dinsdag 9 april 2013

Getuige

Het was heus niet dat hij de boel in de gaten zat te houden, achter zijn raam. Nee, hij zag het toevallig. Hij zat aan de computer, aan zijn bureau, en dat stond nou eenmaal bij het raam. Vandaar dat hij het zag. Bij toeval. Het was ook niks bijzonders eigenlijk. Gewoon een auto. Een keurig nette, witte, geparkeerde auto, aan het randje van zijn blikveld. De man kende de auto niet, zag hij. Niet dat dat nou zo veel zei, hij kende lang niet alle auto’s in de straat, maar het was niet de auto van de buren. Of de buren verderop. Dat wist hij dan nog wel.
Maar goed, wat het vooral opvallend maakte, was dat er twee jongens in de auto zaten. Opgeschoten jongens, zogezegd. Jongens met petjes, en capuchons. De jongens kende de man ook niet. Scheef- en onderuitgezakt zaten ze in hun auto, en wachtten.
Nou wilde de man er niet meteen wat achter zoeken, want zo wilde hij niet zijn. Al die jongens hadden petjes en capuchons en rijbewijzen en spiksplinternieuwe auto’s tegenwoordig, en verveeld en ongeïnteresseerd waren ze ook bijna allemaal, het waren dus heel gewone jongens. Vond de man dat hij moest vinden. En dat vond hij ook wel, maar toch zat hij de boel nu opeens wel in de gaten te houden, achter zijn raam. Zo was hij dan blijkbaar ook weer, of hij nou wilde of niet.
En zo zag hij dat er even later een tweede auto stopte. Ook een keurig nette, witte auto. Deze tweede auto stopte op de weg, naast de geparkeerde eerste. Hier hadden de jongens duidelijk op gewacht want ze kwamen meteen in beweging. Ze stapten uit en deden de achterklep open. Tegelijk stapten uit de tweede auto een volwassen man, een derde jongen en een meisje uit dezelfde leeftijdscategorie. Het was plotseling een drukte van belang in zijn anders zo rustige straatje. Ook van de tweede auto ging de achterklep open. Uit de achterbak van beide auto’s kwamen nu een aantal traytjes met bloempotjes tevoorschijn. Van die vierkante, wit plastic bloempotjes die met zijn tienen of met zijn twaalven aan elkaar vast zitten. In traytjes. En in elk bloempotje zat een plantje. De man had er weinig verstand van, maar het leken hem zeer onschuldige plantjes. Gewoon, blauwe druifjes of sneeuwklokjes of iets van die aard. Hij zag ook geen verschil tussen de plantjes uit de ene of de andere auto, eerlijk gezegd. Toch gingen de plantjes van de ene auto in de achterbak van de andere. En vice versa. Waarna iedereen weer in zijn eigen auto stapte en om de beurt in de zelfde richting verdween.
Van dit alles was de man per ongeluk, bij toeval, vanachter zijn raam getuige geweest. Hij vroeg zich alleen wel af wáár hij nou in vredesnaam getuige van was geweest.

4 opmerkingen: