maandag 24 juli 2017

Noodgeval





Zeventien en achttien, waren zijn jongens nu. Achttien en zeventien. Bijna groot. Nou ja, ze staken natuurlijk ruimschoots een kop boven hem uit allebei, maar dat bedoelde hij dan ook niet. Ze waren wel zo’n beetje af. Hij hoefde er niet zoveel meer aan te doen. Zijn werk zat er op.
Dat was in elk geval de indruk die ze hem zelf vaak gaven. Dat hij zich nergens meer mee hoefde te bemoeien. Alsjeblieft. Liever niet zelfs.
Nu speelde het grootste gedeelte van hun puberlevens zich buitenshuis of achter gesloten deuren af, dus de gelegenheden om zich nog wél ergens mee te bemoeien, met een welgemeend vaderlijk advies, een motiverend van vader tot zoon gesprek, een helpende hand of een wijze raad, waren schaars. Werden steeds schaarser ook. En de man zou liegen als hij beweerde dat hij dat niet jammer vond. Om het maar eens in een eufemisme te vangen.
Hij wist heus wel dat het de leeftijd was en dat het nou eenmaal zo moest gaan, dat wist hij heus wel, maar soms miste hij zijn kleine jongens gewoon. Zijn kleine jongens die de beste papa van de wereld hadden, die alles wist en alles kon en er altijd voor ze was.
Hij miste zichzelf ook weleens trouwens.
Ach ja.
Hij had weleens dagen, kortom, dat hij stilletjes rondliep met het gevoel dat hij niet meer zo heel erg ter zake deed. En daarom was hij zo blij dat zijn zoon hem vanochtend vroeg of hij vandaag de hele dag thuis was. Want ja, dat was natuurlijk ook veranderd in de jaren. Papa was niet alle dagen meer thuis. Papa had zijn eigen programma.
Maar vandaag hoopte zijn zoon dus hardop dat hij thuis was. Zijn vaderhart vulde zich met warme vreugde.
Al was het niet voor lang.
Er werd namelijk tussen elf en drie een pakketje voor hem bezorgd, hielp zijn zoon hem uit de droom. En daar moest voor getekend worden. Dus dan kon het niet bij de buren afgegeven, zoals normaal.
Het kon dus echt niet anders, begreep de man.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen