maandag 29 februari 2016

Die goeie ouwe Karel Appel




Misschien romantiseer ik het verleden wel teveel hoor, daar heb ik wel een handje van namelijk, zeker nu ik wat ouder word, maar in mijn roze herinneringen loop ik nog wel eens op mijn gemakje alléén door een museumzaal te kuieren. Met vrij uitzicht op het gebodene. Dat is er tegenwoordig niet meer bij. Máánden van tevoren al moet je je dure kaartjes reserveren, in een strak afgebakend tijdslot, en met een beetje pech sta je dan nóg een uur in de rij voordat je binnen een glimp van het tentoongestelde kunt opvangen, tussen het zwarte vierkant van de kunstminnende menigte door.
Nou goed, in het geval van Karel Appel in het Haags Gemeentemuseum is dat allemaal een tikkeltje overdreven gezeur. Tijdsloten of reserveringen komen er niet aan te pas en met mijn museumjaarkaart loop ik langs de rij zo naar binnen, maar een rij staat er dus wel en eenmaal binnen is het voor ieder schilderij dringen geblazen. Dat had je vroeger niet, in mijn herinneringen dus. In mijn herinneringen was vroeger alles beter.
Vroeger rotzooide Karel Appel bijvoorbeeld ook nog gewoon maar wat an. Dat is ook al niet meer. Tenminste, dat is de insteek van deze tentoonstelling. Dat Karel Appel toch echt een groot schilder was die weldegelijk precies wist wat hij deed, en allerminst maar wat an rotzooide, die zelfs voorstudies maakte.
Dat hij precies wist wat hij deed is inderdaad wel meteen goed te zien in het filmfragment uit de documentaire van Jan Vrijman, waarmee de expositie opent. In een permanente loop staat Karel Appel daarin snuivend en fronsend en moeilijk kijkend met verf te smijten en te smeren en vreselijk zijn best te doen om zoveel mogelijk op de maar wat an rotzooiende Karel Appel te lijken. Met onze door gescripte talkshow, realitysoap en docudrama geperverteerde blik is het bijna lachwekkend om te zien hoe schattig dat er in 1961 nog aan toe ging, zo’n imago neerzetten. Knullig, zou je bijna zeggen, als je niet ook wist dat dat imago 45 jaar later dus nog altijd dapper standhoudt. Al duurt dat, wat het Haags Gemeentemuseum betreft, dan niet lang meer.
Van mij had dat niet gehoeven, die serieuze insteek. Als gezegd, het kan zijn dat ik het verleden teveel romantiseer, maar ik vond Karel Appel eigenlijk leuker toen hij nog wel gewoon maar wat an rotzooide. Dat was nou juist zo aardig aan Karel Appel, vond ik. Dat laconieke motto. Serieuze kunst, met een grote k en de bijbehorende blabla, daar is er al zoveel van. Karel Appel, die had daar tenminste schijt aan, die smeerde gewoon maar raak. Hoppeta, wéér een schilderij af. En nu ik dat dan opeens als het werk van een groot schilder moet gaan bekijken, zie ik het eigenlijk niet zo goed meer. Het ligt aan mij hoor, dat zal echt wel zo zijn, de andere bezoekers hebben er duidelijk veel meer verstand van en lopen eerbiedig fluisterend van zaal naar zaal. Kleurige dames wijzen elkaar op het volgende doek en verzuchten hoe prachtig het is, vallen zowat in katzwijm, zo mooi, zo mooi. Ik heb het na een tijdje wel gezien, al die pasteuze, harkerige grote gebaren.
Geboeid raak ik pas weer als ik bij het CoBrA werk ben aanbeland. Vooral de zogenaamde kindertekeningen weten mij altijd weer te raken. Die krachtige zwarte lijnen op vergeeld papier, die verouderde wasco kleuren in onbeholpen vlakken, die aandoenlijke koppoters, ontroerende dieren en vragende kinderogen.. ik kan er naar blijven kijken. Noem me behoudend of ouderwets, steeds opnieuw vind ik het mooi. Al jaren lang. En toch kijk ik er, dankzij de insteek van het Gemeentemuseum, vandaag ook anders naar. Want inderdaad, zie ik nu, híer rotzooit Appel zeker niet maar wat an. Daar zijn deze tekeningen veel te trefzeker voor, en veel te raak. An rotzooien is hij later pas gaan doen.

zaterdag 27 februari 2016

Nature morte




















Uit de serie: 
Geen Kunst
Laat u rondleiden door beeldentuin De Wereld door de gids

Je komt het tegen, op je pad. Het ís geen kunst, maar zou dat zomaar wél kunnen zijn. Het is maar net hoe je er naar kijkt. En of je het wilt zien. De wereld een beeldentuin.

donderdag 25 februari 2016

Het gelijk van Koehool




Voor iedere plaats waar het Nederlands Kustpad ons doorvoert, dit noordelijk gedeelte, maken wij gaandeweg een limerick. Al wandelend. Wandellimericks, noemen wij ons zelfverzonnen genre dan ook. Alles kan ons inspireren. Een ontmoeting of een gesprekje, een observatie, een uitzicht of een inzicht.. heel veel hebben we niet nodig.
Zo kwamen we langs het gehucht Koehool. Koehoal, op zijn Frysk. Een piepklein gehucht van, nou, wat zal het geweest zijn, tien huizen? Gelegen aan de voet van de dijk. De naam van het gehucht, zeker in combinatie met de grootte ervan, nodigt uit tot platte grappen. Ja, we geven het toe, ook wij.. het gaat een beetje vanzelf. Maar ja, van zijn buren heeft men in Koehool niet snel last. En men hoeft zijn deur maar uit te stappen en de dijk te beklimmen om getuige te zijn van een adembenemend, immer wisselend uitzicht: het droogvallen en weer vollopen van het Wad. Dus laat ze maar lachen, de grappenmakers.

Het gelijk van Koehool

een wandellimerick

De bewoners van het Friese gehucht Koehool
hadden het helemaal gehad, met de platte Hollandse jool:
‘In ons dorp aan de dijk
zijn wij de koning te rijk,
wie dat niet ziet, is een halve zool.’

maandag 22 februari 2016

Beren op de weg




















Uit de serie: Geen Kunst
Laat u rondleiden door beeldentuin De Wereld door de gids

Je komt het tegen, op je pad. Het ís geen kunst, maar zou dat zomaar wél kunnen zijn. Het is maar net hoe je er naar kijkt. En of je het wilt zien. De wereld is een beeldentuin.

zaterdag 20 februari 2016

Alter eum




Iedere zaterdagochtend lag in het gezin van de man trouw de Volkskrant op de ontbijttafel. Met daarbij het Volkskrant Magazine. En - dat moest de man nu toch maar eens van het hart - daarin stond nu al geruime tijd een column van een jongedame, die de lezer wekelijks ongevraagd op de hoogte hield van voornamelijk haar huiselijk geluk. Gedoe met de baby, luiers, flesjes, korte nachten.. bladiebladiebla. De man had daar verder geen bezwaar tegen, zelf deed hij al jaren niet anders tenslotte, al waren zijn babies inmiddels pubers geworden, jammer genoeg. Hooguit verbaasde hij zich erover dat er bij de Volkskrant blijkbaar behoefte bestond aan nóg een column over het huiselijk leven met jonge kinderen vanuit het vrouwelijk perspectief, maar goed.. dat was de kift natuurlijk. De columns van de man wilden ze destijds niet hebben, bij de Volkskrant. Wat de man wél stoorde was dat de jongedame haar huisgenoot, de vader van haar baby, consequent aanduidde met: De Man. De man ervoer dat als een hinderlijke en onwenselijke inbreuk op zijn eigen huiselijk geluk, want de man, dat was híj. Nu toch al bijna vijftien jaar. Daar kon dus geen twijfel over bestaan. Plagiaat wilde hij het niet meteen noemen, maar chique vond hij het ook zeker niet. De man was níet de huisgenoot van de jongedame, dus kon de huisgenoot van de jongedame nóóit de man zijn. De man zou de jongedame vanaf deze plaats dan ook dringend willen verzoeken haar huisgenoot voortaan niet langer op deze manier aan te duiden, en na te denken over een ander alter eum. Wat dacht zij bijvoorbeeld van huisgenoot P.?

vrijdag 19 februari 2016

Putlucht in Oosterbierum




Voor iedere plaats waar het Nederlands Kustpad ons door leidt, het noordelijk gedeelte, bedenken wij een limerick. Al wandelend. Wandellimericks, noemen wij dit zelfverzonnen genre, want het beestje moet een naam hebben. We laten ons inspireren door wat we maar tegenkomen en dat kan echt van alles zijn. Een uitzicht, een landschap, een ontmoeting of een gesprek, een observatie.. veel hebben we niet nodig.
In Oosterbierum stapten we uit de auto om een nieuwe etappe te starten en het eerste dat opviel, en daar hoefden we de auto niet eens voor uit eigenlijk, was de doordringende putlucht die over het dorp was neergedaald. Oorzaak daarvan was het werk aan de riolering. De hemelwaterafvoer. Rond de st Joriskerk was de hele straat opgebroken en alle regenputten waren verwijderd. Verderop stonden ze monkelend bijeen. Voor hen zat het erop. Aan de overkant een uitsloverig torentje nagelnieuwe putten. Die zouden na het weekend wel geplaatst worden, namen wij aan. En dan verdween de putlucht vanzelf ook weer.

Putlucht in Oosterbierum

een wandellimerick

In Oosterbierum kon men niet meer ter kerke:
heel de straat opgebroken, door publieke werken.
Daar viel het besluit:
alle putten eruit!
Waarmee men de putlucht nu hoopt te beperken.

dinsdag 16 februari 2016

Ongeoorloofd



















Een eenvoudig bordje ‘op de paden blijven aub’ had natuurlijk ook gekund, als er dan toch per se een bordje moet staan. Dit moet je twee of drie keer lezen, het is bijna literair.
Het zijn dan ook hele deftige duinen, waar het bordje staat. ‘Op de paden blijven’ zou gewoon te gewoontjes zijn. Ordinair. Dit heeft stijl. Juridisch cachet bovendien.
Dus misschien is het ook wel een beetje de bedoeling dat bepaalde, minder deftige mensen alles wat vóór ‘verboden. art. 461 W.v.Sr’ staat te ingewikkeld vinden, en omdraaien. Anders had er allicht ongeoorloofd gestaan, in plaats van verboden.
Grappig trouwens dat het tot áán het bord dus nog wél mag, het zich bevinden buiten wegen en paden.
Maar stel nou dat je je vóór je dit bordje tegenkomt al zó ver buiten de weg of het pad bent gaan bevinden dat je dit bordje dus helemaal niet ziet? En je zo, ongemerkt, de kritische grens passeert..
Of zouden daar ook bordjes staan? Buiten de wegen en de paden?

maandag 15 februari 2016

Flashback




Zo gaan die dingen dus.
Ik zag vandaag een jongeman voorbijlopen.. of, nou ja, een jongen eigenlijk nog. Hij zal achttien geweest zijn, of negentien, daaromtrent. Iets ouder dan mijn eigen jongens. Iets jonger dan ikzelf toen was.
Het was in de hal voor de supermarkt. Nogal zelfbewust liep hij voor de rijen aaneengeklonken boodschappenkarretjes langs. Een lange, slanke gestalte met veerkrachtige, je zou zelfs zeggen optimistische tred en bijpassende montere blik. Gekleed in een strakke zwarte broek, wit overhemd en nauwsluitend zwart colbertjasje. Geen zwarte puntschoenen helaas, maar wel geheel in stijl gecoiffeerd, met donkere slapen, iets opgeschoren uitlopend in een weelderige, geblondeerde en zeer geföhnde kuif.
En hopla.. daar zat het in mijn hoofd, voor de rest van de dag. Van de week misschien wel. Stand or fall. Van The Fixx.
Thuisgekomen zette ik de elpee op.
Want die heb ik nog.
En ach, het kon nu misschien ook wel eens een keer, na een maandlang non stop David Bowie.

zondag 14 februari 2016

Two legal aliens




















Uit de serie: Geen Kunst
Laat u rondleiden door beeldentuin De Wereld door de gids

Je komt het tegen, op je pad. Het ís geen kunst, maar zou dat zo maar wél kunnen zijn. Het is maar net hoe je er naar kijkt. En of je het wilt zien. De wereld is een beeldentuin.

vrijdag 12 februari 2016

Revenantman




Met een stel vrienden heb ik een tijdje geleden een mannenclub opgericht. Jaha, dat is een onverwachte ontwikkeling. Samen met al onze zonen, die dan misschien nog geen mannen zijn maar toch hard onderweg het te worden, zitten we dan, in één van onze voor de gelegenheid tot mancave omgebouwde en van vrouwen ontdane huiskamers, oncharmant onderuitgezakt op bank en fauteuil - bier, radler en chips binnen handbereik - rond de plaatselijke breedbeeld tv male te bonden, en kijken een mannenfilm. Een mannenfilm, voor de duidelijkheid, is een film die je vrouw of vriendin niet wil zien. Omdat ze dan daarna niet kan slapen. Hier kan eventueel een foute grap, maar laat maar.
Mannenfilms dus.
Het begon nogal klassiek met The Deer Hunter en Dirty Harry, maar al gauw kwamen we erachter dat, wanneer we de jongere generatie de hele avond wakker en van hun telefoontjes af wilden houden, we moesten uitwijken naar wat modernere mannenfilms. Het soort mannenfilms waarin elke drie minuten iets explodeert, waarin bijna iedereen met veel bloedverlies doodgaat behalve de held en het lekkere wijf, dat ieder kwartier niet ter zake doend even haar tieten komt laten zien. Het soort mannenfilms kortom, dat mijn jongens cool vinden, maar waar ikzelf eigenlijk nooit aan toe kom. Omdat ik er, laat ik het dan maar eerlijk opbiechten, eigenlijk niet zo van houd. Tenminste, dat dacht ik. Nu ik er zo eens een paar gezien heb, met de mannen, moet ik toegeven dat het ook wel iets heeft, het simpele rechttoe rechtaan ‘ik ben goed en jij bent slecht dus jij moet dood denkraam’.  
Zodoende vond ik het een aardig idee mijn jongens mee uit te nemen naar The Revenant. Ook een echte mannenfilm, leek mij zo. Een ruig overlevingsverhaal van hebzucht, verraad en wraak. Vooral wraak. Gebaseerd op een waargebeurd verhaal ook nog. Geschiedenis! Leerzaam! Lyrische pagina’s vol in de Volkskrant, een dozijn oscarnominaties.. daar gingen we.
Nou, mijn jongens waren het er bij het aanbreken van de pauze roerend over eens dat ze het nú al een coole film vonden, dus missie geslaagd, zou je zeggen. En dat was ook zo. Missie geslaagd. Prima avond. Vader werd zelfs nog op bier getrakteerd, door zijn zoons. Helemaal goed. Behalve de film. Tenminste, dat vond ik dus, eerlijk gezegd.
Nou ja, bij het aanbreken van de pauze was ik het nog welwillend met mijn jongens eens. Best cool. Een lang en bloederig gevecht met indianen, een nipte ontsnapping, een eerste flashback die er wat mysterie inbrengt en een groepje haveloze overlevers die aan elkaars nukken en slechte of zwakke karakters zijn overgeleverd. Geen tieten, okay, maar wel tweespalt, ruzie, hebzucht, moordlust en gewetenloosheid versus tenminste nog enige onderlinge loyaliteit. En natuurlijk het gevecht met de beer. Allemaal niks mis mee. Spannend, opwindend, meeslepend. Als Leonardo DiCaprio grommend en schuimbekkend zijn provisorisch graf was uitgekropen en in de armen van zijn dode zoon was gestorven, was dat een prima en geloofwaardig einde van een spannende film geweest. En had ik nu niet zo hoeven mopperen. Want tjongejongejonge wát een lange zit hebben we dan nog te gaan. Leonardo DiCaprio is nog zeker anderhalf uur lang niet dood te kríjgen. Sterker nog, het gaat steeds beter met hem. Kruipt hij aanvankelijk zwaargewond en aan alle kanten opengereten door de beer, half leeggebloed met duidelijk zijn aller- allerlaatste krachten het graf uit waarin hij voor dood is achtergelaten, zijn gebroken been levenloos achter zich aanslepend, al vrij snel wordt hij niet zichtbaar meer gehinderd door al die verwondingen, kan hij weer vrij aardig op zijn benen staan en de volgende dag springt hij zelfs alweer soepel op een gestolen paard. Vervolgens overleeft hij gedurig grommend en grauwend zó onwaarschijnlijk veel sneeuwstormen, watervallen, halfbevroren riviergeweld, vijandige militairen, scalperende indianen en valpartijen in ravijnen dat het saai wordt. En irritant, dat almaar traag en gestaag onschendbaar dóórgaan. Ik werd er in elk geval ongedurig van en ging me al meer afvragen waar in godsnaam dan maar de tieten bleven. En waarom Leonardo DiCaprio die beer aan het begin van de film niet gewoon meteen met zijn blote handen had gewurgd, of met zijn tanden de strot doorgebeten, want dat had makkelijk gekund.
Dus nee, dat mijn vrouw een film niet wil zien, wil nog niet per se zeggen dat ik hem dan wel wil zien. Een mannenclub maakt nog geen man. Dat blijkt maar weer. Want wat ik dan wel weer leuk vond, was het einde. En dan bedoel ik niet het voor de hand liggende bittere einde, waar bijna iedereen dood is, behalve de held en het lekkere wijf, dat er deze film dus sowieso al niet bij was. En waar na nog een laatste achtervolging en nóg een lang en bloederig gevecht ten slotte gerechtigheid is geschied, al was dat tenminste wel weer een beetje spannend. Of.. nou ja, boeiend. Nee, ik bedoel daarna, wanneer Leonardo DiCaprio godzijdank eindelijk dodelijk vermoeid door de knieën zakt, in de rode sneeuw, en ons door de camera langdurig smekend aankijkt, een kinderlijke blik in zijn mooie blauwe kijkers, en ons zo, zo stoer als hij de afgelopen twee en een half uur ook geweest mag zijn, onzeker de vraag lijkt te stellen waar het allemaal om draait: krijg ik nu een Oscar..?
En kijk, dat vond ik dan wel weer schattig. Dus dat bedoel ik. Het is nog niet zo makkelijk een man te zijn.

donderdag 11 februari 2016

Op eigen kracht



















Hé man! Ik heb kaartjes voor Devon Allman!
Devon wie?
Allman! Devon Allman man.
Devon Allman..
Ja man, Devon Allman! Je weet wel..
Eh..
Devon Allman, de zoon van Gregg Allman..
Greg Allman..
Nee, Gregg Allman, met dubbel g..
Ah..
Gregg Allman! Je weet wel..
Gregg Allman..
Ja man, Gregg Allman! Van The Allman Brothers!
Ehm..
The Allman Brothers Band!
Ok..
Je weet wel.. The Allman Brothers Band.. Gregg Allman, Duane Allman..
Devon toch?
Nee.. Ja, nee.. The Allman Brothers.. van Jessica!
Jessica Allman?
Nee man, Jessica.. Van Top Gear!!
Top Gear? Dat was toch Matt Leblanc?
Huh?
Matt Leblanc.. van Friends..
Hè?
Friends! Joey.. van Friends!
Ja..?
Is het daar een zoon van?
Wie?
Nou, die Devon Allman..
Nee.. Ach, laat maar..
Nou ja, veel plezier in elk geval.

woensdag 10 februari 2016

Vreemde ogen




Er was bezoek over de vloer. Op de koffie. Een vrouw, ook nog. Een dame. Oei. Bezorgd en besmuikt keek de man om zich heen, naar zijn verloederde mannenhuishouden. Hij had al een tijdje niet gestofzuigd bijvoorbeeld, wat geen goed idee was met twee katten in huis, zag hij nu, door de ogen van zijn bezoek.
Hij zag nog wel meer trouwens. Tjongejonge. Wat een bende was het eigenlijk. Overal stond of lag wel iets, maar zelden op zijn eigen plaats. Het meeste hád niet eens een eigen plaats, vreesde hij trouwens meteen het ergste. Het meeste stond of lag gewoon waar het toevallig terecht was gekomen, vaak al in een wat verder verleden. Een zwijnenstal, dat was het. En hij ging ook heus wel al een tijdje gebukt onder het voornemen het nu eens voor eens en voor altijd op te ruimen, en te reorganiseren tot een perfect ingericht huishouden.. maar er kwam altijd iets tussen. Iets leukers, bijvoorbeeld.
Nu hij het door de ogen van zijn bezoek bekeek, leek het allemaal nog erger dan ooit. Zou hij zich verontschuldigen? Als te doen gebruikelijk? Let maar niet op de rommel.. het huisvrouwenexcuus?
Het was al te laat. Zijn bezoek keek al uitgebreid om zich heen, was al uitgebreid op de rommel aan het letten, terwijl hij koffie zette.
Dat zijn huis één groot avontuur was, was het opgetogen, zelfs goedkeurend oordeel. Leuk! vond het bezoek.. met op elk plekje iets bijzonders te zien, en overal een verhaal te vermoeden.
Verdomd! dacht de man, natuurlijk.. dat wás ook zo. Zijn huis was een avontuur! Er werd in geleefd. Het had een verhaal te vertellen. Zíjn verhaal. En dat van zijn gezin. Hij kon zich nog goed herinneren dat hij er zelf ook ooit zo over dacht.
Hij vroeg zich af wanneer hij daarmee was opgehouden.
En waarom.

dinsdag 9 februari 2016

December in Wijnaldum





Sinds we het noordelijk deel van het Nederlands Kustpad lopen, schrijven we voor iedere plaats waar we doorheen wandelen een limerick. Een wandellimerick, ons zelfverzonnen genre. Alles kan ons inspireren: een ontmoeting, een gesprekje, een uitzicht, een observatie.. alles. Niets is ons te min.
In Wijnaldum zagen we de kaatsbaan liggen, even buiten het dorp. Typisch Fries verschijnsel, leek ons dat, een kaatsbaan. Vanaf de andere kant van het dorp werd hij al met enige trots aangegeven, met bordjes. Kaatsbaan, die kant op. Voor een kaatsbaan zag het er treurig uit, nu de ijsvereniging het onder water had gezet. Het was december immers, je kon nooit weten, zeker in Friesland niet. Maar al was het december, vriezen deed het bepaald niet. Dus voor een schaatsbaan zag het er óók nogal treurig uit.

December in Wijnaldum

een wandellimerick

Zoals in de meeste Friese plaatsen
houdt men in Wijnaldum van kaatsen én schaatsen.
Nu de baan blank is gezet,
is het uit met de pret:
tot de vorst kan men schaatsen noch kaatsen.

Kijk ook op samenuitenthuis, voor meer wandellimericks en wandelverslagen.

maandag 8 februari 2016

Beleefd

Pardon, hoorde ik achter mij. Ik stond in de rij, bij de kassa van de supermarkt. Nietsvermoedend stond ik over mijn karretje en de lopende band gebogen, druk in de weer met de boodschappen van de dag, maar blijkbaar stond ik daar iemand bij in de weg.
Nou ja, dat kan gebeuren natuurlijk, dat is helemaal niet erg. Het past ook allemaal maar net, soms, al die klanten met hun volle karren in het smalle gangpaadje tussen de kassa’s door. Met ook nog dat hekje in het midden, en de goed-Hollandse traditie om zo dicht mogelijk op elkaar te dringen, uit angst dat er anders een ander voorkruipt misschien, of omdat er een stukje lopende band is vrijgekomen dat meteen met boodschappen gevuld moet worden omdat men dan aan de beurt is, al kan men er nog niet bij. Kinderwagens, rolstoelen met uitstekende krukken, heen en weer drentelende peuters. Kleuters die het hekje als klimrek gebruiken. Samenklonterende scholieren met allemaal één blikje energydrink. Mensen die weer terug moeten, langs de rij, omdat ze de broccoli niet hebben afgewogen. Mensen die er langs willen zónder boodschappen, of een vergeten boodschap die er ook nog bij moet. Of met de inmiddels afgewogen broccoli. Iemand van de supermarkt zelf, met een belangrijke missie.. het kan allemaal en ik vind het altijd allemaal best. Als iedereen een klein beetje rekening met elkaar houdt, lukt alles. Zo denk ik erover. Dus als er iemand pardon zegt, doe ik beleefd een stapje opzij.
Net als nu. Ik rolde mijn kar uit de weg en maakte mij zo smal mogelijk, strak tegen de lopende band aan. Vriendelijk en misschien zelfs alvast wat verontschuldigend glimlachend keek ik daarbij even om. Om te zien voor wie ik het deed. En waar die bleef, want hoewel er nu ruimte voor was, passeerde er niemand. Mijn welwillende blik ketste af op een sportschoolbrede en onverzettelijke borstkas, die mij, vanaf iets hoger, zelfs geen onwelwillende blik waardig keurde. De zojuist zo beleefd door mij vrijgemaakte ruimte was helemaal niet nodig om mij te passeren, de zojuist zo beleefd door mij vrijgemaakte ruimte was bedoeld als lebensraum voor deze imponerende verschijning en was ook meteen zéér overtuigend breeduit als zodanig ingenomen. Wijdbeens, de machtige armen over elkaar en zich nog breder makend dan hij toch al was, nam de imponerende verschijning met een norse blik zoveel mogelijk territorium in. Een mooi exemplaar van de homo sapiens masculinus alpha, zogezegd. Die gewoon wilde staan waar ik met mijn boodschappen stond te trutten. En daar stond hij dan. Onwrikbaar. Alsof er een azc moest worden tegengehouden. Hij zong hij er dan wel niet het bijbehorend liedje bij, maar het had me nauwelijks nog verbaasd. Want ja.. de imponerende verschijning voldeed nou eenmaal geheel aan het standaardplaatje: een kaalgeschoren boos hoofd met ingeschroefde oorringen boven een stierennek, trainingsjack en daaronder iets met een capuchon, grijze joggingbroek, sportschoenen, héél veel biceps en triceps en wat al niet meer en vast ook nog wel ergens een flinke tattoo. Onverstoorbaar stond hij in twee rijen tegelijk. Hoewel hij niet in de rij stond, uiteraard, de rijen stonden om hem heen. Hij stond hier want hij stond hier. Mocht dat soms niet? Zo stond hij daar. Hij roffelde nog net niet op zijn borst, dacht ik elitair, want zo ben ik nou eenmaal.
Toch vond ik het bij al dat primitieve vertoon dan ook wel weer opmerkelijk dat zo iemand daar eerst pardon voor zegt.

Dit is een bewerking van een reeds eerder hier gepubliceerd stukje. De versie hierboven las ik voor als column op de lokale radio.

donderdag 4 februari 2016

De voortschrijdende tijd






Wat een mooi stadje is Harlingen. We waren er eerder natuurlijk, omdat de vorige etappe er eindigde, maar kwamen toen niet veel verder dan de rand. Nu dwalen we er van die rand af dwars doorheen. Linksaf en rechtsaf langs grachten en binnenhavens, met meest bescheiden maar prachtige oude en opgeknapte geveltjes aan de kant, in alle soorten van de regenboog. Klokgevels, trapgevels, driehoekige of rechte gevels en combinaties daarvan, met versierde daklijsten, witte hoek-ornamenten en kleurige, fantasierijke gevelstenen. Oude pakhuisjes, huizen met trappen ervoor, smalle steegjes en bruggetjes.. alles wat een historisch stadshartje begeert. In de Noorderhaven verraadt zich de vloed. Het water staat zo hoog dat de gietijzeren Raadhuisbrug het oppervlak bijna raakt, van het woud der dukdalven zijn alleen de vuilwitte badmutsen nog te zien zodat ze als in een zwanenmeer over het water uit lijken te waaieren.
Eerder stuiten we nog op het beeld van Anton Wachter, van wie we ons pas herinneren wie dat ook al weer was, als we kort daarna het geboortehuis van Simon Vestdijk passeren. Al blijft het zelfs dan bij een wat muffe herinnering aan de middelbare school. We kennen hem niet persoonlijk, Anton Wachter, alleen van horen zeggen. Misschien is dat, zoveel jaar later, eigenlijk onterecht.
We klimmen een dijk op en lopen dan plotseling langs en over de Tsjerk Hiddessluizen, een complex dat er met zijn afgerond strakke en witgepleisterde jaren vijftig vormgeving als een dubbel anachronisme bijligt: het past niet bij het historisch Harlingen waar we net uitkomen, maar zo modern als het ooit bedoeld is, oogt het ook al een tijdje niet meer. Een monument voor de voortschrijdende tijd.

Maar goed, het industriehavengebied waar we dan in terechtkomen is beslist nóg minder lieflijk nostalgisch. Zandoverslag, dicht op elkaar geschoven vissersboten in roestige kleuren, fantasieloze loodsen en complexen zonder opsmuk en petrochemische industrie met zulke ingewikkelde stelsels van buizen en pijpleidingen dat het moeilijk is voor te stellen dat er ook nog mensen zijn die daar wijs uit kunnen. En of we het als geruststellend moeten opvatten weten we niet, maar rondom staat iedere tien meter een blusinstallatie.
De kleuren die we hier tegenkomen zijn rood, blauw, geel en groen.. maar zeker tegen de donkergrijze en rumoerige wolkenlucht wil het geen vrolijk of kleurig schouwspel worden. Wel mooi, trouwens. Of, nou ja.. stoer, robuust. Ongepolijst. Het hoeft voor ons niet per se altijd paradijselijk ongerept natuurgebied te zijn, waar we doorheen wandelen. We vinden het juist wel boeiend om ook door dit soort zwaar gebruikte industriële landschappen te lopen. Het maakt immers evenzeer deel uit van de kust. En schoonheid tref je overal, zolang je er oog voor hebt.
Op de zeedijk zien we links de Waddenzee, met aan de horizon, hoe heiig ook, Vlieland en Terschelling. Voor de juiste volgorde komt voor de tweede keer vandaag onze schooltijd om de hoek kijken. De tv-tas, inderdaad. Wat, nu ik het zo neerschrijf, als een nogal vreemd ezelsbruggetje op mij overkomt, want wie doet in vredesnaam zijn tv in een tas? Zeker in de bloeitijd van het ezelsbruggetje had je niet veel aan een tas, om je tv te vervoeren. Twee potige kerels, daar had je meer aan. En wat er op tv gebied verder ook veranderd is, in de bijna vijftig jaar waar we het nu over hebben, dat in elk geval niet. Maar goed, het onderwijs is wel vaker ondoorgrondelijk.

Zigzaggend door het Friese landschap gaat het verder. We zien kale, zompige velden in aardkleuren vooral. Bruin, oker en omber. Zwarte plukjes kale bomen aan de einder, hier en daar. Statige boerderijen met afgekloven schuren. We passeren in de verte de Ropta State.
Dan verschijnt de kerktoren van Wijnaldum aan de donkergrijze horizon. Van een afstandje hebben we er geen hoge verwachtingen van. We zien het soort onbijzondere rijtjeshuizen waar er overal in Nederland dertien van in een half dozijn gaan. Maar als we dan een rondje om de kerk lopen, zien we het ware Wijnaldum. Een piepklein stokoud dorpje, in smalle, besloten, uit geel baksteen opgetrokken straatjes, dicht bijeen geschaard rondom de kerk die, zoals dat hoort, op een terp staat. De Andreaskerk, die er ondanks de gele kloostermoppen uit de 15e eeuw uitziet alsof hij er nog maar net staat. Grondig gerenoveerd of zelfs opnieuw opgebouwd, schatten wij in. Van de modern ogende, rood bakstenen toren, waarvan we later lezen dat het inderdaad niet de eerste en zelfs niet de tweede is, weten we dat ter plekke al zeker.
Even buiten Wijnaldum ligt de kaatsbaan er verlaten bij. Onder water gezet door de ijsvereniging ligt hij, naar oud Fries gebruik, op de vorst te wachten.

Langs de Sexbierumer vaart en langs de Riedpolder, langs weilanden van opengetrokken klei, in grote glimmende bonken, grijs, zwart en nat, trotseren we de regen. Aan de vaart treffen we, aan weerszijden van het water, twee onduidelijke, nogal massieve ruïnes aan. We zien nog een restje groene plavuizen en afgebrokkelde gemetselde bogen. De ruïnes horen duidelijk bij elkaar, ze neigen beiden naar de overkant, naar malcander. Het zijn de restanten van een spoorbrug. Ooit reed hier een trein. Van Sexbierum naar Wijnaldum. Stel je voor. Op internet vinden we later uit dat dat ergens tussen 1900 en 1930 geweest moet zijn. Een stoomtrein, rijdend op de lijn Harlingen – Tzummarum, voor de Noord-Friesche Locaal Spoorwegmaatschappij, die in die tijd een uitgebreid netwerk van lokale spoorlijnen onderhield. Er werden passagiers vervoerd, maar ook piepers.
Over de Slachtedijk tenslotte lopen we naar Oosterbierum, het eindpunt voor vandaag. Het is een duizend jaar oude dijk die is samengesteld uit in de loop der jaren langzaam met elkaar verbonden geraakte stukjes dijk die her en der, apart van elkaar werden opgeworpen, als plaatselijke bescherming tegen de destijds verderop gelegen Middelzee. Toen die in de loop der tijd werd afgesloten werd de Slachtedijk afgewaardeerd tot slaperdijk. Vandaag de dag is de Middelzee helemaal verdwenen. Alleen de Slachtedijk herinnert er nog aan. Ook die is een monument voor de voortschrijdende tijd.

dinsdag 2 februari 2016

De mannen van Harlingen





Voor iedere stad of plaats, ieder dorp of gehucht waar we doorheen wandelen, langs dit noordelijk deel van het Nederlands Kustpad, bedenken wij een limerick. Zo hadden we dat bedacht. Wandellimericks, noemen wij het genre, want het beestje moet een naam hebben. Alles kan daarbij een aanleiding zijn: een ontmoeting, een observatie, een uitzicht of een inzicht.
Harlingen deden wij ten tweeden male aan, deze keer. Al kwamen we de eerste keer, de vorige keer, aan het eind van een etappe, niet verder dan het randje, aan de dijk, en bewaarden we het stadje zelf voor de volgende keer. Deze keer dus.
Enfin.
Wandelend door Harlingen, langs grachten en oude binnenhaven, zagen we nogal wat mannen van een bepaald type lopen. Het kan toeval geweest zijn, en als het je eenmaal opvalt ga je erop letten en zie je er steeds meer, maar toch.. het leek wel alsof ze om iedere straathoek stonden te wachten tot wij langskwamen. Vissersmannen. Het lijkt logisch misschien, in een stad als Harlingen, als het niet ook bijna karikaturaal was. Hoe opvallend veel het er waren, maar ook hoe ze stuk voor stuk volledig aan het clichébeeld van de visserman beantwoordden. Bonkig postuur, stoer zwart ribfluwelen werkmansjasje met lederen kraag en ritsen in de zakken, grijze baard en snor, gebreid wollen mutsje op. En nors. Vreselijk nors allemaal. Te nors om ze te durven fotograferen.
Hoe dichter we bij de zeehaven kwamen, hoe meer we er zagen. Daar leken ze trouwens ook wel vandaan te komen, bedachten we in een helder moment. Vooral ook omdat ze daar opeens met rolkoffers achter zich aan liepen. En hoewel het dus net zo goed passagiers van de veerboot van Terschelling konden zijn, met de pest in dat het er weer op zat, op het wonderschone eiland, vonden wij het romantischer te denken dat het van zee terugkerende vissersmannen waren.

De mannen van Harlingen

een wandellimerick

De mannen van Harlingen komen van zee,
in hun kielzog een koffer op wieltjes, gedwee.
De schouders zijn fors,
de snorren staan nors..
de vangst viel ook dit keer niet mee.

Kijk ook op samenuitenthuis, voor meer wandellimericks en wandelverslagen.