zaterdag 20 oktober 2018

De hoorn des overvloeds






Alles waar ‘te’ voor staat is slecht, zei mijn moeder vroeger altijd. Behalve tevreden, liet ze er dan op volgen, om ons, mijn broertjes en mij, in te prenten dat we dát maar hadden te zijn: tevreden. Met wat wij hadden dus. En met wat wij kregen. Niet klagen en niet vragen. Ik vond het destijds natuurlijk een afgekloven dooddoener maar ik denk dat een groot deel van de generatie waar ik toe behoor met deze gedachte is grootgebracht.
Zo niet Generation Wealth, het deel van de mensheid dat fotografe Lauren Greenfield tot onderwerp heeft gekozen. The rich and famous, zogezegd, maar ook de mensen die dat zó graag óók willen zijn, of lijken, dat ze daar veel zo niet alles voor over hebben.
Generation Wealth is ook de titel van de tentoonstelling die ik bezoek in het Haags Fotomuseum. Twee zalen vol mensen die baden in weelde, of net doen alsof ze dat doen. Foto’s en dia’s met lange begeleidende teksten en uitgeschreven interviews met de gefotografeerden, die samen een beeld geven van het leven in rijkdom, in vanzelfsprekende rijkdom, met het vermeende recht op rijkdom. Het leven met de wens om rijk te zijn, te blijven, te lijken of te worden en de invloed die dat allemaal op je heeft. Of op je kinderen.
Ik begin er welgemoed aan, bereid mij open te stellen voor deze mij onbekende en moeilijk voor te stellen wereld, maar na een tijdje bekruipt me toch een ongemakkelijk gevoel. Want wat ik zie is lelijk. Ik zie lelijke huizen vol lelijk en smakeloos bezit, in lelijke, harde kleuren. De dure strijd tegen ouderdom of ingebeelde lelijkheid. Botox en operaties. Meisjes van vijf die in een seksueel getint rollenspel worden gedwongen, door hun ambitieuze moeders. Meisjes van veertien die hun neus laten perfectioneren, als verjaardagscadeau. Vrouwen met een strakgetrokken en opgeblazen hoofd waarvan ze denken dat dat nog jeugdige schoonheid uitstraalt. Vrouwen die al hun in jaren gespaarde geld uitgeven om hun billen en borsten en lippen te laten vergroten, verkleinen, vullen of liften omdat ze denken dat dat een succesvol leven betekent. Ik lees verhalen over drank en drugs en dure auto’s en de zucht naar altijd meer. En vooral zie ik lege blikken. En veel verveelde mensen. Heel veel verveelde en ontevreden mensen.
Ik sleep mij plichtsgetrouw naar het eind van de eerste zaal, maar dan meen ik het wel begrepen te hebben, de boodschap, en laat de rest van de beker, de hoorn des overvloeds, aan mij voorbij gaan. Vóór het mijn goede humeur bederft. Het is te erg. Het is te veel. Het ligt er te dik bovenop. Misschien ben ik nu het slachtoffer van mijn opvoeding, maar - en ik had nooit gedacht dat ik dit nog eens zou zeggen - het zou ook kunnen zijn dat mijn moeder toch gelijk had.

De tentoonstelling Generation Wealth van Lauren Greenfield is tot en met 3 februari 2019 te zien in het Haags Fotomuseum, en bestaat naast foto’s, dia’s en teksten uit een aantal korte films.

maandag 15 oktober 2018

Herfstgeluiden






Hoeveel warmterecords er ook gebroken worden deze dagen, hoe zomers er ook op terrasjes wordt gezeten, het goede leven hedonistisch gevierd, zorgeloos gedanst op de vulkaan.. het is wel gewoon herfst en die heeft weer heel wat te koop. Ook bij ons in de straat. Een rijtje esdoorns dat de gemeentelijke kapbrigades tot nog toe heeft weten te ontduiken, heeft een groot gedeelte van de stoep en de rijbaan bedekt met een zacht verend, oranjebruin tapijt van afgevallen en rondwaaiend blad en miljoenen helikoptertjes, zoals we die vroeger als kind altijd noemden. Als je er twee handenvol van omhoog gooide, kwamen ze wiekend als helikopters weer naar beneden.
In de tuin gaat dat komend voorjaar zeker weer heel wat werk opleveren want het zaad van de esdoorn is zeer, zeer vruchtbaar. Ik zeg weleens schertsend tegen wie het maar horen wil dat zo’n neerdwarrelend vleugeltje al wortel begint te schieten voordat het goed en wel de aarde raakt, maar waarschijnlijk is dat eigenlijk gewoon nog waar ook. Als de winter op zijn eind loopt schieten de jonge esdoorns in groten getale overal op. In alle perken te buiten, potten en plantenbakken, in alle kieren en spleten en gaten, of er nou aarde ligt of niet. Honderden gezellig rode steeltjes, met ieder twee langwerpige, zich hoekig ontvouwende kiemblaadjes, die de eerste dagen het helikoptervleugeltje nog als een koddig hoofddeksel blijven dragen. Zoals je opa ze vroeger wel op je neus heeft gezet. Als je die niet met emmers tegelijk uit de grond trekt, verandert je tuin al snel in een dicht woud van esdoorns.
Maar goed, zo ver is het nog niet, want nu is het nog herfst. Met waaierige dagen af en toe, zoals vandaag. En zo wil er wel eens een blaadje of helikoptertje mee naar binnen waaien, de gang in, en de woonkamer. Zelf heb ik daar geen problemen mee, wat maakt het uit tenslotte, maar andere mensen denken daar anders over. Die kunnen dat niet aanzien, al dat blad dat maar zo in de wind over straat danst. Die willen dat niet op hun oprijlaan, die willen dat niet op hun stoepje of hun keurig gemaaid gazon.
Vandaar dat de overbuurman al de hele ochtend met zijn bladblazer staat te loeien. Tot en met het laatste blaadje heeft hij zijn stoepje, zijn oprijlaan en zijn gazonnetje schoon gebruld, maar nog altijd is het blijkbaar niet goed genoeg. Met onverminderd enthousiasme heeft hij zich inmiddels op de stoep en de rijbaan gestort, met oordoppen op tegen zijn eigen geraas. Een flinke hoop bladeren blaast hij zo voor zich uit, wat nog niet meevalt, tegen de wind in. Ik zie en hoor het met lede oren aan en vraag me af knarsetandend af of hij misschien van plan is de hele straat, de hele stad, het hele land leeg te blazen, met zijn mannending.
Een buurvrouw van verderop ondertussen, probeert zich, de handen ferm in de zij geplant, boven het geluid uit verstaanbaar te maken. Of buurman ook nog van plan is zijn honderdduizend bladeren op te vegen, wil zij wel eens weten. Omdat, als hij dat niet doet, het straks allemaal bij haar het pad op waait. Buurman lacht haar vriendelijk toe en zwaait wat met zijn brulboei, in de veronderstelling misschien dat buurvrouw hem waarderend toespreekt, maar zo makkelijk komt hij niet weg. Teleurgesteld zet hij zijn machine uit, zijn oordoppen af en gaat het gesprek aan met buurvrouw. Die luid en duidelijk vindt dat hij de bladeren op hoort te ruimen. Zoals zij dat ook altijd doet: over het hek van het schoolplein, waar de bomen staan. Dáár komt de rotzooi tenslotte vandaan.
Er ontwikkelt zich een lang gesprek, waar ik verder geen zin meer in heb. De bladblazer doet er in elk geval de rest van de dag het zwijgen toe. En de wind blaast de honderdduizend bladeren weer vrolijk dansend terug door de straat. Zoals het hoort.

maandag 8 oktober 2018

Een multiculturele, licht chaotische mengelmoes






Zwerffotograaf. Een officiële opleiding of afstudeerrichting is het niet, en dat klopt ook wel want als fotograaf was Dolf Toussaint autodidact. Na een tekenopleiding werd hij schrijver en journalist, maar toen hij op een dag in de steek werd gelaten door zijn fotograaf, en hij besloot zelf de foto’s bij zijn artikel dan maar te maken, had hij bij toeval zijn ware stiel gevonden en koos hij uiteindelijk en definitief voor de fotografie. Bij voorkeur maakte hij zijn foto’s op straat, zwervend door zijn stad Amsterdam, en bedacht aldus de term zwerffotograaf voor zichzelf.
In het Amsterdams Stadsarchief hangt een uitgebreid overzicht van zijn werk onder de noemer ‘Amsterdam voor het voorbij is’, naar de serie foto’s die Dolf Toussaint, met een aantal collega’s, in opdracht van de gemeente maakte van het Amsterdam van begin jaren zeventig, aan de vooravond van stadsvernieuwing en -uitbreiding die naar verwachting grote veranderingen met zich mee zouden brengen. Een opdracht overigens waar hij zelf bij de gemeente op had aangedrongen.
In journalistiek zwart wit trekt het kleurrijk Amsterdams straatleven van de zestiger en zeventiger jaren aan de bezoeker voorbij. Een straatbeeld waarin de auto weliswaar al aanwezig is, maar minder alomtegenwoordig dan vandaag de dag. We zien hier en daar zelfs nog een paard met wagen, of een bakfiets zoals de bakfiets bedoeld was. We zien kinderen spelen op straat, we zien Hollandse huisvrouwen met hoofddoeken om het kapsel. Mannen met houten ladders onder de arm, mannen met kisten en balen op de schouders. We zien de duiven op de Dam, plus een handjevol toeristen. En fietsers, veel fietsers, allerlei soorten en maten fietsers. Samengelopen volk, demonstraties, samenscholingen. Oproer en rellen, stenengooierij. Hippies, gastarbeiders, Surinamers, straatjongens en Jordanezen. De accordeonist op de hoek. Vrouwen die het gebeuren op straat vanuit de raamopening van commentaar voorzien, vrouwen die kleden kloppen op straat, nozems op brommers, meisjes met hoog haar, kinderen die fikkie stoken of tenten bouwen. Een multiculturele, licht chaotische mengelmoes kortom.
Het zijn schitterende, sfeervolle, soms ook humoristisch aandoende foto’s, die een zeker gevoel van nostalgie oproepen. Herkenning van een tijd waarin je zelf ook al was geboren. Waarin je zelf ook op straat speelde met een step en een stok en een bal. En een korte broek droeg. Een tijd waarin je ouders nog jonge ouders waren. Met ook zo’n kinderwagen, zo’n auto, zo’n bril, zo’n hoofddoek, zo’n regenkapje. Wat je je nu niet meer voor kunt stellen. Een tijd ook waarnaar in het Nederland van vandaag wel eens hardop wordt terug verlangd. Al kun je je afvragen waarom, want we zien ook behoorlijk wat armoe. Slechte gebitten, schamele boeltjes en verpauperde huizen. Mensen te oud voor hun leeftijd.
Amsterdam voor het voorbij is. De naam van de expositie suggereert dat we kijken naar iets dat nu niet meer bestaat. Dat voor altijd verloren is gegaan. In de openbare hal van het stadsarchief hangt echter tegelijkertijd een foto-expositie die meteen het tegendeel bewijst. De Amsterdamse straatbeelden van Leo van der Noort gaan bijna verder waar die van Dolf Toussaint waren gebleven en reiken tot diep in het nu. En goed, de mensen zien er wat rijker uit, welvarender, er is wat meer variatie in huidskleur en afkomst, de auto’s zijn moderner en talrijker.. maar een wezenlijk verschil lijkt er toch niet te zijn. We zien nog steeds een stoet aan markante koppen, groepjes mensen op straat, vrouwen met hoofddoeken, heel veel fietsen. We zien nog steeds mensen die samen lachen, samen eten, samen leven. Samen de straat versieren en zich gebroederlijk verzamelen rond een op de stoep neergezette tv, bier en cola binnen handbereik. Amsterdam ís helemaal niet voorbijgegaan. Amsterdam is gewoon dóórgegaan. Zoals trouwens ook een fotograaf als Thomas Schlijper dagelijks bewijst met zijn foto’s op internet. En zelf denk ik er heel voorzichtig achteraan dat je in andere steden in Nederland wel eens net zulke foto’s zou kunnen maken. Vergelijkbare exposities van in zou kunnen richten. Maar dat durf ik in Amsterdam natuurlijk niet hardop te zeggen.

De expositie Amsterdam voor het voorbij is, met foto’s van Dolf Toussaint, is nog te zien tot en met 4 november 2018.
Amsterdam, de expositie met foto’s van Leo van der Noort, is nog te zien tot en met 25 november 2018.
Beiden in het
Stadsarchief Amsterdam. Het loont zeker de moeite ze beiden achter elkaar te zien.

woensdag 3 oktober 2018

Robocow en de stal van de toekomst






Iedereen houdt van koeien. Tenminste, dat denk ik. Dat moet wel. Geen zachtaardiger oogopslag tenslotte dan die van de koe. Wie kan de verleiding weerstaan, wandelend langs een weiland vol nieuwsgierige koeien of pinken, even stil te blijven staan bij het boerenhek? Met uitgestoken hand en lokkende geluidjes.. in de wetenschap dat ze altijd even poolshoogte komen nemen, de brutaalste voorop en de rest er al snel achteraan. Even te staan luisteren naar dat vriendelijk, aftastend gesnuif. Even te wachten op de kans zo’n zachte neus te aaien, de raspende tong te ontwijken, wat lieve woordjes te zeggen en het idee te hebben dat de koe jou ook wel aardig vindt. Ik kan het niet laten in elk geval. Ik houd van koeien. Vandaar mijn bezoek aan het Alkmaars stedelijk museum en de tentoonstelling De koe het grazen voorbij, van Hans van der Meer.
Nou word ik in het algemeen dan weer niet warm van de koe als onderwerp in de kunst - de koe in de kunst is veelal gekaapt door autodidacte dameskunstenaars in de categorie crea bea, op wiens onbeholpen en modderige dertig per dozijn schilderijen de koe er meestal niet bepaald genadig vanaf komt - maar Hans van der Meer is fotograaf, en in dit geval ook journalist, en dat levert een heel andere invalshoek op. Een geëngageerde namelijk, jawel, het bestaat nog. Met deze tentoonstelling wil Hans van der Meer ons laten nadenken over de koe. De koe als levend onderdeel in een steeds efficiënter en ge-automatiseerder wordend productieproces. Over het romantisch nostalgisch beeld van de koetjes in de Hollandsche wei. Over de prijs die wij betalen voor ons pak melk, en de prijs die de koe daarvoor betaalt. De prijs die het milieu daarvoor betaalt, het landschap. En de boer, niet te vergeten. Het stiertje als bijprodukt.
Het moet anders, is de titel van een boek dat Hans van der Meer maakte en dat de expositie begeleidt. Nu is dat het anders moet een opvatting die wel eens breed zou kunnen blijken te worden gedeeld. Van boer en consument tot dierenliefhebber en vegetariër, van Europese politiek en wethouder tot natuurbeschermer en vogelaar. Alleen over welke kant het op moet, daarover lopen de meningen uiteen. Zoals ook valt te lezen in de uitgebreide fotobijschriften in de expositie en zoals valt te beluisteren in de bijbehorende audiotour, waarin een twaalftal betrokkenen aan het woord komt om vanuit evenveel verschillende hoeken licht op de zaak te laten schijnen. Een zaak die veel verschillende kanten blijkt te hebben en wie er ook aan het woord is, er lijkt altijd wel iets voor te zeggen. Iedereen heeft ergens wel een punt, iedereen heeft wel een beetje gelijk.
Een standpunt of een oordeel wordt in de tentoonstelling eigenlijk nergens ingenomen of uitgesproken, en dat is ook wel eens fijn, in tijden van twitter en facebook, waarin onwankelbare meningen zonder nadenken en zonder schroom of nuance voor de enige waarheid worden gedebiteerd. Hier wordt de aandachtige bezoeker op nuchtere, neutrale toon geïnformeerd over de toestand en de ontwikkelingen in de verschillende hoeken van de melkveehouderij. En wordt hij uitgenodigd, op grond van een aantal persoonlijke verhalen en de foto’s aan de wand, zelf een standpunt te bepalen. Wat soms dus nog niet meevalt.
Al hangen er zeker foto’s die een en ander te denken geven. De zogenoemde dikbilkoeien op de Paasveemarkt in Schagen bijvoorbeeld. Gefokt op een genetische afwijking die ze het monstrueuze achterlijf geeft waardoor ze zich nauwelijks normaal kunnen voortbewegen, waardoor ze in elk geval nooit langs natuurlijke weg geboren kunnen worden maar dat bij de slager wel een grote vleesopbrengst oplevert. Of de foto van de koe die in een betegelde ruimte tussen ijzeren hekken wordt klem gezet en door mannen met overalls en kaplaarzen van haar eicellen wordt beroofd, die later kunstmatig bevrucht en al bij andere koeien worden ‘teruggeplaatst’. Beschamende beelden, waarbij je inderdaad vanzelf gaat denken: dat moet anders.
Daar tegenover staat bijvoorbeeld de foto van de koe die stoïcijns blijft liggen terwijl een robot van bovenaf nieuw hooi in de panoramastal van de toekomst verspreidt en van wie alleen nog het uitgestreken smoel onder de verse laag hooi uitsteekt, met een komisch hooipruikje tussen de oren. Daar tegenover staat ook de oudere, wat minder productief geworden koe, die op het laatste moment van het lijstje ‘wegens de fosfaatwetgeving af te voeren koeien’ werd geschrapt, omdat de melkveehouder het uiteindelijk toch niet over zijn hart kon verkrijgen haar na zoveel wél zeer productieve jaren zo hardvochtig naar de slacht te brengen.
En dan is er nog de foto van wat zo op het eerste oog een soort robocow lijkt te zijn. Op groene stalen poten staat daar een dito machinerie, met slangen en kabels en knoppen en drijfstangen. Alleen de dierlijke kop kijkt nog even goeiig als altijd onze kant op en de onmisbare uier hangt zachtroze en vrij onder het stalen karkas uit. Het lijkt een symbolisch beeld: de koe gedegradeerd tot willoos machine-onderdeel, al bijna geheel vervangen door robotica. De werkelijkheid is minder onheilspellend: de koe wordt van de grond getild voor een pedicurebehandeling. Om infecties en ander ongerief te voorkomen wordt overtollig hoorn van de hoeven gesneden, en door de koe op deze manier op te hijsen kan de behandelaar sneller en veiliger werken zonder diep te bukken. Hier geldt dus het aloude spreekwoord: hoe je de zaken ook bekijkt, het is niet altijd wat het lijkt. En zo wordt deze foto uiteindelijk misschien toch nog symbolisch voor de tentoonstelling.

De tentoonstelling De koe het grazen voorbij is nog tot en met 28 oktober 2018 te zien in het Stedelijk Museum van Alkmaar.