vrijdag 28 september 2018

Oh oh






Er wordt mij wel gevraagd of ik de grote stad niet mis. Den Haag, wordt dan bedoeld, mijn geboortestad. Ik heb er vijfenveertig jaar gewoond en ben er nu ruim twaalf jaar weg. Ruim twaalf jaar woon ik al in iets kleiners op het platteland, in de provincie, maar nog altijd is het blijkbaar te horen, of anderszins te merken, dat ik niet van hier ben. Wat ik overigens helemaal niet erg vind. Ik ben immers ook niet van hier, laten we wel wezen. Al woon ik er met veel genoegen en plezier en gaan er weken voorbij dat het mij niet zo bezig houdt, de aloude vraag: Wat voor weer zou het zijn in Den Haag..
Neueu, is dan ook meestal mijn antwoord, neueu, dat valt wel mee, hoe erg of ik de stad mis. En dat klopt dan ook wel, denk ik dan, want ik weet nog heel goed waarom ik er weg ben gegaan. Een handvol goede redenen die ook vandaag nog volop gelden. Waarvan ik ook vandaag nog duidelijk zie dat het goed was. Neueu, ik zit hier wel op mijn plek.
Maar toch.
Ik kom nog regelmatig in Den Haag en hoewel het door de jaren behoorlijk is veranderd, is er geen andere stad, valt mij telkens weer op, waar ik mij zo vanzelfsprekend thuis voel. Waar ik zo de weg ken. Met op elke straathoek een herinnering. Geen andere stad die zo aan mij trekt.
Laatst was ik er weer en sprak ik een vage, aangetrouwde bekende die ik jaren zonder spijt niet gezien had maar die er wel een ongegeneerd Haagse tongval op na hield, met de bijbehorende jovialiteit en dito humor, en kreeg ik louter daardoor het gevoel met een goede vriend te staan praten. Ik herkende een soort van soortgenoot.
Erger nog werd het van de week toen ik, moe van altijd maar even duistere als oneindige Netflix series bingen, mij eens boog over het aanbod van Uitzending Gemist en daar al snel uitkwam bij het Uur Van De Wolf, één van de weinige programma’s waar je nog naar kunt kijken zonder je voor je land te schamen. Waar ik feilloos in één oogopslag een aflevering aanklikte met Harrie Jekkers in de hoofdrol. Van wie ik niet eens per se een heel groot liefhebber ben maar waarvan ik wel altijd denk: aahdege gauzâh. Ook nu weer. En toen aan het eind van het Uur het onvermijdelijke Oh Oh Den Haag klonk, verdomd als het niet waar is, werd ik overvallen door een warm en vloeibaar gevoel in de borst. Werd het mij ongelogen een beetje wazig voor de ogen. En ik begreep maar weer eens: je kunt best ergens anders gaan wonen.. als je d’r geboren bent, blijf je altijd Hagenees.

maandag 24 september 2018

Non fictie







Omdat ik nog een boekenbon in mijn tas heb, loop ik binnen bij de boekwinkel. Ik loop wel eens vaker binnen bij de boekwinkel trouwens, omdat het een fijne plek is om te zijn. Je dwaalt wat rond, pakt her en der een boek op en bladert wat, leest een stukje hier of daar en loopt met een tevreden, onthaast gevoel weer naar buiten in de veilige wetenschap dat er altijd genoeg moois te lezen zal zijn. En vandaag heb ik dus ook nog een boekenbon te besteden, wat het nog leuker maakt omdat ik nu met een gerust hart iets moois kan kopen, eventueel.
Benieuwd ben ik bijvoorbeeld naar Ze Gaan Er Met Je Neus Vandoor, een nieuw en experimenteel boek van schrijver, dichter en kunstenaar Ted van Lieshout. Ik zag er al wat van op internet, ik las jubelende recensies, het lijkt me leuk het nu in elk geval eens vast te houden en te bekijken. Ik speur dus de kinderafdeling af, tussen de stapels dagboeken van losers en mutsen, maar wat ik zoek is niet te vinden. Nou goed, vanwege het experimentele en daardoor natuurlijk meteen ook maar elitaire karakter kan ik dat dan misschien nog begrijpen, een heel klein beetje, maar jammer vind ik het wel.
Het volgende boek dat mijn belangstelling heeft, Het Litteken Van De Dood, de biografie van Jan Wolkers door Onno Blom, is echter onlangs nog bekroond met de tweejaarlijkse Nederlandse biografieprijs, dus daarvan verwacht ik in elk geval dat het breeduit ligt uitgestald, op een ereplek. In hoge stapels misschien zelfs wel. Maar waar ik ook zoek, ook dit boek is nergens te vinden. De verkoopster die ik er naar vraag, in de veronderstelling dat het misschien al is uitverkocht, heeft geen idee waar ik het over heb, hoe vreemd ik dat ook vind.
Wel zie ik tijdens mijn zoektocht door de boekwinkel op minstens drie plekken een dik grijs boek te koop aangeboden, in stapeltjes van twee of drie. Mijn Strijd, heet het, van A. Hitler. Daarvan wordt blijkbaar wel verwacht dat het best eens goed verkocht kon gaan worden. Sterker nog, het ligt al op plek zeven van de top tien non fictie. En non fictie is het, dames en heren.
Vandaag verlaat ik de boekwinkel met een heel ander gevoel dan anders.

zaterdag 15 september 2018

Een ongeschilderd schilderij






Omdat ik toch in Den Haag ben, voor andere zaken, besluit ik de middag die ik daarvan overhoud cultureel te besteden en zet ad hoc koers naar het fotomuseum, in de verwachting dat daar altijd wel iets te zien is dat de moeite loont. Die verwachting wordt bij binnenkomst meteen gesmoord door de dame die mijn museumjaarkaart scant: er wordt een nieuwe tentoonstelling ingericht en het fotomuseum is vandaag gesloten. Ik ben dus te vroeg, of te laat.
Het Gem is wél geopend, biedt de dame mij bijna verontschuldigend als troost, blijkbaar al in de veronderstelling dat ik daar niet voor kwam. Een veronderstelling die dus juist is, maar ach, waarom niet, denk ik, de kaart is nu toch al gescand, laat ik mij dan maar eens onderdompelen in de actuele kunst, want dat is wat het Gem te bieden heeft, actuele kunst. Vandaag met een expositie getiteld: Geluidsgolven. Met werk van ene Dick Raaijmakers en ‘een nieuwe generatie kunstenaars die beeld en geluid op een verrassende manier laten samensmelten’, aldus de introductie. Dick Raaijmakers ken ik niet en verder kan het ook alle kanten op, dus ik ben benieuwd, en klaar me te laten verrassen.
Goed, laat ik maar meteen bekennen dat ik er niet van ondersteboven ben geraakt. Ik ben heus geïnteresseerd in kunst en zeer bereid ergens wat langer naar te kijken en iets wat beter op me in te laten werken, maar hier kan ik niet zoveel mee.
Okay, in zaal één staat een soort robotje dat als je goed oplet een mysterieus geluid langs wanden en plafond laat suizen en dat met zijn rechthoekige, ronddraaiende koppie een zekere vertedering oproept, gelijk Pixars Wall-E, al zal dat ongetwijfeld de bedoeling niet zijn, en dat is best leuk. Geinig. Ja..
En in de middelste zaal staat een apparaat dat twee vrij grote megafoons in het rond laat zwiepen, steeds sneller en sneller, waardoor het islamitisch aandoend gezang dat eruit komt vreemd wordt vervormd. Dat is ook best leuk. Als ding. Maar in deze verduisterde zaal lijkt het deel uit te maken van iets groters. Aan twee kanten worden wandgroot verminkte en schokkerige filmbeelden geprojecteerd van wat etnische taferelen zouden kunnen zijn geweest; er ligt een gitaarversterker scheef op z’n zij op de grond, waar een soort beat uitkomt; er staan een paar niet nader toegelichte etnisch aandoende houten beelden; een basedrum met een lichtorgel erin; er hangen lelijke tekeningen in fluorkleuren aan de wanden, die in het gekleurde flitslicht telkens iets anders oplichten en lijken te bewegen; en er hangen her en der uit grof zwart afvalmateriaal vervaardigde serpentines en vlaggetjes van het plafond. Het wordt mij niet duidelijk of ik inderdaad te maken heb met één totaalkunstwerk, maar ik krijg wel heel erg het gevoel dat hier iets bedoeld wordt. Dat het in elk geval de bedoeling is dat ik dat gevoel krijg. Ik kom er alleen niet achter wat het zou kunnen zijn en ik kan de gedachte niet onderdrukken dat dát dan wel eens de bedoeling zou kunnen zijn. Maar, erger nog, het interesseert me eigenlijk niet. Het stoort me alleen maar, dit soort pretentieuze lelijkheid. Jammer van het ding met de megafoons. In zijn eentje was dat een sterk beeld geweest. Desnoods zelfs een werk dat beeld en geluid laat samensmelten. Op een verrassende manier, vooruit.
In de derde zaal tenslotte wordt mijn middag gelukkig gered. Niet door het werk dat er getoond wordt want dat heeft niet veel om het lijf. Dat behelst niet meer dan vier enorme speakers waar een rabbig plaatje aluminium voorhangt, aan een tamelijk lullig ijzerdraadje, waarvan ik later op internet uitvind dat het inderdaad de bedoeling was geweest dat die plaatjes door het geluid uit de speakers in beweging zouden zijn gekomen. Ik had het al gedacht en ik heb er een tijdje op staan wachten, maar blijkbaar was de installatie defect. Of mijn geduld te beperkt.
Nee, mijn middag wordt gered door het beeld van de suppoost die in deze zaal zijn toevlucht heeft gezocht voor het abstract kabaal dat uit de middelste zaal klinkt, in een permanent aanzwellende en wegstervende herhaling waarschijnlijk. Geslagen loopt hij de zaal op en neer, starend naar zijn piepende schoenen. Iedere stap is wéér een seconde voorbij. Moedeloos verlangend stelt hij zich op voor de glazen wand waarachter het dagelijks leven voorbijtrekt en zich er niets van aantrekt dat hij hier staat. Alleen ik zie hem. In een ongeschilderd schilderij van Edward Hopper.

Mocht u het niettemin met eigen ogen willen zien, de tentoonstelling Geluidsgolven loopt nog tot 14 oktober, in het Gem in Den Haag.

woensdag 12 september 2018

Lomp







Op perron één sta ik op de trein van tien voor drie te wachten. Ik moet verderop zijn, voor het één of ander. Op hetzelfde perron is een glazen wachthuisje nogal uitgebreid en onderuitgezakt in beslag genomen door drie morsige, rood aangelopen mannen die luidruchtig maar moeilijk verstaanbaar tegen elkaar of in zichzelf zitten te oreren. Ze hebben alle drie een halve liter blik goedkoop bier onder handen en in de zakken van hun vettige jassen zit alvast het volgende. Om hen heen liggen de dichtgeknepen en leeggedronken voorgangers op de grond verspreid. Het wachthuisje mist een paar ruiten maar er liggen geen hopen glassplinters omheen dus daar zullen de mannen niets mee te maken hebben, al draagt het wel bij aan de sfeer.
De mannen roepen wat naar de overkant, waar op perron twee een getinte medelander loopt. Eén van de mannen staat er zelfs voor op, loopt er zelfs voor naar de rand van het perron, om iets naar de getinte medelander te roepen. Het is niet te verstaan, gelukkig waarschijnlijk, maar je kunt wel goed horen dat de roepende man weinig tot geen tanden meer in zijn mond heeft. Hij maakt nog een wegwerpgebaar dat ook van alles kan betekenen en voegt zich dan weer bij de rest. De getinte medelander glimlacht maar wat en loopt verder. Tja, wat moet je anders.
Ondertussen hoop ik een beetje dat deze mannen niet ook met de trein willen reizen, niet met de mijne in elk geval, maar voor de zekerheid besluit ik zo ver mogelijk door te lopen op het perron, zodat er, mocht dat toch het geval zijn, op zijn minst een paar coupés tussen zullen zitten. Ik ga bij die strategie uit van de veronderstelling dat de mannen te beroerd zullen zijn om meer stappen te zetten dan strikt noodzakelijk zijn om de trein in te komen en op de dichtstbijzijnde stoel neer te ploffen. Ik hoef er, volgens deze gedachtegang, alleen maar voor te zorgen dat mijn stoel zo ver mogelijk van de dichtstbijzijnde is.
En zo blijkt maar weer dat je je lelijk in de mensen kunt vergissen want we zijn het station amper uit of de deur van mijn veilig gewaande coupé wordt opengeduwd en twee van de morsige mannen stommelen naar binnen, de derde kwam ze blijkbaar alleen maar uitzwaaien. En hoewel de coupé zo goed als verlaten is, besluit één van de mannen zich in de bank naast mij te laten vallen, waarop de ander kiest voor de plaats schuin tegenover mij, zodat ze in de rechthoek van vier tweepersoonsbanken zo ver mogelijk van elkaar af zitten. Met mij er tussen. In een wolk van kwalijke dampen.
Op onverminderd luide toon hervatten de mannen hun vochtige, wankele conversatie die gaat over de verschillende gevangenissen, wederzijdse kennissen en het feit dat hun laatste biertje eerder op is dan voorzien.
Eén van de mannen heeft tattoos in zijn nek, zie ik nu.
Ik voel mij wat ongemakkelijk bij zoveel boerse lompheid. Ik erger me eraan. Ik erger me aan de inbreuk op mijn rust, aan het schijt hebben aan mijn aanwezigheid. Ik erger mij ook aan mijn kleinburgerlijk vermoeden dat deze mannen hoogstwaarschijnlijk niet zijn ingecheckt, omdat ze zelf natuurlijk net zo goed weten als ik dat ik als keurig betalende beste reiziger niet op een conducteur hoef te rekenen in een situatie als deze. Maar het meest erger ik me nog aan het feit dat ik blijf zitten. En aan het donkerbruin vermoeden dat ik dat doe omdat het onbeleefd zou kunnen overkomen dat niet te doen.

vrijdag 7 september 2018

Noppers







Met mijn kleindochter van twee dwaal ik door de supermarkt, voor een boodschapje, of een paar boodschapjes. De kleine meid drentelt zorgeloos voor me uit, en minstens even opgewekt drentel ik achter haar aan, mij welbewust van het feit dat ik vreselijk loop te glimmen van niet ter zake doende trots. Van andere mensen heb ik dat altijd hinderlijk overdreven gevonden, dat hemelse in het rond glimlachen van kijk mij eens met mijn kind - stel je niet zo aan, dacht ik dan, kinderen krijgen kan iedereen, niks bijzonders - maar vanaf dat ik vader ben, heb ik voor mezelf een uitzondering bedongen, bij mijn strengere zelf. En ook als opa heb ik mijzelf de vrije hand gegeven.
Het is voor mij een vreemde supermarkt maar de kleine meid lijkt de weg wel aardig te kennen want na enige omzwervingen houden we stil bij de schappen met koek en snoep. Trefzeker pakt ze een zak Noppers, die strategisch op haar hoogte ligt uitgestald. Triomfantelijk kijkt ze mij aan, alsof ze weet dat ik die vroeger altijd voor mijn jongens kocht en dat ik alleen om nostalgische redenen al niet zal kunnen weigeren. Maar ik weet niet zeker of mijn dochter, haar moeder, zo’n uitspatting wel goed zal keuren en omdat ik even tevoren ook al op een grootvaderlijk ijsje heb getrakteerd, kies ik nu voor het saaie: Nee joh, dat hebben we niet nodig, leg dat maar weer terug.
Nou is de kleine niet voor niets onlangs twee geworden, dus zij antwoordt met een geheel bij die leeftijd passend gedecideerd nee. Drukt de zak met lekkers nog eens extra stevig tegen zich aan. En ach, wil ik al bijna overstag gaan, wanneer ik al in het rond glimmend opmerk dat ik word gadegeslagen door een mevrouw van onbestemde leeftijd, die mijn kleindochter duidelijk erg schattig vindt en nu benieuwd is naar hoe opa zich hier uit gaat redden.
Om één of andere reden neemt mijn strengere zelf nu weer de leiding en voel ik de vreemde behoefte hier publiekelijk te demonstreren dat ik dus niet zo’n opa ben die zijn gebrek aan vaderlijke liefde en aandacht voor het eigen kroost nu over de rug van zijn kleinkind probeert te compenseren. Dat ik als voltijds huisvader vaker met dit bijltje gehakt heb en dat ik bovendien ook niet zo’n slappeling ben die voor het gemak altijd maar door de knieën gaat voor de wensen van het prinsenkind.
Leg het maar terug, herhaal ik dus op de toon die bij mijn eigen kinderen altijd afdoende is geweest, en toch ook wel een beetje tot mijn opluchting werkt het bij mijn kleindochter ook. De zak Noppers gaat terug in het schap, opa’s punt is gemaakt, al weet hij zelf niet precies bij wie. Of waarom.
En als alle boodschappen zijn gedaan maakt opa een extra rondje langs de schappen met koek en snoep, verzekert zich ervan dat de mevrouw van onbestemde leeftijd er niet meer staat en laat zijn kleindochter alsnog een zak Noppers mee naar de kassa nemen.
Ja, kom zeg.. je bent opa of je bent het niet.