zaterdag 8 november 2014

Liplezen

In de trein heb ik eigenlijk altijd wel iets om me aan te ergeren. Dat zit bij de prijs inbegrepen, als het ware. Dat begint al bij het inchecken, waarvan ik mij dan bijvoorbeeld al meteen weer afvraag waarom dat zo nodig in het Engels moet, als we hier dan zo dol zijn op onze eigen Hollandse cultuur. Wat is er dan mis met het Nederlandse woord aanmelden? En waarom mag ik, als trouw abonnementhouder, met negen euro op mijn kaart tóch geen ritje van twee euro veertig maken, van de NS? Waarom moet de helft van de trein vaak de hele weg leeg blijven, op een handjevol onderuitgezakte conducteurs na, terwijl de andere helft soms zó vol hangt met uitgaansjongeren of voetbalsupporters dat er niet eens meer een conducteur dóór kan, al zou die dat durven.
Nou goed.
Verder zit er natuurlijk altijd wel iemand met zijn schoenen op de stoel, is er altijd wel iemand die de laatste drie plaatsen nodig heeft voor zijn tas en zijn jas en zijn das, en laat iedereen ook altijd wel overal zijn gratis krantjes slingeren, en zijn halfleeg gedronken blikjes en flesjes staan. De schillen en de dozen.
Om over de ongewenste intimiteit van sommige telefoongesprekken maar niet eens te beginnen. Hoewel dat soms ook voor vermakelijke taferelen kan zorgen. Laatst was schuin tegenover mij in de trein, twee banken verderop aan de andere kant van het gangpad, bijvoorbeeld een meneer komen zitten. Een hele grote meneer. Niet dik, maar groot. Er was héél véél meneer. Omdat het zo druk was in de trein moest hij genoegen nemen met maar één van de vier stoelen, maar eigenlijk had hij de hele vierzitter nodig, met zulke benen, en zulke armen. Met zoveel om het lijf. Nu zat hij zo’n beetje ingeklapt en opgevouwen tussen de andere passagiers, en wat er niet meer bijpaste was half in het gangpad blijven steken.
Toen hij eenmaal zat, begon de meneer te bellen. Dat was verder niet zo bijzonder, de halve coupé zat te bellen, al deed de meneer het wel heel hard. Er kwam ook een heel groot geluid uit de meneer en hij was door de hele coupé zéér verstaanbaar. Maar goed, ook dat komt vaker voor, helaas, en inhoudelijk week het evenmin af van het gangbare ‘ik zit in de trein en ik ben er over tien minuten’ verhaal. Nee, wat het een beetje vreemd maakte, en waardoor ik er ook de hele tijd naar moest blijven kijken, op het gênante af, was dat de meneer zeer nadrukkelijk zijn vrije hand als een enorme schelp voor zijn mond hield.
Eerst begreep ik het niet. Was het omdat de meneer die hand, met die enorme arm er ook nog aan, verder nergens kwijt kon? Een gevolg van zijn gedwongen ongemakkelijke houding? Of wilde hij zijn telefoontje afschermen tegen het geluid uit de coupé? Om zijn verstaanbaarheid voor de andere kant van de lijn te verbeteren? Dat zou overdreven zijn, want de rest van de coupé leek beduusd de adem in te houden en de verstaanbaarheid was uitstekend.
Toen herinnerde ik mij plotseling dat ik deze belhouding wel eens op een krantenfoto had gezien. Politici, schijnen zo te bellen. Nu ik het wist, kon ik het bijna niet geloven. Het was tegen liplezers. De meneer die ieder ander gesprek en de trein zelf overstemde, was bang voor liplezers.
Grappig.
Op de terugweg zat vlak naast me, aan de overkant van het gangpad, ook een meisje te bellen. Diep in elkaar gedoken schermde ook zij haar telefoontje af met haar hand, en haar haar. Maar zíj voerde heel záchtjes een gesprek. Héél zachtjes. Zó zachtjes dat je het eigenlijk niet hoorde. Geruisloos als een ademtocht fluisterde ze haar onhoorbare woorden. Ik verstond er helemaal níks van. Ik kon zelfs niet eens uitmaken of het lieve woordjes waren, die ze lispelde, of dat er iemand de huid vol werd gefluisterd.
En eerlijk gezegd vond ik dát dan weer behoorlijk ergerlijk.


Dit bericht is een herschreven combinatie van twee eerdere stukjes. Afgelopen vrijdag las ik het voor als Column van de week, op de lokale radio.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen