maandag 27 juni 2016

Eind niet al goed

Goed, dan word je dus bijna doodgereden door een brommer. Op klaarlichte dag nota bene, een prachtige, zonnige dag bovendien. En zo goed als in de schaduw van de kerk, óók nog eens een keer, of de duvel ermee speelt.
Nou goed, je wordt dus bijna doodgereden.. door een brommer.. maar.. dat is dan nog tot dááraan toe. Of, tenminste.. ja.. nee.. je schrikt natuurlijk. Man! Je schrikt je te pletter. Een hartverzakking, houd je eraan over. Komt zo’n jongen opeens recht op je af scheuren, op z’n knetterende crossbrommer. Aan jouw kant van de weg. Voor hem dus de verkeerde. Omdat hij te cool is, waarschijnlijk, om gewoon braaf en rustig met de S van de weg mee te rijden. Of omdat hij te hard rijdt om dat voor elkaar te krijgen. Dat kan ook. Omdat hij het wel bij zijn masculiene, sportieve rijstijl vindt passen om in één rechte streep twee bochten tegelijk af te snijden, en jou - een grijze ouwe lul op de fiets - daar meteen eens een beetje bij te laten schrikken. Heeft hij gelijk weer een mooi stoer verhaal, om aan zijn matties te vertellen. Met die wezenloze, holle lach van opgeschoten jongens onder elkaar.
Of misschien heeft hij je wel helemaal niet eens gezien, met zijn door adrenaline verduisterde blik. Of wel, maar je kop staat hem niet aan. Of je jasje. Of je kijkt iets te lang in zijn richting.. met nét de verkeerde gelaatsuitdrukking.. weet jij veel wat er in die halfdoodgeblowde, door hormonen en energydrankjes vertroebelde puberhersens omgaat? Zien kun je het in dit geval in elk geval niet want hij heeft een bijpassende integraalhelm met spiegelend glas op, een vorm van gezichtsbedekkende kleding waar je nou nooit eens iemand over hoort klagen, vreemd genoeg.
Als een groot, boos insect komt hij razend op je af. Je wijkt uit, voor zover dat kan, je raakt maar nét de stoeprand niet, je voelt de jongen op de brommer rákelings langs je heen gaan, het vermoeden van lijfelijk contact maar je wordt niet geraakt, je valt niet, je roept iets als: eikel, of: klootzak, en het loopt allemaal maar net goed af. Tien seconden duurt het, alles bij elkaar. Als het niet minder is. En je schrikt. Je schrikt je te pletter. Een hartverzakking.
Maar dat is dus niet het ergste.
Het ergste is dat je daarná nog een hele tijd bezig bent af te rekenen met je eigen machteloze woede. Je eigen kolkende gedachten over wat er had kúnnen gebeuren. Als het net níet goed was afgelopen. Als je wél was geraakt, als je wél was gevallen. Als je jongens daar dromerig breeduit slingerend naast elkaar hadden gefietst. Als een winkelende kleuter de straat op was gerend. Enzovoorts.
Zeker een uur raast er een niet te stoppen stroom boosaardige wraakscenario’s, strafprogramma’s en andere ongewenste borreltafelgedachten door je hoofd, voordat je weer een béétje terug bent bij het goede humeur waar je mee van huis was gegaan.
En dat is het ergste.
Want zóveel aandacht, dat gun je zo’n jongen niet.


Dit stukje stond al eerder op die weblog. In deze licht gewijzigde vorm las ik het voor als column van de week op de lokale radio.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen