woensdag 12 september 2018

Lomp







Op perron één sta ik op de trein van tien voor drie te wachten. Ik moet verderop zijn, voor het één of ander. Op hetzelfde perron is een glazen wachthuisje nogal uitgebreid en onderuitgezakt in beslag genomen door drie morsige, rood aangelopen mannen die luidruchtig maar moeilijk verstaanbaar tegen elkaar of in zichzelf zitten te oreren. Ze hebben alle drie een halve liter blik goedkoop bier onder handen en in de zakken van hun vettige jassen zit alvast het volgende. Om hen heen liggen de dichtgeknepen en leeggedronken voorgangers op de grond verspreid. Het wachthuisje mist een paar ruiten maar er liggen geen hopen glassplinters omheen dus daar zullen de mannen niets mee te maken hebben, al draagt het wel bij aan de sfeer.
De mannen roepen wat naar de overkant, waar op perron twee een getinte medelander loopt. Eén van de mannen staat er zelfs voor op, loopt er zelfs voor naar de rand van het perron, om iets naar de getinte medelander te roepen. Het is niet te verstaan, gelukkig waarschijnlijk, maar je kunt wel goed horen dat de roepende man weinig tot geen tanden meer in zijn mond heeft. Hij maakt nog een wegwerpgebaar dat ook van alles kan betekenen en voegt zich dan weer bij de rest. De getinte medelander glimlacht maar wat en loopt verder. Tja, wat moet je anders.
Ondertussen hoop ik een beetje dat deze mannen niet ook met de trein willen reizen, niet met de mijne in elk geval, maar voor de zekerheid besluit ik zo ver mogelijk door te lopen op het perron, zodat er, mocht dat toch het geval zijn, op zijn minst een paar coupés tussen zullen zitten. Ik ga bij die strategie uit van de veronderstelling dat de mannen te beroerd zullen zijn om meer stappen te zetten dan strikt noodzakelijk zijn om de trein in te komen en op de dichtstbijzijnde stoel neer te ploffen. Ik hoef er, volgens deze gedachtegang, alleen maar voor te zorgen dat mijn stoel zo ver mogelijk van de dichtstbijzijnde is.
En zo blijkt maar weer dat je je lelijk in de mensen kunt vergissen want we zijn het station amper uit of de deur van mijn veilig gewaande coupé wordt opengeduwd en twee van de morsige mannen stommelen naar binnen, de derde kwam ze blijkbaar alleen maar uitzwaaien. En hoewel de coupé zo goed als verlaten is, besluit één van de mannen zich in de bank naast mij te laten vallen, waarop de ander kiest voor de plaats schuin tegenover mij, zodat ze in de rechthoek van vier tweepersoonsbanken zo ver mogelijk van elkaar af zitten. Met mij er tussen. In een wolk van kwalijke dampen.
Op onverminderd luide toon hervatten de mannen hun vochtige, wankele conversatie die gaat over de verschillende gevangenissen, wederzijdse kennissen en het feit dat hun laatste biertje eerder op is dan voorzien.
Eén van de mannen heeft tattoos in zijn nek, zie ik nu.
Ik voel mij wat ongemakkelijk bij zoveel boerse lompheid. Ik erger me eraan. Ik erger me aan de inbreuk op mijn rust, aan het schijt hebben aan mijn aanwezigheid. Ik erger mij ook aan mijn kleinburgerlijk vermoeden dat deze mannen hoogstwaarschijnlijk niet zijn ingecheckt, omdat ze zelf natuurlijk net zo goed weten als ik dat ik als keurig betalende beste reiziger niet op een conducteur hoef te rekenen in een situatie als deze. Maar het meest erger ik me nog aan het feit dat ik blijf zitten. En aan het donkerbruin vermoeden dat ik dat doe omdat het onbeleefd zou kunnen overkomen dat niet te doen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten