dinsdag 30 december 2014

Kijk, hoe móói dit is



Nu zijn ze er niet meer van gediend uiteraard, maar toen mijn jongens nog klein waren, een oogwenk geleden, las ik ze graag en vaak voor, zoals dat een goed huisvader betaamt. Ikzelf hield daarbij erg van de verhalen van Max Velthuijs, die waren tenminste niet zo afgezaagd zoetsappig als veel andere kinderboeken. Krokodil en het meesterwerk, bijvoorbeeld. Hierin krijgt Krokodil, die kunstschilder is, bezoek van Olifant, die een schilderij bij hem wil kopen. Voor aan de muur. Krokodil laat hem van alles zien - landschappen, stillevens, stadsgezichten, zeegezichten, zonsondergangen - maar Olifant kan niet kiezen. Hij vindt alles even mooi. Krokodil bedenkt dan een oplossing en belooft speciaal voor Olifant een héél bijzonder schilderij te maken, zodat hij niet hoeft te kiezen. Wanneer Olifant later terugkomt om het eindresultaat te bekijken, toont Krokodil hem trots een wit schilderij. Helemaal wit is het, van rand tot rand. Olifant reageert teleurgesteld. Er staat niks op, zegt hij. Maar Krokodil legt hem vol vuur uit dat dat niet waar is. Dat juist álles erop staat. Omdat het schilderij helemaal wit is, kan Olifant er alles in zien wat hij maar wil. En elke dag iets anders. Zo had Olifant het nog niet bekeken, en tevreden gaat hij naar huis met zijn witte schilderij, het meesterwerk waar alles op staat.
Dit meesterwerk, daarom begin ik er over, hangt nu in het Stedelijk Museum van Schiedam, en Krokodil blijkt herman de vries te heten, met op verzoek alleen maar kleine letters. En omdat ik de tentoonstelling ‘herman de vries.all’ samen met mijn jongste zoon bezoek, vijftien inmiddels, heb ik vanmiddag de gelegenheid hem dit verhaal na al die jaren toch nog eens te vertellen. Een kans die ik niet laat liggen. Grappig is dat herman de vries daarna, in één van de videofilmpjes die de tentoonstelling begeleiden, ongeveer hetzelfde over zijn witte schilderij zegt als Krokodil over het zijne. Je gaat vanzelf denken dat Max Velthuijs het werk van herman de vries kende, en waardeerde.
Ik kende het niet, ik had eerlijk gezegd zelfs nog nooit van herman de vries gehoord, maar halverwege zaal twee ga ik hem al waarderen. Dat komt niet in de laatste plaats door de manier waarop hij, in de videofilmpjes, over zijn werk praat. Daar zit een vriendelijke oude man, met een enorme witte baard, luchtigjes te vertellen over wat hij zoal gemaakt en gedaan heeft, en hoezo. Waarbij hij vooral ook zit uit te stralen dat hij daar zélf in elk geval erg veel plezier aan beleeft en dat wij maar moeten kijken wat we ervan vinden. Daar komt verder geen ondoorgrondelijke en zwaarwichtige kunstenaarsblabla aan te pas. i’m not sure. are you? staat op één van zijn schetsvellen te lezen, en dat vind ik wel een prettig en verfrissend motto.
Het werk dat herman de vries toont is betekenisloos, zegt hij zelf. Als kunstenaar probeert hij geen betekenis toe te voegen aan dingen die er al zijn zoals ze zijn. Het uitgangspunt van de Nul-beweging uit de jaren zestig, dat de vries altijd is trouw gebleven en is gaan combineren met zijn achtergrond als plantkundige.
Een groot deel van de tentoonstelling bestaat uit ingelijste of op sokkels gepresenteerde vondsten uit de natuur. Herfstbladeren, stenen, takjes en twijgjes, gedroogde planten, slakkenhuizen, schelpen.. wat je zelf ook zoal opraapt en meeneemt, kortom, van een wandeling door het bos, of van vakantie. Alleen, bij jou eindigt het roemloos in een vergeten hoekje en uiteindelijk de vuilniszak. de vries lijst het in en toont het de wereld. Kijk, zegt hij, kijk, hoe móói dit is.
En hij heeft gelijk. Dwalend door de zalen worden we telkens opnieuw verrast door de schoonheid van de eenvoudigste dingen. Wilgenblaadjes, bijvoorbeeld. Kan het gewoner? Ingelijst op een witte achtergrond, in een strak stramien van twaalf rijen en zestig kolommen boven en naast elkaar, zie je dat ze weliswaar allemaal hetzelfde zijn, maar tegelijk allemaal anders. Groter, kleiner, krom, recht, smal, minder smal, lichter of donkerder van kleur - ieder voor zich proberen ze aan het stramien te ontsnappen en vormen zo tezamen een betoverend ritme, waarvan je je afvraagt hoe het klinken zou als het muziek was.
Verderop gebeurt hetzelfde met bladeren van de esdoorn, die een verre associatie oproepen met de uitgeknipte bladeren van Matisse. Want dat is het gekke, de vries wil dan wel geen betekenis in zijn werk leggen, daar hebben je ogen niks mee te maken. Die gaan daar gewoon toch naar op zoek. Hoog in het trapgat hangt een verzameling ingelijste takjes, zwart en grillig afstekend tegen hun witte achtergrond en het is bijna niet mogelijk niet aan glas in lood te denken en aldus op zoek te gaan naar één of andere bijbelse voorstelling. Op de kop van een gang hangen een aantal dikke en doornige rozenstokken in een vierkant bijeen, precies even lang en vrij dicht naast elkaar. De ruimte ertussenin kleurt heel voorzichtig rood en de schaduwen die eronder recht naar beneden weglopen in het wit, doen automatisch aan bloed denken, dat naar beneden druipt. Over religieuze ervaringen gesproken.
Jazeker, aan Mark Rothko heb ik ook nog gedacht, in het Schiedams museum. In een zaal die was ingericht met zogenoemde aarduitwrijvingen. Grote rechthoekige kleurvlakken, ontstaan door, de naam zegt het al, het uitwrijven van verschillende soorten aarde. In verrassend heldere kleuren rood, oranje en geel. Kleurvlakken die, net als bij Rothko, niets anders willen zijn dan kleur. herman de vries voegt daar een dimensie aan toe door de vloer te bedekken met een dikke laag rozenknoppen, een extra kleurvlak, dat de zaal bovendien vult met een zoete en optimistische geur, waardoor de spirituele ervaring een veel lichtere wordt dan bij Rothko. Letterlijk lichter ook, doordat de zon juist nu, voor het eerst in dagen, door het raam naar binnen valt, in een lange, hoopgevende baan. Alleen in de zaal, dat ook nog, laat ik mij in alle rust bedwelmen, terwijl mijn zoon ondertussen, dat zie ik heus wel, zijn haar even checkt, in de spiegelende lijsten.

De tentoonstelling herman de vries.all is nog tot 18 januari 2015 te zien in het Stedelijk Museum Schiedam.

zondag 28 december 2014

Zij toonden zich onverzettelijk




















Uit de serie: GeenKunst
De wereld een beeldentuin. Voor een rondleiding, volg de gids.

vrijdag 26 december 2014

Het publiek in Amsterdam

In de stoel rechts naast mij in het theater zat een mevrouw onbedaarlijk te lachen. Telkens weer. Gierend boog ze voorover, zó leuk vond ze het. Oh God! kreunde ze er soms, naar adem happend, nog tussendoor. Het had bijna iets orgastisch, zo nu en dan. En het wás ook leuk. De voorstelling, bedoel ik. Zeker. Ik vond het ook leuk. Ik moest ook lachen. Alleen niet zo hard. Eigenlijk moest niemand in de zaal zó hard lachen als de mevrouw in de stoel rechts naast mij. Misschien was het daar de voorstelling ook niet naar. Ik dacht eerlijk gezegd van niet, geloof ik. Al was de mevrouw het daar vast niet mee eens, want na afloop wendde ze zich in vertrouwen tot mij met de verbaasde vaststelling dat er vanavond nou niet bepaald uitbundig was gelachen. Tja. Ik dacht daar dus het mijne van, maar wilde haar dat nou ook weer niet meteen zo betweterig onder de neus wrijven en stelde haar dan maar gerust met de gedachte dat mensen natuurlijk ook plezier kunnen hebben zónder heel hard te lachen. En dat het in elk geval niet aan háár had gelegen.
Het publiek in Amsterdam, verzekerde ze mij toen op besliste toon, was toch echt héél anders.
Gut, dacht ik, wat een merkwaardige mededeling. Wat wilde de mevrouw hier nou eigenlijk precies mee zeggen? vroeg ik mij af. Zou ze misschien een studie maken van de verschillende soorten publiek in Nederland? Reisde ze alle theaters af, op zoek naar overeenkomsten en verschillen tussen het publiek in Meppel, Zwolle, Leersum en Middelburg? En had ze nu net Amsterdam en Alkmaar gehad? Waardoor ze nu deze tussentijdse conclusie vast kon trekken? Waarschijnlijk niet. Hoogstwaarschijnlijk bestond er alleen Amsterdams publiek en niet-Amsterdams publiek. En het publiek in Amsterdam, zoveel was duidelijk, was het betere publiek. De mevrouw wilde laten doorschemeren dat ze nu weliswaar in een provinciaals theatertje in Alkmaar zat, maar dat ze het beter gewend was. Dat ze toch heus iemand van de wereld was! Dat ze namelijk regelmatig in Amsterdam kwam. Dat ze het Amsterdams publiek op haar duimpje kende. Dat zij zelf eigenlijk ook Amsterdams publiek was. Het betere publiek, dus. In tegenstelling tot de rest van de zaal.
Mij restte niets anders dan het hoofd buigen, in deemoedige schaamte.
Sorry, voor ons.

woensdag 24 december 2014

Dag vlieg



Veel heeft René van t Hof niet nodig, om je aan het grinniken te krijgen. Ik herinner me een voorstelling van Carver waarin hij in een grote kartonnen doos zat opgesloten, zodat je hem niet eens zag, maar aan het bewegen van de doos wíst je dat híj het was die erin zat, en het bewegen van de doos was al voldoende. De grinnik kleeft hem aan.
Nu ook weer, direct bij het openingsbeeld van ‘Dag vlieg’. Hij zit daar alleen maar, bewegingloos op de rand van het bed, er is nog niks gebeurd of gedaan, en het is al leuk. Goed, hij zit daar in wit en ouderwets ondergoed, de grote schoenen en sokken al aan, geplakt haar, een zware bril op de neus.. dat zet een zekere toon. De makkelijke lach, zo u wilt. Maar toch, het is meer dan dat. Er zit een randje aan. En dat zal dan ook met verwachtingen te maken hebben, want je weet wel ongeveer wat je krijgt, bij René van t Hof. Het zijn de wat triestige, eenzame mannen, die hij neerzet. Onhandig, onbeholpen, omslachtig. Sneu. Slachtoffers, maar waarvan?
De oude man in deze voorstelling probeert zijn dag op gang te krijgen, maar de eenvoudigste en meest alledaagse dingen kosten hem de grootste moeite. Zich aankleden, een glas water drinken, wat rommel opruimen, de jacht op een lastige vlieg.. het leidt allemaal tot onnavolgbare balletten waarin alles tegenzit en niets normaal lijkt te kunnen gaan, en waarin een verbeten strijd met de dingen wordt gevoerd. Het oude lijf - trillend, gebogen en moeilijk bewegend - werkt ook bepaald niet mee.
Het levert aanvankelijk een aaneenschakeling van tragikomische momenten op. Niet eens zozeer om wát er gebeurt, dat zou je af en toe zelfs nog voorspelbaar kunnen noemen, maar vooral om hóe dat gebeurt. Ieder gebaar, de kleinste beweging, de minste grimas is perfect getimed en ontzettend subtiel veelzeggend. Kansloos ben je, als toeschouwer. En wat René van t Hof met dat schijnbaar wat lullige lijf van hem allemaal kan, is werkelijk ongelooflijk. Wanneer hij bijvoorbeeld zijn broek probeert aan te trekken, met die grote, lompe schoenen al aan, ontaardt dat in een adembenemende glijpartij waarin de oude man, met als enig houvast de tafel, als een hovercraft los lijkt te komen van de zwaartekracht. Zonder dat hij daar zelf nog invloed op uit lijkt te kunnen oefenen, gaat zijn onderstel de meest onmogelijke kanten op. Een staaltje beheersing waar je met open mond naar zit te kijken.
Gaandeweg sluipt er echter iets ongemakkelijks in de grinnik, wanneer het langzaam tot je doordringt dat er in ieder bejaardenhuis waarschijnlijk, of misschien wel bij jou in de straat, mannen als deze wonen. Alleen, in hun kamertjes. Onbeholpen worstelend met de eenzaamheid, de ouderdom en het ongemak. Met het naakte bestaan. Aan wie het volle leven zich ook alleen nog aandient in de vorm van geluiden van buitenaf, net als in deze voorstelling. De radio. Spelende kinderen op straat. Een heimachine verderop.
Grinniken blijf je, weerloos als je bent. Zelfs wanneer de oude man onhandig staat te wankelen, op een stoel op het matras, moedeloos staat te stoethaspelen met een touw, en zelfs dát nog tegenzit. Maar onbekommerd grinniken is het niet. Het schuurt een beetje. Je kreunt erbij. Er zit een randje aan.

Er is een speellijst, voor Dag vlieg, van René van t Hof, maar die is nog maar erg kort: twee data in januari. U moet er wel voor naar Amsterdam,  maar ik zou het er voor over hebben.


Antonius preekt tot de vissen




















Uit de serie: GeenKunst
De wereld een beeldentuin. Voor een uitgebreide excursie, volg de gids.

maandag 22 december 2014

Een under cover operatie



Wandelend langs ’s Heeren wegen kom je soms dingen tegen waarvan je natuurlijk heus wel weet dat het zo niet bedoeld is, maar waar je, met een beetje fantasie, best een kunstwerk in kunt zien. Makkelijk zelfs. Kunst en werkelijkheid liggen namelijk vaak behoorlijk dicht naast elkaar. We hadden het daar al eerder over, in de serie GeenKunst. In de Hollandse duinen bij Wassenaar tref ik een tafereel dat heel goed voor LandArt door zou kunnen gaan.
Met grote, rechthoekige, modderbruine zeildoeken is in de berm een flink stuk grond afgedekt. Toegedekt. Aan het zicht onttrokken. De zeildoeken liggen enigszins tegen een flauwe helling op, en de bovenrand ervan is hier en daar wat in de grond weggewerkt, waardoor het zeil uit de grond zelf lijkt voort te komen en zich langzaam maar zeker een weg naar beneden lijkt te zoeken, als een plastic lavastroom. In de hoek waar de twee niet even grote zeilen elkaar ontmoeten, staat een grijs, weerbarstig boompje. Het lijkt de neerstromende zeilmassa te splitsen en zo vooralsnog weerstand te bieden aan de uiteindelijk zekere overmeestering van het landschap.
De kunstenaar wil met zijn werk misschien een waarschuwing geven voor de immer groeiende stroom plastic afval die onze leefwereld overspoelt en waartegen de natuur zich de laatste decennia heeft te verzetten. Een strijd waarvan de sombere afloop zich in dit kunstwerk al laat raden: het schrale boompje zal uiteindelijk machteloos blijken tegen het plastic geweld, en geen stand houden. Als wij mensen deze zelfgecreëerde natuurramp niet een halt toeroepen, lijkt de kunstenaar te willen zeggen, zullen wij er tenslotte ook het slachtoffer van worden. Omdat de natuur het in haar eentje niet zal redden.
De werkelijkheid blijkt echter een soort van andersom. De natuur redt het prima zonder ons. Iets té goed zelfs, wellicht. De zeilen, zo verklaart een aanpalend bord, zijn hier neergelegd in een poging de Zwarte Engbloem te stuiten in haar overwoekering van het duingebied. We hebben te maken met een zogenoemde agressieve exoot. Een soort die hier van oorsprong niet voorkomt, maar, nu hij er eenmaal is, sommige originele soorten verdringt en overwoekert.
De Zwarte Engbloem, die nog behoorlijk giftig is ook, heeft zich hier waarschijnlijk gevestigd doordat haar zaad bestanddeel was van fazantenvoer. Wie dat fazantenvoer heeft rondgestrooid en met welke reden, laat zich misschien wel raden. Denk er anders maar even over na. In elk geval hebben de fazanten niet de tijd gekregen het allemaal op te eten want de Zwarte Engbloem gedijt dus uitstekend.
Om haar nu weer uit te roeien wordt er al een paar jaar drastisch gemaaid, zo vertelt het bord, maar dat blijkt onvoldoende. De plant verspreidt zich niet alleen met haar zaad, maar ook met een ondergronds systeem van wortelstokken. De zeilen zijn een nieuw experiment. Door de plant, met haar wortelstokken en al, op deze manier geheel af te sluiten van lucht en licht hoopt men haar voorgoed kwijt te raken.
Het idee voor deze methode, vermeldt het bord ook nog, ontstond tijdens het kamperen. Bij de bekende aanblik van de achtergebleven modderige rechthoek, waar eerder de tent een vrolijke week had gestaan, en waar nu zelfs het gras niet meer leefde.
Bij mij zorgt dit voor een glimlach. Ik zie een boswachter voor me die zijn tentje opvouwt, een eureka-moment heeft en dan eigenlijk geen zin meer heeft in de rest van de vakantie omdat hij nu eindelijk weet hoe hij de Zwarte Engbloem te lijf kan gaan.

vrijdag 19 december 2014

In de rij voor Rothko



Je moet er al wéken voor in de rij staan, voor de schilderijen van Mark Rothko. Vandaag valt het nog mee, met een rij van hooguit tien minuten, maar bij eerdere, andere uitstapjes naar mijn geboortestad Den Haag zag ik rijen waarvoor de markante, lange glazen toegangscorridor van het Haags Gemeentemuseum bij lange na niet lang genoeg was. Als je niet beter wist zou je nog tot de conclusie komen dat we in een zéér beschaafd en kunstminnend land wonen. Het is geen Anton Pieck tenslotte, Mark Rothko. Of Herman Brood. Moeilijke kunst, is het. 
Gelukkig wordt er ook op zijn Hollands gemopperd. Op de rij en het tempo waarin die beweegt. Maar, eerlijk is eerlijk, ik mopper even mee, het ís ook onbegrijpelijk dat het Gemeentemuseum, zeker na al die weken drukte, nog altijd minutenlang zit te schutteren met zoiets alledaags als een pinbetaling. Of een museumjaarkaart. Met alles dus eigenlijk.
Het is evengoed niet bepaald wat Rothko zelf in gedachten had, deze drukte. Zíjn idee was het dat de toeschouwer bij voorkeur alleen zou zijn met zijn werk, om zo, in alle stilte en afzondering, tot een religieuze ervaring te komen. Dezelfde religieuze ervaring die hij zelf had bij het schilderen van het doek. Weliswaar staat er bij de ingang van de tentoonstelling een bord waarop de bezoeker gevraagd wordt zoveel mogelijk stilte te betrachten, in verband met dit idee, maar dat het lastig wordt is meteen duidelijk. Het wemelt in elke zaal van de kunstliefhebbers. Ieder schilderij moet gedeeld worden met een beweeglijke wolk van andere kijkers en hoe je je ook opstelt, er schuift altijd wel een lid van de culturele elite je blikveld in. Zonder boe of ba gaan ze pal voor je neus staan om het wonder te aanschouwen. Soms loopt er eens iemand tot vlak voor het schilderij, om een detail te bestuderen, zonder acht te slaan op degene die op enige afstand het geheel juist probeert op te nemen.
Mannen met artistieke, corduroy jasjes en grijze manen, streng en nadrukkelijk bebrild, doorgronden het werk met vorsende blik. Grijze dames met brillen aan kettinkjes, dure kleding en dito kapsels ondergaan het met deftige oogopslag. Fluisterend wijst men elkaar op bijzonderheden, zucht zachtjes van ooh en aah. Gelachen wordt er niet, het is een serieuze zaak. Terwijl ik het toch ook wel iets lachwekkends vind hebben. Ja, sorry. Al die ernstige gezichten die lang en interessant en nadrukkelijk naar een groot zwart vierkant op een zo goed als zwarte achtergrond staan te kijken. En daarna naar het volgende, weer net iets anders. Flauw, van mij, om er zo naar te kijken natuurlijk. En ik ben me er zeer van bewust dat ik nauwelijks afwijk van de plaatselijke grootste gemene deler, met mijn lange grijze haren en mijn geitenwollen vest. Mijn zwarte bril en vorsende blik. Bovendien, ik vind het mooi. Het doet me meer dan ik had verwacht. Het vroege werk, ach ja, dat kan me gerust gestolen worden. Hooguit interessant om te zien dat Rothko, figuratief gesproken, eigenlijk niet zo héél erg goed kan schilderen. Misschien dat hij daarom is uitgekomen op die grote abstracte doeken met steeds weer dezelfde rommelige rechthoeken in telkens verschillende stapelingen. En ook dat is weer flauw. Want het fascineert dus wel. Omfloerste kleurvlakken zingen zich langzaam los van hun achtergrond, naderen elkaar, blijken langzamerhand uit meer kleuren te bestaan dan je eerder zag en of je nu wilt of niet, je wordt er door betoverd. Ik wel. Dus dat zal dan toch een religieuze ervaring zijn, wellicht.


De tentoonstelling Mark Rothko is nog te zien tot en met 1 maart 2015, in het Haags Gemeentemuseum.

donderdag 18 december 2014

Waiting for a miracle




















Uit de serie: GeenKunst
De wereld een beeldentuin. Voor een uitgebreidere rondleiding, volg de gids.

maandag 15 december 2014

Op de tast

Er waren wel wat dingen waaraan de man vrij duidelijk merkte dat hij geen twintig meer was. Geen veertig meer ook trouwens. Neuh. Hij hoefde om te beginnen bijvoorbeeld alleen maar eens naar zijn jongens te kijken. Tjongejonge. Als de alwetende held en de beste van de wereld beschouwden ze hem allang niet meer natuurlijk, maar zo af en toe leken ze hem nog maar nauwelijks serieus te nemen.
“Já hoor pap, túúrlijk!”, met zo’n zware bromstem vol spot.
“Já hoor, kleine páppaatje”.
Want al was het pas een centimeter, ze waren hem inderdaad nog boven het hoofd gegroeid ook. Die grens was óók al gepasseerd. Daar kwam hij óók niet meer onderuit. Of bovenuit, net hoe je het wilde zien.
En als hij nog wel eens een zoen kreeg, voelde hij duidelijk baardhaar prikken.
Hij merkte het ook aan zijn dochter, die een vijfkamerwoning had gekocht, met haar vriend. Een ééngezinswoning. Vijf kamers! Eén ervan heette nu nog de extra kamer, maar de man vroeg zich af hoe lang nog.
Zijn jongste zoon was trouwens ook al met een vriendinnetje aan komen zetten. Nostalgische blikken op kinderfoto’s en weemoed om de dingen die voorbij gaan. Dus.
Maar bovenal merkte hij het toch aan zichzelf. Het lichamelijk ongemak. Ach man! Nee, dat viel beslist niet altijd mee. Het eeuwig gehaspel en gehannes met twéé brillen alleen al. Daar zou hij wel nooit aan wennen. Altijd had hij de verkeerde  op en zag hij wat hij wilde zien maar zo’n beetje op de gok. Stond hij zijn klusjes half op de tast te doen. Kletterden van bijziende onhandigheid de schroefjes en de boutjes  naar beneden, op de grond, de trap af, en zat hij minutenlang op zijn pijnlijke knieën, met zijn stramme lijf, om dat allemaal maar weer eens terug te vinden, op bejaard gevoel.
Vroeger hóórde hij nog wel eens waar iets ongeveer terecht kwam, als het viel, maar zijn gehoor werd er ook niet beter op, sinds hij geen vijftig meer was. In luidruchtig door elkaar heen orerend gezelschap bestond zijn conversatie inmiddels voor misschien wel zestig procent uit zinnen als: “Sorry, ik versta je niet”, “Zeg het nog eens?” en “Wat zei je nou?”. Of anders maar een wilde gok of schaapachtig lachen, in de hoop dat de vraag daarmee afdoende was beantwoord. Als het een vraag was.
En dan dat stramme lijf, dat zich steeds voorzichtiger ging bewegen, onzekerder, waarbij hij ook steeds vaker ergens tegenaan botste, iets omver stootte of ergens over struikelde. Wat dat betreft voelde hij zich helemaal ál meer een bejaarde. Of had hij dat al genoemd? Zijn geheugen had er ook duidelijk wat meer moeite mee, de laatste tijd. Stond hij weer bovenaan de trap te bedenken wat hij boven nou ook weer te zoeken had.
En het ergste van allemaal, zijn eigen chagrijn hierover, dat hem bij tijd en wijle vanuit een hoekje besprong, en hem dan maar niet meer met rust wilde laten.

zondag 14 december 2014

Our lips are sealed




















Uit de serie: GeenKunst
De wereld een beeldentuin. Voor een rondleiding, volg de gids.

vrijdag 12 december 2014

Happy end



Bij de meeste bioscoopfilms weet je van tevoren al precies wat je krijgt. Dat is de wet van het happy end. Daarom zijn ze vaak ook een beetje saai om heen te gaan, eigenlijk. Maar goed, je wilt ook wel eens met je vrouw naar de film natuurlijk, en die vindt dat leuk, dat ze mekaar krijgen op het eind. Die houdt niet van spanning en sensatie en moeilijk gedoe. Dus af en toe moet je er dan maar het beste van maken, en dat is in dit geval My old lady. Alles beter dan Gooische vrouwen, tenslotte. 
Waar het om draait, in My old lady, zien we van tevoren in de trailer op internet: een niet onknappe Amerikaanse man erft een groot appartement in hartje Parijs en denkt daar zijn financiële sores mee op te lossen, maar.. in het appartement woont tot zijn verrassing een oude dame, met haar niet onknappe dochter, die daar volgens een rare Franse wet tot haar dood mag blijven wonen en zelfs recht heeft op een maandelijkse toelage van de eigenaar van het appartement. De Amerikaanse man dus, in dit geval, met zijn financiële sores.
Nou, dan weet je het al.
Om te beginnen is die dochter in de pocket, dat lijdt geen twijfel. Al zullen ze eerst natuurlijk nog driekwart film ruzie maken en elkaar onuitstaanbaar vinden maar dán is het toch echt ónvermijdelijk: bingo! Happy end.
De oude dame is hoogstwaarschijnlijk een excentriek oud dametje, met een flinke scheut schattig, een mespuntje grappig en een kopje vilein. In de loop van de film zal ze nog wel een wijs adviesje of inzichtje in de aanbieding hebben, een levenslesje, en aan het eind zullen zij en de Amerikaan elkaar ondanks alles ongetwijfeld begripvol in de harten sluiten. Happy end.
Verder zal er wel een koper zijn, voor het appartement, een snelle jongen met het bord voor z’n kop van de zakenman, die het alleen wil hebben om er iets stuitend commercieels van te maken, en dreigt de Amerikaan aanvankelijk met hem in zee te gaan, omdat geld nou eenmaal geld is, voor een Amerikaan. Als dat maar goed afloopt, moeten we dan denken, maar dat doen we niet, want we weten het al. Anders krijgt hij die dochter niet. En geld maakt niet gelukkig, tenminste.. niet aan onze kant van het doek. Happy end.
Waarom zou je nog gaan kijken? Want als je al wéét dat de Amerikaan en de dochter elkaar in de laatste vijf minuten zielsgelukkig in de armen zullen vallen, terwijl de camera langzaam scherp stelt op het oude dametje dat op de achtergrond vertederd toekijkt, vanuit de serre van het appartement waarin zij nu veilig tot haar dood kan blijven wonen, hoe kunnen de ontwikkelingen die je níet één twee drie van tevoren had zien aankomen dan ooit nog spannend worden?
Dat worden ze dan ook niet. Hooguit onderhoudend. En daar is verder ook weer niks mis mee natuurlijk, dat is helemaal waar. Maar jammer is het wel. Er had wel wat meer ingezeten.

woensdag 10 december 2014

De X factor




















Uit de serie: GeenKunst
De wereld is een beeldentuin. Voor een rondleiding, volg de gids.

maandag 8 december 2014

Vrijdag gehaktdag

Vis, dacht de man in de supermarkt, als antwoord op de eeuwige dagelijkse vraag: wat zullen we vanavond nou weer eens eten? Vis, dat was een goed idee. Dat was lekker makkelijk en makkelijk lekker. Tevreden over deze ingeving ging hij op weg naar de koelvitrines. Het aanbod was niet overweldigend, zag hij al gauw, maar goed, het was de visspeciaalzaak niet, het was de supermarkt, en daar paste het aanbod nou eenmaal achter twee koeldeuren.
Vóór die deuren had zich een dame geposteerd, met breeduit zo’n nieuwerwets winkelmandje op wielen, met zo’n lang, inschuifbaar handvat. Zo’n stewardessenrolkoffer voor de boodschappen. De man vond ze niet handig. Ze waren te groot voor de snelle boodschap waar je nou juist een mandje voor nam, zodat je bij de kassa altijd met veel te veel boodschappen stond voor de tas die je niet bij je had, en je liep ook nog eens de hele tijd te bukken om je koekjes niet te breken en je bananen niet te kneuzen.
Het was een deftige dame, waar hij even op moest wachten tot zij haar keus had gemaakt. Ze had wel een klein hoedje op, maar van een gedekte kleur. Ze was ook te oud en waarschijnlijk veel te deftig om stewardess te zijn, maar ze had er wel het postuur voor gehad, zag de man. Slank en rijzig. Voornáám.
Hij had alle gelegenheid voor dit soort ongebruikelijke en misschien zelfs ongepaste overpeinzingen want de dame nam haar tijd. Met trage, deftige bewegingen opende ze uiteindelijk één van de twee deuren en pakte een voorverpakte forel. Ze bestudeerde de vis en het etiket aandachtig. Een leesbril had ze daar blijkbaar niet bij nodig, maar of stewardessen die wel of niet mochten hebben, wist de man eigenlijk niet. Piloten, meende hij te weten, mochten geen bril. Of dat was vroeger zo. Enfin, het deed er ook niet toe, want de dame wás geen stewardess.
Net toen de man dacht dat ze de vis in haar rolkoffermandje zou leggen, met een deftig kniksje misschien wel, hoopte hij, bedacht de dame zich echter, opende de deur opnieuw en legde de vis terug. Om meteen een andere te pakken. Ook een forel. Zo op het oog, vanaf zijn gepaste afstand, was er geen verschil, maar dat ging de dame nu op haar deftige gemak bestuderen.
Voorzichtig, aarzelend, maakte de man een kleine voorwaartse beweging, richting de koeldeuren, richting de dame, in de hoop dat hij werd opgemerkt, al was het maar vanuit een ooghoek. Dat er een glimlachend stapje opzij werd gedaan, een klein beleefd handgebaar van gaat uw gang, zodat hij ook.. maar de dame had alleen oog voor de forel en zijn etiket. Ze zou geen góede stewardess geweest zijn.
Net toen de man dacht dat ze de vis in haar rolkoffermandje zou leggen, het deftige kniksje hoefde van hem al niet meer eerlijk gezegd, bedacht de dame zich echter opnieuw, opende de deur nogmaals en legde de vis terug. Om toch de eerste forel weer te pakken. De man zag nog steeds het verschil niet. Misschien was de ene iets kleiner of groter, misschien was er verschil in de houdbaarheidsdatum, misschien keek de ander iets prettiger uit de dode ogen, wie zou het zeggen. Het was iets tussen de dame en de vis. In elk geval, dacht de man, opgelucht bijna, had ze nu haar keuze gemaakt en kon hij óók verder met zijn boodschappen.
Toch was het blijkbaar ingewikkelder, want hoewel de man nu toch echt dacht dat ze deze forel in haar nog lege winkelmandje zou leggen, begon de dame de vis en het etiket opnieuw te bestuderen, waarbij ze als enige vooruitgang in de gang van zaken af en toe een vergelijkende blik in de vitrine wierp. Op de andere vis, begreep de man.
Hij had opeens geen trek meer in wat voor vis dan ook.
Hij nam wel gehaktballen.
Daar waren ze thuis óók dol op.

vrijdag 5 december 2014

Haven, vissersboot, vuurtorenlicht



Zijlstra. Ja. Ik weet eigenlijk nooit zo goed wat ik daar nou echt van vind. Wel wat ik ervan móet vinden want onlangs kreeg hij nog de Dirk Witte Prijs uitgereikt, voor zijn hele oeuvre maar meteen, dus dat is wel duidelijk en dat bedoel ik dan ook niet. Een eigen mening, dat ligt moeilijker.
Okay..
Ik vind het wel een leuke man, geloof ik. Een eigenwijs sujet. En een grappig verschijnsel, zo’n voormalige zeebonk die jazz heeft gestudeerd, trompet speelt en eigentijdse liedjes zingt over de zee, en Durgerdam. Goeie stem ook. Heel eigen geluid, ongepolijst. Authentiek. Helemaal Zijlstra, om het op zijn Noordhollands te zeggen. Best een lekker liedje, denk ik vaak, als ik wat hoor langskomen. Pakkend. Heel eigen geluid, ongepolijst. Authentiek. Helemaal Zijlstra. Maar een andere keer heb ik het ook wel weer eens even een beetje gehad met dat eeuwige zout en zand en zee. Haven, vissersboot, vuurtorenlicht. Denk ik trouwens ook wel eens (ik durf het bijna niet te zeggen): en wanneer ga je dat liedje nou afmaken? Qua tekst?
Tja.
Maar wel benieuwd genoeg om een concert te bezoeken. Tuurlijk. Leuk!
In Wieringerwaard, praktisch geboortegrond voor Zijlstra, had het Witte Kerkje iets te vieren, vertelt de dame van het organiserend comité voor aanvang onwennig in de microfoon. En toen had iemand dus de naam Zijlstra laten vallen. Zijlstra.. ja.. hadden ze toen gedacht.. ja.. daar hadden ze toch eerst eens een cdtje van op moeten zetten.
Zijlstra zelf staat het allemaal geduldig aan te horen, in de tochtige gang van het kerkje. Het is koud buiten. Echt november. Hufterig Sinterklaasweer. Maar het kerkje zit stampvol. Leuke man, die Dirk Witte, zal hij daar straks een grapje over maken.
Het bestuur, vervolgt de dame van de organisatie haar succesverhaal, was wel verbaasd geweest dat er zó enorm veel belangstelling was, voor Jeroen Zijlstra. Nog nooit was het namelijk zó druk geweest, in het kerkje. Dát hadden ze niet verwacht.
Zijlstra staat nog altijd in het gangetje van de kerk, waar hij straks, na de voorstelling, zijn cd’s zal verkopen. Hij wacht tot de dame is uitgesproken. Hij overziet zijn publiek. De gemiddelde leeftijd ligt behoorlijk hoog. Beschaafd, aandachtig publiek. Nu al, voor de dame van de organisatie. Een rolstoel hier en daar. Dames met brillen en praktisch haar. Grijze, kort maar gedekte of kalende mannen. Het wordt een middag over erotiek, zal hij daar straks een grapje over maken. Kunnen ze wel hebben. Er zal beleefd om worden geginnegapt.
Een huishoudelijke mededeling, heeft de dame van de organisatie nog, en die betrof de pauze. Daarin zouden de vrijwilligers van het comité lángskomen met de koffie, de koekjes en de thee. Dan kon iedereen dus óp zijn plaats blijven zitten. Dat was, had de organisatie gedacht, het makkelijkste. Als iedereen zélf zijn koffie of thee zou gaan halen, zoals normaal, zou het allicht een chaos worden, in dat kleine gangetje, met zoveel mensen.
Dan is het zover, de voorstelling kan beginnen. Zijlstra loopt door het kerkje naar voren, neemt het altaar met een sprongetje, pakt zijn trompet en speelt een gedragen intro. Het is muisstil in de kerk.
Hij zingt een eerste lied, a capella. Over het afscheid van het vissersbestaan, gaat het. Een motto, lijkt het. Mooi, klinkt het, die hoge, hese stem, breekbaar in de devote stilte. Wat een mooi begin, ik ben al bijna om. Een vrolijk doordenderend liedje over Kappie, de dappere stripheld van weleer en Marten Toonder, trekt me verder over de streep. Pêp pêp.
Zijlstra is in zijn eentje vanmiddag, zonder band. Zelf moet hij er ook weer een beetje aan wennen. Het is de schuld van die andere Zijlstra, Halbe, zegt Zijlstra. Met z’n bezuinigingen. Daardoor moet hij nu in dit soort kerkjes spelen. Wat een fantástisch kerkje, roept hij dan. Omdat het te laat is om nog op zijn tong te bijten.
Zijlstra begeleidt zichzelf op een elektrische piano. Is het niet te hard, vraagt hij maar even, voor de zekerheid. Of te zacht? Kan iedereen hem goed verstaan? Hij staat op en draait toch maar aan een knopje. Ja, zo is het beter. Voor één liedje verkast hij nogal omslachtig naar een andere piano. Een echte. Gedoe natuurlijk. Hij moet er het altaar weer voor af en over benen heen stappen, zorgen dat het snoer van de microfoon geen ongelukken maakt onderweg en als hij erachter zit, is hij voor niemand nog te zien. Dus dat is niks. En wie hoort het verschil? Maar ja, anders heeft het comité dat ding helemáál voor niks laten stemmen, nu hij zijn keyboard mee heeft. Applaus voor de pianostemmer, maakt hij er dan maar een grapje van.
Zijlstra zingt zijn liedjes, speelt piano, vertelt zijn anekdotes tussendoor. Over zichzelf op zee, de vissersboot, de Wieringen zoveel, doorspekt met jargon en zelfspot. Over bekende Nederlanders gaat het ook, en over het vak. De kerk hangt aan zijn lippen.
Zijn trompet komt er nog maar één keer, héél even aan te pas. Logisch natuurlijk, want je kunt meteen niet meer zingen én niet meer pianospelen, en alleen trompet.. daar komen de mensen niet voor. Jammer. Het had voor wat golfslag kunnen zorgen, op de kabbelende zee, om ook wat de beeldspraak betreft op bekend vaarwater te blijven.
Zijlstra zet een liedje stiekem opnieuw in, omdat het niet echt lekker gaat. Probeert eens een ander geluidje, op z’n keyboard, maar besluit op het laatste moment van toch maar niet. Breekt een liedje af, omdat hij het even helemaal kwijt is en het ook na een instrumentale zoektocht niet terugvindt. Buiten, achter de hoge ramen, valt de avond weer iets vroeger dan gisteren. Binnen blijft er met wat peertjes en een kaars te weinig licht over om Zijlstra nog echt goed te zien. Niemand vindt het erg. Het verhoogt vooral de intieme huiskamersfeer die er in het kerkje hangt.
Dan is het afgelopen. De dame van de organisatie bedankt Jeroen, Zijlstra is vanmiddag Jeroen geworden, voor zijn geweldige optreden. Hij krijgt een fles en drie zoenen. Het publiek vraagt om nog één keer Durgerdam. Maar Zijlstra wil eerst een biertje, in de consistorie staat een sixpack, heeft hij toevallig gezien. De dame van de organisatie vliegt al. Ondertussen vertelt Zijlstra van zijn nieuwste cd.
Zijlstra zingt nog één keer Durgerdam en doet dan goede zaken in het tochtige gangetje. Buiten is het koud, en donker. Hufterig Sinterklaasweer. In de auto zetten we het gesigneerde exemplaar van ‘Wieringer in Havana’ op. Het busje van de pianostemmer rijdt langs, en verdwijnt in de avond.

woensdag 3 december 2014

Old soldiers never die




















Uit de serie: GeenKunst
De wereld een beeldentuin. Voor een rondleiding, volg de gids.

dinsdag 2 december 2014

Scherven van een leeggedronken nacht



Er verdrinken meer mannen in hun glas dan in de zee. Frans van Deursen zegt het. Blijkt uit onderzoek, beweert hij erbij, maar welk onderzoek dat is, is hij gemakshalve vergeten uiteraard. Zo gaan die dingen. Het zal zijn eigen zoektocht door het repertoire van Tom Waits geweest zijn want daarin wordt nogal wat liefdesverdriet en zelfmedelijden verzopen. Met verve, overigens. En met evenveel verve vertaalde Frans van Deursen een selecte greep uit dat repertoire in het Nederlands, voornamelijk gekozen van de oudere elpees, toen elpees nog elpees waren, en geen vinyl. Het pre-Swordfishtrombones-tijdperk, waarin Tom Waits nog iets meer op de paden loopt, en zelf ook nog voornamelijk de door het leven en de liefde gekwelde nighthawk uithangt. The piano has been drinking..
Verhalende liedjes, smakelijk verteld, quasi-achteloos, soms meer gesteund of gemompeld dan gezongen, met die typische stem, want we hebben het nu nog even over Tom Waits. Frans van Deursen kiest gelukkig voor zijn eigen stem, en niet voor een tot mislukken gedoemde imitatie. Liederen vol slechte gewoontes, pijnlijke bekentenissen, oud zeer en verse wonden, maar altijd met net genoeg humor om het draaglijk te houden. Zwarte humor, dat spreekt.
En dat dan in het Nederlands, nu. Prachtig Nederlands, ook nog. Jazeker! Zo kan het dus ook, dames en heren van het Nederlandse lied! En het is werkelijk schandalig dat Nederland Top2000-land met voetbalstadions tegelijk uitloopt voor héél matige volkszangers met bizar slechte teksten, terwijl deze drie mannen voor een nauwelijks halfvol zaaltje in het kleinste theater van Hoorn staan te spelen.
Zo, dat moest ik even kwijt.
Waarmee ik niets ten nadele van het kleinste theater van Hoorn gezegd wil hebben, want dat is dan weer wel precies zo’n theater waar een intieme voorstelling als deze het best tot zijn recht komt. Hóeveel zijn er dáár nog van?
Maar goed. Prachtig Nederlands dus. Uitstekende vertalingen. Net zo zwartgallig melancholiek en poëtisch als hun illustere origineel. Trouw ook, aan het origineel, waar dat kan, en origineel afwijkend waar dat beter past. En doordat er ook nog typisch Nederlandse verschijnselen als kopstootjes, de Elfstedentocht en Ard en Keessie worden binnengesmokkeld, worden het liederen die klinken of ze altijd al Nederlands geweest zijn. Tom Waits? Wie was dát ook alweer? Nou goed, ik overdrijf. Maar toch..
Een moment van teleurstelling is er ook. Meteen bij het binnenlopen van de zaal, nog voor er een noot gespeeld of gezongen is, nog vóór het welkomstapplaus. Bij de ontdekking dat er géén contrabas en géén drumstel op het podium staan. Terwijl wij ons daar nog wel zo op hadden verheugd, mijn zoon de drummer en ik. In afgeslankte vorm, noemen ze het zelf, en ach, geef ze eens ongelijk, met dertig man in de zaal, maar een béétje jammer is het wel.
Heel lang hoeft de teleurstelling dan ook weer niet te duren trouwens, want alleen naar Wouter Planteijdt, niet de eerste de beste gitarist, kun je al een hele avond kijken zonder je te vervelen. Wát een avontuurlijke, weerbarstige begeleiding! En wát een geluiden komen er uit één en dezelfde gitaar. Van nauwelijks hoorbaar gefluister tot bijtend en scheurend ordinair. En zelfs psychedelisch achterstevoren. Via een toverkastje weliswaar, maar daarvoor moet alles dus wel net iets te vroeg gespeeld worden, mag je aannemen.
Mooie!, roept de gitarist vervolgens naar de pianist, Leo Bouwmeester, als die een onnavolgbare brug van het ene naar het volgende nummer heeft zitten improviseren. Wat een plezier om te zien hoe de muzikanten elkaar ook af en toe lijken te verrassen. Dat ze blijkbaar niet hun vaste riedel staan af te werken maar elke keer weer wat anders zoeken, terwijl de andere twee geboeid zitten toe te kijken hoe dat deze keer weer eens af zal lopen.
Behalve begenadigd zanger en schrijver/vertaler is Frans van Deursen ook acteur en dat laat zich merken. Niet alleen brengt hij zijn teksten voor het voetlicht tot leven, tussen de gezongen bedrijven door weet hij de zaal op zijn tijd mee te nemen met goed opgebouwde, amusante en soms ontroerende monologen.
Hoe een afgeslankte band en een halfgevulde zaal samen toch een fantastische avond kunnen hebben. Het ongelijk van de thuisblijver bewezen.

Op de site van Frans van Deursen staat een speellijst. Die is niet lang meer, en als ik ook maar enigszins in de buurt van Gorinchem of Elst zou wonen, zou ik zeker niet twijfelen.
De gelijknamige cd is te koop, op het bekende adres.