zaterdag 15 april 2017

Merel





T
oen ik thuis kwam, van het één of ander, lag er een merel op het tuinpad. Een vrouwtje, was het. Bewegingloos lag ze daar, aan mijn voeten. Dood was ze niet, maar veel leven leek er ook niet in te zitten. Het was een volwassen exemplaar, voor overmoedige nestvlieders is het ook nog veel te vroeg in het seizoen. Met lijdzame blik zat ze af te wachten wat komen ging. Dat was blijkbaar aan mij.
Tja. Ik wist ook niet precies wat komen ging. Dat wil zeggen, als er niets gebeurde had ik wel een vermoeden van wat komen ging, het wemelde van de katten in de straat. Ik wist alleen zo snel niet wat mij nu te doen stond.
Wat moet je met zo’n beestje? Mee naar binnen nemen en in een kartonnen doos langzaam weg laten kwijnen leek me geen optie, zelf hebben we bovendien ook een kat, een complicerende factor. En was er niet iets van een vogelziekte? De dierenambulance zag me al aankomen natuurlijk en het beest de genadeklap geven, nee, daar ben ik de man niet voor.
Maar ja, ze lag wel op mijn tuinpad. Ik wilde haar ook niet aan de wilde dieren overleveren.
Of in bloederige stukken terugvinden op de deurmat, dat ook niet.
Ik boog me eens voorover om te zien of ik kon zien wat er aan de hand was, maar veel wijzer werd ik niet. Dat ik haar bemoedigend met mijn vinger over de kop kon aaien zonder enige reactie, leek mij geen goed teken.
Verdorie, daar stond ik dan. Ik keek eens links en rechts de straat in, of daar misschien een oplossing aan kwam lopen, een minder besluiteloos iemand dan ik bijvoorbeeld, maar nee.. ik stond er alleen voor.
Alleen met de merel.
Die toen zonder enige overgang pardoes opvloog, met een energiek roefff, en in karakteristieke vlucht drie huizen verder de hoek om uit zicht verdween. In een oogwenk opgestaan uit de dood.
Later, het voorval alweer bijna vergeten, zag ik boven op de ruit van de balkondeur nog een ordeloze afdruk van wat vooraf was gegaan.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen