woensdag 10 juni 2020

Voetstuk





Ik vond wel dat ik er nog even over moest bellen, naar het waterleidingbedrijf, over de toestand met het hommelnest. Niet eens zozeer uit beleefdheid, hoewel ik wel zo ben opgevoed, maar vooral omdat ik benieuwd was naar hoe zo’n gesprek zou verlopen. Ongemakkelijk, vermoedde ik en ik weet eigenlijk niet waarom mij dat nu opeens zo leuk leek. Op toneel, of in een Netflixserie kan ik ongemakkelijke gesprekken meestal wel waarderen, maar voor mezelf mijd ik ze doorgaans liever als de pest. In dit geval blijkbaar niet. Vreemd, vond ik het zelf ook. Het kwam misschien omdat ik me een beetje wilde uitsloven voor mijn jongste zoon, die me geassisteerd had bij de hele operatie en die nu ook getuige zou zijn van dit telefoongesprek, als ik het nu meteen deed. Dat zou zomaar kunnen. Even laten zien dat oud nog niet altijd saai en ingedut hoeft te betekenen. Misschien wilde ik dat sowieso even aan de wereld laten weten, via het waterleidingbedrijf. Of aan mezelf, god ja, waarom niet. De uitlaatkleppen zijn dun gezaaid deze dagen.
In elk geval, het waterleidingbedrijf opende het gesprek volautomatisch met excuses voor mogelijke overlast omdat ‘veel van onze medewerkers in verband met de overheidsmaatregelen rond corona thuiswerken’. Waarna het onvermijdelijk keuzemenu, waarin je pas helemaal aan het eind kunt kiezen om aan de lijn te blijven om een medewerker te spreken, wat ik, als ik dan toch moet bellen, sowieso altijd wel prettig vind en dus liever standaard als eerste optie zou zien, met tot slot de mededeling dat ‘dit gesprek kán worden opgenomen voor leerdoeleinden’. Een kleine drie minuten na aanvang had ik ene Dewi aan de lijn, die vriendelijk vroeg waarmee zij mij van dienst kon zijn, en kon ik mijn verhaal doen.
Dat ik dus een kaartje had gekregen, begon ik bij het begin, om de stand van de watermeter mee door te geven, maar dat mijn watermeter nou eenmaal in een put in de voortuin zit, die ik daarvoor dus moest openmaken - twee zware grindtegels met ijzeren ringen eraan - dat er dan nog een stuk in plastic verpakt piepschuim over de watermeter lag, ter isolatie, en dat daar dus een hommelnest op was gebouwd. Door hommels. En dat er ook allemaal hommels uit de put omhoog kwamen vliegen, waarvan ik toen nog niet zeker wist of ze zouden steken of niet. Dat wij een insectenvriendelijke tuin om ons huis hadden, omdat het met de insectenstand immers zorgelijk gesteld was, dat we het daarom ook niet over ons hart hadden kunnen krijgen het nest kapot te maken of te verstoren en wij dus, lang verhaal kort, geen watermeterstand konden doorgeven dit jaar.
Namens het waterleidingbedrijf heeft Dewi uitgebreid alle begrip voor de situatie en vindt zij het heel mooi dat wij ervoor kozen de hommels te sparen, dat het goed is dat ik er even over bel, dat zij zal zorgen dat er een schatting gemaakt wordt, van ons watergebruik, maar dat als die erg hoog uitvalt, voor mijn gevoel, ik altijd weer even kan bellen.
Tot zover een alles behalve ongemakkelijk gesprek. Sterker nog, na zoveel weken sociaal gedistantieer leef ik er helemaal van op en grijp ieder aanknopingspunt dat Dewi mij biedt, iedere stilte die zij laat vallen aan om het gesprek zo lang mogelijk te rekken met veel omhaal van woorden, nauwelijks ter zake doende uitweidingen en grappige grapjes.
Ondertussen zit mijn jongste zoon aan de overkant van de tafel over zijn zoveelste schaal yoghurt met muesli gebogen er het zijne van te denken, dat zie ik heus wel. Meewarig schuddend met zijn hoofd en rollend met zijn ogen en met scheve lachjes van plaatsvervangende schaamte vindt hij het duidelijk een zwaar overdreven gedoe met vervelende, muffe ouwe mannen grapjes, maar het kan me niks schelen. Ik heb een hommelvolk gered, Dewi vindt het ook.

vrijdag 5 juni 2020

Hommels





Van het waterleidingbedrijf kreeg ik onlangs het jaarlijks schriftelijk verzoek de stand van de watermeter op te nemen en liefst via internet door te geven. Dat zou, volgens het kaartje, alles bij elkaar slechts twee minuten tijd in beslag nemen. Een werkje van niks, wilde het waterleidingbedrijf maar zeggen. Toch is het elk jaar weer een werkje dat ik graag voor me uit mag schuiven en het zal de eerste keer niet zijn dat het er helemaal niet van komt en er van hogerhand een schatting van ons watergebruik wordt gemaakt. Een schatting die overigens altijd accuraat genoeg is om er het jaar erna opnieuw niet al te zwaar aan te tillen.
Maar goed, vandaag moest het maar eens gebeuren. Ik had mijn jongste zoon geronseld voor het zware en het vieze werk, zelf zou ik aanwijzingen geven, notities maken en de administratieve afwikkeling verzorgen. Onze watermeter, moet u weten, zit in een kniediepe put in de voortuin, afgedekt met twee zware stenen platen waarop, voor het gezicht, naast het nodige kleine spul, ook nog een vrij grote en onhandig te verplaatsen plantenpot staat. Onder die stenen platen, die je aan roestige metalen ringen die aan een middeleeuwse kerker doen denken van hun plaats moet tillen, tref je dan een sterk vervuilde plastic zak waar ooit kunstmest in heeft gezeten maar die nu twee stukken piepschuim bevat en aldus al jaren dienst doet als isolatie tegen de vorst. Om de watermeter vervolgens af te lezen moet er eerst een klepje worden geopend en daarvoor is het onvermijdelijk om op de knieën te gaan en tot aan de schouder in de put te reiken. Om de meterstand te ontcijferen, in de halfduistere diepte, moet je zelfs je hoofd naar binnen steken, wat bepaald niet aanlokkelijk is vanwege de schimmels, het eeuwenoude spinrag, de modderige viezigheid en het wegschietend en rondkruipend gedierte. Als enig lichtpuntje in de hele zaak zit er steevast een dikke pad op de bodem te somberen. Alsof hij denkt: Ja hoor, laat mij hier maar wachten. De pad vinden we leuk. De pad beschouwen we als een oude bekende, hoewel we uiteraard niet zeker weten of het steeds dezelfde pad is.
Bij het openen van de put bleek deze dit jaar zelfs nog meer door de natuur in bezit genomen dan waar we al op waren voorbereid, want op de sterk vervuilde plastic zak met stukken piepschuim troffen we een hommelnest. Een aanvankelijk wat onooglijk hoopje dode blaadjes, esdoornvleugeltjes, dennennaalden en onduidelijke rommeltjes waarvan je je later pas afvraagt hoe die hommels dat daar in vredesnaam allemaal op een hoopje in die put hebben gekregen, met die kleine pootjes zonder handjes, maar dat het een hommelnest was werd meteen duidelijk want ze kropen voortdurend naar binnen en naar buiten door verschillende toegangspoorten. Hoe onooglijk ook, het was weldegelijk een bouwwerk waarover was nagedacht.
Een handvol hommels vloog ons direct verontrust tegemoet. Lichtelijk verontrustend ook wel trouwens want ik meende dan wel te weten dat hommels, als ze al konden steken, het in elk geval niet heel snel deden maar zo een bedreiging van hun nest zouden ze misschien wel eens als een goede reden kunnen zien het toch maar eens te proberen. En hoeveel hommels zaten er dan eigenlijk in zo’n nest? Ik had weer eens geen idee.
Dus daar stonden we dan. Besluiteloos. In twijfel. Aan de ene kant de dwingende vraag van een voormalige overheidsinstantie en het feit dat we al halverwege onze lang uitgestelde operatie waren; aan de andere kant een hommelnest dat beslist onherstelbaar beschadigd zou raken wanneer we de watermeter toch probeerden te bereiken, met alle verdere gevolgen van dien.
We besloten dat we het niet over ons hart konden verkrijgen. Dat je niet een insectenvriendelijke tuin kunt hebben en dan een heel hommelnest vernietigen voor zoiets onbenulligs als de juiste stand van de watermeter. Het gaat immers al slecht met de insecten, en hommels zijn ook nog eens een keer onze favorieten. Het is een groot plezier ze zo gezapig van bloem naar bloem te zien zoemen.
We stelden onze hommels gerust, legden de stenen platen weer terug, er op lettend de ingang open te houden, zetten de onhandig te verplaatsen plantenpot weer op zijn plek en prijsden ons gelukkig met een eigen hommelnest in de tuin. Dan maar weer een schatting dit jaar. Daar hoeven we niet zo zwaar aan te tillen.