maandag 15 december 2014

Op de tast

Er waren wel wat dingen waaraan de man vrij duidelijk merkte dat hij geen twintig meer was. Geen veertig meer ook trouwens. Neuh. Hij hoefde om te beginnen bijvoorbeeld alleen maar eens naar zijn jongens te kijken. Tjongejonge. Als de alwetende held en de beste van de wereld beschouwden ze hem allang niet meer natuurlijk, maar zo af en toe leken ze hem nog maar nauwelijks serieus te nemen.
“Já hoor pap, túúrlijk!”, met zo’n zware bromstem vol spot.
“Já hoor, kleine páppaatje”.
Want al was het pas een centimeter, ze waren hem inderdaad nog boven het hoofd gegroeid ook. Die grens was óók al gepasseerd. Daar kwam hij óók niet meer onderuit. Of bovenuit, net hoe je het wilde zien.
En als hij nog wel eens een zoen kreeg, voelde hij duidelijk baardhaar prikken.
Hij merkte het ook aan zijn dochter, die een vijfkamerwoning had gekocht, met haar vriend. Een ééngezinswoning. Vijf kamers! Eén ervan heette nu nog de extra kamer, maar de man vroeg zich af hoe lang nog.
Zijn jongste zoon was trouwens ook al met een vriendinnetje aan komen zetten. Nostalgische blikken op kinderfoto’s en weemoed om de dingen die voorbij gaan. Dus.
Maar bovenal merkte hij het toch aan zichzelf. Het lichamelijk ongemak. Ach man! Nee, dat viel beslist niet altijd mee. Het eeuwig gehaspel en gehannes met twéé brillen alleen al. Daar zou hij wel nooit aan wennen. Altijd had hij de verkeerde  op en zag hij wat hij wilde zien maar zo’n beetje op de gok. Stond hij zijn klusjes half op de tast te doen. Kletterden van bijziende onhandigheid de schroefjes en de boutjes  naar beneden, op de grond, de trap af, en zat hij minutenlang op zijn pijnlijke knieën, met zijn stramme lijf, om dat allemaal maar weer eens terug te vinden, op bejaard gevoel.
Vroeger hóórde hij nog wel eens waar iets ongeveer terecht kwam, als het viel, maar zijn gehoor werd er ook niet beter op, sinds hij geen vijftig meer was. In luidruchtig door elkaar heen orerend gezelschap bestond zijn conversatie inmiddels voor misschien wel zestig procent uit zinnen als: “Sorry, ik versta je niet”, “Zeg het nog eens?” en “Wat zei je nou?”. Of anders maar een wilde gok of schaapachtig lachen, in de hoop dat de vraag daarmee afdoende was beantwoord. Als het een vraag was.
En dan dat stramme lijf, dat zich steeds voorzichtiger ging bewegen, onzekerder, waarbij hij ook steeds vaker ergens tegenaan botste, iets omver stootte of ergens over struikelde. Wat dat betreft voelde hij zich helemaal ál meer een bejaarde. Of had hij dat al genoemd? Zijn geheugen had er ook duidelijk wat meer moeite mee, de laatste tijd. Stond hij weer bovenaan de trap te bedenken wat hij boven nou ook weer te zoeken had.
En het ergste van allemaal, zijn eigen chagrijn hierover, dat hem bij tijd en wijle vanuit een hoekje besprong, en hem dan maar niet meer met rust wilde laten.

8 opmerkingen:

  1. Oef. Het valt niet mee. Had er net zelf een beetje oast van.

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Volgens mij gaat dit ook nooit meer over ....

    BeantwoordenVerwijderen
  3. In volledige herkenning gelezen.
    Het ouder worden geeft onverwachts te voorspellen gebreken.

    Het accepteren van deze gebreken en tegenslagen is de enige oplossing?

    Vriendelijke groet,

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Onverwachts te voorspellen gebreken, zo is het precies. Blij dat ik toch niet de enige ben.

      Verwijderen
  4. 'Mam kijk 's'....
    'Wacht, even mijn bril pakken'

    'Maham, waarom antwoordt je niet...'
    'Kom dan ook naar me toe als je iets tegen me zegt'
    'Maar ik sta vlakbij je!'

    'Huh, ben je dat nu alweer vergeten? We hebben het er gister nog over gehad'

    Droog je tranen oude, kleine vader, ik ben pas vierenveertig en hoor bovenstaande zaken dagelijks. Sterkte. (en als opa ben je straks vast nog heel fit ;-) Alles is relatief )

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Zo is het ook weer. Accepteren, moeten we. En blij zijn met wat nog komt.

      Verwijderen