woensdag 18 februari 2015

Een rondje om de kerk



We maken ons op voor de laatste Noordhollandse etappe van het kustpad, vanochtend. Dertien, veertien maanden geleden startten we in Hoek van Holland, de rand van het land, en nu rest ons nog een staartje Wieringen. Tja. En omdat Wieringen ons goed beviel, de vorige keer, en ons bovendien nou ook weer niet zo’n heel gróót staartje rest, zullen we de dag volmaken, en vervolmaken, met nog een extra rondje over het vergeten waddeneiland. Zo staat het in het boekje, en zo is het plan. We hebben ons fantastisch wandelweer in het vooruitzicht laten stellen, op internet, dus dat komt misschien ook nog wel goed, in de loop van de wandeling.
We beginnen in Hippolytushoef. Vroeger ook wel Klein Parijs genoemd, vanwege de ooit enorme hoeveelheden café’s rond het dorpsplein. Lezen wij ook maar ergens op het web hoor. Maar wat een flauwekul is dat toch altijd, dat gekoketteer met buitenlandse namen. Nederland is een prachtig land, ontdekken wij al wandelend telkens opnieuw, en zonder in nationalistische toestanden te vervallen kunnen we dat heel best op haar eigen merites waarderen. Niemand heeft het ooit over het Giethoorn van het zuiden, en denk maar niet dat Parijs in Frankrijk, of waar dan ook, ooit Groot Hippolytushoef is genoemd.
Maar goed.
Hippolytushoef dus. Of Hippo, zoals het hier heet. We doen een rondje om de kerk, de Hippolytuskerk. Niet bepaald de Nôtre Dame. Integendeel eerder. De gemetselde spits geeft de kerk een bepaalde eenvoud. Een typisch Hollands doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg. Een soort zelfverzekerde bescheidenheid ook. Ze heeft het nodige meegemaakt, de kerk, zoals dat gaat, en het is haar aan te zien. Maar het is allemaal lang genoeg geleden om het nu charmant te kunnen vinden.
De basis van de toren stamt uit de twaalfde eeuw, leve Wikipedia. Negenhonderd jaar oud, dames en heren. In de vijftiende eeuw is de toren verhoogd en in de zeventiende eeuw is het verwoeste schip herbouwd. Van de daarbij behorende ramen zijn er vandaag nog maar een paar over.
Ondanks de bescheidenheid torent ze toch ook wel behoorlijk boven haar pleintje uit. Mede dankzij de terp natuurlijk, waarop ze destijds ook wel niet voor niets zal zijn gebouwd. De zee is nog steeds niet ver weg, maar was in die dagen helemaal alomtegenwoordig. En almachtig. Sterker nog, nader onderzoek leert ons dat juist in diezelfde twaalfde eeuw een aantal woeste stormen korte metten maakte met de kust zoals die er toen uitzag, een gat sloeg bij het Marsdiep, waardoor de zee vrij spel kreeg en Wieringen een eiland werd. Wat het eerder dus niet was. Zo leer je nog eens wat. En kijk je toch ook weer een beetje anders tegen zo´n kerktoren aan. Die heeft dat niet alleen meegemaakt, die heeft dat aan zien komen.
Rondom de kerk ligt, in het hart van het stadje, het kerkhof. Een uitgebreide verzameling scheefgezakte, met vele kleuren mos begroeide en veelal moeilijk leesbare zerken, waartussen de boomwortels al jarenlang hun gang zijn gegaan. Hier en daar staat nog een grafhek ook, maar het ziet er niet naar uit dat de doden die hier liggen nog regelmatig bezocht of beweend worden.
Verderop in de ochtend, even buiten Stroe, komen we langs nog een kerkhof. Een wit hek wrijft ons hier lelijk in dat we stof zijn, en tot stof zullen wederkeren. Als we het kerkhof betreden, vliegt er achter ons met veel kabaal een grote groep ganzen op. De begraafplaats zelf ligt er vriendelijk bij, in een voorzichtig zonnetje, in alle rust tussen de weilanden. Ook nu weer op een terp. Om de doden voor de zee te behoeden, nemen we aan. Bij veel van de graven zou het de tweede keer zijn dat de zee toesloeg. Vissersmannen liggen er. Jonge kerels vaak nog. En het zijn niet alleen oude en vergeten graven hier, ook glanzend nieuwe stenen. In het Westfries laat iemand in vers uitgehakte letters weten het maar niks te vinden, om hier zo te liggen. Zelfs in zijn kist nog de leukste thuis, denken wij. Verderop liggen twee broers naast elkaar. Ze zijn beiden al jaren dood. Jong, maar niet tegelijk gestorven. Het zouden vandaag onze leeftijdgenoten geweest zijn. Het lelijke hek heeft wel een beetje gelijk, misschien.
Oosterland, met ook een gemetselde spits op de toren, passeren we op enige afstand, langs de Waddenzee. De asfaltdijk waarover we lopen, doet enigszins denken aan de Hondsbossche Zeewering, die inmiddels bijna geheel onder het zand is verdwenen, als gevolg van de nieuwste inzichten over de strijd tegen de zee.  Bij Vatrop staat nog een restant van de betonnen zeewering waar men het hier in het verleden van moest hebben. Een muurtje van nauwelijks een meter hoog, overeind gehouden door weinig indrukwekkende staanders. Lucifershoutjes van beton. Als de zee eraan terugdenkt, lacht zij zich rot. Als wij het ons proberen voor te stellen, huiveren we met terugwerkende kracht.
In de heiige verte zien we Den Helder liggen, en Texel, verderop. Daar tussenin zien we zelfs de veerboot varen. We zien ook een onheilspellende lucht aan komen drijven. Als we de haven van Den Oever binnenlopen, om een visje te eten, is de lucht al behoorlijk betrokken. Vol vertrouwen echter beginnen wij aan ons extra rondje. Zodra we de dijk oplopen, en buiten bereik van schuilplekken zijn, begint het gestaag te regenen. Het zal niet meer ophouden en ons extra rondje laten we er dan toch maar bij inschieten. Het is flauw om al teveel over het weer te praten, bij dit soort verhalen, ieder weer is wandelweer tenslotte, maar als we eenmaal weer thuis, op een half uurtje rijden, te horen krijgen dat het de hele dag zulk heerlijk, zonnig weer is geweest, vragen wij ons toch wel een klein beetje af waar dát nou voor nodig was.





Een etappe van het Hollands Kustpad, van Hippolytushoef naar Den Oever, gelopen op vrijdag 16 januari 2015.

1 opmerking:

  1. Wij wandelen ook graag, wel een goed idee om zo een wandelroute in deeltjes op te splitsen en af te stappen. Nederland is héél mooi om te wandelen!!

    BeantwoordenVerwijderen