vrijdag 28 augustus 2020

Ontmoeting op afstand




We wandelen Enkhuizen binnen en worden op de eerste de beste rotonde geconfronteerd met een vrij groot en kleurig beeld. Het is het silhouet van een vrouw. Op de gevel van een aanpalende flat staat een dichtregel die kennelijk op het beeld slaat en waaruit blijkt dat we te maken hebben met de Maagd van Enkhuizen. Of beter gezegd: De Maegd van Enkhuysen.
Het zegt ons niets eerlijk gezegd, maar wij zijn dan ook niet van Enkhuizen. Niet eens echt van Noord-Holland. Nu is Enkhuizen een historische haven- en handelsstad met een rijk verleden, we zouden ons dus kunnen voorstellen dat de maagd een heldin is die haar medeburgers ooit heeft gered van een brand, een pandemie of de vijand, gelijk bijvoorbeeld Kenau van Haarlem.
We besluiten onderweg naar het station een aantal Enkhuizenaren te vragen hoe het zit. Een leuk en leerzaam sociaal experiment. Het blijkt echter al snel dat de maagd niet erg leeft in Enkhuizen. De meeste ondervraagden komen niet verder dan onze zelfverzonnen suggestie wat schaapachtig te beamen.
Als laatste bevragen we een mijnheer in het centrum van de stad. De mijnheer meldt bescheiden niet uit Enkhuizen te komen en niets van een maagd te weten maar Enkhuizen wel een erg mooi stadje te vinden, wat wij op ons beurt weer volmondig beamen.
Vanaf de overkant van de straat mengt zich dan nog iemand wat luidruchtig in het gesprek door ons toe te roepen dat Enkhuizen een mooie stad is, maar dat hij er nog niet dood gevonden zou willen worden. Wij zijn enigszins beduusd door de beschonken onthulling van de wat scharrige figuur die wij nu aan de overkant ontwaren, een al even scharrig hondje aan de lijn, maar gunnen hem ook zijn plek op aarde dus roepen terug dat wij persoonlijk helemaal nergens dood gevonden willen worden. Waardoor er per ongeluk een ingewikkeld gesprek ontstaat, over de gelukkig wel zeer veilige afstand van zeker tien meter, waarbij de bescheiden mijnheer zich duidelijk steeds ongemakkelijker gaat voelen en waarbij wij door het passerend publiek, over wiens hoofden het gesprek gevoerd wordt, meewarig worden aangekeken.
De scharrige figuur vertelt dat hij in Rotterdam woont maar nu tijdelijk hier logeert, in het huis van zijn maat, die in het ziekenhuis ligt. Om voor diens hondje te zorgen, het scharrige hondje aan de lijn. Omdat iemand dat tenslotte moet doen. Net als veel mensen die teleurgesteld zijn door het leven meldt hij nadrukkelijk meer met dieren te hebben dan met mensen. Dieren zijn tenminste eerlijk, vindt hij. En als woensdag zijn maat weer uit het ziekenhuis komt, is hij meteen weer naar Rotterdam vertrokken.
Het is in meerdere opzichten een hartverscheurend verhaal, als je erbij stilstaat. Dat wel. Toch breien we er een eind aan en vervolgen onze weg naar het station.
Pas dan durft ook de bescheiden mijnheer weer door te lopen.

Dit is een bewerkt fragment uit "Ontmoetingen op veilige afstand" als gepubliceerd op De Vrije Wandeling, weblog van een wandelaar

woensdag 10 juni 2020

Voetstuk





Ik vond wel dat ik er nog even over moest bellen, naar het waterleidingbedrijf, over de toestand met het hommelnest. Niet eens zozeer uit beleefdheid, hoewel ik wel zo ben opgevoed, maar vooral omdat ik benieuwd was naar hoe zo’n gesprek zou verlopen. Ongemakkelijk, vermoedde ik en ik weet eigenlijk niet waarom mij dat nu opeens zo leuk leek. Op toneel, of in een Netflixserie kan ik ongemakkelijke gesprekken meestal wel waarderen, maar voor mezelf mijd ik ze doorgaans liever als de pest. In dit geval blijkbaar niet. Vreemd, vond ik het zelf ook. Het kwam misschien omdat ik me een beetje wilde uitsloven voor mijn jongste zoon, die me geassisteerd had bij de hele operatie en die nu ook getuige zou zijn van dit telefoongesprek, als ik het nu meteen deed. Dat zou zomaar kunnen. Even laten zien dat oud nog niet altijd saai en ingedut hoeft te betekenen. Misschien wilde ik dat sowieso even aan de wereld laten weten, via het waterleidingbedrijf. Of aan mezelf, god ja, waarom niet. De uitlaatkleppen zijn dun gezaaid deze dagen.
In elk geval, het waterleidingbedrijf opende het gesprek volautomatisch met excuses voor mogelijke overlast omdat ‘veel van onze medewerkers in verband met de overheidsmaatregelen rond corona thuiswerken’. Waarna het onvermijdelijk keuzemenu, waarin je pas helemaal aan het eind kunt kiezen om aan de lijn te blijven om een medewerker te spreken, wat ik, als ik dan toch moet bellen, sowieso altijd wel prettig vind en dus liever standaard als eerste optie zou zien, met tot slot de mededeling dat ‘dit gesprek kán worden opgenomen voor leerdoeleinden’. Een kleine drie minuten na aanvang had ik ene Dewi aan de lijn, die vriendelijk vroeg waarmee zij mij van dienst kon zijn, en kon ik mijn verhaal doen.
Dat ik dus een kaartje had gekregen, begon ik bij het begin, om de stand van de watermeter mee door te geven, maar dat mijn watermeter nou eenmaal in een put in de voortuin zit, die ik daarvoor dus moest openmaken - twee zware grindtegels met ijzeren ringen eraan - dat er dan nog een stuk in plastic verpakt piepschuim over de watermeter lag, ter isolatie, en dat daar dus een hommelnest op was gebouwd. Door hommels. En dat er ook allemaal hommels uit de put omhoog kwamen vliegen, waarvan ik toen nog niet zeker wist of ze zouden steken of niet. Dat wij een insectenvriendelijke tuin om ons huis hadden, omdat het met de insectenstand immers zorgelijk gesteld was, dat we het daarom ook niet over ons hart hadden kunnen krijgen het nest kapot te maken of te verstoren en wij dus, lang verhaal kort, geen watermeterstand konden doorgeven dit jaar.
Namens het waterleidingbedrijf heeft Dewi uitgebreid alle begrip voor de situatie en vindt zij het heel mooi dat wij ervoor kozen de hommels te sparen, dat het goed is dat ik er even over bel, dat zij zal zorgen dat er een schatting gemaakt wordt, van ons watergebruik, maar dat als die erg hoog uitvalt, voor mijn gevoel, ik altijd weer even kan bellen.
Tot zover een alles behalve ongemakkelijk gesprek. Sterker nog, na zoveel weken sociaal gedistantieer leef ik er helemaal van op en grijp ieder aanknopingspunt dat Dewi mij biedt, iedere stilte die zij laat vallen aan om het gesprek zo lang mogelijk te rekken met veel omhaal van woorden, nauwelijks ter zake doende uitweidingen en grappige grapjes.
Ondertussen zit mijn jongste zoon aan de overkant van de tafel over zijn zoveelste schaal yoghurt met muesli gebogen er het zijne van te denken, dat zie ik heus wel. Meewarig schuddend met zijn hoofd en rollend met zijn ogen en met scheve lachjes van plaatsvervangende schaamte vindt hij het duidelijk een zwaar overdreven gedoe met vervelende, muffe ouwe mannen grapjes, maar het kan me niks schelen. Ik heb een hommelvolk gered, Dewi vindt het ook.

vrijdag 5 juni 2020

Hommels





Van het waterleidingbedrijf kreeg ik onlangs het jaarlijks schriftelijk verzoek de stand van de watermeter op te nemen en liefst via internet door te geven. Dat zou, volgens het kaartje, alles bij elkaar slechts twee minuten tijd in beslag nemen. Een werkje van niks, wilde het waterleidingbedrijf maar zeggen. Toch is het elk jaar weer een werkje dat ik graag voor me uit mag schuiven en het zal de eerste keer niet zijn dat het er helemaal niet van komt en er van hogerhand een schatting van ons watergebruik wordt gemaakt. Een schatting die overigens altijd accuraat genoeg is om er het jaar erna opnieuw niet al te zwaar aan te tillen.
Maar goed, vandaag moest het maar eens gebeuren. Ik had mijn jongste zoon geronseld voor het zware en het vieze werk, zelf zou ik aanwijzingen geven, notities maken en de administratieve afwikkeling verzorgen. Onze watermeter, moet u weten, zit in een kniediepe put in de voortuin, afgedekt met twee zware stenen platen waarop, voor het gezicht, naast het nodige kleine spul, ook nog een vrij grote en onhandig te verplaatsen plantenpot staat. Onder die stenen platen, die je aan roestige metalen ringen die aan een middeleeuwse kerker doen denken van hun plaats moet tillen, tref je dan een sterk vervuilde plastic zak waar ooit kunstmest in heeft gezeten maar die nu twee stukken piepschuim bevat en aldus al jaren dienst doet als isolatie tegen de vorst. Om de watermeter vervolgens af te lezen moet er eerst een klepje worden geopend en daarvoor is het onvermijdelijk om op de knieën te gaan en tot aan de schouder in de put te reiken. Om de meterstand te ontcijferen, in de halfduistere diepte, moet je zelfs je hoofd naar binnen steken, wat bepaald niet aanlokkelijk is vanwege de schimmels, het eeuwenoude spinrag, de modderige viezigheid en het wegschietend en rondkruipend gedierte. Als enig lichtpuntje in de hele zaak zit er steevast een dikke pad op de bodem te somberen. Alsof hij denkt: Ja hoor, laat mij hier maar wachten. De pad vinden we leuk. De pad beschouwen we als een oude bekende, hoewel we uiteraard niet zeker weten of het steeds dezelfde pad is.
Bij het openen van de put bleek deze dit jaar zelfs nog meer door de natuur in bezit genomen dan waar we al op waren voorbereid, want op de sterk vervuilde plastic zak met stukken piepschuim troffen we een hommelnest. Een aanvankelijk wat onooglijk hoopje dode blaadjes, esdoornvleugeltjes, dennennaalden en onduidelijke rommeltjes waarvan je je later pas afvraagt hoe die hommels dat daar in vredesnaam allemaal op een hoopje in die put hebben gekregen, met die kleine pootjes zonder handjes, maar dat het een hommelnest was werd meteen duidelijk want ze kropen voortdurend naar binnen en naar buiten door verschillende toegangspoorten. Hoe onooglijk ook, het was weldegelijk een bouwwerk waarover was nagedacht.
Een handvol hommels vloog ons direct verontrust tegemoet. Lichtelijk verontrustend ook wel trouwens want ik meende dan wel te weten dat hommels, als ze al konden steken, het in elk geval niet heel snel deden maar zo een bedreiging van hun nest zouden ze misschien wel eens als een goede reden kunnen zien het toch maar eens te proberen. En hoeveel hommels zaten er dan eigenlijk in zo’n nest? Ik had weer eens geen idee.
Dus daar stonden we dan. Besluiteloos. In twijfel. Aan de ene kant de dwingende vraag van een voormalige overheidsinstantie en het feit dat we al halverwege onze lang uitgestelde operatie waren; aan de andere kant een hommelnest dat beslist onherstelbaar beschadigd zou raken wanneer we de watermeter toch probeerden te bereiken, met alle verdere gevolgen van dien.
We besloten dat we het niet over ons hart konden verkrijgen. Dat je niet een insectenvriendelijke tuin kunt hebben en dan een heel hommelnest vernietigen voor zoiets onbenulligs als de juiste stand van de watermeter. Het gaat immers al slecht met de insecten, en hommels zijn ook nog eens een keer onze favorieten. Het is een groot plezier ze zo gezapig van bloem naar bloem te zien zoemen.
We stelden onze hommels gerust, legden de stenen platen weer terug, er op lettend de ingang open te houden, zetten de onhandig te verplaatsen plantenpot weer op zijn plek en prijsden ons gelukkig met een eigen hommelnest in de tuin. Dan maar weer een schatting dit jaar. Daar hoeven we niet zo zwaar aan te tillen.

zaterdag 23 mei 2020

Postelein of geen postelein






In wat je gerust een opwelling kunt noemen hebben wij ons enige weken geleden een volkstuin aangeschaft. Tijdens een avondzonnig corona-ommetje kwamen wij toevallig langs het plaatselijk volkstuincomplex, waar een zelfgemaakt bord in de berm aankondigde dat er tuinen te huur waren, wat ons er toe verleidde in elk geval eens even een kijkje te nemen en minder dan vierentwintig uur later was het rond en konden we beginnen. Honderdvijftig vierkante meter vers gefreesde en kurkdroge kleigrond. Een dorre vlakte, woest en ledig. Hulpeloos ten prooi aan blakerende voorjaarszon en noordhollandse wind. In niets te vergelijken met de lommerrijke herinneringen die wij aan onze Haagse volkstuin koesteren, laat staan met de volle Amstelglorie van Jan Wolkers, zoals die mij nu opeens heimelijk voor ogen staat.
Maar goed, je kunt dus met evenveel recht zeggen dat alles nog mogelijk is, want zo is het ook. Binnen de reglementen van de volkstuindersvereniging uiteraard, dat dan weer wel, volgens goed hollands gebruik, maar tijdens onze eerste rondwandeling hebben we wel al tuinen gezien die ons wat dat betreft de hoop geven dat die niet zo streng en rechtlijnig uitvallen als je misschien zou verwachten. Voor de zekerheid kiezen we bovendien een tuin waarvan de buren links en rechts op het oog in elk geval een voorkeur voor gezellige rommeligheid lijken te hebben. Daar steken we allicht minder snel ongunstig bij af dan bij een volgens de regelen der kunst met liniaal en waterpas aangelegde en fijn geharkte, onkruidvrije zone.
En zo zijn we de laatste weken dus regelmatig op de tuin te vinden, spittend, schoffelend en plannen makend. Waterdragend met gieters en emmers, van de sloot naar de onverzadigbare akker. We timmerden verhoogde bakken, er werd een terras aangelegd. We plantten bessenstruiken, bermbloemen en knotwilgjes. We zaaiden van alles voor, in potjes, eierdozen en wc-rolletjes. Richtten groentebedden in, zetten een composthoop op touw en maakten goedmoedige praatjes met de buren, leunend op de hark. We zaaiden in de volle grond. Waren in de weer met stokken en gaas en netten. Net echt allemaal.
En nu staan we gebogen over het eerste ontkiemende spul.
En hebben geen idee.

maandag 18 mei 2020

Wespenkoningin






Nu mijn agenda door de omstandigheden geheel is leeggeveegd, sociale contacten van hogerhand ernstig worden ontraden en ik niet zo iemand ben die dan welgemoed van de gelegenheid gebruik maakt om vrolijk fluitend zijn huis van boven naar beneden ondersteboven te halen, uit te mesten en te soppen, komt het de laatste tijd wel eens voor dat ik zo niet moedeloos dan toch in elk geval doelloos uit het raam de tuin in sta te staren. Wachtend op iets dat niet gebeurt. Tja, zo is het nou eenmaal. Nu hebben wij een leuke tuin, waar van alles in staat te groeien en te bloeien en uit te botten, en het particulier coronaleed wordt vooralsnog gecompenseerd met veel mooi weer, het kan echt erger, tel uw zegeningen enzovoort, ik weet het, maar toch..
Vandaag gebeurt er dan trouwens wel iets, al is het niet veel, want daar zie ik een wesp vliegen. Op zich niets bijzonders, wij hebben ook nog eens een insectvriendelijke tuin, dus daar zoemt en fladdert en dart van alles in het rond, ook wespen. Maar ik meen vrij zeker te weten dat het nog een beetje vroeg is voor wespen en dat dit waarschijnlijk een koningin is, op zoek naar een geschikt plekje voor een nest. Het is een bijzonder grote wesp, dus dat zou dan wel eens kunnen kloppen. En het lijkt er na een tijdje sterk op dat dat geschikte plekje inmiddels gevonden is in de spouwmuur van onze uitbouw, ik zie de wesp tenminste telkens opnieuw door een gaatje tussen vensterbank en sponning naar binnen kruipen, en weer naar buiten komen.
In vroeger tijden zou ik het beest zonder enige aarzeling met een hamer hebben geplet, de mensheid aldus met één klap verlossend van een zomerlang overlast van een heel wespenvolk, tegenwoordig ben ik ouder, wijzer en ja, ook milder. Niet alleen, besef ik nu, is de wesp natuurlijk een onmisbare schakel in het grote geheel, ik heb de wesp ook leren kennen als een intelligent en sociaal dier. Daarover schreef ik al eens eerder een bericht, waarnaar ik hier graag met dit linkje verwijs, in plaats van het allemaal opnieuw te vertellen, maar samenvattend ben ik de wesp in een ander daglicht gaan zien en ik vind het daarom niet nodig deze wesp nu te vermoorden.
Echter, een nest in de spouwmuur, zo direct aan het terras, onder het raam van de wc, dat is ook weer zo wat. Dat zit straks niet lekker ontspannen.
Ik besluit dat er toch in elk geval wel íets moet gebeuren. Ik pak mijn kitspuit uit de schuur, vergewis me ervan dat de wesp haar bouwlocatie heeft verlaten en vul het gaatje tussen vensterbank en sponning met kit, in de hoop hiermee een min of meer wespvriendelijk compromis af te dwingen. Nog terwijl ik daarmee bezig ben landt de wesp vanuit het niets op de spuitmond, paniekerig heen en weer zoemend, waarschijnlijk in een Bruce Willis achtige poging het onheil te keren. Ik schrik er een beetje van, die enorme wesp opeens zo vlakbij, want weliswaar ben ik de wesp in een ander daglicht gaan zien, ik ben er dan weer niet automatisch van overtuigd dat die mildere blik wederzijds is. Liever doe ik een stapje achteruit om van een afstandje te bezien hoe de zaken zich ontwikkelen.
Gelukkig werpt de wesp zich niet meteen op de nog natte kit, een zeer wespónvriendelijke mogelijkheid waar ik geen rekening mee had gehouden. Een bijna menselijke verwarring lijkt zich van de wesp meester te maken. Eerst blijft ze even voor het dichtgekitte gat zitten. Het was toch hier?, zie ik haar bijna denken. Als er niets gebeurt en alles blijft zoals het is, neemt ze blijkbaar aan dat ze zich dan wel vergist zal hebben en gaat langs de sponning op zoek naar waar de ingang wel is, al kan ik zien dat ze daar zelf niet echt in gelooft, het gaat zonder overtuiging. Dan besluit ze helemaal opnieuw te beginnen, vanaf het begin. Maakt zichzelf wijs dat ze onderweg waarschijnlijk even niet heeft opgelet en zo verkeerd is uitgekomen. Ze vliegt op, maakt een wijde boog om mij heen, vliegt opnieuw aan op de vensterbank en landt voor het dichtgekitte gat, waarvan ze hoopte dat dat er nu niet meer zou zijn. Opnieuw inspecteert ze de afsluiting en andermaal drentelt ze ongelovig heen en weer langs de sponning. Dit herhaalt zich nog zeker driemaal. Zelfs vliegt ze nog een keer opnieuw aan op het naastgelegen raam, van de badkamer, dat er inderdaad precies hetzelfde uitziet, zich afvragend ongetwijfeld of ze zich nou zó sterk vergist zou kunnen hebben. Uiteindelijk geeft ze het op en druipt af. Met hangende schouders. Schuldig voel ik me niet, nee dat niet. Maar ik hoop wel dat ze een andere, betere plek heeft gevonden. Dat hoop ik echt.

dinsdag 11 februari 2020

Sympathie






Nogal bruusk zwaait de deur van de coupé open en een gehaaste man met een rugzak aan de hand komt binnen. Hij heeft zich maar nauwelijks in de laatste vrije tweezitter laten zakken of de deur zwaait andermaal open, niet minder bruusk, om toegang te verlenen aan een niet mis te verstane controleur die met vorsende blik de coupé scant en al snel gevonden heeft wat hij blijkbaar zoekt: de gehaaste man met de rugzak aan de hand. De coupé doet net of ie niks merkt maar houdt duidelijk hoorbaar de adem in.
Doelgericht vraagt de controleur de gehaaste man om zijn vervoersbewijs. Met verve voert deze dan zijn toneelstukje op, zoekt zijn jas, zijn portemonnee en zijn rugzak meermalen af naar een kaartje waarvan de hele coupé weet dat het er niet zal zijn. De controleur staat het wijdbeens en geduldig uit, haalt aan het einde ervan zijn bonnenboek en een pen tevoorschijn waarna het ritueel met vergeten identiteitsbewijzen en onwaarschijnlijke instapstations wordt afgewerkt.
De controleur hanteert met professioneel overwicht de kalme doch onverzettelijke en conflictvermijdende toon die hij op de training heeft geleerd. De man zonder vervoersbewijs, die trouwens een opvallend hoog stemgeluid blijkt te hebben, schiet heen en weer tussen kruiperige onderdanigheid en misplaatste assertiviteit. Dat hij alle begrip heeft voor het feit dat meneer de controleur natuurlijk ook maar gewoon zijn werk doet, onderstreept hij, en dat meneer de controleur dus maar vijf eurootjes extra moet rekenen, voor zichzelf. Om vervolgens op hoge poten een bezwaarprocedure aan te kondigen en het luidkeels zéér onbeleefd te vinden dat meneer de controleur hem hier ten overstaan van zoveel mensen voor zwartrijder staat uit te maken. En hem dwingt allerlei privacygevoelige informatie als zijn adres en postcode prijs te geven. Dat meneer de controleur zijn schoenmaat waarschijnlijk groter is dan zijn IQ.
De controleur ondergaat het allemaal onverstoorbaar, laat weten dat hij ook wel eens iets onbeleefd vindt en informeert of meneer lang over zijn schoenmaatgrapje heeft nagedacht.
Ik kan hier wel verklappen dat mijn sympathie in dezen toch echt ligt bij de controleur, dat het me een afschuwelijk beroep lijkt en dat ik de man zonder vervoersbewijs een beetje een eikel vind. Maar naast mij in de bank zit een zilvergrijze dame zó gedurig te tssssen, te tuttuttutten en te het is me toch watten, en zit daarmee zo nadrukkelijk naar mijn instemming te hengelen van hoe erg wij dit samen als keurige mensen onder elkaar wel niet vinden en waar moet het heen met dit land, dat ik daar dan ook weer iebel van word. Waaruit maar weer eens blijkt hoe ingewikkeld het allemaal in elkaar kan zitten.

donderdag 6 februari 2020

Voor kunstzaak







Bij een onbesuisde opruimactie trof ik de foto van een al bijna vergeten schilderij. Een schilderij uit eigen koker nog wel. Ik maakte het op de kunstacademie, vele jaren geleden, voor mijn eindexamenexpositie. Het was één van de twee schilderijen die ik daar verkocht, wat ik destijds als een veelbelovende start van mijn carrière als beeldend kunstenaar beschouwde. Ach ja. Veel verder dan een veelbelovende start is het niet gekomen met die carrière en meer dan twee schilderijen heb ik nooit verkocht. Er heeft er nog wel één een paar weken proefgehangen in het trappenhuis van een verzamelende dame, die wellicht meende daarmee eventueel een aanstormend talent in huis te halen, maar die er uiteindelijk van afzag omdat het doek net iets te klein was om ergens precies tussen te passen en ik het voorstel het opnieuw te schilderen maar dan twintig centimeter groter met gekrenkte kunstenaarstrots van de hand wees. Daarmee bleven de verkoopcijfers voor eeuwig steken op twee.
Of eigenlijk ook weer niet, want één van die twee verkochte schilderijen was aangekocht door de kunstuitleen en daarvan kreeg ik een paar jaar later een brief met de mededeling dat het werk wegens overtolligheid discreet vernietigd zou worden wanneer ik het niet zou komen ophalen, op een bepaalde dag, binnen bepaalde uren. Ik ben mij altijd blijven afvragen hoe je iets discreet kunt vernietigen wanneer je de enige persoon op aarde die er blijkbaar nog om maalt er van tevoren per brief van op de hoogte stelt, maar ik klom op de aangewezen dag op het aangewezen uur wel op de fiets uiteraard, om mijn geesteskind te redden. Een weinig eervolle rit die alleen werd opgefleurd door de aanblik van mijn voormalige schilderdocent aan de academie, die met een groot schilderij onder de arm mismoedig in tegenovergestelde richting fietste. Ik wist waar hij vandaan kwam, hij niet waar ik naar toe ging.
Mijn geredde geesteskind heeft vervolgens nog jaren verkocht en wel in mijn atelier gehangen, en toen ik dat niet meer had nog geruime tijd in mijn huis gestaan, op steeds wisselende plekken, tot ik het uiteindelijk wegens gebrek aan ruimte zelf maar discreet vernietigde, samen met zijn overgeschoten broers en zussen waar de wereld ook niet op had zitten wachten. Behalve dus het schilderij op de foto. Dat ik al bijna vergeten was. Wat zou er van geworden zijn? Vraag ik mij nu dan maar even af, met de foto in mijn hand. Zou het nog ergens aan een muur hangen? Zou er nog wel eens iemand naar kijken? Af en toe? Of is alles voor niets geweest?

maandag 3 februari 2020

Klimaat






Aan de Haagse Conradkade zitten we op een bankje in een abri op tram 11 te wachten, mijn jongste zoon en ik. We zitten uit de wind, er schijnt een voorzichtig zonnetje. Speciaal vanwege de ronduit slechte weersverwachtingen hebben wij onze wandelplannen voor vandaag omgezet in iets overdekts en nu lijkt het verdorie wel lente. Eind januari, nota bene. Maar goed, we hebben evengoed een leuke dag.
We schuiven wat dichter naar elkaar toe om plaats te maken voor een mevrouw met grijs haar en een rolkoffertje die blijkbaar ook tram 11 moet hebben. Voor de mevrouw had het niet gehoeven, dat opschuiven, zegt ze zelf wat koket, want zo dik is ze niet. Beleefd beamen wij naar waarheid dat het inderdaad makkelijk past, met z’n drieën op het bankje, maar we schuiven niet terug, het is goed zo. Wel raken we aldus verwikkeld in een onbeduidend maar vriendelijk gesprekje over het weer, dat, als gezegd, lenteachtig genoemd mag worden, vindt ook de mevrouw. We zijn het er over eens dat het zonnetje vrolijk stemt. De mevrouw weet dan hoopvol te vertellen dat vorig jaar de eerste stranddag al op 25 februari viel. Wij weten dat zo precies niet meer maar geloven haar op haar woord, kunnen zelf ook nauwelijks wachten op betere tijden, al voegen we er aan toe dat dit ons toch eigenlijk ook zorgen zou moeten baren. Maar dat vindt de mevrouw meteen grote onzin. Dat is allemaal maar een hetze die ze verzonnen hebben om ons geld afhandig te maken, weet ze met grote stelligheid. En zo verandert het onbeduidend gesprekje van toon en bevinden we ons opeens middenin de klimaathysterie.
Er schiet mij van alles te binnen om het standpunt van de mevrouw enigszins te relativeren. De vraag bijvoorbeeld wie die ‘ze’ dan eigenlijk zijn. En waarom er zo’n ingewikkeld scenario voor nodig is om ons geld afhandig te maken. En waarom we de wetenschap alleen zouden vertrouwen wanneer het in ons straatje past. En nog zo wat. Maar ik bedenk dat het zinloos is en comprimeer het allemaal in de voorzichtige overweging dat het misschien toch wel zo zou kunnen zijn dat er in elk geval íets zou moeten gebeuren. Voor de mevrouw is de stemming echter bedorven, zonnetje of niet. Zij doet er verder een halsstarrig zwijgen toe. Zonder groeten stapt ze de tram in en zorgt ervoor niet bij ons in de buurt te komen zitten. Mijn zoon stelt later wat verwonderd vast dat hij vandaag zijn eerste echte klimaatontkenner heeft ontmoet. Dus misschien is er toch nog hoop.

dinsdag 21 januari 2020

75 jaar






Er komen twee jonge mannen bij ons in de coupé zitten. Ze maken nogal een luidruchtige en zelfverzekerde entree, hoewel je met evenveel recht zou kunnen zeggen dat ze in een geanimeerd gesprek verwikkeld zijn. Zulke jongemannen zijn het dus. Het soort jongemannen waaraan je op één of andere manier kunt zíen dat ze welgestelde ouders hebben. Ik heb me vaak afgevraagd waar hem dat dan in zit - de blonde lok over het voorhoofd, de blauwe bodywarmer, de achteloze rode sjaal, de twijfelloze oogopslag – maar het is moeilijk er de vinger op te leggen. Het kan ook zijn dat ik het merk aan mijn nekharen die altijd een beetje overeind gaan staan.
Goed.. met enig bravoure dus komen ze binnen en ploffen neer in de vierzitter achter ons. Maar ook als ze wat verder weg waren neergestreken hadden we hun gesprek goed kunnen volgen, ook als we dat niet hadden gewild. Zulke jongemannen zijn het dus en God zij dank is het geen stiltecoupé.
Eén van de jongemannen is midden in een verhaal over een bezoek aan het Anne Frankhuis, waar hij een oriënterend gesprek over een opdracht heeft gevoerd. Hij laat het klinken alsof de toekomst van het Anne Frankhuis ervan afhangt, maar het kan natuurlijk evengoed over een stageplek gegaan zijn. Voor het gesprek maakt dat blijkbaar niet uit want daar wordt verder niet op ingegaan. Wat de jongeman vooral wil vertellen is dat het allemaal erg leuk was geweest. Leuk. Heel leuk. Het woord ‘leuk’ valt meerdere malen en wordt uitgesproken op de manier van zijn welgestelde vader die het over een fles wijn van tachtig euro heeft. Dat leuk. En dat het Anne Frankhuis dus een ziek groot kantoor heeft. Echt ziek groot.
De andere jongeman informeert, met een mespuntje talkshowachtige sensatie in de ondertoon, of hij dan ook gezien heeft ‘waar ze gezeten heeft’. Dat is vreemd genoeg niet het geval. De tweede jongeman vertelt op zijn beurt dat hij het boek aan het lezen is, wat de eerste jongeman dan weer leuk vindt, maar de tweede jongeman moet bekennen dat hij er niet echt doorheen komt, door het boek.
Waar het over gaat, wil de eerste jongeman dan wel eens weten, wat ons hoofdschuddend tot de conclusie brengt dat hij in elk geval niet overdreven geïnformeerd naar zijn oriënterend gesprek is vertrokken. Dat hij misschien ook wel helemaal niet weet dat ‘ze daar gezeten heeft’.
De tweede jongeman vertelt kort maar adequaat dat ‘ze haar dagelijks leven beschrijft, en hoe ze daar dan zitten en zo’. En herhaalt dat hij er niet echt doorheen komt. Maar misschien, hoopt hij tenslotte, wordt het verderop nog leuker.

woensdag 15 januari 2020

Boomer






Met mijn jongste zoon wandel ik, in etappes, van Schagen, onze woonplaats, naar Den Haag, onze geboorteplaats. En daarna weer terug. De lange wandeling naar huis, hebben we deze zelfverzonnen tocht genoemd.
Omwille van het klimaat en andere praktische overwegingen bereizen wij start- en eindpunt van onze etappes met het openbaar vervoer. Dat is niet altijd even comfortabel. Vooral op de terugweg, die zich na een dag wandelen uiteraard door de avondspits beweegt, moeten we vaak tot boven Alkmaar genoegen nemen met een krappe staanplaats in een afgeladen halletje, of, als we geluk hebben, met een plakkerige zitplaats op een smerig trappetje. Het is niet anders. Wie het klimaat wil dienen moet offers brengen. Vanuit dat perspectief bezien zou je het ook als bemoedigend kunnen ervaren dat de trein zo goedgevuld is, al is het dan met gratis reizende studenten. Ik wil daar niet meteen een oordeel over hebben.
Waar ik wel meteen een oordeel over heb, is de jongeman die we vandaag in onze eerste trein op de heenweg aantreffen. Lang- en breeduit uitgestrekt neemt hij samen met zijn rugzak een hele vierzitter in beslag, in een verder behoorlijk gevulde coupé. Hij houdt zich slapend en reageert niet op onze afwachtende aanwezigheid naast zijn koninkrijk. Zijn kapsel zit onberispelijk in model gekamd en geboetseerd, maar voor de rest ziet hij er wat smoezelig uit. Er zitten vlekken in zijn shirt, er liggen croissantkruimels op zijn jas en er hangt een meer dan vage dranklucht om hem heen. Mijn zoon wurmt zich mild en toegeeflijk tussen verschillende ledematen door naar de moeilijk bereikbare restanten van een zitplaats, maar ik heb het opeens wel even gehad met dat hedonistische, verwende, onverschillige en egocentrische millennialgedrag. Okay, dan maar een boomer. Ik duw wat tegen zijn schouder en roep iets over zitten, en plaats maken, wat dan uiteindelijk met gepaste onwilligheid gebeurt. Zolang we tegenover elkaar zitten blijft hij gedrogeerd knikkebollen. Niettemin lijkt hij op weg te zijn naar school, gezien het tijdstip op de dag, de rugzak en het station waar hij uitstapt. Ik heb ernstig medelijden met degene die zuks straks in de klas heeft zitten.

Uit: De dunne grenzen van het fatsoen, gepubliceerd op De Vrije Wandeling, weblog van een wandelaar.

maandag 13 januari 2020

Afscheid






Vanochtend is de hometrainer de deur uitgegaan. Anderhalf jaar geleden nu deed hij zijn min of meer ongevraagde intrede, als noodzakelijk kwaad. Er moest gerevalideerd worden na de operatie die ik toen net achter de rug had. Vanwege de zenuwpijn verdroeg ik geen kleding aan mijn opengezaagde en weer dichtgenaaide borst dus naar buiten, voor de van dokterswege aangeraden korte wandelingetjes, kon of durfde ik nauwelijks.. de in allerijl geleende hometrainer was een uitkomst. Ideaal. Pontificaal midden in de huiskamer, zodat ik er zonder traplopen elke dag een paar keer op kon klimmen. Steeds een minuutje langer, steeds een verzetje hoger. Aanvankelijk blij dat ik in elk geval iets kon en trots dat dat steeds beter ging, later steeds meer tegen heug en meug omdat ik toch echt liever naar buiten wilde. Tot het grootste leed na een paar maanden geleden was, de zenuwpijn chemisch bedwongen, en ik mijn revalidatieheil buiten de deur kon zoeken. Wandelend. En op een echte fiets.
Voor de zekerheid bleef de hometrainer nog een tijdje in huis, pontificaal midden in de huiskamer, en ik zat er ook heus nog wel eens op, als het buiten regende bijvoorbeeld, en ik geen zin had om te wandelen, of echt te fietsen, maar langzamerhand verstofte hij toch tot een goed voornemen.
Mijn vrouw begon zich eraan te ergeren. Dat stond daar maar lelijk te zijn, vond zij, er bleven ook steeds langer jassen en vesten of tassen aan hangen, zoals dat gaat, en daar werd het ook niet beter van. Nog vrij lang ben ik stug vol blijven houden dat ik er echt nog regelmatig op zat maar dat was eigenlijk alleen waar wanneer je het begrip regelmaat in de breedste zin des woords opvat. In plaats daarvan keek het ding mij elke dag met verwijtende blik aan, wat dat betreft integreerde hij dan wel weer mooi in mijn mannenhuishouden van uitgestelde en half afgemaakte projekten en klussen, die mij ook elke dag vanuit hoeken en gaten verwijtend aanstaren.
Maar goed. Nu las ik op facebook een oproepje van iemand die een hometrainer zocht en die kwam hem vanmorgen ophalen. Met een iets te klein autootje. Daar reed hij de straat uit, zijn stuurtje ten afscheid onhandig uit de kofferbak stekend, zijn computertje hoopvol op ‘SET’.
Hij laat nog even een vreemde lege ruimte achter, niet alleen in de kamer gek genoeg, maar dat is niet erg. Een hoofdstuk is afgesloten, zo voelt het. Ik heb iets achter me gelaten. En dat is goed. Dat lucht op. Vooral dat ik er nu niet meer op hoef.

vrijdag 10 januari 2020

Lichtdonker






Het is nog vroeg in de ochtend. Samen met een vriend fiets ik terug naar huis, van het zwembad, waar we ieder onze baantjes hebben getrokken. De vriend doet er tachtig met een ferme, niets ontziende borstcrawl, ikzelf houd het op drie kwartier tussen de andere zwemmers door heen en weer slalommen met een zo ferm mogelijke schoolslag. Twee keer in de week doen we dat: achterlijk vroeg uit de veren om om zeven uur als eerste in het water te liggen, voor de conditie en de beweging. We zijn niet van plan de boel te laten versloffen en de stramme oude mannen te worden die we wel eens om ons heen zien. Vaders. Schoonvaders. IJdele hoop waarschijnlijk maar laat ons nog maar even in de waan, we zijn nog jong genoeg.
Om acht uur zitten we dan energiek en voldaan aan de koffie zonder koekje te constateren dat waar de rest van de wereld nog hortend en stotend op gang aan het komen is, wíj deze sporen vandaag in elk geval alvast verdiend hebben. Wat er op andere dagen wel eens anders uitziet, om acht uur ’s ochtends. Bij mij in elk geval wel. We nemen beknopt de wereld en het leven door en fietsen dan fris en goedgehumeurd de rest van de extra lange dag tegemoet. Zo ook vandaag.
Wat de temperatuur betreft zou je het niet zeggen, maar het is midden in de winter. De kortste dag hebben we nog niet zo lang achter de rug dus rond deze tijd is de zon zo’n beetje halverwege het opstaan, die trekt zich van een klimaatverandering niets aan. Zoek het maar uit met je zooitje, denkt de zon, en geef haar eens ongelijk. Het is niet meer donker maar ook nog niet licht. De fietsverlichting laten we achterwege. Niet meer nodig, oordelen we. Teveel onhandig gedoe ook, met die losse lampjes die nooit blijven zitten hoe en waar je ze hebben wilt. En hoezo moet je je eerst een weg door achtentachtig verschillende knipperstanden werken voor je zo’n lampje weer uit hebt? Maar goed, dit terzijde.
Hoewel wij dus vinden dat het niet meer donker is, is de meneer die ons halverwege op het fietspad tegemoet wandelt van mening dat het nog niet licht is. Het is een wat oudere meneer die zijn hondje uitlaat. Doe je licht aan! Roept hij ons van verre toe. Doe je licht aan, snauwt hij ons toe als we wat dichterbij zijn.
Misschien heeft de meneer wel gelijk, dat zou kunnen, zeker, maar het schiet ons toch in het verkeerde keelgat. We zijn nog jong misschien, maar geen kwajongens meer. Ook daarom onderdrukken we de neiging iets onaardigs terug te roepen. Maar de neiging is er dus wel, en dat is jammer.