maandag 17 juli 2017

Stadswild






Omdat het nuttige goed met het aangename verenigd kan worden, ben ik in zonnig hartje Den Haag, mijn geliefde geboortestad, begonnen aan een lange wandeling. Daar heb ik, tot het nut zich ’s middags weer aan zal dienen, namelijk ruim de tijd voor.
Nog maar nauwelijks echt onderweg, nog in de slagschaduw van het Centraal Station zogezegd, meen ik dan vanuit mijn ooghoek direct al iets bijzonders te zien en verdomd, daar zít ook iets bijzonders. Een eekhoorn! In het Haagse Bos, op steenworp afstand van de zojuist overgestoken A12 en het hectisch centrum van de grote stad, direct naast een druk bereden fietspad, sterker nog.. midden in een speeltuin, zit daar een eekhoorn.
Eekhoorns, dat zijn bij mijn weten ontzettend schuwe beestjes die je alleen bij hoge uitzondering en met veel geluk af en toe te zien krijgt als je met je ouders op vakantie bent in een bos ver weg op de Veluwe. Zó lang is het geleden dat ik een eekhoorn heb gezien.
En automatisch doe ik wat mij toen geleerd is: héééél stil zijn, niet bewegen en kijken.
Heel voorzichtig ook neem ik een paar foto’s, met de camera op maximaal inzoomen dus tot mislukken gedoemd, maar goed, je moet wat, als je wild ziet.
Na een tijdje zo in de gloria geweest te zijn, besluit ik een poging te wagen iets dichterbij te komen, omdat ik per slot toch ook weer een keer door wil lopen. En dan pas wordt het me duidelijk, hoe het zit. Want in tegenstelling tot wat ik verwacht had, vlucht de eekhoorn niet karakteristiek schichtig zigzaggend en spiralend de dichtstbijzijnde boom in, maar blijft hij zitten waar hij zit en keurt me geen blik waardig. Terwijl ik me nou niet bepaald als Winnetou over de bosgrond beweeg. En om het me nog beter in te wrijven krijgt hij uit de dichtstbijzijnde boom zelfs nog gezelschap van een tweede eekhoorn. Verderop zie ik er nog drie scharrelen trouwens.
Goed, de tijd heeft ook voor de eekhoorn niet stil gestaan begrijp ik, en het zal misschien niet lang meer duren voor je ze bij je terrastafeltje weg moet jagen.
Toch koester ik tot diep in Wassenaar mijn geluksgevoel.
Een eekhoorn! Vlakbij!

Uit: Terug in de Horsten, gepubliceerd op De Vrije Wandeling, weblog van een wandelaar.

woensdag 12 juli 2017

Kunst=leuk (!)





Say Cheese
, de tentoonstelling van Martin Creed in museum Voorlinden, is genomineerd als Best Exhibition Of The Year. In het Engels, want in samenwerking met niet minder dan The New York Times. Ik las erover in mijn eigen krant. Of op facebook. Allebei waarschijnlijk, want ik ben ouderwets en modern tegelijk, omdat ik nou eenmaal niet kan kiezen. Al is facebook natuurlijk ook niet direct hot meer, dat weet ik heus wel, maar ik dwaal af.
De beste tentoonstelling van het jaar dus. Van de héle wereld nog maar liefst. Dat is nogal wat. Tjongejonge, toe maar.
Je zou je natuurlijk kunnen afvragen welke algemeen geldende criteria daar precies bij zijn gehanteerd. En wie die heeft opgesteld. En of wel alle tentoonstellingen van de hele wereld netjes en uitputtend zijn bezocht en objectief volgens een sluitend systeem beoordeeld en getoetst. Een hele klus, lijkt mij.
Je zou je daarnaast kunnen afvragen waarom er van hogerhand voor ons bepaald moet worden wat we het beste moeten vinden. Welke tentoonstelling we móeten bezoeken, of bezocht hádden moeten hebben, om erbij te horen. Waarom we niet zelf uit mogen maken wat we mooi of de moeite waard vinden. Of niet.
Je zou je ook kunnen afvragen waarom alles altijd maar een wedstrijd moet zijn. En waarom het blijkbaar zo belangrijk is wie de grootste, de langste, de dikste of de duurste heeft. De meest verkochte, de drukst bezochte, de best bekeken. Waarom dat steeds zo benoemd en benadrukt moet worden. Met predikaten, stickers en uitroeptekens in de overtreffendste trap. Wat een armoe! Het wordt er allemaal niet interessanter van.
Maar goed, dan ben je waarschijnlijk weer een zeurpiet en een azijnpisser en dat wil ik niet, dus dat laat ik allemaal achterwege. Het is een mooie opsteker voor het splinternieuwe museum Voorlinden, en verder negeer ik het hele gebeuren en zeg gewoon dat Say Cheese van Martin Creed een buitengewoon grappige, inspirerende en prikkelende tentoonstelling is. Of was eigenlijk, want hij is al weer een tijdje voorbij. Wie er niet geweest is, heeft het gemist en zal het nooit weten, hoe leuk het was.
Jazeker: leuk. Een verboden woord natuurlijk, in combinatie met kunst. Leuk, dat is oppervlakkig en inhoudsloos en nietszeggend. Beledigend, feitelijk. Maar in dit geval toch echt op zijn plaats en niks mis mee. Want als je het niet leuk vindt om naar vier op elkaar gestapelde stoelen als kunstwerk te kijken, dan is het wel weer leuk om te kijken naar de dame die er ernstige rondjes om heen draait, de brochure in de hand, om het op zich in te laten werken. Om het te doorgronden. En ik vind dat allebei leuk omdat ik het leuk vind om te denken dat het daar hier een beetje om gaat. Dat ik het daarmee heb doorgrond. Dat er hier een beetje gedold wordt met de ingewikkeldmakerij die vaak bij kunst komt kijken. En dat vind ik dus leuk, want daar heb ik zelf ook altijd een hekel aan, aan die dikdoenerij. Sta je net lekker naar een kunstwerk te kijken, loop je net vrolijk door de zalen te genieten, staat er weer een afgestudeerd conservator pretentieus aan je kop te zeuren met onbegrijpelijke prietpraat. Om het werk te duiden. En in een kunsthistorisch perspectief te plaatsen.



Kijk, we zien hier dus gewoon een torentje van vier stoelen, gestapeld van groot naar klein. Als je het dan per se zou moeten duiden, zou je zomaar uit kunnen komen bij de Bremer stadsmuzikanten. Maar dat is te oppervlakkig, voor de brochure. Daar staat namelijk in te lezen, over dit torentje, dat het een verzameling gelijksoortige, alledaagse objecten is, geordend van groot naar klein. En: dat het simpel lijkt, maar dat juist de verzameling van gelijksoortigen maakt dat de verschillen opvallen, en de waarneming verscherpt: de textuur van de bekleding, de lengte van de stoelpoten, de barst in de rugleuning van de bovenste stoel. En: dat het een weloverwogen geheel is.
Goed. En wat zegt de kunstenaar er zelf over? Een stoel wil ook wel eens zitten.
En dat vind ik dan dus veel leuker. En dan denk ik dus dat Martin Creed daarmee een lange neus trekt naar de schrijver van de brochure én de dame die er ernstige rondjes mee om een stapeltje stoelen draait om de essentie van het werk te vatten. Wat haar niet zal lukken omdat zij die essentie zelf is. Waarmee ik dus bij dezen, als mede-onderdeel van diezelfde essentie, dit werk evengoed heb geduid, als onbezoldigd gastconservator, met mijn eigen onbegrijpelijke pretentieuze prietpraat, en de cirkel is gesloten. Altijd fijn, gesloten cirkels.
Leuk dus, kunst of niet. Dat begint meteen al bij de eerste zaal, die van wand tot wand en tot halverwege het plafond is afgevuld met blauwe ballonnen. Het is leuk om daar armenzwaaiend doorheen te banjeren, de ballonnen tot boven je hoofd, je bent al meteen als een kind zo blij. Het is óók leuk om de keurig in pak gestoken dames en heren van wat een bedrijfsuitje van een bank lijkt te zijn daarvoor in de rij te zien staan, met nauwverholen enthousiasme de ballenbak te zien betreden. Of om de giechelende dames met statische kapsels aan de andere kant weer naar buiten te zien komen. Ook leuk: het wanhopig, tot mislukken gedoemd gehannes van de suppoosten om de ballonnen ín de zaal te houden bij het openen van de deuren.
Dan zit de stemming er dus al in. En volgt nog de rest. Waaronder een zaal gevuld met het geluid van 39 metronomen, elk op hun eigen tempo in een psychedelisch nonritme; een wandschildering van helgele één-roller-brede banen, almaar rechtdoor van links naar rechts; een rij van 29 cactussen, van piepklein naar behoorlijk groot, tegen een achtergrond van een zaalhoge piramide van wc-rollen; een wand van boven naar beneden volgeplakt met alle kleuren en soorten tape van vijf centimeter breed die de kunstenaar kon vinden; een flinke stapel houten platen; een gothic pianiste die op gezette tijden het klavier van hoog naar laag en terug afwerkt; duizend afdrukken van vijfhonderd doorgesneden stronken broccoli in alle denkbare kleuren, keurig, zo goed als wandvullend, in slagorde ingelijst; een zaal met drie verschillende maar even aftandse Fiats en naarmate je vordert in de tentoonstelling krijg je er langzaamaan een vrolijke soundtrack bij vanuit de videozaal, waar Martin Creed behalve kunstenaar ook filmer en muzikant blijkt te zijn. En steeds is het niet alleen de lichte toets van de afzonderlijke kunstwerken die het doet, het is eerder de merkwaardige, uitgelaten sfeer van de tentoonstelling in zijn geheel die je betovert.
Dus.. Je moet wel een enorm stuk chagrijn zijn wil je niet vrolijk worden van deze tentoonstelling. Zó leuk. Noem dát maar geen kunst.

Een bezoek aan de tentoonstelling Say Cheese van Martin Creed in museum Voorlinden

maandag 10 juli 2017

Koekoek






Het leven was zo slecht nog niet. De man bedacht het, niet voor het eerst gelukkig, tijdens zijn ochtendwandeling. Want dat deed hij dan tegenwoordig. Om de dag vóór te zijn, stond hij wat vroeger op en maakte een ochtendwandeling. Met flinke pas stapte hij de luttele bebouwde kom van zijn woonplaats uit en werd zo, tussen de weilanden en de vergezichten, langzaamaan wakker. Met een uitstekend humeurtje, want zo werkte dat. De wind door zijn kuif, de zon op zijn bol, zijn ene voet voor de andere. Nee, het leven was zo slecht nog niet, bedacht hij dan vaak. En dat was een prettige gedachte om de dag daarna mee te beginnen. Die kreeg hij er gratis bij.
Vaak had hij onderweg kleine ontmoetingen die de boel er nog beter op maakten. Een haas die vergat op tijd weg te rennen bijvoorbeeld. Een koppel achterdochtige zwanen met een trosje pullen tussen zich in, een v-tje ganzen op doortocht, een stelletje kijvende waterkippen, een fuut. Of, ook altijd goed, een gezelschapje nieuwsgierige pinken, nooit te beroerd om met z’n allen op een kluitje naar je te komen kijken, aan de andere kant van de sloot, in de hoek van hun weiland.
Vanochtend had de man ook zo’n ontmoeting. Ditmaal met de koekoek. Een bijzondere ontmoeting, vond de man het, omdat hij, behalve op plaatjes, nog nooit een koekoek had gezien. Nog nooit. Hoewel hij ze wel zeer regelmatig hoorde, ergens ver weg. Wat hem, zonder nu de indruk te willen wekken dat hij er verstand van had, het idee had gegeven dat het een algemeen voorkomende vogel moest zijn. Nog nooit.
Tot vanochtend dus. Vanuit een boompje langs zijn weg hoorde hij eerst het immer vrolijk stemmende koekoek, waarna hij de bijbehorende vogel uit zijn schuilplaats zag opvliegen en verdwijnen. De man herkende hem van de plaatjes.
Die had hem dus zien aankomen. Die had misschien van schrik per ongeluk koekoek geroepen, voor ie dan toch maar het hazenpad koos. De man keek hem na in zijn vlucht. Aangekomen in de verte riep de vogel, ter bevestiging dat híj het was, nog éénmaal koekoek.
En de man vervolgde zijn weg. Tevreden met het leven. Dat was zo slecht nog niet.

dinsdag 4 juli 2017

Ontlasting (poep)





Als Nederlands staatsburger van zekere leeftijd ontving de man onlangs de uitnodiging deel te nemen aan een bevolkingsonderzoek. Uitnodiging, beleefd verzoek, dringend advies, aansporing.. de man wist niet precies hoe hij het zou duiden. Het was een bevolkingsonderzoek naar darmkanker, dat maakte het wat verontrustend. Niet alleen de gedachte aan de ziekte zelf was verontrustend, of de veronderstelling dat hij dat blijkbaar zou kunnen hebben.. hij werd ook allerminst aangesproken door het idee dat hij op enig moment in een witte bus op het dorpsplein werd verwacht om.. ja, om wat te doen eigenlijk?
Maar zo liep het niet.
Een week of twee na de eerste aankondiging ontving de man een ingewikkeld vormgegeven plastic envelop met uitgebreide informatie in woord en beeld, alsmede een plastic retour-envelop met sluitstrip, plus een zakje met een geheimzinnig buisje. Een plastic reageerbuisje met vloeistof en een staafje aan een dopje dat je eruit kon draaien. Een groen staafje, met een geribbeld uiteinde.
In de uitgebreide informatie in woord en beeld werd uitgelegd wat de bedoeling was. Het geribbelde uiteinde van het groene staafje moest op vier verschillende plaatsen in de ontlasting worden gestoken, waarna het staafje weer terug moest worden gedaan in het reageerbuisje, dat vervolgens in de plastic retour-envelop kon worden opgestuurd. Naar het laboratorium des vaderlands. Na enige tijd ontving men dan bericht met nadere instructies.
Om te beginnen vond de man de uitgebreide informatie in woord en beeld zeer vermakelijke lectuur, ja, sorry.. daar kon hij verder ook weinig aan doen. Hij was dan wel van zekere leeftijd, sommige zaken zijn blijkbaar tijdloos. Accepteren maar. Vooral het feit dat telkens wanneer het woord ontlasting viel, daar tussen haakjes het woordje (poep) achter stond, werkte op zijn giechelspieren. Jammer vond hij het dan weer dat deze kleuterende aanpak niet consequent werd doorgevoerd, zodat achter het woord urine geen (pies) stond.
Enfin.
Het was best nog een onderneming. Zo mocht de ontlasting (poep) bijvoorbeeld absoluut niet in aanraking komen met water (H2O) of urine (pies). Denkt u daar maar eens over na. De man had dat nog nooit gedaan. Nu moest het.
Verder mocht er niet te veel ontlasting (poep) aan het staafje zitten, maar ook zeker niet te weinig. Hoe beoordeelde je dat, vroeg de man zich af. Moesten alle ribbeltjes vol? Was het erg als je daar vijf keer voor moest prikken? Wat deed je als er meteen de eerste keer al een hele klont aan bleef plakken? De man kon zich niet herinneren ooit zó geconcentreerd met zijn ontlasting (poep) te zijn bezig geweest. Of het moest die keer zijn dat hij er als baby een kunstzinnige vlek mee op het ouderlijk behang had gemaakt, waar nog jarenlang een armoeiig kleedje voor gehangen heeft. Maar dat herinnerde hij zich uiteraard alleen uit de tweede hand.
Tot slot moest rekening gehouden worden met het moment van verzenden. Het buisje met ontlasting (poep) mocht beslist niet langer dan één dag onderweg zijn. Het moest bovendien tot het moment van verzenden koel bewaard worden. Het beste kon er dus tussen maandag en donderdag worden gehandeld (gepoept). Het lot viel op maandagochtend, voor de man. De warmste maandag in juni sinds het begin van de jaartelling. Om te voorkomen dat zijn inzending een halve dag in een brievenbus stond op te warmen, had de man de plastic retour-envelop met zijn ontlasting (poep) dan in vredesnaam maar in de koelkast gelegd. Zelfs was hij even naar de brievenbus gelopen om te checken hoe laat die geleegd zou worden, om het buisje aan het eind van de lange hete dag net een kwartiertje vóór die tijd op de post te doen.
Hij had als een goed, voorkomend burger zijn uiterste best gedaan, wilde hij maar zeggen. Voor zijn eigen bestwil, dat spreekt.
Nu had hij deze week een brief met de uitslag gekregen. En die was ‘gunstig’. En weer wist de man niet precies hoe hij dat zou duiden. Gunstig. Dat was niet slecht. Niet ongunstig, zogezegd. Maar echt goed was het toch ook weer niet, gunstig. Niet dat hij zich nu zorgen maakte, maar voor al het gedoe, en alle aandacht die hij eraan had besteed, vond de man het wel wat zuinigjes.