vrijdag 21 november 2014

In de wespenval

Tjonge, we moeten goed uitkijken waar we onze blote voeten neerzetten, de laatste weken, in de slaapkamer. Op de hele bovenverdieping, eigenlijk. In alle slaapkamers. Bijna dagelijks liggen er stervende wespen op de vloer. Moe en futloos kruipen ze rond, soms met wel drie of vier tegelijk, dralend op weg naar het einde. Of ze zoemen nog zo’n beetje zomers tegen het glas van de balkondeuren, of het dakraam, dicht allebei, zo halverwege november, maar dat is met hun laatste krachten, dat is duidelijk te zien. Straks darren ze ook op de grond. En als je er dan op stapt, omdat je niet oplet, zul je maar net de laatste zijn die ze gauw nog even steken.
Nou ja, het is niks nieuws hoor, het is half november, dan is het gewoon de hoogste tijd om dood te gaan, voor wespen. Alleen de koninginnen, die blijven leven. Om in het voorjaar een nieuw nest te beginnen, zodat we de volgende zomer ook weer lekker last van wespen op de appeltaart kunnen hebben. Tenminste, dat is wat ik ervan onthouden heb.
Goed nieuws is het ook niet trouwens. Ja, je kunt natuurlijk denken: de enige goede wesp is een dooie wesp en iedere dooie wesp is er weer één minder, maar daar valt om te beginnen misschien nog wel wat op af te dingen, wespen schijnen reuze nuttig te zijn, in de kringloop van het leven, maar bovendien bedoel ik dat niet. Nee, ik bedoel.. ik neem niet aan dat al die wespen van heinde en verre naar ons huis komen vliegen om hier in alle rust hun laatste wespenadem uit te komen blazen. Al weet ik eigenlijk ook niet of wespen ademen, maar goed, dat zal wel, al gaat het waarschijnlijk anders dan bij ons. Wat ik wil zeggen, één stervende wesp die toevallig binnen is komen waaien, daar kan ik nog wel inkomen. Maar als het er tientallen zijn, weet je het eigenlijk al. Dat kan maar één ding betekenen. Je kunt het wel raden, en inderdaad, na een korte zoektocht blijkt wat we al vermoedden: we hebben een wespennest onder de pannen.




















Het vreemde is wel dat we dat de hele zomer niet gemerkt hebben.  Niet één wesp hebben we binnen gehad. En in de tuin is ons ook niks bijzonders opgevallen. Terwijl, als ik nu die stoet eens bekijk, die onder het dak af en aan vliegt, en naar binnen en buiten kruipt.. dat moeten we dan toch eerder hebben gezien. Het is vlak boven de fietsenschuur, nota bene. Aan de andere kant lijkt het me ook sterk dat ze nú nog eens aan een nest gaan beginnen. Of zouden ze vast een beetje vooruitwerken, voor volgend jaar? Dat de koningin dan niet alles zelf hoeft te doen?
Je weet het niet met wespen. Ik heb het altijd nare beesten gevonden, zoals de meeste mensen, vermoed ik. Als ik er één dood kon slaan, deed ik het. En grondig bovendien, want ik was ook nog eens een schijterd. Tot we op een kampeervakantie iets bijzonders zagen, met wespen. Toen ben ik er anders over gaan denken.
Het was een goed wespenjaar dat jaar, want er waren er heel veel. Daarom hadden we een wespenval in elkaar geknutseld. Dat hoort eigenlijk met een petfles, maar wij hadden het met zo’n plastic gebaksdoos uit de supermarché gedaan. Dat zal ook wel gaan, dachten wij. Een flinke plas limonadesiroop op de bodem, om in te verzuipen, en de doos langs de randen dichtgeplakt met plakband. En het leek ook wel aardig te werken want al snel lagen de eerste wespen erin, met plakkerige, natte vleugels, te zwaar om nog te vliegen. Maar verzuipen deden ze niet en na een tijdje zagen we dat er ook geen nieuwe wespen meer in de gebaksdoos kropen. Wel vloog er continu een lange, zoemende rij af en aan. Waarschijnlijk met buiken vol limonadesiroop want het klonk erg tevreden, en het peil daalde gestaag. Toen we de zaak eens wat beter bekeken, zagen we dat de wespen die in de doos waren gekropen, gaatjes in het plakband hadden geknaagd en daar doorheen de limonade aan hun collega’s gaven. Alle andere wespen kwamen daar, aan de buitenkant van de doos, als aan een loket een portie limonade halen, om het snel weer ergens anders heen te brengen. Naar het nest waarschijnlijk. Of de voorraadkamer.
En dat vond ik dus knap van die wespen. Dat die paar die in de limonadesiroop terecht waren gekomen blijkbaar tegen de rest hadden gezegd dat ze beter buiten konden blijven. En dat ze op één of andere manier met elkaar een plan hadden bedacht en afgesproken. En een taakverdeling, en een stappenplan. Dat ze elkaar de tent niet uitvochten om ieder voor zich zoveel mogelijk zelf te pakken te krijgen, zoals je vogeltjes ’s winters ziet doen, op een overvolle voederplank met genoeg voor iedereen. En dat de wespen ín de doos ook niet gingen liggen jeremiëren dat het niet eerlijk was dat zíj nu in de smurrie zaten en helemaal nat en kleverig, en dat nu wel eens een ander aan de beurt was. Waar je je ook iets bij voor zou kunnen stellen. Dat verwacht je toch allemaal niet, van wespen.
Wij hoefden nu alleen maar te zorgen dat er voldoende limonadesiroop in de gebaksdoos zat, dan hadden wij er geen last meer van, en konden ze toch blijven leven. Want laten we eerlijk zijn, zo’n fles met een dikke laag dode en voor hun leven vechtende wespen op de bodem, dat is toch ook een rotgezicht. Het lijkt dan toch net of ze angstig uit hun gemene oogjes kijken.
De volgende dag zagen we trouwens nóg een sterk wespenstaaltje. Nog sterker eigenlijk. Kampeerders naast ons hadden wél een petfles gebruikt, om een wespenval mee te maken, en die zat al aardig vol. Onderop een flinke laag dode wespen, waar geen redding meer voor mogelijk was, maar daar bovenop kropen er ook nog een heleboel paniekerig rond en heen en weer en over elkaar heen. Vliegen konden ze niet meer, daar waren ze te kleverig en te zwaar voor geworden, maar er was ook niet genoeg limonade over om kopje onder in te gaan. Een rotgezicht, zoals ik al zei. Maar ja, het was de fles van de buren, wat doe je eraan? Tot we iets heel bijzonders zagen. Tegen de wand van de fles had zich een torentje van wespen gevormd. Als in een wespencircus waren ze op elkaars schouders gaan staan in een poging de uitgang te bereiken, die ze ergens boven zich wisten. Er stonden er zeker al tien op elkaar en nummer elf zagen we langs de anderen naar boven klimmen. Je denkt misschien dat ik het hier en nu uit mijn duim zit te zuigen, maar het is echt waar gebeurd. Het was een wonderbaarlijk gezicht. En het allerbijzonderste was misschien nog wel dat nummer acht in het torentje geen wesp was, maar een vlieg. Een bromvlieg. Die kunnen elkaar dus verstaan, denk je dan. En met elkaar samenwerken. Toen we dat zagen hebben we het flesje meteen opengemaakt, zodat de wespen eruit konden, de vrijheid tegemoet. En de vlieg ook natuurlijk.
En sindsdien bekijk ik wespen met andere ogen. Met een soort van bewondering, misschien wel. Al zit dat nest onder de pannen me nog steeds niet lekker. Dat dan weer niet.

6 opmerkingen:

  1. Je zou bijna sympathie krijgen voor bromvliegen en wespen ...

    BeantwoordenVerwijderen
  2. De bloeiende klimop in mijn tuin heeft altijd een wolk wespen en andere nectarzoekers. Vooral nu het kouder wordt is dat een mooi gezicht.
    De wespen trekken zich van niets en niemand iets aan. De koude maakt dat zij alleen aandacht hebben voor het eten.

    Een begin van een wespennest is er ooit geweest in mijn tuinschuurtje.
    Toen ik dat weghaalde heeft er nog een wespennest tegen de schuur in de grond gezeten. maar ook dat is met het tuinieren verdwenen.

    Maar nooit ontdekte ik een nest in of aan mijn huis. Misschien omdat ik een platdak heb?

    Sterkte met de wespenoverlast.

    Vriendelijke groet,

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Voor ons is het niet de eerste keer. De wespen kiezen ieder jaar een ander pannendakje uit, bij de buren of bij ons. Dit jaar waren wij blijkbaar weer aan de beurt. We wachten het voorjaar maar even af. Theoretisch zou het dan verlaten moeten zijn, als ik het allemaal goed begrepen heb.

      Verwijderen
  3. Nou net getuige geweest van vechtende wespen, de 1 moest t ontgelden en werd letterlijk doormidden gebeten. Was toch behoorlijk onder de indruk.

    BeantwoordenVerwijderen