donderdag 29 mei 2014

Joehoeoe!

Het was weer eens een prachtige dag. De zon stond nog steeds aan de strakblauwe hemel en de man zou wel gek zijn als hij niet even, vóór hij ging koken, voor zijn huis op het bankje zou gaan zitten. Met zijn bol in de zon. Had hij zo gedacht. Nee, dat kon zeker geen kwaad. Dus daar zat hij dan, een vroeg biertje erbij, boek op schoot en dan maar kijken wat er zoal gebeurde op straat.
Het gebruikelijke, uiteraard. Buren kwamen thuis, parkeerden auto’s, of gingen nog van huis voor een vergeten boodschap. Sommigen groetten hem. Anderen niet.
Een man liet zijn hond uit. Een kat kroop onder een auto. De onderwijzers van de school tegenover fietsten één voor één naar huis. Groepjes scholieren namen breed uitgewaaierd de hele straat in beslag. Verderop stond een buurman zijn nieuwe kozijnen te schuren. Een vrouw in roze sportkleding rende rood aangelopen langs, met een boze blik in haar ogen, alsof de man er iets aan kon doen. Koolmeesjes en musjes vlogen af en aan naar het vergeten weg te halen voederbolletje. Een moeder met een kinderwagen.
Een groepje meisjes kwam de bocht om fladderen, zo langzaam als mogelijk fietsend. Het waren meisjes van veertien. Ze waren gekleed in sportbroekjes, paardenstaarten en spillebenen. Ze waren druk in een waarschijnlijk nietszeggend gesprek verwikkeld en hadden geen tijd om ook nog om zich heen te kijken. Gelukkig woonde de man in een erg rustige straat. Het kon wel even.
Plotseling riep het meisje dat voorop fietste heel hard en enthousiast achterom: Wíe heeft er zin in morgen?!
En alle meisjes in de colonne achter haar riepen al even luidkeels: Jéééééé!
Het leek wel een ouderwets meisjesboek, al ontbrak dan misschien een joehoeoe!
De man was benieuwd wat de meisjes morgen zouden gaan doen. Maar van hem mocht het nog wel even vandaag blijven. Met zóveel zin in morgen kon er vandaag niet al te veel meer fout gaan, dacht hij.

woensdag 7 mei 2014

Flashback

Steeds groter, werden zijn zonen, en er was niks aan te doen. Het ging gewoon vanzelf. Je hield het niet tegen, zeiden de mensen dan. En dat mocht je ook niet willen natuurlijk, maar de man wilde het soms toch. Daar schaamde hij zich trouwens niet voor ook. Want waarom moest alles maar voorbijgaan de hele tijd? En waarom zo snel? Wat was daar het nut van? Of had het een reden?
Het was heus niet dat hij zijn jongens, nu ze voltijdspubers waren geworden, niet meer leuk vond. Of minder leuk. Welnee, hij blééf er af en toe in, dat zat wel goed, hij amuseerde zich kostelijk. Maar hij vroeg zich ook weleens, meer dan eens weemoedig af waar zijn enthousiaste, immer bedrijvige jongetjes toch plotseling gebleven waren. Zijn mannetjes, die altijd overal zóveel zin in hadden dat het er allemaal niet meer ín leek te passen. Die altijd voor hem uit liepen te rennen en te draven, omdat ze niet konden wáchten. Die overal op en in en overdoor en onderheen moesten. Vol overgave. Dezelfde overgave die nu alleen nog maar was weggelegd voor dingen met een schermpje. Goed, de man gaf het toe, daar werd hij bij gelegenheid dan ook wel eens iets anders dan weemoedig van.
Toch waren ze er heel af en toe nog wel hoor, de kleuters van weleer. Je moest er een beetje geluk voor hebben om het te zien, maar: het gebeurde. Vandaag bijvoorbeeld. Vanwege de vakantie waren zijn vrouw en de man een dagje op stap met hun jongens, en nu liepen ze, zoals dat tegenwoordig vaak ging, twee aan twee, op zoek naar een terras of zoiets. Voorop liep zijn vrouw met de oudste, zij bepaalde het tempo. Daarachter volgde de man met de jongste, die de turbulentste verandering doormaakte, deze dagen. De man moest soms wel twee keer kijken, naar zijn bloedeigen zoon, of hij het wel was. Ook omdat hij zijn markante lange, blonde manen af had laten knippen. Weinig veerkrachtig maar niet onwelwillend liep hij daar, naast zijn vader, wat al mooi was, voor een veertienjarige. Ze passeerden een schoolplein dat met boomstammen en stronken en dikke touwen tot avontuurlijk bedoeld speelterrein was heringericht. En daar was hij dan, vanuit het niets, zijn jongste kleuter. In het stakige lijf van een puber, okay, en met bijna de stem van een man, maar toch: het was hem duidelijk. Met precies dat aanstekelijk enthousiasme van vroeger stortte hij zich op het parcours. Als vanouds vol overgave overal overdoor en onderheen. De man stond erbij en keek ernaar. Heel even overwoog hij zijn vrouw te roepen, dat zij het ook kon zien. Maar toen was het alweer voorbij.