dinsdag 21 januari 2020

75 jaar






Er komen twee jonge mannen bij ons in de coupé zitten. Ze maken nogal een luidruchtige en zelfverzekerde entree, hoewel je met evenveel recht zou kunnen zeggen dat ze in een geanimeerd gesprek verwikkeld zijn. Zulke jongemannen zijn het dus. Het soort jongemannen waaraan je op één of andere manier kunt zíen dat ze welgestelde ouders hebben. Ik heb me vaak afgevraagd waar hem dat dan in zit - de blonde lok over het voorhoofd, de blauwe bodywarmer, de achteloze rode sjaal, de twijfelloze oogopslag – maar het is moeilijk er de vinger op te leggen. Het kan ook zijn dat ik het merk aan mijn nekharen die altijd een beetje overeind gaan staan.
Goed.. met enig bravoure dus komen ze binnen en ploffen neer in de vierzitter achter ons. Maar ook als ze wat verder weg waren neergestreken hadden we hun gesprek goed kunnen volgen, ook als we dat niet hadden gewild. Zulke jongemannen zijn het dus en God zij dank is het geen stiltecoupé.
Eén van de jongemannen is midden in een verhaal over een bezoek aan het Anne Frankhuis, waar hij een oriënterend gesprek over een opdracht heeft gevoerd. Hij laat het klinken alsof de toekomst van het Anne Frankhuis ervan afhangt, maar het kan natuurlijk evengoed over een stageplek gegaan zijn. Voor het gesprek maakt dat blijkbaar niet uit want daar wordt verder niet op ingegaan. Wat de jongeman vooral wil vertellen is dat het allemaal erg leuk was geweest. Leuk. Heel leuk. Het woord ‘leuk’ valt meerdere malen en wordt uitgesproken op de manier van zijn welgestelde vader die het over een fles wijn van tachtig euro heeft. Dat leuk. En dat het Anne Frankhuis dus een ziek groot kantoor heeft. Echt ziek groot.
De andere jongeman informeert, met een mespuntje talkshowachtige sensatie in de ondertoon, of hij dan ook gezien heeft ‘waar ze gezeten heeft’. Dat is vreemd genoeg niet het geval. De tweede jongeman vertelt op zijn beurt dat hij het boek aan het lezen is, wat de eerste jongeman dan weer leuk vindt, maar de tweede jongeman moet bekennen dat hij er niet echt doorheen komt, door het boek.
Waar het over gaat, wil de eerste jongeman dan wel eens weten, wat ons hoofdschuddend tot de conclusie brengt dat hij in elk geval niet overdreven geïnformeerd naar zijn oriënterend gesprek is vertrokken. Dat hij misschien ook wel helemaal niet weet dat ‘ze daar gezeten heeft’.
De tweede jongeman vertelt kort maar adequaat dat ‘ze haar dagelijks leven beschrijft, en hoe ze daar dan zitten en zo’. En herhaalt dat hij er niet echt doorheen komt. Maar misschien, hoopt hij tenslotte, wordt het verderop nog leuker.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten