maandag 17 maart 2014

Sex 'n drugs 'n rock 'n roll

Ze waren een avondje uit geweest, met het gezin. In de hoofdstad. En nu stonden ze in een propvolle tram terug naar de auto, zoals dat gaat in tijden van betaald parkeren. Niettemin was de man in een opperbeste stemming, want niet alleen was het een leuke avond geweest, het was, nu hij sinds kort zijn rijbewijs had, ook zijn debuut als bob vanavond. Dat vond hij ook wel wat hebben. Ja, dat droeg bepaald bij aan de stemming. Niet omdat zijn vrouw nu laveloos naast hem in de bijrijdersstoel in slaap zou vallen, want zo was zijn vrouw nou eenmaal niet, maar omdat hij zichzelf er opeens zo bíj vond horen, op de één of andere manier.
De tram was gevuld met kosmopolitisch uitgaanspubliek. Niet het vroege, ingedronken uitgaanspubliek op weg naar Sodom en Gomorra, maar schouwburgpubliek, na een verantwoorde avond op weg naar huis. Of terug naar de auto natuurlijk. Keurig netjes. Lange jassen, grijze kapsels, beleefde conversaties. Het betere publiek.
Oók in de propvolle tram, in een klein eilandje van leegte, stond een misplaatste, wat mistroostige punker. Of het een jongen of een meisje was, viel niet zo één twee drie vast te stellen, maar de man gokte op een jongen. Een jochie, eigenlijk meer. Een klassiek stijl-icoon, geheel volgens de regels van het genre opgetuigd. Een authentiek stukje 1976, al was de jongen toen voorlopig nog niet geboren. Een rode, schots geruite broek met ritsen op rare plaatsen, een niet al te wit t-shirt met onleesbare opdruk, een zwart leren jas met zelfverzonnen opschrift, zwarte doc martens, afgetrapt uiteraard; her en der een verzameling buttons die de man niet allemaal op zijn gemakkie durfde te gaan staan lezen maar waarvan er ééntje het favoriete sex n drugs n rock n roll memoreerde; en piercings natuurlijk, al was de veiligheidsspeld in de evolutie blijkbaar afgevallen. Zwarte ringetjes en dingetjes door neus, oren, lippen, wenkbrauwen en Sid mag weten waar nog meer. Tussen zijn zwart-omrande ogen was er één een beetje ontstoken. Als kroon op de groezelige verschijning stond een hanekam van zeker dertig centimeter. Al was de fut er een beetje uit inmiddels, zo laat op de avond. Die hing al bijna net zo mistroostig opzij als de punker zelf. Zeer nadrukkelijk stond de jongen er hier niet bij te horen. Alles aan hem was afgewend, behalve zijn rooddoorlopen ogen. Die waren meer neergeslagen, vond de man. Zijn blik was eerder verlegen dan het voorgeschreven boos. Laat staan brutaal.
Eén halte vóór de man en zijn gezin checkte de punker uit. Pieiep. Aan de rand van de stad. Waar op dit tijdstip zéker niks meer te beleven viel, voor een punker. Die woonde hier dus ergens. In een keurige woning. Met keurige ouders.
Zijn zonen hadden de verschijning ook gezien. Vet falend, was het eigentijds oordeel. En, vroeg zijn jongste zoon zich hardop af, wat zouden die jongen zijn ouders daar nou wel niet van vinden? Wat, vroeg hij nu zijn vader af, zou de man doen wanneer dit zijn zoon was geweest?
De man hoefde daar niet over na te denken. Hij zou zijn armen om de afhangende schouders slaan en zijn zoon stevig tegen zich aan drukken. Hij zou hem een zoen op zijn bleke wang geven en zachtjes fluisteren: Jongen toch. Lieve, lieve jongen toch.

3 opmerkingen:

  1. Het is weer een ontroerend verhaal. Je mag hopen dat de jongen thuis een warm nest heeft.... .

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Ach... Hopen maar dat ie een lief ouderpaar heeft :-)

    BeantwoordenVerwijderen
  3. Ontroerend. Dat is het.
    Aangezien ik eerst de eindzin las, en toen pas het hele verhaal, wachtte ik bij lezing tevergeefs op de omhelzing die de punker (van wie toch?) te wachten stond. Helaas, het was slechts wishful thinking. Toch mooi.

    BeantwoordenVerwijderen