maandag 19 januari 2015

Vloeken in de kerk

Om niet meer te achterhalen redenen was de man in het tuincentrum. Hij was met zijn vrouw, dat zal de reden wel geweest zijn, want die vond dat leuk. De man was niet dol op tuincentra. Niet vanwege de tuinplanten overigens, of de tuinbenodigdheden. De kruiwagens, de schoffels en de spades, de harken en de rieken en de grote balen grond. Die kon hij goed hebben, maar die waren er eigenlijk nauwelijks.
Nee, zijn tegenzin zat hem meer in de verplichte, niet te vermijden wandelroute langs kilometers schap en uitstalling van lelijke en overbodige, nutteloze zooi die hij nooit van zijn leven zou willen hebben, waar hij zelfs helemaal niet naar wilde kijken en die in zijn onwillige ogen bovendien ook niets maar dan ook niets met tuinen of tuinieren te maken hadden.
Dezelfde ervaring had hij in de doe-het-zelf zaak trouwens. De bouwmarkt. Daar moest je je, voordat je iets rechttoe rechtaan doe-het-zelfs als bijvoorbeeld een hamer, een zaag of een eerlijk end hout tegenkwam, ook eerst een weg banen door grote hoeveelheden hoog opgetaste kant en klare instant truttigheid. Kussentjes, kleedjes, grote glimmende vazen. Op mdf geprint nepsloophout met nep-afgebladderde nepverf en quasi originele feelgood wijsheden. Witgeschilderde takken uit het bos. Raamdecoratie. Home en Love in computergefiguurzaagde letters. En bij de kassa kreeg je dan een hele stapel zegeltjes en stempeltjes en voordeelbonnetjes en kooppuntjes mee. En een tasje. Stápelgek werd de man daar wel eens van. Waar kon een man nog een mán zijn? Verdorie! In deze volledig uit de hand gelopen gezelligheidspsychose? Deze woekering van knus en warm en huiselijk? Als zelfs de bouwmarkt er verdomme uit zag als de Happinez?!
Maar goed. Hij was nu niet in de bouwmarkt, hij was in het tuincentrum, met zijn vrouw.
Ze hadden net honderden vierkante meters nepplanten en -bloemen achter de rug. Planten van zijde, struiken van plastic, bloemen van foam.
Het tuincentrum wilde zichzelf blijkbaar graag overbodig maken, mopperde de man binnensmonds. Een tuincentrum dat nepplanten verkocht, dat was toch net zo iets als een vegetarische slager? Of kunst bij de Ikea? Redeneerde de man er in het wilde weg op los. Vloeken in de kerk! Bedacht hij toen dat hij bedoelde. Vloeken in de kerk.
Inmiddels hadden ze de afdeling bereikt waar het laatste restantje levende planten was weggestopt. De winkeldochters, waar ze echt vanaf moesten. Want kijk maar, daar stond een verkoopster opgetogen haar best te doen op een nietsvermoedend bejaard echtpaar.
“Voelt u maar eens”, moedigde ze het echtpaar aan, bij een plant met grote witte bloemen. Een anthurium, dacht de man dat het was.
“Voelt u maar eens wat een stevige bloem”.
Met daarna de geruststellende uitsmijter: “Het is nét nep”.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen