zaterdag 13 januari 2018

Reptielenbrein






Voor ik na de koffie weer verder zou wandelen, bezocht ik nog even het toilet van het café. Als man heb je dan vaak de keuze tussen één of meer afsluitbare privécabines met een klassieke wcpot waar je ook op zou kunnen zitten als hij daar niet te goor voor was, en een rijtje urinoirs met piepkleine schotjes ertussen waar je staand op een nepvlieg kunt plassen en net moet doen of je niet over die schotjes heen kunt kijken en bekeken worden, of je het geen enkel probleem vindt om vlak naast een klaterende wildvreemde op je straal te staan wachten. Er zijn zelfs cafés waar niet eens tussenschotjes zijn, waar je met z’n allen in een aluminium trog schuimend in elkaars water staat te wateren. En op elkaars broek staat te spetteren. Er zijn zelfs mannen die daar een gesprekje bij aanknopen. Man! Wie dacht dat alleen de dames het zwaar hadden moet maar eens op de heren gaan kijken.
Als het even kan kies ik voor de dan soms maar wat ranzige privacy van het toilet met een deur en een slot, waar ik dan in voorkomende gevallen maar niet ga zitten en de boel dus noodgedwongen alleen nog maar erger maak.
In de toiletruimte van het café was verder niemand, het zag er allemaal proper uit, er was één toilet met een deur en dat was niet bezet. Niets stond een ongestoord, ordelijk en vlekkeloos toiletbezoek in de weg. Bij het opentrekken van de deur deinsde ik echter terug. In de pot lag, nauwelijks verscholen onder wat besmeurd wcpapier, de gezonde Hollandse opbrengst van mijn voorganger. Gadverdamme! Zeg dat wel. Als dit het resultaat was van vergeetachtigheid dan was het wel in een zeer ver gevorderd stadium. Als dit de wraak was van een ontevreden klant voor een slechte bediening of een vieze cappuccino dan was het wel erg passief agressief. En wat kon ík daar aan doen?
En inderdaad, wat ging ik hier aan doen? Ik kon de zaak natuurlijk doortrekken en zo snel mogelijk vergeten maar voordat ik dat bedacht, had mijn reptielenbrein al besloten deze keer dan toch maar een urinoir te gebruiken, al had ik ook andere behoeften. Bovendien, gaf ik mijn reptielenbrein groot gelijk, was het natuurlijk gewoon smerig om in een café andermans stront door te moeten trekken. En misschien was de stortbak dus wel kapot en dan zat je helemaal met de gebakken peren. Dan was je je verantwoordelijk gaan voelen voor andermans shit en dan draaide er alleen maar een minimaal straaltje water machteloos om de feiten heen. Wat dan? Ik moest er niet aan denken.
Waar ik wél aan moest denken was het feit dat deze drol voor de rest van de wereld vanaf dit moment hoe dan ook van mij zou zijn. Iemand die nu het toilet zou betreden, terwijl ik hier mijn handen stond te wassen, zou wel weten hoe de vork in de steel zat. Iemand die na mij het toilet zou betreden zou hetzelfde tafereel aantreffen als ik, zich misschien herinneren dat hij mij tegenkwam in het halletje, zich misschien herinneren dat hij mij kort tevoren uit het toilet had zien komen en meteen zijn overhaaste conclusie trekken. Het bedienend personeel dat ik discreet op het geconstateerde euvel zou kunnen wijzen zou er ook wel het zijne of hare van denken.
Ik kreeg het verdorie spaans benauwd. Hoe redde ik mij hieruit? Ik vroeg het mijn reptielenbrein, dat onmiddellijk reageerde. Met de moed der wanhoop trok ik een staalhard gezicht waarmee ik het toilet zo achteloos en onopvallend mogelijk verliet, zo snel mogelijk mijn koffie betaalde, zo ruim mogelijk tipte, mijn rugzak greep en mij zo onnadrukkelijk haastig als kon uit de voeten maakte.
Nog kilometers lang bleef ik schichtig achterom kijken.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten