zondag 30 oktober 2011

In de duisternis

Omdat de man zich de laatste tijd dan toch maar weer plichtsgetrouw in zijn eeuwigdurende verbouwing had ingegraven, was zijn gezin er een dagje zonder hem op uitgetrokken. Naar de stad. Om te winkelen. Zijn gezin vond dat eerlijk gezegd nooit een probleem. Zo konden ze tenminste zonder gezanik en gezeur zo véél winkels in en uit als ze maar wilden en er nét zo lang tussen de schappen en de rekken blijven rondhangen als hun hebberige hartjes begeerden.
Ondertussen hield de man thuis zijn hart vast. Want hij wíst wel in welke winkels ze bij voorkeur terechtkwamen: de winkels waarover hij het hardst zanikte en zeurde uiteraard. De winkels waar ze vaak ook maar nauwelijks schappen en rekken hadden, trouwens. Waar de goedkope zooi zó uit de slordige stapel kapotte kartonnen dozen verpatst werd.
Steevast kwam zijn gezin na zo’n dagje uit opgetogen thuis met prullen en bullen waarvan de man het héél erg moeilijk vond zijn onenthousiasme erover voor de gezelligheid zolang even onder stoelen of banken te steken. Omdat hij namelijk zó al kon zien dat je dat dus nóóit van zijn levensdagen in elkaar zou krijgen, dat het van pure ellende waarschijnlijk vandaag nog uit elkaar zou vallen, en in géén geval zou doen wat de gescheurde verpakking in slecht gespeld nederlands beloofde. Maar zijn gezin vond dan eensgezind dat hij niet zo moest zeiken omdat het gewoon hartstikke leuk was en het heel goedkoop was geweest. Waarop de man dan meestal zijn tong maar afbeet omdat hij zelf eigenlijk ook geen zin had in het schuimbekkend verhaal dat hij dáárover af zou kunnen steken.
Vandaag was het een groene, plastic lamp met een hengsel. Met natuurlijk een handvol batterijen erin. Handig, vond zijn vrouw, voor als de jongens het groenafval  ’s avonds naar buiten moesten brengen, nu het weer vroeger donker werd. Vooral omdat de buitenlamp in de tuin kapot was, een koopje uit een vorige ronde die hij trouwens helemaal nóóit had zien branden. Uiteraard gaf de handige groene plastic lamp met hengsel óók geen licht. Ook niet toen de man het losgerammelde fietslampje weer in de te ruime, kartonnen fitting had teruggedaan. Ook niet toen hij het buitengewoon lullige en nu al metaalmoede schakelaartje een beetje had verbogen en ook niet toen er een nieuwe handvol batterijen in was gedaan. Zijn vrouw begreep er niks van, want in de winkel deed hij het juist zo goed. Dat had ze nog zó geprobeerd.
De man hield als gewoonlijk wijselijk zijn mond. Hij zei niks. En hij had níet de indruk dat er ook maar íemand was die hem hoorde brommen

zaterdag 29 oktober 2011

Op de cent

Briesend van verontwaardiging kwam zijn oudste zoon thuis uit school. De Aldi, was zijn boos besluit, was géén leuke winkel. Nou was de man die mening al járen toegedaan, of nog wel langer zelfs, brak hem de bek niet open, maar tot nog toe had hij in de veronderstelling geleefd dat hij, in elk geval in eigen kring maar misschien wel op de hele wereld, de enige was die de zaken zag zoals ze waren: de Aldi was géén leuke winkel. Dat was trouwens nóg zachtjes uitgedrukt. De Aldi! Man! Jaaa, daar kon je hem ’s nachts voor wakker maken hoor, om dáár over te mopperen. Maar goed, nu was hij natuurlijk benieuwd waarom zijn zoon zo opeens van gedachten was veranderd.
De Aldi, bracht zijn jongen voor de zekerheid eerst nog maar even in herinnering, was toch de énige winkel die nog muntjes van één cent accepteerde? Beweerde de Aldi altijd? Nou, mooi niet dus! Was hij daar namelijk speciaal direct uit school even langsgegaan, om een chocoladeletter van zestig cent te kopen, en die wilde hij dus betalen met de zestig losse centen uit zijn spaarpot. Was hij daar ook meteen vanaf want wat moest hij daar verder mee, als toch niemand ze nog wilde hebben? Het bleef wel geld tenslotte en dit had hem wel een mooie oplossing geleken. Maar de Aldi wilde ze dus ook niet hebben. Maximaal vijf per keer, was de regel. Had de mevrouw van de kassa gezegd. En regels waren weer eens regels natuurlijk. En in tijden als deze konden er natuurlijk ook geen uitzonderingen worden gemaakt. Oók niet voor jongetjes van dertien die met zestig losse centen uit hun spaarpot een chocoladeletter wilden kopen. Nee, kom zeg! Straks wilde íedereen ál zijn boodschappen alléén nog maar met losse centen betalen. Als we dááraan gingen beginnen. Stel je toch eens voor!
Zijn zoon vond het eigenlijk het ergste dat hij die chocoladeletter nu dus met een briefje van vijf had moeten betalen. Dat was, zo mopperde hij nog even door, dus wéér een briefje van vijf naar de maan. Nóóit, nóóit, nóóit ging hij nog naar de Aldi, was zijn boze slotakkoord. En de man gaf hem geen ongelijk. Zijn zestig centen raakte hij nooit meer kwijt, maar een principe mocht wat kosten.

dinsdag 11 oktober 2011

Het nut van nat

Het was nogal waaiierig weer dus al zag de lucht er grijzig en dreigend uit, de man had zijn was buiten hangen. Wat stond dat toch lekker landelijk, die wapperende en bollende doeken en broeken en hemden in de wind. Aan het eind van de dag zou het hele zaakje mooi droog zijn en kon hij het meteen opruimen. En om goed van de gelegenheid gebruik te maken, had hij ook gelijk maar lekker veel gewassen.
Uiteraard hield hij de toestand buiten wel de hele dag nauwlettend in de gaten, bij de eerste de beste druppel zou hij de hele zooi binnen de kortste keren binnen hebben. Maar vooralsnog leek het mee te vallen met de voorspelde regen. Volgens buienradar, hét hulpmiddel voor de moderne huisman, kon hij zelfs wel veilig even snel een paar boodschapjes doen. Monter sprong hij op de fiets, met zijn boodschappentas vol statiegeldglas en zijn boodschappenlijstje. Wat was hij toch goed en doortastend bezig, vond hij zelf dan maar, bij gebrek aan andere bewonderaars.
Uiteraard was het na de eerste winkel toch al voorzichtig begonnen met regenen en had hij zich hijgend en puffend en mopperend op buienradar naar huis gehaast om te redden wat er te redden viel en net zo uiteraard was het zodra hij de boel binnen had staan meteen weer gestopt ook. Maar gelukkig had het op de terugweg van de rest van de boodschappen zó ongenadig geplensd dat hij zeiknat thuis kwam. Was het toch niet voor niets geweest allemaal.

maandag 10 oktober 2011

Ongeremd

Háaáaí, riepen de meisjes elkaar verrukt, extatisch wuivend toe, door de vroege maar al donkere avond. Háaáaí! Zoals alleen meisjes dat konden. Op het hysterische af, vond de man eerlijk gezegd, maar goed, ze waren blij elkaar te zien, wilden ze elkaar en de wereld maar even laten weten.
Het ene meisje liep over de stoep met een enorme schoudertas te zeulen, het andere meisje, met al net zo’n enorme tas aan haar schouder, fietste onverlicht en telefonerend de andere kant op, en omdat de straat een beetje schuin afliep had ze een aardig vaartje ook. Even stoppen, om haar zo te horen toch superhartsvriendin-voor-altijd wat uitgebreider te begroeten en wat langer te spreken, deed ze niet.
We bellen, joelde ze nog wel achterom.  Ik kan nu niet stoppen, want ik heb geen rem op mijn fiets.
Waarna ze zich nog altijd half omgedraaid alweer doortelefonerend zonder aarzelen de eerstvolgende kruising op stortte.
Meisje toch, meisje toch, dacht de man. Want ja.. wat kon hij anders denken.

vrijdag 7 oktober 2011

Last

In de trein had de man eigenlijk altijd wel iets om zich aan te ergeren. Dat zat bij de prijs inbegrepen, als het ware.  Dat begon soms al bij het inchecken, waarvan hij zich dan bijvoorbeeld al meteen weer afvroeg waarom dat in het engels moest. Wat er dan mis was met het nederlandse woord ‘aanmelden’. En waarom hij, als abonnementhouder, met negen euro op zijn kaart tóch geen ritje van twee euro veertig mocht maken, van de ns. Waarom de helft van de trein vaak de hele weg leeg moest blijven, op een handjevol onderuitgezakte conducteurs na, terwijl de andere helft zó vol hing met doorgesnoven en volgezopen uitgaansjongeren dat er niet eens meer een conducteur dóór kon, al zou die dat durven.
Verder zat er natuurlijk altijd wel iemand met zijn schoenen op de stoel, was er altijd wel iemand die de laatste drie plaatsen nodig had voor zijn tas en zijn jas en zijn das, en liet iedereen ook altijd wel overal zijn voddige gratis krantjes slingeren, en halfleeg gedronken blikjes en flesjes staan.
Om over de ongewenste intimiteit  van al die opdringerig luidruchtige telefoongesprekken maar niet eens te beginnen.
Hoewel.. nu zat er vlak naast hem, aan de overkant van het gangpad, dus ook weer een meisje te bellen. Diep in elkaar gedoken schermde ze haar telefoontje af met haar haar en haar hand, en voerde ze héél zachtjes een gesprek. Héél zachtjes. Zó zachtjes dat je het eigenlijk niet hoorde. Geruisloos als een ademtocht fluisterde ze haar onhoorbare woorden.
De man verstond er helemaal níks van. Hij kon zelfs niet eens uitmaken of het lieve woordjes waren, die ze lispelde, of dat er iemand de huid vol werd gefluisterd. En eerlijk gezegd vond hij dat dus ook behoorlijk ergerlijk.

woensdag 5 oktober 2011

Lesuitval (We hebben -)

Nu zijn jongens almaar groter en zelfstandiger werden, wilde de man wel eens wat sentimenteel, melancholiek haast, terugblikken op de goeie ouwe tijd. De gouden jaren dat ze allebei nog klein en lekker thuis waren de hele dag, de hele week, de hele maand. Het hele jaar. En zíjn leven vrij overzichtelijk bestond uit bekertjes melk, schone luiers en voorleesboekjes. Wandelingetjes door het park en de boodschappen.
Waar was die tijd eigenlijk gebleven, vroeg hij zich dan af. Toen hij er nog middenin zat, leken de dagen soms wel niet óm te komen, en nu opeens was het alweer bijna vroeger. Toen ze nog klein waren. En verlangde hij er dus nog wel eens uitgebreid naar terug.
Tja.
Vanochtend kwam zijn oudste zoon, zeker niet voor de eerste keer in zijn nieuwe leven als middelbare scholier, na een half uurtje heen en weer fietsen alweer onverrichterzake terug op het nest, wegens lesuitval. Om voor de komende tweeëneenhalf uur op de bank neer te zijgen en zich minzaam kopjes thee, glaasjes limonade en biskwietjes aan te laten reiken. En al liggend het programma en het ritme van zijn vader in de war te schoppen.
Je zou verwachten dat de man dat dan dus reuze gezellig zou vinden, zijn jongen in elk geval de halve dag weer lekker thuis.
En dat vond hij ook hoor. Zeker.
Maar het was toch anders.

dinsdag 4 oktober 2011

Prullaria

Niet alleen de man, zéker ook zijn vrouw, maar voorál zijn jongens hadden de dus blijkbaar erfelijke neiging om álles maar dan ook álles achter hun kont te laten slingeren. Of zolang even ergens neer te leggen, aan te hangen of op te zetten, en stráks wel op te ruimen maar niet heus. Er was in het hele huis geen horizontaal oppervlak te vinden dat niet van voor tot achter lag volgestouwd met .. ja.. met wát eigenlijk? Met dingetjes en dangetjes. Prullen en spullen en andere zooi die weliswaar niet weggegooid mocht of kon worden, maar waar ook niet meer naar werd omgekeken. Ook omdat het al gauw weer uit beeld verdween natuurlijk, achter en onder en tussen een nieuwe lichting vondsten en schatten. Opgeraapt van straat, gevonden in het bos, gekregen van een vriendje, meegenomen van een dagje uit of een weekendje weg, zelfgemaakt op school of bij papa in het schuurtje. Steentjes, stokjes, schelpen, muntjes, postzegels, propjes, doosjes, potjes zand. Bloemetjes, blaadjes, eierschalen. Veren, honingraat, wespennest. Balletjes, palletjes, schroefjes en touwtjes. Plastic driddeltjes, wrangertjes en korken. Zelfgeknipte en geplakte en getekende kunst, getimmerd, geknutseld, geknoopt en gesoldeerd.
Enfin, het is duidelijk. Je kon het zo gek niet verzinnen of het stond of het lag of het slingerde ergens in huis. Het liefst in wankele stapels. Of het hing of het leunde daar weer tegenaan. Voor zolang. En meestal in tweevoud of meer. En de enige die zich er af en toe aan stoorde, was de man. Logisch, die sleet zijn dagen in die chaos. Die liep er de godganse dag over te struikelen. Die moest er steeds omheen en tussendoor met de stofzuiger. En die wilde er dan ook nog wel eens stiekem de bezem doorhalen, zo heel af en toe maar hoor.
De mooiste kostbaarheden schikte hij dan opzichtig opnieuw in gezellige uitstallinkjes hier en daar, in een poging de aandacht af te leiden van het feit dat de grootste rotzooi in de vuilniszak was verdwenen. Maar daar kwam hij eigenlijk nooit mee weg. Want telkens bleek dat wat op het eerste, tweede én derde gezicht een onoverzichtelijke puinbak leek, dus eigenlijk een uiterst zorgvuldig bijgehouden archief was.
Ook nu weer. Zijn oudste zoon was nog niet thuis of hij bespeurde al onraad. Met argusogen wees hij op een lege plek in huis. Dat hij dáár zijn katapult had neergelegd, die hij zelfgemaakt had, wist papa nog wel? Van een verkommerd elastiek en een kromme tentharing. En verdomd als het niet waar was, die had daar inderdaad gelegen. Zeker een maand of drie. Onder een stapel andere troep. Of papa soms wist waar die was.
En ja, dat wist papa dus wel, inderdaad. En hij had er ook meteen al weer spijt van, dat dan weer wel, maar hij zei het maar liever niet. Dat leek hem niet verstandig.

zondag 2 oktober 2011

Bakkie troost

Met al dat terrassenweer de laatste tijd, waren zijn vrouw en de man dus ook zomaar op een terrasje op het plein terechtgekomen. Om eerst maar eens even een bakkie te doen. Kijk, daar zaten ze, in het ochtendzonnetje. Heerlijk.
Eén cappuccino en een koffie verkeerd, noteerde het meisje op haar computertje, lusteloos en wel. Maar goed, het was nog vroeg op de dag en het was vast geen pretje om dan al te moeten werken, en saaie bestellingen op te moeten nemen van oude mensen die allemaal maar vrij waren het hele weekend.
Of ze dat meteen even kon afrekenen, stelde het meisje in één moeite door op geroutineerde toon eigenlijk geen vraag.
Verbaasd keken zijn vrouw en de man eerst elkaar en daarna het meisje aan. Afrekenen?? Er víel toch nog helemaal niets af te rekenen? Ze záten er net. Of waren ze soms per ongeluk in de omgekeerde wereld terechtgekomen? En moesten ze straks pas, als ze hun koffie op hadden, hun bestelling plaatsen? En dan nu inderdaad als eerste betalen. Voor iets dat in het verleden nog moest komen. Of zoiets.
Maar het meisje vond het duidelijk de normaalste zaak van de gewone wereld. Ze verblikte noch verbloosde, en wachtte stuurs maar geduldig op haar nog niet verdiende geld.
Of dat gebruikelijk was, maakten zijn vrouw en de man de vraag dan maar iets concreter, om te betalen vóórdat je je bestelling had gekregen? Vertrouwde het meisje hen soms niet? Was ze bang dat ze er zonder betalen plotseling vandoor zouden gaan? In een dolle bui?
Dat het op álle terrassen zo ging, kon het het meisje allemaal maar weinig schelen. Dat was efficiënter. Dan hoefde zij als het druk was niet steeds opnieuw naar binnen om bonnetjes te halen voor klanten die wilden afrekenen en hoefden de klanten die wilden afrekenen ook niet zo lang te wachten op hun bonnetje, als het druk was, lepelde ze verveeld de vreemde redenering op. Zijn vrouw en de man keken zo veelbetekenend mogelijk het niet eens voor de helft gevulde terras rond, maar regels waren nou eenmaal regels.
Dat het wél een beetje klant-onvriendelijk was, brachten ze tenslotte dan nog maar naar voren.
En ja, dat móchten ze vinden, van het meisje. Dus dat was mooi. Dat kwam goed uit. Want dat vónden ze namelijk ook.