vrijdag 17 februari 2012

Appeltjes

Tegenover hem in de trein zaten een jongen en een meisje. Een jaar of twintig waren ze, dacht de man, misschien nog niet eens. Naast hem stonden, hoogopgestapeld, hun plastic tassen. Van kledingwinkels. Ze waren wezen shoppen, in de stad. Op het tafeltje van de vierzitter stond een aangebroken plastic verpakking voorgesneden fruit, er zat nog een bodempje in. De rest was opgegeten, waarschijnlijk. Toch zagen ze er niet heel gezond uit, de jongen en het meisje. Bleek, waren ze, met een slechte huid. Alsof ze leefden op een ranzig dieet van marsen en nutsen en broodjes hamburger met friet en bier en sigaretten. Maar dat was dus niet zo, want ze aten ook fruit, al was het uit plastic.
De jongen had precies goed iets te lang haar, net niet rood, dat geheel volgens de geldende regels vanuit één punt op het achterhoofd zoveel mogelijk naar voren was gekamd. Af en toe ging zijn bleke hand er zorgvuldig, bijna liefkozend doorheen, om te checken of het nog wel raar genoeg zat. Hij was gekleed in een hip geruit jasje dat veel te koud was voor de tijd van het jaar en een ooit felgekleurd maar nu verwassen t-shirt. Als hij opstond zou zijn spijkerbroek uiteraard afzakken.
Het meisje had een grote bos onwillige, wijduitstaande peper en zout krullen die ze steeds opnieuw met mollige vingertjes achter haar oren probeerde te houden, maar het was te veel, en te onwillig. Ze had een beetje een mopsneus en droeg een strakke glimmende rok over een strakke glimmende broek, een poncho-achtig wintergewaad  met ook nog heel veel gehaakte sjaal. Alles zwart. Zwart als haar blik.
Ze hoorden bij elkaar, de jongen en het meisje, maar dat was nú al niet meer van harte. Met donkere, boze ogen keek het meisje de nacht in, buiten, achter het raam. Ze had een ontevreden trek om haar mond, die daar zo te zien al een tijdje zat. Nee, dat was niet van vandaag alleen. Die zat daar al een tijdje. Als die er nog maar af ging, dacht de man. En de jongen dacht het misschien ook wel. Misschien dat hij daarom wat hulpeloos, geslagen bijna, met een lege, lijdzame blik de andere kant op zat te kijken. Een beetje zakkig, eigenlijk. Dat zou dus ook zomaar de reden van de ontevredenheid van het meisje kunnen zijn. Die eeuwige lijdzame blik. Die zakkigheid. De man wist het niet. De jongen ook niet. Hij stak maar eens een stukje fruit in zijn mond. Het meisje zag het nurks gebeuren, ze wierp één blik van weerzin opzij, naar de jongen, en keek toen nóg verbetener naar buiten, waar niets te zien was dan haar eigen ontevredenheid.
‘Zit niet zo te vréten’, spuwde zij dan toch fluisterend haar gal. ‘Je bent toch geen koe?’
De jongen keek blanco voor zich uit. Hij had geen andere keus dan kauwen. En slikken.
‘Je lijkt wel een koe’, ging het meisje verder. Ze pakte het fruitbakje op en hield het de jongen onder de neus, of eigenlijk meer onder de kin. ‘Ben je soms een koe?’, schudde ze het bakje voor hem heen en weer.  ‘Eet het dan op..’
Voorzichtig schudde de jongen zijn hoofd. Hij hoefde niet meer.
‘En waarom laat je alle appeltjes liggen?’, bitste ze door, maar antwoord hoefde ze niet. ‘Als je maar niet denkt dat ik die straks allemaal weg ga gooien’.
Ze zette het bakje weer neer, nog altijd ontevreden. Maar ze had voor nu haar zin, wat het ook geweest was.

3 opmerkingen:

  1. Je weet het weer beeldend te vertellen, ik zit het met ingehouden adem te lezen. En koe kan trouwens heel smakelijk smakkend eten ;-D.

    BeantwoordenVerwijderen
  2. En ik die dacht dat koeien gras aten.

    BeantwoordenVerwijderen