zaterdag 5 maart 2016

Onder de mensen

Ruim op tijd voor de trein naar huis, kwam ik op het perron een voetbalsupporter tegen, in vol rood wit ornaat. Dat komt wel eens vaker voor, ik ben er alleen nooit zo blij mee, eerlijk gezegd. Dit was er dan maar één, maar toch.. als er één is, zijn er meestal nog wel meer ook en het zijn nou niet bepaald mijn favoriete medereizigers, in het algemeen gesproken. Ik wil niet al te intellectueel overkomen want dat is levensgevaarlijk deze dagen, maar van volwassen mannen die zich vrijwillig uitdossen met lange lelijke sjaals met grote letters en debiele petjes of rare hoofddeksels in schreeuwende hoempapakleuren, die met geheven bierblikjes hossend en zwalkend in ongearticuleerd groepsgezang uitbarsten, heb ik nou eenmaal nooit zulke hoge verwachtingen. Een vooroordeel, ongetwijfeld. En het mág ook wel van mij, dat wel, natúúrlijk.. vrijheid blijheid, zeker, wat u zegt.. maar ik hoef er niet per se mee in een trein te zitten.
Ik hoef er trouwens ook niet per se een gesprek mee te voeren. Jammer genoeg dacht deze voetbalsupporter daar blijkbaar anders over. Ik liep recht in zijn armen, er was geen ontkomen aan. Ik probeerde het nog wel, door met een vriendelijk glimlachend boogje toch zéér afstandelijk om hem heen te meanderen, maar de voetbalsupporter was zijn praatje al begonnen en liep gemoedelijk kletsend gewoon achter mij aan, een voor het aanwezig publiek waarschijnlijk koddige situatie die echter vrij snel gênant begon aan te voelen. Het perron ontvluchten en een volgende trein nemen vond ik ook weer zoiets.. Nee, er bleef mij geen andere keuze dan maar zo goed en zo kwaad als het ging een beleefd eindje met de supporter op te kletsen, tot de trein kwam. Al weet of begrijp ik niets van voetbal.
En ach, dacht ik na een tijdje, uiteindelijk viel het ook wel weer mee. Goed, de supporter praatte een beetje moeizaam vanwege de bierlucht die hij verspreidde, en hij hád inderdaad een lelijk petje diep over zijn waterige ogen getrokken, zodat zijn haar vanachter raar omhoog stond, het petje in, en boven het bandje, door het gat dat daar zit er weer uit, met een vreemde horizontale scheiding op een merkwaardige plaats, maar dat zag je bijna niet door de wanstaltige sjaal die driedubbel om zijn nek zat gewikkeld, en verder was hij eigenlijk niet onvriendelijk. Hij babbelde goedmoedig over zijn lettergrepen struikelend door over de wedstrijd en de goals, de kansen en de verwachtingen voor de volgende week.
En omdat ik nou eenmaal toch in het schuitje zat stelde ik af en toe een belangstellend bedoelde vraag, om het gesprek dan ook maar op gang te houden. Ach ja, dacht ik, al milder.. Ach ja.. Wat kon het ook voor kwaad een praatje te maken met je medemens. Ik begon al bijna iets minder op te zien tegen wat hoe langer het praatje duurde steeds onvermijdelijker werd: een gezamenlijke treinreis. Samen knie aan knie in een bankje tot op zijn minst het eerstvolgende station. Dat moest dan maar, dacht ik zelfs al bijna, wat maakte het uit. Ik moest het maar zien als een journalistiek antropologisch avontuur, sprak ik mezelf bemoedigend toe. Je wist maar nooit wat je allemaal nog meemaakte.
Tot de supporter halverwege zijn zin een pauze inlaste om zijn wijsvinger tot aan het derde kootje in zijn vochtige neusgat heen en weer te draaien, op zoek naar Joost mag weten wat.
Toen had ik het wel weer gehad met het avontuur, de antropologie, en de menslievendheid.
Maar ja, hoe kwam ik er nu weer vanaf?


Dit stukje verscheen al eerder op dit weblog. In bovenstaande, gewijzigde, vorm las ik het deze week voor op de lokale radio.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen