dinsdag 25 maart 2014

Tja

In zijn eeuwigdurende verbouwing kwam het zo uit dat de man vandaag op zolder met dozen aan het schuiven was. Om ruimte te maken voor weer andere dozen, die ergens anders vreselijk in de weg stonden te staan en die nu, op een andere plaats, waar ook geen ruimte was, een nieuwe plek moesten krijgen. Een ingewikkeld en tijdrovend proces dat nu al jaren aan de gang was op steeds minder oppervlak omdat zijn huis hoe dan ook toch op steeds meer plekken af begon te komen. Of iets dat daar bij in de buurt kwam in elk geval.
Nu was hij dan op zolder op zoek naar dozen die in de nieuw gebouwde kast op de overloop gestald konden worden. In zijn toekomstige werkruimte, die bijna af was. De nieuw gebouwde kast was nog veelbelovend leeg.
Van veel dozen wist hij niet precies wat erin zat. Er stond wel van alles op gekalkt, met halflege stift en links geschreven, maar daar was ook het meeste weer van doorgehaald, met potlood of ballpoint of zelfs alleen een nagel, en de ervaring leerde dat het één noch het ander per se klopte. In de meeste dozen, kortom, kon eigenlijk alles wel zitten. Of niet. Openmaken bleef de beste optie om het zeker te weten.
En zo kwam het dat de man nietsvermoedend een doos opende en onverwacht oog in oog zat met zijn jongste zoon. Een foto uiteraard, want zijn jongste zoon zat in het echt gewoon op school. Een foto van zijn jongste zoon. Toen die zijn lange haren nog had. Toen die nog klein was, en geen puber. Toen die nog wel eens tegen zijn vader aankroop, op de bank, om voorgelezen te worden. Toen die zijn vader nog onvoorwaardelijk zag als de man die alles kon en alles wist en alles durfde. Vrolijk en onverschrokken keek hij, vanuit de doos, zijn vader aan, dwars door de tijd heen.
En ja hoor, dáár werd de man, op zijn hurken tussen de dozen op zolder, overvallen door zijn eigen tranen, en een ontregelend gevoel van heimwee of weemoed of verlatenheid, of alles tegelijk, hij wist het niet precies. Het stemde hem een soort van treurig in elk geval. Want het was misschien nog niet eens zo’n heel oude foto, en verder was er natuurlijk ook gewoon helemaal niks aan de hand, het was alleen zo voorbij. Zo onherroepelijk voorbij.

maandag 17 maart 2014

Sex 'n drugs 'n rock 'n roll

Ze waren een avondje uit geweest, met het gezin. In de hoofdstad. En nu stonden ze in een propvolle tram terug naar de auto, zoals dat gaat in tijden van betaald parkeren. Niettemin was de man in een opperbeste stemming, want niet alleen was het een leuke avond geweest, het was, nu hij sinds kort zijn rijbewijs had, ook zijn debuut als bob vanavond. Dat vond hij ook wel wat hebben. Ja, dat droeg bepaald bij aan de stemming. Niet omdat zijn vrouw nu laveloos naast hem in de bijrijdersstoel in slaap zou vallen, want zo was zijn vrouw nou eenmaal niet, maar omdat hij zichzelf er opeens zo bíj vond horen, op de één of andere manier.
De tram was gevuld met kosmopolitisch uitgaanspubliek. Niet het vroege, ingedronken uitgaanspubliek op weg naar Sodom en Gomorra, maar schouwburgpubliek, na een verantwoorde avond op weg naar huis. Of terug naar de auto natuurlijk. Keurig netjes. Lange jassen, grijze kapsels, beleefde conversaties. Het betere publiek.
Oók in de propvolle tram, in een klein eilandje van leegte, stond een misplaatste, wat mistroostige punker. Of het een jongen of een meisje was, viel niet zo één twee drie vast te stellen, maar de man gokte op een jongen. Een jochie, eigenlijk meer. Een klassiek stijl-icoon, geheel volgens de regels van het genre opgetuigd. Een authentiek stukje 1976, al was de jongen toen voorlopig nog niet geboren. Een rode, schots geruite broek met ritsen op rare plaatsen, een niet al te wit t-shirt met onleesbare opdruk, een zwart leren jas met zelfverzonnen opschrift, zwarte doc martens, afgetrapt uiteraard; her en der een verzameling buttons die de man niet allemaal op zijn gemakkie durfde te gaan staan lezen maar waarvan er ééntje het favoriete sex n drugs n rock n roll memoreerde; en piercings natuurlijk, al was de veiligheidsspeld in de evolutie blijkbaar afgevallen. Zwarte ringetjes en dingetjes door neus, oren, lippen, wenkbrauwen en Sid mag weten waar nog meer. Tussen zijn zwart-omrande ogen was er één een beetje ontstoken. Als kroon op de groezelige verschijning stond een hanekam van zeker dertig centimeter. Al was de fut er een beetje uit inmiddels, zo laat op de avond. Die hing al bijna net zo mistroostig opzij als de punker zelf. Zeer nadrukkelijk stond de jongen er hier niet bij te horen. Alles aan hem was afgewend, behalve zijn rooddoorlopen ogen. Die waren meer neergeslagen, vond de man. Zijn blik was eerder verlegen dan het voorgeschreven boos. Laat staan brutaal.
Eén halte vóór de man en zijn gezin checkte de punker uit. Pieiep. Aan de rand van de stad. Waar op dit tijdstip zéker niks meer te beleven viel, voor een punker. Die woonde hier dus ergens. In een keurige woning. Met keurige ouders.
Zijn zonen hadden de verschijning ook gezien. Vet falend, was het eigentijds oordeel. En, vroeg zijn jongste zoon zich hardop af, wat zouden die jongen zijn ouders daar nou wel niet van vinden? Wat, vroeg hij nu zijn vader af, zou de man doen wanneer dit zijn zoon was geweest?
De man hoefde daar niet over na te denken. Hij zou zijn armen om de afhangende schouders slaan en zijn zoon stevig tegen zich aan drukken. Hij zou hem een zoen op zijn bleke wang geven en zachtjes fluisteren: Jongen toch. Lieve, lieve jongen toch.

vrijdag 14 maart 2014

Met een mens

Opgewekt ging de man op weg, al had hij een reis van twee uur voor de boeg. Met het openbaar vervoer, ook nog. Maar.. hij ging vanavond uit eten met zijn dochter, die hij een tijd niet had gezien, dus hij verheugde zich erop. Lekker een vaderlijk avondje gezellig bijpraten.
Nog geen vijf minuten was hij onderweg of een nogal ontnuchterend omroepbericht gooide roet in het eten. Er was een aanrijding met een persoon geweest, verderop, en het treinverkeer was gestremd. Er reden voorlopig geen treinen naar waar de man moest zijn.
Een aanrijding met een persoon. Dat was een eufemisme, dat wist iedereen. Het had, vond de man, altijd iets vreemds, wanneer dat zo werd omgeroepen. Een aanrijding met een persoon. Het had iets ongepasts, wanneer dat zo weinig discreet over de perrons en door de coupé werd gegalmd. Daar hadden al die passagiers, die dat nu allemaal voor het thuisfront in hun telefoontjes stonden te herhalen, een aanrijding met een persoon, eigenlijk niets mee te maken. Vond hij. Ook vanwege het gemopper en geklaag dat dan op die mededeling volgde. Van mensen die nu een half uurtje om moesten rijden, via een ander station. Of wat langer moesten wachten, op het perron in de zon. Die verontwaardigd niet begrepen dat er na een kwartier nog geen bussen waren ingezet.
Twee meisjes werden zelfs zeer verongelijkt schijtziek van mensen die voor de trein sprongen. Daar konden ze dus echt geen medelijden mee hebben, lieten ze luid en duidelijk horen. Konden die losers er thuis dan geen einde aan maken, waar niemand er last van had. Waar zíj er geen last van hadden.
Nou ja, de man vond het ook vervelend natuurlijk, dat zijn reis nu werd onderbroken. Dat hij eigenlijk beter rechtsomkeert kon maken. En hij vond voor de trein springen nou ook niet echt een discrete manier om het leven te beëindigen. Toch kon hij ook niet anders dan bedenken hoe eenzaam en ellendig iemand zich moest voelen om die sprong te maken. En hoe eventuele achterblijvers zich altijd zouden blijven afvragen waarom. Hoe een machinist iemand al zag staan, en wíst wat er ging gebeuren vóór dat het was gebeurd, maar niets meer kon doen om dat te voorkomen.  Die dat maar moest zien te verwerken. En dan was de man eigenlijk blij dat híj alleen maar een half uurtje hoefde te wachten. En alleen maar weer naar huis hoefde. Naar zijn vrouw, en zijn kinderen. 

woensdag 12 maart 2014

Geen mooie jonge vrouw

In de tram van afgelopen zaterdag zat dus al een mevrouw, met een zeer gewijde glimlach, in het boekenweekgeschenk te lezen. Die was er vlug bij geweest, had de man nog gedacht. Als de kippen, zogezegd. De boekenweek was nog maar net opengeslagen, bij wijze van spreken. Als ze niet uitkeek had ze het al uit voordat ze er gratis mee de trein in kon, want dat kon ook nog, binnenkort, had hij gehoord. Gratis in de trein met een mooie jonge vrouw.
Een spotje op de radio, was dat geweest. Van de NS. En de boekwinkel natuurlijk. De man had zich bij het horen van zoveel joligheid nog afgevraagd of Tommy Wieringa nou de expliciete opdracht zou hebben gekregen een boekje met juist die titel te schrijven. Een Mooie Jonge Vrouw.
Het maakt geen donder uit waar het over gaat, mijnheer Wieringa, dat mag u verder helemaal zelf uitmaken, u bent de kunstenaar tenslotte, als het maar wel: Een mooie jonge vrouw heet. Kunnen we dat zo afspreken? Dan is de opdracht voor u.
Omdat dat zo geinig klonk, voor de pr: Gratis in de trein met een mooie jonge vrouw. Ohlala.
Het zal wel niet, al zou het de man ook niet verbazen, in Nederland kruideniersland.
Maar goed, als de mevrouw niet uitkeek moest ze het boekje nog een tweede keer lezen om er gratis mee de trein in te kunnen, want zo’n mevrouw leek het hem wel. Zeker. Dus hij hoopte maar dat het een beetje de moeite waard was, het boekenweekgeschenk.
Zelf had hij het nog niet. Hij wist ook niet of het er van ging komen. Niet omdat hij iets tegen Tommy Wieringa had, integendeel, maar omdat hij het altijd iets buitengewoon lulligs vond hebben om nou uitgerekend in de boekenweek een boekje te gaan kopen, van twaalf euro vijfenzeventig , voor het gratis boekenweekgeschenk. Daar voelde de man zich toch een beetje.. een beetje te.. ja, een beetje te.. ja, wat eigenlijk? Hij wist het zelf niet eens. Maar hij kon er niks aan doen.

dinsdag 11 maart 2014

Carpe Diem V

Zondagochtend was het, al schoot het al een eind op naar de zondagmiddag ook hoor, maar goed, daar was het zondag voor. De man zat achterin zijn tuin, in het zonnetje. Kopje koffie erbij en een boek op schoot. Zijn gezin was, geloof het of niet, naar de schaatsbaan. Om te schaatsen. De man begreep er weinig van. De hele winter, of wat daar dit jaar dan voor doorging, hadden ze niet naar hun schaatsen omgekeken, maar nu hij godzijdank toch echt duidelijk voorbij was en je eindelijk weer in je hempie in de tuin in de zon kon zitten, moest er plotseling ieder weekend geschaatst worden.
Nou ja, hij trok zich er verder weinig van aan. Net zo min als van alle noeste voorjaars-werkgeluiden trouwens, die onverdroten uit de tuinen om hem heen opklonken. Overal werd geklopt en geveegd en hogedrukgereinigd.
Ze gingen hun gang maar, dacht de man. Zelf had hij ook wel een lijstje met karweitjes, die hij nu zou kunnen doen. Het was zelfs een vrij indrukwekkende lijst. Hij hoorde zijn verbouwing heus wel zeuren. En de ongevouwen was. En allerlei andere plannen. Maar hij zou toch zeker hartstikke gek zijn om nu niet lekker in het zonnetje te blijven zitten. Met een kopje koffie erbij. En een boek op schoot. Morgen was er weer een dag. En je moest maar weer afwachten wat voor weer het dan weer was.