maandag 28 april 2014

Luxeprobleem

Terwijl hij instapte wist de man dat hij het al ergens gelezen had ook: de schoonmakers van de NS waren in staking. Het was de coupé wel aan te zien, en niet alleen de zijne. Tjongejongejonge. Van voor tot achter en van boven tot beneden lag de hele trein bezaaid met oude kranten en al of niet leeggegeten plastic verpakkingen waar van alles of nog wat had ingezeten, van maaltijdsalades en broodjes gezond tot chocolade-ijs en gebak.
Snoepwikkels, soms nog niet eens tot prop verfrommelde papieren zakken, ingeknepen drinkpakjes met een rietje, opengescheurde dozen, plastic boodschappentassen en tasjes, chipszakken, platgetrapte chips, blikjes, plastic flesjes, zakjes drinkontbijt, sinaasappelschillen voor de vitaminen, dropjes, een tandenborstel, een aangevreten croissant. Enzovoort uiteraard.
Halflege, nog nadruppelende koffiebekers hadden grillige en kleverige, zwart geworden sporen over de vloer getrokken. Lusteloos rolden bierflesjes heen en weer op de maat van de rit.
Wat opviel was dat de troep voornamelijk op de grond lag, en verder nog op de trappen en de uitgeklapte tafeltjes stond uitgestald, of op de zitbanken rondslingerde, maar dat de prullenbakken van de trein nou niet bepaald uitpuilden. Sterker nog, de meesten daarvan waren leeg. Dat gaf te denken, vond de man.
In deze treurigstemmende vuilnisbelt moest hij dus een plekje zoeken. Wat hij dan maar deed. Net als alle andere reizigers die onderweg instapten. Een vreemd verschijnsel eigenlijk, overdacht hij. Iedereen accepteerde de situatie zo te zien zoals die nu eenmaal was. Nog niet eens gelaten, ging dat er aan toe. Er kwam geen enkele emotie bij kijken. Goed, er klonk misschien een sporadisch afkeurend geluidje hier of daar, maar de meeste reizigers reageerden maar nauwelijks op wat zij toch ook moesten zien. Wat al te erg in de weg lag schoven ze met een achteloze voet onder de bank en verder deden ze of het er niet was. Alsof er niets aan de hand was. De schoonmakers staakten ja, en dan ziet een trein er zo uit. Dus.
Ze pakten hun mobiel, openden een blikje, of een plastic flesje en haalden een plastic doos met een croissant tevoorschijn. Of met een donut. Of een appelflap.
Grommend dacht de man dat als híj schoonmaker bij de NS was, hij óók in staking zou gaan. En dat hij het dan zou verdommen weer aan het werk te gaan vóórdat iedereen zijn eigen zooi had opgeruimd. Loonsverhoging of niet.

zaterdag 26 april 2014

De vader van Ricardo

Ik heb hem maar één keer héél kort ontmoet, en dat is járen geleden. Toch denk ik nog vaak aan de vader van Ricardo. Altijd als ik mijn voicemail wil afluisteren namelijk, want daar staat hij, in het telefoonboek van mijn telefoon: bij de V, van vader. Vlak boven voicemail, vandaar.
Ik weet dus niet eens hoe hij heet, behalve dan: vader van Ricardo. De naam die kinderen elkaars ouders geven, om er van af te zijn. Hoewel ik ‘de vader van’ zelf altijd als een eretitel heb beschouwd.
Maar goed.
Ricardo was korte tijd een vriendje van mijn oudste zoon, dat die dag voor het eerst bij ons over de vloer lag, om met de playmobil te spelen. Wat nogal bijzonder was, omdat we hier nog maar net woonden, en het dus leuk was dat er meteen al een nieuw vriendje in beeld was.
Zijn vader had Ricardo met de auto gebracht. Omdat Ricardo nou eenmaal niet op de fiets was, maar misschien ook wel omdat hij even wilde zien aan wiens zorg hij zijn zoon zou toevertrouwen. We maakten dus ook een aftastend praatje, zoals dat dan gaat, terwijl onze zonen het spel vast begonnen. Wij waren juist verhuisd, vanuit de grote stad, en ik was als man dan thuis met de kinderen.. onderwerpen genoeg voor wat verkennende vragen. De vader van Ricardo was dan weer net gescheiden en had daar zonder mijn vragen al het nodige over te vertellen. Nee, erg vrolijk was hij niet. Waar het praatje ook iets ongemakkelijks van kreeg.
Bij het afscheid had hij zijn telefoonnummer gegeven, voor als Ricardo eerder naar huis wilde dan nu werd afgesproken. Of voor als er iets anders was. Maar alles verliep voorbeeldig die middag, dus ik had het nummer niet nodig. Ook daarna heb ik het nooit gebruikt. Ricardo was verder eigenlijk altijd bij zijn moeder en bovendien beklijfde de vriendschap niet. Ricardo verdween weer uit beeld. Later zelfs ook letterlijk omdat zijn moeder, met Ricardo en zijn broer maar zonder hun vader, naar de andere kant van het land verhuisde, om met een nieuwe vriend samen opnieuw te beginnen. De vader van Ricardo, hoorde ik nog weer later, heeft het allemaal niet kunnen verwerken en pleegde zelfmoord.
Een triest verhaal, waar ik eigenlijk niets mee te maken heb. Behalve dan dat de vader van Ricardo, omdat ik het oneerbiedig vind hem nu nog te wissen, dus nog altijd in mijn telefoon staat. En ik daardoor nog vaak aan hem denk.
Ik hoop maar dat hij daar wat aan heeft.

donderdag 24 april 2014

Kijk

Zo, de wasmachine stond te draaien, de kop was eraf. De man zat in de tuin, met zijn koffie, een beetje om zich heen te kijken. Hij zat moed te verzamelen om zich zometeen weer in zijn eeuwigdurende verbouwing te storten, op zolder inmiddels. Het was niet dat hij er geen zin in had, maar het was ook niet dat hij stond te trappelen. Dat had hij wel vaker. En met meer.
De tuin was op zijn mooist, deze dagen. Alles zat fris in het groen en vol in de knop en begon onstuimig en veelbelovend uit te lopen. Er zat een snufje zomer in de lucht.
Twee pimpelmeesjes stortten zich zijn blikveld in, zoals pimpelmeesjes dat doen: opeens zijn ze er. Vrolijk hipten en fladderden ze van paaltje naar stokje naar takje. Ze konden gaan zitten waar ze wilden, er was geen takje of stokje zo dun dat het doorboog. Met aandoenlijk draaiende koppetjes inspecteerden ze hoekjes en gaatjes, of er iets van hun gading in verborgen zat. Om te eten waarschijnlijk, er zou wel kroost gevoerd moeten worden. En als er ergens een plekje was waar toevallig geen takje of stokje voor hing, om er even in te kunnen kijken, dan bleven ze er als een kolibri voor hangen, gewoon in de lucht, met bijna onzichtbare vleugeltjes.
De man zat al dat tere gedoe en gescharrel zo’n beetje aan te kijken, stilletjes, om de vogeltjes niet te verjagen, en werd toen overvallen door een duidelijk waarneembaar gevoel van diep geluk.
Kijk, dacht hij, kijk. Als het nou zó makkelijk was, waarom kostte het hem dan toch vaak zo’n moeite?

dinsdag 1 april 2014

Eén beschuitje maar

Het was niet slim om ziek te worden, als huisman. Daar had helemaal niemand wat aan. En jijzelf, als huisman, al helemaal niet. De man wist het ook wel, van andere keren, maar je had het niet altijd in de hand natuurlijk. Dus nu was hij ziek. Gedverdemme.
Als zijn vrouw ziek was, belde ze vanuit haar bed haar werk, dat ze vandaag niet kwam, en morgen misschien ook wel niet, trok de dekens nog eens over het hoofd, draaide zich nog eens om, om er de rest van de dag niet meer uit te komen. Daar was je ziek voor tenslotte, nietwaar.
De man bracht haar dan een ontbijtje op bed, een beschuitje met een kopje thee met honing, een gepeld mandarijntje, een beboterd stukje ontbijtkoek. En in de loop van de dag liep hij regelmatig even naar boven, of ze nog iets anders wilde. Een kopje koffie, een boterhammetje, een glaasje water misschien? Hij luisterde geduldig naar haar gekreun en gezucht en gesteun van waar het allemaal pijn deed wanneer ze wat en hoe bewoog. ’s Avonds bezat hij zijn ziel in lijdzaamheid wanneer ze zielig met een dekentje op de bank naar een hele slechte film met heel veel reclame zat te kijken.
Als zijn jongens ziek waren verliep het ongeveer hetzelfde, al kozen die liever voor het wat zichtbaarder ziek zijn, met hun dekbed en flink veel kussens op de bank, midden in de kamer, waar ook de televisie en de snoeptrommel  binnen handbereik stonden. En ook nu zette de man zijn plannen voor de dag zonder mopperen opzij om zorgzaam met bekertjes karnemelk, beschuitjes  en sinaasappeltjes te redderen. Naar het geweeklaag te luisteren en bezorgd aan voorhoofden te voelen.
Nu de man ziek was, was er niemand die tijd had om hem een beschuitje te smeren, of een kopje thee te brengen. Laat staan met honing erin. Een vluchtig kusje op zijn voorhoofd kon hij krijgen, want zijn vrouw moest gewoon naar haar werk. Dag schat, en sterkte hè. Zijn oudste zoon kwam bezorgd vragen of zijn groene polo al gewassen was, omdat hij die vanmiddag weer aan moest, voor zijn baantje. De jongste bromde cool dat hij zich maar rustig moest houden vandaag en toen de voordeur voor de derde keer was dichtgetrokken, was de man alleen. Alleen met zijn koortsig, onwillig lijf. Niemand die luisterde naar zijn gekreun en gesteun dan hijzelf. Knap chagrijnig werd hij ervan.
’s Avonds, tegen etenstijd, belde dan zijn vrouw. Niet om te vragen of ze misschien iets te eten mee zou nemen, uit de stad, zoals hij opeens even hoopte, maar om te zeggen dat ze iets later was. Dan kon hij daar rekening mee houden, met koken.
Nee, ziek kon je maar beter niet worden, als huisman. Daar had je echt alleen jezelf maar mee.