zaterdag 10 maart 2018

Industriële kathedraal met onzinapparaten






Alleen voor het gebouw al. Man! Jarenlang heb ik er pal naast gewoond, een leven geleden alweer. Letterlijk onder de rook want die waaide hoog over naar veel verderop in de stad. Zo pal dus. Vanuit de woonkamer zag ik de twee metaalkleurige schoorstenen torenen en die enorme vierkante hal stak ruim boven de scharrige huizen aan de overkant uit. De elektriciteitsfabriek in Den Haag. En nu lopen we er binnen. Voor Infinity, de expositie van Zoro Feigl.
Volgens het immer in overtreffendste trappen sprekende knmi is het de koudste eerste maart sinds de Kleinste IJstijd, en koud is het inderdaad, maar op één of andere manier sluit dat heel aardig aan bij de sfeer. Dik ingepakt, met de kragen op, betreden wij een vreemde, wat duistere wereld. Ziet het gebouw er aan de buitenkant nog uit als een grote vriendelijke reus, met zijn zorgvuldig vormgegeven 19e eeuwserige ingangspartij met torentjes, kanteeltjes en dakkapelletjes, zijn fraaie gevel met siermetselwerk om de halfronde vensters, binnen treffen we een ruige, afgetrapte fabriekshal model 1950. Een galmende industriële kathedraal die lijkt te zijn overgebleven van een dystopisch doemscenario. Opgetrokken rond een skelet van haveloze stalen balken van soms wel een meter hoog, zwaar leunend op zeer robuuste, vierkante pilaren. Gruizige plafonds met grote en kleine gaten lukraak her en der, waar ooit wel buizen en leidingen doorheen gelopen zullen hebben. Een betonplaten vloer die zich metersver uitstrekt en buitenwanden van indrukwekkende oppervlaktes gele baksteentjes, in klezorenverband de hoogte in gemetseld, die tegen al dit grof en gerafeld geweld vreemd keurig, haast truttig afsteken. Achterin het gebouw, waar de tussenverdieping ophoudt, kijk je tientallen meters omhoog een grimmig stalen labyrint in van zigzaggende trappen, loopbruggen en plateaus, dwarsbalken en constructiekruizen, vloertjes, roosters en trapleuningen. Aan de andere kant hangt een tweetal zware takelhaken omineus te zwijgen.
Toch zou je meteen bij binnenkomst al niet zeggen dat deze fabriekshal leegstaat. De immense, koude en schemerige ruimte is gevuld met industriële geluiden. Lawaai, gesis, metaal op metaal, stampende beweging, geknars, geschuur en gerammel, alles in veelvoud versterkt door de holle galm. Je zíet ook overal beweging. Vanuit allerlei ooghoeken zie je veelbelovend iets draaien, zwaaien of heen en weer gaan, lonkend in een felle kleur of alleen een mysterieus silhouet. Plotseling, met veel kabaal, soms subtiel of nauwelijks waarneembaar.
We lopen rond en laten ons bekoren en betoveren door een verzameling merkwaardige, speelse machines, installaties, apparaten die geen ander nut of doel lijken te hebben dan er zijn, en te bewegen. Tegelijk is hun aanwezigheid volkomen aannemelijk. Doordat de meeste objecten niet al te nadrukkelijk als kunst worden gepresenteerd maar zonder omhaal staan waar ze staan waar ze dan blijkbaar dus horen te staan en maar onverstoorbaar hun ding blijven doen, op door henzelf bepaalde momenten, worden ze één met het gebouw. Krijgt het ook iets onontkoombaars. Zou je je zomaar kunnen laten verleiden tot de gedachte dat hier weldegelijk iets tot stand wordt gebracht. Dat er weldegelijk een nut en een doel gediend wordt. Dat dat je alleen maar ontgaat. Wat daarbij ook helpt is dat de objecten, net als het gebouw, een ouderwets industriële uitstraling hebben en samengesteld lijken te zijn uit materialen en onderdelen die net zo goed uit het gebouw afkomstig zouden kunnen zijn. Robuuste elektromotoren, kettingen, stangen, brandslangen, rubber banden, zeildoek en touwen zo dik als een bovenarm. In elkaar gezet bovendien met een uiterst functioneel ogende deskundigheid. Geen charmant provisorisch geknutsel maar het echte werk. Gebouw en kunst smelten zo samen tot één spannend, uniek, geheel eigen universum. Klinkt een beetje als de verheven catalogus blabla waar ik eigenlijk een hekel aan heb, maar het is wel waar. Ga maar kijken.
Evengoed is het binnen al die industriële robuustheid wel de lichtvoetigheid die regeert. Want het blijven onzinapparaten natuurlijk, die geen ander doel hebben dan er zijn, en te bewegen. Voor de lol. Gewoon voor de lol. Het plezier dat de kunstenaar erin gehad heeft het te maken en dat er overal van af spat, en de lol die wij er weer aan beleven door er bij te staan en er naar te kijken.
Het is verleidelijk hier en nu een aantal van die installaties te beschrijven, in enthousiaste bewoordingen. Het risico is een beetje dat dat niet uit de verf komt en dat het zo’n verhaal wordt dat eindigt in een futloos “je had erbij moeten zijn”. Maar goed, dat moet dan maar.
Zo zien we bijvoorbeeld twee lopende banden, gewoon zoals die waar je je boodschappen oplegt wanneer je ze hebt gedaan, die slingerend en slepend met enig geraas een logge dans uitvoeren. Ze hangen van iedere context ontdaan los van het plafond naar beneden, schuins achter elkaar, en nemen telkens even het rit aan, aangedreven door beweeglijk aan kettingen hangende motoren.
Verderop staan we zeker een kwartier te kijken naar een losjes in de lucht gehouden kluwen van hun rol bevrijde brandslangen die in een ingewikkeld gesloten systeem aan elkaar zijn gekoppeld. Aanvankelijk hangt een groot deel van de slangen slap naar beneden geknakt maar doordat er ergens, vrijwel onzichtbaar, gedurig lucht in wordt gepompt en de boel steeds meer op spanning komt, zet het slangenstelsel langzaam maar zeker met hele kleine beweginkjes uit, als een vreemdsoortige plant die zich geleidelijk weer verheft nadat er op getrapt is. Een wonderlijk en wonderschoon schouwspel.
Op de tussenvloer treffen we vier autowielen die in een sierlijk gevecht zijn verwikkeld. Of in een gewelddadig ballet. Als een draaimolen hangt het geheel naar beneden. De drie buitenste wielen bewegen om het middelste, dat met een elektromotor is uitgerust en zo nog zijn eigen rondjes draait. Telkens wanneer één van de buitenste drie de middelste raakt wordt hij zonder mededogen weggezwiept, slechts rammelend in toom gehouden door zijn ketting.
Een iets andere, bijna verstilde sfeer treffen we beneden, waar tegen de wand van keurige gele baksteentjes twee transportbanden kalm en gestaag hun rondjes draaien, van beneden naar boven en achterlangs weer terug. Onderaan wordt de band door een bak met dikke vloeistof gevoerd die, cohesie adhesie, in een lobbige laag mee naar boven wordt genomen om ergens onderweg gedeeltelijk van gedachten te veranderen en terug naar beneden te zakken waardoor er twee lagen vloeistof in tegengestelde richting over elkaar glibberen. Dit levert een intrigerend en merkwaardig rustgevend schouwspel op. Twee monochroom psychedelische vloeistofdia’s die mij ook de associatie met de hoge glas in lood ramen van een kathedraal opleveren.
Nou goed, ik heb mijn best gedaan.

De tentoonstelling Infinity van Zoro Feigl is nog tot en met 18 maart te zien in de Electriciteitsfabriek in Den Haag. Als u in Den Haag woont of in de buurt bent is een bezoekje zeer aan te raden. Als u niet in de buurt bent is het een omweg waard. Kijk voor de openingstijden en andere toestanden op electriciteitsfabriek.nl

Geen opmerkingen:

Een reactie posten