dinsdag 29 augustus 2017

Strijk & zet





De vakantie zat er wel zo’n beetje op, voor de man. Dat wilde zeggen, hij was teruggekeerd op het honk, van zijn avonturen in den vreemde net over de grens. Alweer een tijdje trouwens, maar deze week was zijn vrouw dan weer aan het werk gegaan en begon het dagelijks leven tenminste weer iets van een ritme te krijgen, al was het nog behoorlijk abstract. Zijn jongens hielden er in hun zich nog twee weken oneindig voortslepende schoolvakanties namelijk weliswaar een redelijk stabiel ritme op na, van ’s middags tegen tweeën langzaamaan opstaan en ’s nachts tegen drieën langzaamaan weer terug naar bed met weinig tot geen activiteit van betekenis daar tussenin, maar die regelmaat werkte eerlijk gezegd eerder ontregelend dan wat anders.
Hoe het ook zij, één ding verliep in elk geval wél alvast geheel volgens de klok, en dat was het humeur van de man. Ieder jaar, iedere vakantie, ieder weekendje weg zelfs doorliep dat dezelfde fasen. Strijk en zet.
Vol goede moed keerde hij allereerst terug op het honk, in de volle en blijde overtuiging dat alles vanaf nu allemaal heel anders zou gaan. Héél anders. Alles. Dat had hij dan in de vakantie lopen bedenken, dat dat moest en dat dat zou. Allemaal. Dat dat veel beter zou zijn.
Daarop volgde een soort tussenfase, waarin nog niet zo heel veel gebeurde omdat er nou eenmaal moest worden uitgepakt en opgeruimd en gewassen en gedaan, en.. ja.. ook omdat het nog een klein beetje vakantie was natuurlijk en er tenslotte best een beetje mocht worden nagenoten. In deze fase werd de goede en blijde moed langzaamaan steeds diffuser, steeds schimmiger, om uiteindelijk geheel te worden uitgedoofd door het besef dat het allemaal natuurlijk gewoon zo’n beetje bij het oude ging blijven. Dat alles gewoon z’n oude, vertrouwde gangetje zou blijven gaan.
Gevolgd door een periode van mild mismoedig chagrijn.
In die periode was de man dus nu beland.
Tja. Jammer.
Maar geen man overboord, en zeker de man niet, want omdat dit ieder jaar volgens hetzelfde patroon verliep, wist hij ook dat spoedig de volgende fase zou aanbreken. Waarin hij zich realiseerde dat z’n oude, vertrouwde gangetje helemaal zo slecht nog niet was. Helemaal niet zelfs. Integendeel.
Die goeie ouwe fase kwam eraan, hij wist het.
Hij kon bijna niet wachten. 

vrijdag 4 augustus 2017

Gevorkt





Op de vakantiebestemming in de Eifel liepen wij de Eisvogelwanderweg. Geen ijsvogel gehoord of gezien natuurlijk. Die zijn veel te schuw om zich voor het karretje van de Touristeninformation te laten spannen. Dat weet je van tevoren.
Ja, was het een uitzending van de Baardmannetjes op Max geweest, dan was het wel anders gelopen. Dan had Nico de Haan ons op de hem kenmerkende alwetende toon uitgelegd dat hij ons vandaag zeker een heel goede kans op een ijsvogeltje gaf, omdat die in dit gebied best wel vaak voorkwamen, we langs een snelstromend beekje liepen, met veel laag overhangende takken, en dat dat een ideaal leef- en jaaggebied voor ijsvogeltjes was. Dat hij dus zijn best zou gaan doen voor een ijsvogeltje. En dan zou Nico de Haan wel gezorgd hebben dat het op het eind van de dag gelukt was. Desnoods met listig ingemonteerde archiefbeelden. En dan hadden wij, als naïeve Hansen Dorrestijns, verheugd en ontroerd ah en oh kunnen roepen. Maar dat zat er dus niet in. De enige ijsvogels die we gezien hebben, waren de foto’s op de informatieborden van de wandeling.
Nou vind ik de ijsvogel persoonlijk toch een beetje té, eerlijk gezegd. Ik vind ze een beetje opgelegd mooi. Alsof iemand gedacht heeft: nu ga ik een vogeltje maken dat iedereen wel mooi móet vinden. Een beetje uitsloverig. Al dat blauw. Al dat oranje. Al die exotiek. En dan gewoon een standvogel zijn. En je dan te goed voelen om je af en toe eens te laten zien, aan de hardwerkende wandelaar. Al kan het ook zijn dat het ijsvogeltje dat zelf ook allemaal vindt, en zich daarom liever niet laat zien. Dat zou dan weer zielig zijn. En niet nodig.
Enfin, het was een fijne wandeling, klimmend en dalend langs het stroomdal van een allervriendelijkst beekje. We waren het er over eens dat één en ander een paradijselijke indruk op ons maakte. Waaruit maar weer blijkt dat we daar weinig voor nodig hebben. Het geruis van zacht stromend water over een paar rotsen, de lommer van een handvol jonge boompjes, wat overhangend groot hoefblad, een beetje balsemien en je bent een heel eind, wat ons betreft. Al verzinnen wij daar wel onze jongetjes bij, druk in de weer met keien en stenen om de loop der dingen te bedwingen.
We zagen paarden, in de weilanden langs de beek. Op sommige plekken konden ze de beek oversteken naar een weiland aan de andere kant. Dat leek ons leuk voor de paarden.
We zagen koeien, on-nederlandse koeien, in andere kleuren en met horens. Dát zijn we al niet meer gewend, deze koeien stonden ook nog in familieverband bij elkaar. Vader stier, in volle glorie, met een handjevol moeders koe en een hele bende kalfjes er dartelend omheen. Dat leek ons leuk voor de koeien.
Op het eind van de wandeling vloog ons dan nog een grote roofvogel in het vizier, waarvan wij meenden te weten dat dat een wouw was. Milan, in het Duits. Wisten we ook nog. Aan de staart kun je zien of het een Rotmilan of een Schwarzmilan is. De één is gevorkt, de ander niet. Welke wel en welke niet, dat waren we dan weer kwijt. Bovendien bleek het later niet helemaal waar te zijn. Beiden hebben een gevorkte staart. De rode iets meer dan de zwarte. Of andersom. En de onze had wel een érg gevorkte staart, zodat we later ook weer zijn gaan twijfelen aan onze waarneming.
Nee, daar kan Hans Dorrestijn nog een puntje aan zuigen.