vrijdag 10 januari 2020

Lichtdonker






Het is nog vroeg in de ochtend. Samen met een vriend fiets ik terug naar huis, van het zwembad, waar we ieder onze baantjes hebben getrokken. De vriend doet er tachtig met een ferme, niets ontziende borstcrawl, ikzelf houd het op drie kwartier tussen de andere zwemmers door heen en weer slalommen met een zo ferm mogelijke schoolslag. Twee keer in de week doen we dat: achterlijk vroeg uit de veren om om zeven uur als eerste in het water te liggen, voor de conditie en de beweging. We zijn niet van plan de boel te laten versloffen en de stramme oude mannen te worden die we wel eens om ons heen zien. Vaders. Schoonvaders. IJdele hoop waarschijnlijk maar laat ons nog maar even in de waan, we zijn nog jong genoeg.
Om acht uur zitten we dan energiek en voldaan aan de koffie zonder koekje te constateren dat waar de rest van de wereld nog hortend en stotend op gang aan het komen is, wíj deze sporen vandaag in elk geval alvast verdiend hebben. Wat er op andere dagen wel eens anders uitziet, om acht uur ’s ochtends. Bij mij in elk geval wel. We nemen beknopt de wereld en het leven door en fietsen dan fris en goedgehumeurd de rest van de extra lange dag tegemoet. Zo ook vandaag.
Wat de temperatuur betreft zou je het niet zeggen, maar het is midden in de winter. De kortste dag hebben we nog niet zo lang achter de rug dus rond deze tijd is de zon zo’n beetje halverwege het opstaan, die trekt zich van een klimaatverandering niets aan. Zoek het maar uit met je zooitje, denkt de zon, en geef haar eens ongelijk. Het is niet meer donker maar ook nog niet licht. De fietsverlichting laten we achterwege. Niet meer nodig, oordelen we. Teveel onhandig gedoe ook, met die losse lampjes die nooit blijven zitten hoe en waar je ze hebben wilt. En hoezo moet je je eerst een weg door achtentachtig verschillende knipperstanden werken voor je zo’n lampje weer uit hebt? Maar goed, dit terzijde.
Hoewel wij dus vinden dat het niet meer donker is, is de meneer die ons halverwege op het fietspad tegemoet wandelt van mening dat het nog niet licht is. Het is een wat oudere meneer die zijn hondje uitlaat. Doe je licht aan! Roept hij ons van verre toe. Doe je licht aan, snauwt hij ons toe als we wat dichterbij zijn.
Misschien heeft de meneer wel gelijk, dat zou kunnen, zeker, maar het schiet ons toch in het verkeerde keelgat. We zijn nog jong misschien, maar geen kwajongens meer. Ook daarom onderdrukken we de neiging iets onaardigs terug te roepen. Maar de neiging is er dus wel, en dat is jammer.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten