hij zijn tractor en reed achteruit terug naar waar hij vandaan kwam.
En ik maakte mijn wandeling af. Kwam thuis met een frisse neus, maar zonder leeg hoofd. Want ja.. Ik kon de actualiteit natuurlijk proberen te ontvluchten, het platteland was daar deze dagen misschien niet de beste plek voor.

maandag 21 oktober 2019

The one with the scam






Met een aantal vrienden, hoe anders, bezochten we de film Friends, the one with the anniversary. Het was 25 jaar geleden dat deze serie voor het eerst op televisie was en dat werd nu gevierd met een tweehonderd minuten durende Friends-marathon op groot doek met, volgens de aankondiging, iconische afleveringen, geremastered en wel, exclusieve interviews en nog nooit vertoonde beelden. Dat leek ons leuk want ook bij ons thuis was en is deze serie mateloos populair. Toen de jongens nog wat jonger waren zaten we regelmatig een avondje met zijn vieren op de bank, haartjes nat nog even op, om een aflevering of twee te kijken. Later, toen ze groter waren en ze de grote mensen humor er ook uit haalden, werden de seizoenen er nogmaals doorheen gejaagd en nog steeds wordt het wel eens aangeklikt op Netflix. Een aantal uitdrukkingen en gebaren zijn blijvend in ons huiselijk communicatieverkeer opgenomen. Alleen om die reden was het dus al leuk om nog eens zo’n avondje te doen, maar dan in bioscoopstoelen. Met exclusieve interviews, bloopers en nog nooit vertoonde beelden. Extra leuk. Dat beloofde wat!
Nou, voor wie twitter een beetje bijhoudt zal het niet als een verrassing komen dat dit uitliep op een teleurstelling. Een deceptie. Een fiasco. Tjongejongejonge, wat een schandalige vertoning was dat. Wat een armoedige geldklopperij. Twee nogal irritante en supersnel gemonteerde maar gelukkig wel korte trailertjes - waarin we de vrienden inderdaad wat korte quotes in microfoons zagen debiteren, wat kleedkamerhumor zagen uitwisselen en zich misschien een keer zagen verspreken - bleken achteraf de exclusieve interviews, de bloopers en de nog nooit vertoonde beelden te zijn geweest. De overige 195 minuten werden liefdeloos volgeplempt met acht (negen? tien? maakt het nog uit?) volkomen willekeurig uit de kast gevallen afleveringen, zonder verdere toelichtingen, aanvullingen of duidingen, met in het midden een pauze om de horeca-inkomsten binnen te harken. En wat er dan al aan geremastered was, het geluid in elk geval niet, dat was gewoon een 25 jaar oude televisie die heel hard stond.
En zo zaten we dus voor de somma van vijftig euro naar precies dezelfde oude afleveringen van Friends te kijken die we thuis ook gratis op Netflix hebben staan. Die we thuis ook gratis in de complete dvd-box hebben zitten. Sterker nog, in de complete dvd-box zit ook nog een heel aardige documentaire over Friends, met opnames op de set en achter de schermen, niet gebruikte scenes, bloopers en interviews met makers, redacteurs, spelers en zelfs publiek. Kijk.. dat was nog eens een idee geweest.
Nee, dames en heren, met zulke friends heb je geen enemies meer nodig. Va fa Napoli!

vrijdag 18 oktober 2019

Met de juiste aanpak






Het klinkt misschien gek, voor iemand die in een klushuis woont, maar ik heb een hekel aan klusjes. Een pesthekel, eigenlijk. Tja. Al klinkt het misschien niet eens zó gek als je bedenkt dat je in een klushuis dus altijd en overal wel klusjes hebt liggen. Waar je halverwege in bent blijven steken, die je hoognodig eens moet afmaken. Of waaraan je hoognodig eens moet beginnen. Die je al een tijdje in de lucht hebt hangen. Daar kun je ook wel eens genoeg van krijgen. Zeker wanneer je al het grotere deel van je leven in een klushuis woont.
Hoewel het dan ook weer zo kan zijn natuurlijk, dat je het grotere deel van je leven in een klushuis woont juist omdat je een hekel aan klusjes hebt, ze daarom maar zoveel mogelijk voor je uit blijft schuiven en maar liever net doet of je ze niet ziet hangen, in de lucht, waardoor je er nooit aan begint, waardoor ze nooit afkomen en je dus altijd wel klusjes hebt liggen. Ikzelf heb er geen zin in maar ik weet zeker dat mijn vrouw daar een heel accuraat zo niet uitputtend lijstje van voorbeelden bij zou kunnen opstellen.
Nu lekte de wasmachine dan bijvoorbeeld weer. Het was verdorie een machine van nog geen jaar oud maar al een tijdje lag er na iedere wasbeurt een langgerekte plas water op de grond en was het beuntje waar de wasmachine op staat flink nat. Al een tijdje moest ik daar eens wat aan doen. Iets anders dan de reeds uitgeprobeerde halfhartige blik achter het apparaat en het vruchteloze aandraaien van de watertoevoer. Waar de waterafvoer vastzat, dat wist ik niet eens. Het zou er echt al een tijdje binnenkort eens van moeten komen dat de wasmachine van zijn plek werd getild, aan een grondige inspectie onderworpen, desnoods met inroepen van meer deskundige hulptroepen en gebruikmaking van loodgietersgereedschap, mijn minst favoriete gereedschap, na de glassnijder. Vooralsnog was het er niet van gekomen. Braaf dweilde ik na elke wasbeurt de langgerekte plas water op, controleerde het beuntje af en toe op doorzakken en nam mij regelmatig voor er binnenkort eens iets aan te doen.
Tot ik mij onlangs realiseerde dat de plas water, na ongemerkt steeds iets minder langgerekt te zijn geworden inmiddels helemaal was weggebleven. Dat het beuntje wel geheel leek te zijn opgedroogd. Terwijl ik zeker niet minder ben gaan wassen. Het leek verdomd alsof dit probleem zich zelf had opgelost. Dit klusje had zich, zonder tussenkomst van hulptroepen, loodgietersgereedschap of glassnijders, zelf geklaard. Zonder enige actie van mijn kant, behalve lusteloos uitstellen en afwachten.
Nu ik weet dat dat dus ook kan, heb ik besloten voortaan al mijn klussen en klusjes op deze wijze aan te pakken. Voelt goed, zoveel daadkracht.

maandag 14 oktober 2019

Wie, wie, wie?






Om even uit te rusten, iets te eten en van het zonnetje te genieten streek ik neer op de eerste de beste picknicktafel die ik tegenkwam, zo halverwege mijn wandeling. Ik zag hem al van verre staan. Het was zo’n typische, robuuste picknicktafel van balken en bouten en moeren, met bankjes aan weerszijden waar je eerst ongemakkelijk overheen moet klimmen om er op aan tafel te kunnen zitten, en waar je met minimaal drie echtparen aan terecht kunt, met je thermosflessen en je tupperware broodtrommeltjes. Ze staan door het hele land, in bossen en duinen, op heide en parkeerplaatsen langs de snelweg. En hier stond er ook één, in de polder, speciaal voor mij.
Het tafelblad was niet standaard trouwens. Normaal zijn dat zeven of acht brede balken met steeds een centimeter tussenruimte, waar je je opgefrommelde boterhamzakjes en snoepwikkels handig zolang even tussen kunt stoppen, om te voorkomen dat ze wegwaaien; bij deze picknicktafel was het blad uit één stuk en had het een tweede functie als kleurig informatiebord. Met ditjes en datjes over de omgeving en getekende plaatjes van de verschillende weidevogels die hier met meer geluk te zien kunnen zijn.
Met brede viltstiften en een mespunt hier en daar was er in de loop der tijd nog het nodige aan deze lezenswaardigheden toegevoegd, we leven in een beschaafd land tenslotte, het vrije woord, u begrijpt. De meeste van deze uitingen kan ik hier met een gerust hart onbesproken laten maar één regel trok toch mijn aandacht. Op de hoek van de tafel stond in een goed leesbaar handschrift geschreven: Wie heeft er suiker in de erwtensoep gedaan?
Voor wie het niet weet: dat is de titel van een nogal flauw en wat rommelig lied dat werd geschreven door Jacques van Tol en in 1937 voor het eerst op de plaat werd gezet door Lou Bandy, die ook de muziek schreef. Boze tongen beweren dat Ringo Starr zijn oor hier later nog te luisteren heeft gelegd bij het componeren van Yellow Submarine. Maar goed, er zijn ook mensen die beweren dat de aarde plat is. Yellow Submarine werd in 1966 dan trouwens weer van een Nederlandse tekst voorzien door Wim Kan, Jelle zal wel zien werd dat, waarna onder andere Johnny Hoes er in 1967 een hit mee scoorde. Dus mocht het waar zijn, van Ringo, dan is er wel erg zoete wraak genomen.
Jacques van Tol dus, die in de oorlog voor de Duitsers heeft gewerkt en daarna, op z’n Hollandsch, alleen nog onder valse naam als populair tekstschrijver werd gedoogd. Vader bovendien van Hans van Tol Tol Hansse, in 1977 bekend geworden met het lied Big City. Een appel die qua schrijfstijl dus in elk geval niet heel ver van de boom is gevallen, en ook alweer jaren dood.
Lou Bandy was in de dertiger en veertiger jaren van de vorige eeuw een buitengewoon populair revue-artiest, werkte in zijn nadagen nog mee aan het radioprogramma De Bonte Dinsdagavondtrein en vierde successen met onder meer Louise zit niet op je nagels te bijten en Zoek de zon op, liedjes die waarschijnlijk alleen bij het alleroubolligste programma van Omroep Max nog ergens een vaag belletje doen rinkelen.
Ik bedoel maar.. wat is hier gebeurd? Wat moeten we hier van denken? Is hier een krasse negentigjarige op pad gegaan, met een viltstift, opgejut in een programma van Omroep Max wellicht, om de jeugd van tegenwoordig nog eens wat echte, Hollandsche cultuur bij te brengen? Met een écht liedje, in plaats van al dat onverstaanbare rare praten? Of heeft de Jeugd van Tegenwoordig deze vooroorlogsche klassieker soms gecovered, in een nieuw jasje gestoken, in een programma van Ali B? En is het, zonder dat ik er weet van heb, inmiddels opnieuw razend populair.. Het kan allebei, het zijn verwarrende tijden tenslotte, maar dat laatste hoop ik eigenlijk het meest van niet.