zaterdag 2 april 2016

Voorjaar

Voor mij uit, tussen de eeuwige schappen van de supermarkt, liep een bekend gezicht. Daar liep iemand die ik ergens van kende. Niet heel goed, en het was van alweer een tijdje geleden, maar toch.. Het was een vrouw. Een leuke, jonge vrouw. Een opvallende en vrolijke verschijning in een paarse jas en met kortgeknipte, rode haren in een springerige coupe. Een wakkere blik en een zwierige tred. Het soort vrouw waar ik, als man, als het zo uitkwam, dan wel eens zo’n beetje achteloos een praatje mee aan probeerde te knopen. Waarom niet? Met een grapje of zoiets. Voor de aardigheid. Om mij even in haar aandacht te koesteren. En te laten zien natuurlijk, dat er ook een hele leuke jonge man aan mij verloren is gegaan.
Ach ja, het voorjaar hangt in de lucht, dat zal het zijn.
Het lastige was nu alleen dat ik mij verdorie niet meer kon herinneren waar ik haar dan van kende. Was het een moeder van het schoolplein nog, uit de tijd dat ik daar dagelijks stond? Nee, waarschijnlijk toch niet, dat was te lang geleden. Werkte ze in een winkel, een café, het één of andere restaurant? Tja.. wie zou het zeggen.. De bibliotheek misschien, of de boekhandel? De kapper desnoods? Was het een kennis van een kennis? Het kon allemaal, ik wist het niet meer..
Zelfs drie volle gangpaden verder, langs de koffie en de thee, het broodbeleg, de rijst en de pasta en de indische produkten, had ik nog altijd géén idee. En ik besloot noodgedwongen dat dit gezellige praatje dan maar aan mijn neus voorbij moest gaan want een praatje waarbij je eerst omzichtig uit moest zien te vissen met wie je het praatje eigenlijk stond te houden hoefde niet per se gezellig te worden en met ‘kennen wij elkaar niet ergens van’ hoefde ik natuurlijk niet aan te komen. Zóveel wist ik er dan ook nog wel van. En ach, zó erg was het nou ook weer niet. Er was, behalve ikzelf, geen man overboord.
Berustend in mijn lot concentreerde ik mij verder op mijn boodschappenlijstje, de dagelijkse maaltijd van vandaag, en zette het geval uit mijn hoofd.
In de enige rij bij de kassa’s zag ik haar echter opnieuw. Twee halfvolle karren voor mij stond zij haar boodschappen af te rekenen. Maar mijn kwartje viel nog steeds niet, om het zo maar eens uit te drukken. Zelfs haar aandoenlijk onhandig geklungel met haar pinpas en de charmante verontschuldigende glimlach daarbij hielpen mij niet verder.
Bij het weglopen draaide ze zich nog even om, om te zien of ze niets was vergeten waarschijnlijk, ze kende zichzelf misschien, en zo keek ik haar dan bij toeval alsnog recht in de mooie ogen. Ze had mooie ogen inderdaad. Een duidelijke blik van herkenning lichtte er in op. Een vrolijke lach brak door op haar frisse gezicht, en mijn voornaam zong door de supermarkt. Of alles goed was, vroeg ze nog, en ik riep terug van ja. Dat alles goed was, met mij. Gelukkig liep ze wuivend door, naar buiten, het voorjaar in. Ik wist nog steeds niet wie het was.


Dit bericht stond al eerder op dit weblog. In bovenstaande, lichtgewijzigde vorm las ik het voor als column van de week op de lokale radio.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen